B- 01a. Bijlage 1 - hondenbeleid en protocol bijtincidenten.docx
Tekst van het document
BIJLAGE 1 – Hondenbeleid in Gouda In de stad worden ruim 3.000 honden gehouden. Voor het welzijn van mens en hond is het van belang om een gedegen beleid te voeren.
Openbare inrichting voor honden
Elke hond heeft voldoende beweging nodig om gezond te kunnen zijn. Een goede hoeveelheid en soort beweging aanbieden aan een hond zijn een belangrijk onderdeel van verantwoord hondenbezit. Het voorkomt een welzijnsprobleem bij de hond en het voorkomt ook ongewenst gedrag waar de omgeving hinder van kan ondervinden. Uit onderzoek van de Hondenbescherming is in 2009 echter gebleken dat honden in Nederland te weinig bewegen. Meer dan de helft van de honden beweegt minder dan een uur per dag. Meer dan een op de vijf honden beweegt zelfs minder dan een half uur op een doordeweekse dag. Dit kan leiden tot verveling, ongewenst gedrag en welzijnsproblemen voor de hond. Het is daarom van groot belang dat de stad voldoende gelegenheid biedt aan hondenbezitters om hun honden te kunnen uitlaten en te laten spelen. Het huidige beleid voor de gehele stad betreft een aanlijngebod en opruimgebod. Bovendien zijn sommige gebieden, zoals kinderspeelplaatsen, aangewezen als verboden plekken voor honden, zoals aangegeven in de APV. Lang niet overal zijn losloopgebieden op loopafstand. En ook zijn niet alle losloopgebieden veilig genoeg: Honden kunnen soms zo de weg oprennen. De gemeente moet de openbare ruimte diervriendelijk inrichten, onder andere door deze te voorzien van voldoende uitlaatplekken en uitrengebieden voor honden.
Het is van belang dat de gemeente in overleg met de bewoners het hondenbeleid evalueert en aanpast. Goede voorzieningen en voorlichting bestrijden overlast, en zorgen voor hondenbeleid dat bevredigend is voor alle inwoners van de gemeente.
Losloop- en uitlaatbeleid
De APV schrijft voor dat honden in de openbare ruimte altijd aangelijnd moeten zijn, tenzij anders aangegeven. Een uitzondering geldt voor speciaal voor honden aangewezen plaatsen zoals hondenuitlaatplaatsen. Door middel van indeling in zones moet duidelijk worden gemaakt of honden welkom zijn en of zij vrij rond mogen lopen: 1) Losloopgebieden waar honden kunnen rennen en spelen. Hier hoeven ze niet aangelijnd te zijn. Ook kunnen, waar mogelijk, zwemplekken worden gerealiseerd door oevers plaatselijk glooiend te maken en af te werken met erosiebestendige matten. 2) Uitlaatgebieden waar altijd geldt dat honden aangelijnd moeten zijn. Om het opruimen van hondenpoep te stimuleren staan er altijd voldoende afvalbakken in de openbare ruimte, waardoor een hondeneigenaar nooit langer dan een paar minuten met volle zakjes hoeft te lopen. Uitlaatgebieden moeten eveneens op loopafstand te bereiken zijn in elke wijk. 3) Wisselgebieden waar honden slechts in bepaalde perioden van het jaar niet zijn toegestaan. 4) Verboden gebieden, waar honden niet zijn toegestaan. Deze gebieden kunnen ook tijdens bepaalde periodes in het jaar toegankelijk voor honden zijn. Gebieden waar honden, al dan niet tijdelijk, de toegang kan worden verboden zijn: sportvelden, speelweides en –pleinen, schoolpleinen en gebieden waar zich broedende en rustende vogels bevinden. 5.
Omheinde speelterreintjes, waar alleen hondenbezitters en hun honden komen, met bankjes voor de hondenbezitters en natuurlijk een opruimplicht voor de eigenaren. Alleen toegankelijk voor honden die veilig omgaan met andere loslopende honden.
1
Het is belangrijk dat er voorlichting gegeven wordt over het gebruik van de openbare ruimte. Op de website en in de gemeentegids geeft de gemeente voorlichting over haar hondenbeleid. Ook maakt de gemeente een aangepaste ‘hondenplattegrond’ van de stad: een kaart waarop de losloopgebieden en speelterreintjes voor honden staan aangegeven en de gebieden waar een uitzondering geldt op de opruimplicht van hondenpoep. De gemeente zorgt bij losloop-, uitlaat- en wisselgebieden voor faciliteiten zoals borden en afvalbakken.
