AMBV lachgas
Tekst van het document
Uit de definitie van medisch hulpmiddel, zoals opgenomen in de Wet medische hulpmiddelen, volgt dat lachgas een medisch hulpmiddel is wanneer de belangrijkste beoogde werking van het lachgas niet met farmacologische of immunologische middelen of door metabolisme wordt bereikt. Als de belangrijkste beoogde werking van het lachgas wel wordt bereikt met farmacologische of immunologische middelen of door metabolisme, is het lachgas een geneesmiddel en geen medisch hulpmiddel. Of lachgas onder de Wet medische hulpmiddelen valt, is dus afhankelijk van het doel dat de fabrikant voor ogen heeft. Een voorbeeld van gebruik van lachgas dat onder de Wet medische hulpmiddelen valt, is het gebruik van lachgas bij cryochirurgie. Hierbij wordt de fysiochemische eigenschap van lachgas, in het bijzonder de zeer lage temperatuur van de stof, gebruikt voor lokale bevriezing van een deel van het menselijk lichaam als onderdeel van een behandeling. De Wet medische hulpmiddelen staat niet in de weg aan het aanvragen van een Opiumwetontheffing. 5. Gevolgen voor gemeentelijke regelgeving Inwerkingtreding van dit besluit heeft gevolgen voor de bestaande gemeentelijke regelgeving en de regelgevende bevoegdheid.
In lijn met de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bestaat namelijk geen ruimte voor Na inwerkingtreding van de Wet toetreding zorgaanbieders is het verbod op het aanwezig hebben, verstrekken of vervoeren van middelen op lijst I en II bij de Opiumwet niet van toepassing op ziekenhuizen die beschikken over een toelatingsvergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders. 16
18
gemeentelijke verbods- en strafbepalingen die voorschriften uit de Opiumwet dupliceren, ongeacht het motief dat daaraan ten grondslag ligt.17 Na de inwerkingtreding van dit besluit bestaat dan ook geen ruimte meer voor een gemeentelijk verbod dat zich specifiek richt op de verkoop van lachgas in (aangewezen delen van) de gemeente. Met de inwerkingtreding van dit besluit zullen dergelijke verboden overeenkomstig artikel 122 van de Gemeentewet van rechtswege vervallen. Nadien ingestelde verboden zullen overeenkomstig artikel 121 van de Gemeentewet onverbindend zijn. Ook vervalt om dezelfde reden de mogelijkheid – doch ogenschijnlijk ook de noodzaak – om de verkoop van lachgas te verbieden via een aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschrift of beperking. Het gaat bijvoorbeeld om voorschriften, verbonden aan een op een lokale verordening gestoelde evenementenvergunning, exploitatievergunning of ontheffing voor avondwinkels. Wel blijft er ruimte bestaan om voorschriften of beperkingen aan de vergunning of ontheffing te verbinden, op grond waarvan de houder een zogenaamde zorgplicht krijgt opgelegd om binnen diens mogelijkheden passende maatregelen te treffen om de mogelijke overlast in de openbare ruimte als gevolg van de verkoop of het recreatieve gebruik van lachgas te beperken.
Voor het overige heeft plaatsing van lachgas op lijst II bij de Opiumwet geen gevolgen voor bestaande gemeentelijke bevoegdheden. Het gaat dan bijvoorbeeld om handhaving op grond van een ventverbod of de algemene voorschriften ter voorkoming van overlast, gevaar of schade en om strafbaarstelling van gedragingen samenhangende met straathandel of het gebruik van lachgas. Voor de helderheid over de handhaving met het oog op het voorkomen van overlast vanwege de verkoop en het recreatieve gebruik van lachgas, wordt hierna kort ingegaan op de betreffende voorschriften. De bevoegdheid om ter bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat enkele gedragingen in de voorfase van ‘straathandel’ strafbaar te stellen wordt niet geraakt.18 In veel gemeenten is dit gedaan met een bepaling die naar inhoud en strekking vergelijkbaar is met artikel 2:74 van de model-APV van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (hierna: model-APV).19 Hierbij is geen sprake van duplicatie, aangezien gedrag strafbaar is gesteld dat nog geen overtreding van de Opiumwet inhoudt.20 Ook de nu al toegepaste bestuursrechtelijke handhaving door oplegging van een last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling van overtreding van het lokale verbod, blijft mogelijk.21 Hetzelfde geldt ten aanzien van de in veel lokale verordeningen opgenomen ‘maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade’, naar
inhoud en strekking vergelijkbaar met respectievelijk de artikelen 2:47, 2:49 en 2:50 van de model-APV. Dergelijke meer algemene verboden gelden ongeacht de toedracht van de overlast gevende, gevaarlijke of schadelijke gedragingen. Of de toedracht voortvloeit uit de verkoop of het gebruik van lachgas, of in het geheel niet, doet niet ter zake. De Opiumwet stelt verder het enkele gebruik van drugs niet strafbaar. Lokale verordeningen die het gebruik van (bepaalde vormen van) drugs verbieden vullen de Opiumwet slechts aan.22 De mogelijkheid hiertoe wordt door dit besluit dan ook niet geraakt. Veel gemeenten hebben omwille van het tegengaan van de daarmee gepaard gaande overlast al een gebruiksverbod in enigerlei vorm, vaak naar inhoud en strekking vergelijkbaar met artikel 2:74a van de model-APV. Afhankelijk van de exacte ABRvS 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1425. HR 17 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1779. 19 Wel geldt uiteraard dat lachgas na inwerkingtreding van dit besluit niet langer aan te merken zal zijn als ‘daarop gelijkend waar’, maar als ‘middel als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet’. 20 HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5725 en ABRvS 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9048 21 ABRvS 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:916 jo Rechtbank Gelderland 25 april 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1781. 22 HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3031. 17 18
19
formulering zal een dergelijk verbod na inwerkingtreding van dit besluit ook het gebruik van lachgas (kunnen) bestrijken. Eén van de wijzen waarmee in gemeenten tegen verkopers van lachgas wordt opgetreden is op basis van een ventverbod. In verschillende gemeenten bestaat een ventverbod dat naar inhoud en strekking vergelijkbaar is met artikel 5:15 van de modelAPV: venten is dan verboden op door burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde aangewezen plaatsen, dagen en uren. Hoewel handhaving van het ventverbod ogenschijnlijk overbodig wordt met het plaatsen van lachgas op lijst II bij de Opiumwet, komt deze mogelijkheid niet te vervallen. Een dergelijk ventverbod is in de eerste plaats niet ingegeven door wat er wordt verkocht, maar dat er enig goed wordt verkocht (gevent) op een plaats waar dat (voor de betrokkene) niet is toegestaan. Een dergelijk verbod is als aangegeven veelal ingegeven vanuit het oogpunt van de voorkoming van aantasting van de openbare orde (en mogelijk de bescherming van het woon- en leefklimaat). Met andere woorden: het object van het voorschrift (de genormeerde gedraging) is anders. Bovendien is het motief dat daaraan ten grondslag ligt (bescherming van de openbare orde) een andere dan dat ten grondslag ligt aan dit besluit (dat is ingegeven vanuit de substantiële risico’s voor de (volks)gezondheid en schade voor de samenleving).
De mogelijkheid om een ventverbod in te stellen en op grond daarvan óók ten aanzien van lachgasverkopers handhavend op te treden wordt dan ook niet geraakt door dit besluit. 6. Gevolgen voor uitvoering, toezicht en handhaving Met het opsporen van de in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten zijn belast de ambtenaren van politie, de aangewezen militairen van de Koninklijke Marechaussee, de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane (artikel 8k Ow). Door plaatsing van lachgas op lijst II bij de Opiumwet is de burgemeester op grond van artikel 13b Ow bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang, onder meer indien in woningen of lokalen of op bijbehorende erven lachgas wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Een burgemeester kan dus bijvoorbeeld tot sluiting van een woning of pand overgaan wanneer in dat pand in lachgas wordt gehandeld en betrokkene niet in het bezit is van een ontheffing voor het verrichten van handelingen met lachgas op grond van de artikelen 6 en 8 Ow, of het lachgas niet bestemd is voor technische doeleinden of als voedingsadditief. Zoals eerder opgemerkt doet de plaatsing van lachgas op lijst II vrijwel geen afbreuk aan de bestuursrechtelijke of strafrechtelijke handhaving op grond van andere wetten.