Natuurgebieden en honden
Natuurgebieden moeten worden beschermd. De uitvoering van de bescherming van landelijk en Europees aangewezen natuurgebieden ligt grotendeels bij de provincies. Zowel de mens als de hond kan schade toebrengen wanneer de mens zich in een natuurgebied niet aan de regels houdt. De reden voor een gebiedsverbod in de natuur is gelegen in preventie. De hond heeft een relatief geringe invloed op de vermesting en verzuring van natuurgebieden (Vertegaal 2010, Molenaar 1993). Toch moeten hondenbezitters ermee rekening houden dat hondenpoep geen natuurproduct is dat men kan laten liggen. De opruimplicht geldt ook in natuurgebieden en een overtreding van deze opruimplicht kan een boete opleveren. Het is belangrijk deze informatie ook over te brengen aan hondeneigenaren. Hierdoor kan de invloed van honden op natuurgebieden geminimaliseerd worden. Door het instellen van een zonering met plaatsen die verboden gebied zijn voor alle recreanten krijgen dieren de gelegenheid om te rusten en worden planten niet vertrapt. Rondom deze rustgebieden is recreatie, inclusief het wandelen met honden, wel toegestaan mits de recreanten zich aan de gedragsregels houden.
Gedragsregels
Op uitlaatgebieden van honden worden borden geplaatst waarop staat aangegeven wat de plichten van een hondeneigenaar zijn. Deze borden dienen in de hele stad hetzelfde te zijn om de duidelijkheid te vergroten.
Dakloze hondenbezitters
Onder de groep dakloze Gouwenaars bevinden zich ook hondenbezitters. Zij lopen naast de bovengenoemde knelpunten ook tegen andere problemen aan. De meest voorkomende problemen die dakloze hondenbezitters tegenkomen zijn het tekort aan winteropvang waar de hond welkom is, en problemen op het gebied van gezondheidszorg voor honden. De financiële situatie van daklozen zorgt voor een barrière als het om medische zorg gaat. Er zijn dierenartsen die rekening houden met de doelgroep en de ‘rekening’ er op aanpassen. De Dierenbescherming wordt soms benaderd als de dakloze helemaal geen geld heeft, om een regeling te treffen in verband met de kosten. Een ander probleem is dat het in het algemeen moeilijker is voor een dakloze om een traject te volgen (bijvoorbeeld verslavingszorg en opzetten van woontraject) wanneer deze een hond heeft, gezien de voorzieningen hier niet op zijn ingericht.
2
Agressieve honden
In heel Nederland worden jaarlijks ongeveer 150.000 mensen door een hond gebeten (gegevens 2006-2007). Het merendeel (66%) van de bijtincidenten is niet ernstig en vereist geen medische behandeling. Ongeveer een derde van de slachtoffers laat zich behandelen door een huisarts of bezoekt een afdeling spoedeisende hulp. In een periode van 25 jaar (tot 2006) hebben er 29 bijtincidenten met dodelijke afloop plaatsgevonden. In acht gevallen betrof het jonge kinderen. De overige 21 slachtoffers waren volwassenen. Agressief gedrag van honden komt ook voor in Gouda. Dit gedrag moet vooral worden bekeken in relatie tot de behandeling van de hond door de eigenaar. De eigenaar heeft de volle verantwoordelijkheid om de hond goed op te voeden en waar nodig bij zich te houden. De hond zal immers in de openbare ruimte overal mensen en honden tegenkomen. Uit onderzoek van TNS NIPO blijkt dat het grootste deel van de bijtincidenten in eigen omgeving plaatsvindt. De slachtoffers zijn dan vaak kinderen. Bijtincidenten in de openbare ruimte beslaan 30% van alle gevallen. Hierbij gaat het vooral om volwassenen die niet bekend zijn met de hond. Bijtincidenten in de openbare ruimte hebben veelal te maken met een gebrekkige opvoeding van de hond en eigenaren die zich onverantwoord gedragen.