Dit betreft in de eerste plaats de handhaving van de meeste gemeentelijke APV’s, door de daartoe aangewezen handhavers. Handhaving van de openbare orde zal inzet van de gemeenten, het OM, en de politie vergen en in de lokale driehoek moeten worden besproken. De IGJ houdt toezicht op de naleving van de Opiumwet. De IGJ houdt ook toezicht op de naleving van de Geneesmiddelenwet en ziet daarmee toe op de naleving van het gebruik van medisch lachgas als geregistreerd geneesmiddel. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt toezicht op de naleving van product- en voedselveiligheidseisen die gesteld zijn op grond van de Warenwet. Deze eisen zijn van toepassing op lachgas als voedingsadditief – ongeacht de vorm waarin dit wordt verwerkt. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is toezichthouder op chemische en gevaarlijke stoffenregelgeving. Deze regelgeving is van toepassing op verschillende toepassingen van lachgas die met dit besluit van het Opiumwetverbod worden uitgezonderd. Een voorbeeld hiervan is regelgeving omtrent het veilige vervoer van lachgas, dit geldt voor alle toepassingen. De NVWA en ILT zijn niet belast met toezichthoudende taken in het kader van de Opiumwet. Dit betekent dat zij een signalerende functie hebben ten aanzien van het toezicht op de voorgestelde uitzonderingen.
Wanneer de NVWA of ILT bij de uitvoering van hun toezichthoudende bevoegdheid ten aanzien van respectievelijk de Warenwet en chemische en gevaarlijke stoffenregelgeving reden hebben tot twijfel omtrent het handelen van een bedrijf binnen 20
de in dit besluit opgenomen legale toepassingen van lachgas, kan de politie worden ingeschakeld. Omdat de IGJ toezicht houdt op de naleving van de Opiumwet en politie en OM belast zijn met opsporing en handhaving, geldt in het algemeen dat deze organisaties de aangewezen instanties zijn voor alle handelingen met lachgas die buiten de in dit besluit opgenomen uitgezonderde toepassingen vallen en strafbaar zijn op grond van de Opiumwet. De verhouding met andere nationale regelgeving laat zien dat binnen de uitgezonderde toepassingen de bestaande situatie voor de gevolgen van toezicht van kracht blijft. Figuur 2 hieronder geeft een schematische weergave van de situatie.
Figuur 2 Overzicht nationale regelgeving en toezichthouders aangaande lachgas 7. Gevolgen voor de regeldruk De inhoudelijke nalevingkosten en de administratieve lasten vormen gezamenlijk de kosten die samenhangen met de uit dit besluit voortvloeiende regeldruk. De regering streeft er naar de regeldruk voor burgers, bedrijven en professionals zo laag mogelijk te houden. Bij de uitwerking van het onderhavige besluit zijn bedrijven en professionals betrokken om tot een zo doeltreffend mogelijke aanpak, met een zo laag mogelijke regeldruk, te komen. Zowel in de vorm van de Werkgroep Eigenlijke Toepassing Lachgas als afzonderlijke gesprekken met partijen actief in de oorspronkelijke toepassing van lachgas. Het onderhavige besluit heeft primair gevolgen voor de regeldruk voor fabrikanten en groothandelaren van lachgas bestemd voor gebruik in de (dier)geneeskunde (waaronder ook het gebruik als medisch hulpmiddel valt), omdat zij een Opiumwetontheffing moeten aanvragen voor het in bezit mogen hebben, dan wel verrichten van handelingen met lachgas dat is bestemd voor medisch gebruik. In reactie op het advies van het Adviescollege Toetsing Regeldruk wordt onder paragraaf 9 toegelicht waarom ondanks de beperkte regeldruk die ontstaat de regering de ontheffingsplicht op grond van de artikelen 6 en 8 Ow niet buiten toepassing verklaart.
In mindere mate heeft het onderhavige besluit gevolgen voor producenten, verkopers en eindgebruikers van lachgas bestemd voor technische doeleinden en als voedingsadditief omdat deze toepassingen gelet op hun aard en omvang in algemene zin van het Opiumwetverbod worden uitgezonderd. Dit betekent dat die actoren die binnen de in dit besluit opgenomen kaders van deze toepassing handelen geen vergunning of ontheffing hoeven aan te vragen voor het in bezit hebben van, dan wel het verrichten van handelingen met lachgas. De regeldrukberekening is tot stand gekomen conform de kostenindicaties uit het Handboek Regeldrukkosten (2018). 7.1. Lachgas bestemd voor gebruik in de (dier)geneeskunde
21
Uit het onderhavige besluit volgt dat fabrikanten en groothandelaren een ontheffing moeten aanvragen voor het in bezit mogen hebben van, dan wel verrichten van handelingen met lachgas dat is bestemd voor gebruik in de (dier)geneeskunde (dit geldt voor zowel lachgas dat valt onder de Geneesmiddelenwet als onder de Wet medische hulpmiddelen). In Nederland wordt lachgas als (dier)geneesmiddel of als medisch hulpmiddel beperkt geproduceerd en gebruikt. Uit de geneesmiddeleninformatiebank blijkt dat er tien geregistreerde varianten van medisch lachgas bestaan, waarvan drie registratiehouders in Nederland zijn gevestigd. Voor deze drie registratiehouders geldt dat zij door het onderhavige besluit verplicht zijn een Opiumwetontheffing aan te vragen. Deze verplichting geldt onverminderd het al dan niet gelijktijdig produceren van lachgas dat bestemd is voor technische doeleinden of als voedingsadditief. Deze fabrikanten zijn van rechtswege bevoegd hun eigen geneesmiddelen te ver(groot)handelen. Niet eerder is op een medisch hulpmiddel ook de Opiumwet van toepassing geweest, waardoor tot op heden geen ontheffingen zijn verleend op grond van de artikelen 6 en 8 Ow voor medische hulpmiddelen.
Dit leidt echter niet tot een lastenverzwaring, omdat fabrikanten die lachgas produceren voor gebruik in de (dier)geneeskunde veelal lachgas produceren dat is bestemd voor gebruik als geneesmiddel als medisch hulpmiddel. Voor het opmaken van de regeldrukberekening wordt daarom uitgegaan van de drie registratiehouders van medisch lachgas die in Nederland zijn gevestigd. De drie bovengenoemde registratiehouders zullen volgens de reguliere procedure voor middelen op lijst I en II een ontheffing moeten aanvragen. Dit aanvraagproces start met kennisname van de wet- en regelgeving en het vergaren van de nodige aanvullende informatie. De betreffende organisaties zullen moeten vaststellen of zij voor hun activiteiten een ontheffing voor de productie of (tussen)handel in lachgas als stof op lijst II bij de Opiumwet zullen moeten aanvragen. Vervolgens dienen zij het desbetreffende aanvraagformulier met bijbehorende bijlagen in te vullen en te verzenden naar Farmatec. Deze aanvraag wordt voor advies voorgelegd aan de IGJ die een inspectie uitvoert. Dit inspectiebezoek duurt tussen de vier en zes uur. De beslistermijn voor de aanvraag is drie maanden. De ontheffing moet iedere vijf jaar worden verlengd. De tabel hieronder geeft een uitsplitsing van de regeldrukkosten. Eerste aanvraag (incidentele kosten) Onderdelen aanvraag Opiumwetontheffing lijst II (tijd x uurloon)
Kennis nemen van wetgeving en inwinnen nadere informatie en gegevens verkrijgen: 4 uur (hoger opgeleid personeel) x €54 = €216 Administratieve handeling, invullen aanvraagformulier, bijlagen, registratie: 30 min (administratief personeel) x €39 = €19,50 Controle: 45 min(leidinggevende/manager) x €77= €57,75 Begeleiding/toelichting tijdens inspectie, lezen en reageren inspectierapport: 90 minuten (hoger opgeleid personeel) x €54=€81
Subtotaal aanvraag Opiumwetontheffing lijst II Totaal
€374,27 Geraamde aantal nieuwe aanvragen ontheffing lijst II: 3 x kosten €-374,27 = €1.122,81
Verlengingsaanvraag (structurele kosten iedere 5 jaar) voor eerste aanvragers Onderdelen verleningsaanvraag Opiumwetontheffing
Kennisnemen van wetgeving en inwinnen nadere informatie: 2 uur (hoger opgeleid personeel) x €54 = €108