Dit is echter niet altijd het geval; een bijtincident kan iedereen die een hond heeft of tegenkomt overkomen door een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Uit Belgisch onderzoek naar de toedracht van bijtincidenten bleek verder dat twee derde van de bijtincidenten (67%) door het slachtoffer bewust of onbewust werd uitgelokt. De belangrijkste factor is echter de eigenaar van de hond. Deze kan door een erkende gedrags- en opvoedcursus te volgen leren om op een juiste manier om te gaan met de hond. De kans op onvoorspelbaar gedrag van de hond neemt hierdoor af. Ook is er vaak sprake van uit het buitenland afkomstige getraumatiseerde zwerfhonden, die een lange aanpassingstijd nodig hebben voordat ze veilig met mensen en andere honden om kunnen gaan.
Aanpak in Nederland
Tot 2008 bestond de Regeling Agressieve Dieren (RAD). Toen uit een evaluatie van de Commissie van Wijzen bleek dat het aantal bijtincidenten in 15 jaar tijd niet was afgenomen is deze regeling afgeschaft. Ondanks het verbod op het fokken met pitbulls was het aantal pitbullachtige honden niet verminderd en het aantal bijtincidenten niet teruggedrongen. Dit komt door het niet naleven van het fokverbod enerzijds en anderzijds doordat niet alleen onder pitbulls maar ook onder andere honden bijtincidenten voorkomen. De gemeentewet en het Wetboek van Strafrecht bieden mogelijkheden om (eigenaren van) agressieve honden aan te pakken. Sinds 2008 ligt de aanpak van bijtincidenten vooral bij gemeenten. Op dit moment hanteren verschillende gemeenten verschillend beleid in het omgaan met bijtincidenten.
Aanpak in Gouda
In Gouda bestaat specifieke regelgeving voor het houden van dieren met agressief gedrag. Hierop is bijvoorbeeld het muilkorfbesluit in de APV gebaseerd. De APV ziet toe op gevaarlijke honden, die zo worden gekwalificeerd op basis van gedrag; niet op basis van ras. Wanneer het college van oordeel is dat een hond gevaarlijk of hinderlijk is, kan de eigenaar verplicht worden het dier kort aangelijnd of gemuilkorfd te houden. Het is van belang om een muilkorf te gebruiken die de hond zo min mogelijk aantast in het welzijn. Het LICG geeft informatie over verschillende typen muilkorven. Grofweg bestaan er twee typen: de robuuste korf die ruimte om de bek laat, en het ‘snuitje’, een zacht maar nauw aansluitend tuigje dat de bek feitelijk dichtknijpt. Hoewel veel mensen een echte korf een vervelende aanblik vinden, draagt deze voor de hond prettiger omdat de hond hierin goed kan ademen, hijgen (om warmte kwijt te raken is dit van groot belang) en drinken.
3
Wanneer er sprake is van een bijtincident wordt dit in Gouda voornamelijk afgehandeld via het strafrecht. Dat betekent dat honden in beslag worden genomen en naar een opslaghouder worden gebracht. Na enige tijd wordt het gedrag van de hond getest. Na testen volgt een beoordeling. Bij goed gedrag kan een nieuwe eigenaar worden gezocht. Bij constatering van onvoldoende goed gedrag is training nodig.
Naar een nieuwe aanpak
Omdat het gedrag van honden in hoge mate wordt beïnvloed door de eigenaar is het volgen van een kwalitatief hoogwaardige gedrags- en opvoedcursus door eigenaar en hond (in elk geval voor mensen die nog niet eerder een hond hebben gehad en van plan zijn een hond aan te schaffen) essentieel. In Zwitserland zijn hondeneigenaren dan ook verplicht om een opvoedcursus te volgen die verdeeld is in vijf theorielessen en vijf praktijklessen (Tierschutzverordnung, Artikel 68) Omdat een opvoedcursus preventief kan werken is het goed om deze ook in de gemeente Gouda te verplichten. De mogelijkheden hiertoe dienen onderzocht te worden. Via informatie op de gemeentewebsite kunnen mensen worden doorverwezen naar belangrijke adressen in het kader van de opvoeding en gedrag. In 2013 schreef de Raad voor Dieraangelegenheden (RDA) de zienswijze ‘Verantwoord honden houden’ in opdracht van de landelijke overheid. Hierin geeft de Raad enkele aanbevelingen voor verbeteringen van beleid ten aanzien van (bijt)incidenten met honden. De raad beschouwt het aanlijn- en muilkorfgebod als een tussenoplossing die na ieder bijtincident moet worden ingezet, en vindt dat daarnaast zoveel mogelijk gestreefd moet worden naar heropvoeding van de hond. Aan gemeenten adviseert de raad om het gemakkelijk te maken om melding (niet zijnde een aangifte) te doen van een bijtincident.