22
lijst II (tijd x uurloon)
Administratieve handeling (versturen wijzigingsaanvraag), registratie (administratief personeel): 30 min x €39 = €19,50
Totaal verlengingsaanvraag Opiumwetontheffing lijst II
Geraamde aantal verlengingsaanvragen per 5 jaar uitgaande van dezelfde eerste aanvragers: 3 x kosten €127,50 = €382,50
Naar verwachting zullen er slechts nieuwe ontheffingen worden aangevraagd en zullen er geen wijzigingsaanvragen worden ingediend bij het CIBG. Ook is er de categorie aanvragers die een in- of uitvoerontheffing nodig zullen hebben als gevolg van dit besluit. Deze ontheffing geldt voor iedere afzonderlijke in- of uitvoer, voor iedere nieuwe zending zal een nieuwe in- of uitvoerontheffing moeten worden aangevraagd. Organisaties die lachgas voor gebruik in de (dier)geneeskunde willen invoeren of uitvoeren zullen hiervoor een ontheffing aan moeten vragen. Lachgas dat bestemd is voor technische doeleinden of als voedingsadditief is uitgezonderd van het Opiumwetverbod. De instellingen die een in- of uitvoerontheffing willen aanvragen, kunnen dit alleen doen als zij reeds beschikken over een Opiumwetontheffing voor bezit van lachgas als stof op lijst II bij de Opiumwet. De aanvraag voor een in- of uitvoerontheffing dient te worden aangevraagd per brief aan het CIBG. In geval van uitvoer zal de aanvrager moeten aantonen dat de ontvanger in het buitenland gerechtigd is om het lachgas in te voeren, bijvoorbeeld door een letter of no objection. Naar schatting zal dit in de praktijk op laagdrempelige wijze mogelijk zijn, omdat lachgas in het buitenland doorgaans niet onder de Opiumwet of vergelijkbare regelgeving valt.
De aanvrager zal tevens bij zijn aanvraag moeten aantonen dat het belang van de volksgezondheid zich niet verzet tegen in- of uitvoer van het lachgas voor medisch gebruik. Aanvraag in- of uitvoerontheffing (incidenteel, per aanvraag) In onderstaande berekening wordt uitgegaan van tien aanvragen voor in-of uitvoerheffingen per jaar. Onderdelen aanvraag in-of uitvoer ontheffing (tijd x uurloon)
Kennisnemen van wetgeving en inwinnen nadere informatie: 2 uur (hoger opgeleid personeel) x €54 = €108 Administratieve handeling, invullen aanvraagformulier, bijlagen, registratie: 30 (administratief personeel) x €39 = €19,50 Controle: 45 min (leidinggevende/manager) x €77 = €57,55 Begeleiding/toelichting tijdens inspectie, lezen en reageren inspectierapport: 90 min (hoger opgeleid personeel) x €54 = €81
Totaal aanvraag in- of uitvoer heffing lijst II
Geraamde aantal in- of uitvoer heffingen: 10 x kosten €266,05 = €2.660,05
7.2 Lachgas bestemd voor technische doeleinden Omdat de technische toepassing van lachgas van het Opiumwetverbod wordt uitgezonderd, geldt geen ontheffing of vergunningplicht. Voor die partijen die handelen binnen het in dit besluit opgenomen kader, vloeien slechts beperkte inhoudelijke nalevingskosten voort. Het opnemen van een algemene uitzondering is voornamelijk ingegeven vanuit lastenbeperking. Gelet op de algemene uitzondering en de omvang van de uitgezonderde toepassing worden de kosten per bedrijf in kaart gebracht. Voor alle hieronder vallende bedrijven ontstaan eenmalige kennisname kosten. 23
Kennisname kosten per bedrijf (tijd x uurloon) Informeren personeel Totale kennisname kosten per bedrijf
Kennis nemen van wetgeving en inwinnen nadere informatie: 2 uur (hoger opgeleid personeel) x €54 = €108 30 min x €54 (hoger opgeleid personeel)= €27 Totaal geraamde kennisname kosten: €108 + totaal geraamde kosten informeren personeel: €27 = €135
Daarnaast vloeien uit het onderhavige besluit doorlopende business as usual kosten voort. De opgenomen voorwaarden zijn in grote mate gebaseerd op geïnternaliseerde normen van de sectoren zelf en met hun betrokkenheid tot stand gekomen. Gelet op de algemene uitzondering die in het onderhavige besluit wordt opgenomen en de omvang van uitgezonderde toepassing, worden de business as usual kosten per handeling in kaart gebracht.
Business as usual kosten per transactie tussen een producent en de eindgebruiker.