In gevallen van opzettelijk veroorzaakte, herhaalde of zeer ernstige incidenten kan via het strafrecht een tijdelijk of permanent houdverbod worden opgelegd. In de zienswijze staat ook de aanbeveling om een protocol in te stellen dat regisseert hoe wordt omgegaan met hond en eigenaar na een incident. Handhaving is een belangrijk thema als het gaat om een veilige stad. De aanbeveling om actief te handhaven op naleving van de APV is door zowel de Commissie van Wijzen (advies nr. 4) als de RDA opgenomen. Het opstellen van regels in de APV en de handhaving daarop zijn geheel aan de gemeenten overgelaten. Overtreding van het gebod kan worden gehandhaafd door middel van bestuursdwang of een last onder dwangsom. De RDA geeft voorts aan er voorstander van te zijn dat gespecialiseerde politie (Hondenbrigade, Dierenpolitie) en wijkagenten zorg dragen voor de handhaving. Overwogen kan worden om muilkorf- en aanlijngeboden op dezelfde manier kenbaar te maken als gemeentelijke omgevingsvergunningen zoals kapvergunningen, zodat voor een wijk zichtbaar is voor wie dit gebod geldt en sociale controle kan worden aangewend om handhaving te vergemakkelijken.
De werkgroep Hulp Inbeslaggenomen Honden stelt een protocol voor dat net als het protocol van de RDA erop aanstuurt om de eigenaar meer verantwoordelijk te stellen voor het gedrag van zijn/haar hond en bijtincidenten zoveel mogelijk af te handelen via het bestuursrecht, waarbij wordt voorkomen dat honden in beslag worden genomen. De eigenaar moet ervoor zorgen dat zijn/haar hond geen gevaar is in de openbare ruimte. Voor de meeste honden en eigenaren zou een muilkorfen aanlijngebod per direct na een bijtincident en een verplichte opvoed- of gedragscursus om de hond beter onder controle te krijgen afdoende zijn. Houdt de eigenaar zich hier niet aan, dan zou hij/zij juridisch aangepakt moeten worden. De eigenaar moet dan bij de training en test aantonen dat zijn/haar hond na een bijtincident weer zonder muilkorf- en aanlijngebod op straat kan lopen. Zo kunnen toekomstige bijtincidenten daadwerkelijk preventief worden tegengegaan. Bij duidelijke ongeschiktheid van de eigenaar kan het college het Openbaar Ministerie of de rechter verzoeken om de eigenaar, mede in het belang van de hond, een houdverbod op te leggen en de hond te laten herplaatsen.
4
Wanneer een hond lange tijd in de opslag heeft verbleven, levert een test niet altijd een betrouwbaar beeld op over het gedrag van de hond. Honden die gestrest zijn presteren vaak slechter tijdens de test, wat tot een voor de hond nadelige beoordeling kan leiden, met als eventuele consequentie euthanasie. Het is daarom van groot belang om de periode waarin de hond in de opslag moet verblijven zo kort mogelijk te houden en actief met de hond te werken aan terugkeer in de maatschappij. Dit sluit aan bij het volgende artikel uit het Besluit Houders van Dieren: Artikel 1.10. Gevallen waarin dieren mogen worden gedood Als gevallen als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de wet worden aangewezen gevallen waarin: a. een dier wordt gedood ter beëindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier; b. een dierenarts heeft vastgesteld dat doden in het belang van het dier is; c. dat doden bij of krachtens enig wettelijk voorschrift of ingevolge een EU-verordening is voorgeschreven; d. een dier wordt gedood ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier; e. een dier wordt gedood vanwege niet te corrigeren gevaarlijke gedragskenmerken. De toelichting op artikel 1.10 lid e. luidt als volgt: ‘Van niet te corrigeren gevaarlijke gedragskenmerken, genoemd onder e, is sprake indien door een deskundige is vastgesteld dat het dier een gevaar voor zijn omgeving oplevert.
Bovendien moet dit gevaar niet kunnen worden weggenomen door het volgen van cursussen of trainingen met het dier.’ Het bijtincidentenprotocol https://www.rda.nl/publicaties/zienswijzen/2015/09/24/zienswijzeverantwoord-honden-houden zoals aangedragen door de Raad voor Dieraangelegenheden kan een goede basis vormen voor een veilig en hondvriendelijk beleid. In elk geval dienen de volgende stappen als uitgangspunt te worden gehanteerd: A. De eigenaar is de verantwoordelijke voor het gedrag van de hond en dient hierop aangesproken te worden. Helaas zijn niet alle eigenaren in staat om deze verantwoordelijkheid te dragen; B. De intrinsieke waarde van de hond is leidend bij het bepalen van vervolgstappen na een bijtincident, er wordt gezocht naar een oplossing die zowel de veiligheid als het welzijn van de hond dient; C. Bijtincidenten dienen zoveel mogelijk via het bestuursrecht te worden afgehandeld;
Bestuursrechtelijke aanpak na een bijtincident.
1. Er wordt altijd melding gemaakt van bijtincidenten (zowel bijtincidenten met honden als met mensen of andere dieren); Opmerking: Het maken van een melding moet zo gemakkelijk en laagdrempelig mogelijk zijn. Dit moet op gemeentelijk niveau geregeld worden. 2. Na melding volgt direct een aanlijn- en muilkorfgebod voor de openbare ruimte voor zes maanden, zoals opgenomen in de APV. De eigenaar ontvangt dit gebod op schrift; 3. De dierenpolitie of BOA dierenwelzijn spreekt na de melding met de eigenaar. Op basis van dit gesprek wordt bepaald of een screening nodig is op bekwaamheid in het omgaan met de hond (in de openbare ruimte). Deze screening wordt uitgevoerd door een gekwalificeerde hondengedragsdeskundige; 4. - Wanneer een eigenaar na de screening niet bekwaam is bevonden wordt de eigenaar verplicht afstand te doen van de hond. De hond wordt voor herplaatsing en eventueel heropvoeding overgebracht naar het asiel; - Wanneer een eigenaar bekwaam wordt bevonden, wordt deze verplicht om op eigen kosten een opvoed-/gedragscursus te volgen. - Wanneer een eigenaar weigert een opvoed-/gedragscursus te volgen, geldt een blijvend aanlijn- en muilkorfgebod.
5
5. Indien de verplichte cursus met goed gevolg is afgerond, (en wanneer in het geval van reuen, de reu is gecastreerd), kan de eigenaar op eigen kosten een risico-inschattingstest laten uitvoeren die hij/zij samen met de hond aflegt. Reuen moeten minimaal een maand van tevoren zijn gecastreerd. De risico-inschattingstest wordt beoordeeld door een gekwalificeerde hondengedragsdeskundige. 6. - Indien de uitkomst van de risico-inschattingstest positief is, vervalt het aanlijn- en muilkorfgebod. De eigenaar ontvangt een schriftelijke bevestiging. - Indien de uitkomst negatief is, volgen aanwijzingen van de beoordelaar en blijft het aanlijnen muilkorfgebod van kracht. Bij niet opvolgen van de aanwijzingen is de eigenaar strafbaar. Na drie maanden krijgt de eigenaar gelegenheid voor een herkansing van de risicoinschattingstest op eigen kosten. Zolang geen positieve risico-inschattingstest is afgelegd blijft het aanlijn- en muilkorfgebod in de openbare ruimte van kracht. 7. In zeer zeldzame gevallen kan uit observatie en risico-inschattingstesten blijken dat de hond gestoord en onvoorspelbaar gedrag vertoont, dat niet is te verhelpen met trainingen of herplaatsing bij een andere eigenaar.
Wanneer al het mogelijke is gedaan om het probleemgedrag van de hond te verhelpen en een erkende gedragsdeskundige oordeelt dat de hond in die hoedanigheid en ondanks een aanlijn- en muilkorfgebod nog steeds een gevaar voor de samenleving vormt, alleen dan kan worden overgegaan tot euthanasie van de hond. Hier geldt artikel 1.10 lid e van het Besluit Houders van Dieren.
Strafrechtelijke aanpak na een bijtincident.
Deze aanpak is alleen geëigend • wanneer het gaat om een (vermoedelijk) moedwillig of zeer ernstig incident (bij besluit van het Openbaar Ministerie, na overleg met gemeente en politie); • na recidiverende bijtincidenten; • wanneer de eigenaar zich niet houdt aan een opgelegd aanlijn- en muilkorfgebod en/of extra maatregelen die zijn opgelegd in de bestuursrechtelijke procedure; • wanneer de eigenaar eerder met zijn/haar hond in een strafrechtelijke verzeild is geraakt; 1. De hond wordt in beslag genomen en door dierenpolitie of BOA’s dierenwelzijn naar de opslaghouder gebracht. Na inbeslagname wordt de hond zo snel mogelijk, en uiterlijk binnen 1 week beoordeeld door een erkende hondengedragsdeskundige. Deze bekijkt welke verzorging en training de hond nodig heeft tot aan de risico-inschattingstest; 2. Indien de in beslag genomen hond een reu is, wordt deze zo snel mogelijk gecastreerd, op kosten van de eigenaar. Tussen de castratie en het testen van de hond dienen vier weken verstreken te zijn in verband met de hormoonspiegel; 3. De inbeslagname duurt ten hoogste 4 weken; 4. De hond krijgt een eigen verzorg(st)er, wordt bij voorkeur samen met een andere hond in een kennel geplaatst en krijgt dagelijks minimaal een uur toegang tot een speelplaats. Daarnaast krijgt de hond dagelijks voldoende en passende beweging (minimaal een wandeling van een half uur). 5.
De in beslag genomen hond wordt intensief getraind tot aan het moment van de risicoinschattingstest. De eigenaar wordt hierbij betrokken. Deze wordt in elk geval een maal per twee weken geïnformeerd over de toestand van de hond en de voortgang van de training. 6. Er wordt een risico-inschattingstest gedaan door een erkende hondengedragsdeskundige, waaruit in elk geval moet blijken met welke trainingen van het probleemgedrag af kan komen en hoe groot de kans op recidive is. 7. - Wanneer de beoordeling uitwijst dat er een zeer geringe kans op recidive is, wordt de hond aan de eigenaar teruggegeven; - Wanneer de beoordeling uitwijst dat er een meer dan geringe kans is op recidive en de hond wel trainbaar wordt geacht, volgen aanwijzingen van de beoordelaar en gaat het
6
aanlijn- en muilkorfgebod van kracht. Na drie maanden krijgt de eigenaar gelegenheid voor een herkansing van de risicoinschattingstest op eigen kosten. Zolang geen positieve risico-inschattingstest is afgelegd blijft het aanlijn- en muilkorfgebod in de openbare ruimte van kracht. Bij niet opvolgen van de aanwijzingen is de eigenaar strafbaar. Bij onwil om aan de trainingen en het aanlijn- en muilkorfgebod mee te werken, gaat de hond in het asiel het traject van herplaatsing in. - In zeer zeldzame gevallen kan uit observatie en risico-inschattingstesten blijken dat de hond gestoord en onvoorspelbaar gedrag vertoont, dat niet is te verhelpen met trainingen of herplaatsing bij een andere eigenaar. Wanneer al het mogelijke is gedaan om het probleemgedrag van de hond te verhelpen en een erkende gedragsdeskundige oordeelt dat de hond in die hoedanigheid en ondanks een aanlijn- en muilkorfgebod nog steeds een gevaar voor de samenleving vormt, alleen dan kan worden overgegaan tot euthanasie van de hond. Hier geldt artikel 1.10 lid e van het Besluit Houders van Dieren. De Raad voor Dieraangelegenheden doet tot slot ook nog enkele aanbevelingen tot wijzigingen van artikelen in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering.
Doorvoering van deze suggesties betekent dat de eigenaar nog meer verantwoordelijk wordt gesteld voor zijn/haar omgang met de hond, wat in het belang kan zijn van de veiligheid en de hond of eventuele toekomstige honden. Het gaat onder meer om het strafbaar maken van ophitsen of onvoldoende terughouden van de hond jegens andere dieren en het sneller toepassen van een houdverbod. De gemeente kan bij het ministerie aandringen op doorvoering van deze wijzigingen, hierin gesteund door praktijkvoorbeelden uit Gouda.
7