Opvragen (digitale) verklaring van eindgebruiker en (digitaal) afschrift van een uittreksel uit het Handelsregister van de KvK: 0,08 uur (5 min) x €39 (administratief personeel) = €3,12
Voor het gebruik van lachgas in het dragracen, vloeien uit het onderhavige besluit enkele nieuwe kosten voort. In onderstaande tabel wordt rekening gehouden met één organisator waarvoor eenmalig kennisnamekosten gelden, deze kosten zijn eenmalig. Kennisname kosten per bedrijf (tijd x uurloon) Informeren personeel Totale kennisname kosten per bedrijf
Kennis nemen van wetgeving en inwinnen nadere informatie: 2 uur (hoger opgeleid personeel) x €54 = €108 30 min x €54 (hoger opgeleid personeel)= €27 Totaal geraamde kennisname kosten: €108 + totaal geraamde kosten informeren personeel: €27 = €135
Daarnaast ontstaat voor de organisator van een dragrace-evenement aanvullende regeldruk. Hier wordt uitgegaan van een maximum van 200 KNAF-licentiehouders die aan een evenement kunnen deelnemen. De kosten van distributie van lachgas gedurende het evenement worden opgemaakt voor een evenement en zijn structureel. De totale omvang hangt af van het aantal evenementen. Opvragen licentie KNAF per deelnemer
0,08 uur (5 min) x €39 (administratief personeel) = €3,12
Totale regeldruk
Totaal aantal KNAF licentiehouders geraamd: 200 x geraamde kosten €3,12 = €624
7.3 Lachgas bestemd als voedingsadditief Omdat de toepassing van lachgas als voedingsadditief als bedoeld in dit besluit wordt 24
uitgezonderd van het Opiumwetverbod, geldt geen ontheffing of vergunningplicht. Voor die partijen die handelen binnen het in dit besluit opgenomen kader, vloeien slechts beperkte inhoudelijke nalevingskosten voort. Het opnemen van een algemene uitzondering is voornamelijk ingegeven vanuit het oogpunt van lastenbeperking. Gelet op de algemene uitzondering en de omvang van de uitgezonderde toepassing worden de kosten per bedrijf in kaart gebracht. Voor alle hieronder vallende bedrijven ontstaan eenmalige kennisname kosten. Kennisname kosten per bedrijf (tijd x uurloon) Informeren personeel Totale kennisname kosten per bedrijf
Kennisnemen van wetgeving en inwinnen nadere informatie: 2 uur x €54 (hoger opgeleid personeel) = €108 30 min x €54 (hoger opgeleid personeel)= €27 €135
Daarnaast ontstaat voor de detailhandel die huishoudelijke producten, zoals slagroomgaspatronen, verkopen aanvullende regeldruk. Er wordt uitgegaan van 500 bedrijven en een totaal van 2000 transacties per jaar.
Regeldruk per bedrijf (tijd in uren x uurloon) Leeftijdscontrole en nagaan normaal boodschappenpatroon per verkoop Totale regeldruk
0,05 (1min) x €34 (middelbaar opgeleid personeel) = €0,56 Totaal geraamde aantal transacties per jaar: 2000 x geraamde kosten €0,56 = €1.120
Ook vloeien uit het onderhavige besluit doorlopende business as usual kosten voort. Deze kosten verschillen per actor binnen de toepassing (bijvoorbeeld groothandelaar en detailhandelaar). Hieronder zijn de business as usual kosten omschreven per actor. De opgenomen voorwaarden zijn in vergaande mate gebaseerd op geïnternaliseerde normen van de sectoren zelf en met hun betrokkenheid tot stand gekomen. Gelet op de algemene uitzondering die in het onderhavige besluit wordt opgenomen en de omvang van de uitgezonderde toepassing, worden de business as usual kosten per handeling in kaart gebracht. Business as usual kosten per actor per verkoop (tijd in uren x uurloon) Importeur
Groothandel
Controleren SBI-code en combinatie met andere horecaproducten: 0,08 uur (5 min) x €39 (administratief personeel) = €3,12 Controleren SBI-code en digitaal afschrift van een uittreksel uit het Handelsregister van de KvK opvragen, nagaan gezond boodschappenpatroon: = 0,08 uur (5 min) x €39 per uur (administratief personeel) = €3,12
8. Financiële gevolgen De partijen die belast zijn met de strafrechtelijke opsporing en handhaving (de politie, het openbaar ministerie (OM), het NFI en de douane) en de IGJ en de NVWA zijn 25
gelegenheid geboden de financiële gevolgen van dit besluit in kaart te brengen. Op basis daarvan is er een inschatting gemaakt van de uitvoeringskosten. Uitvoeringskosten 2022 €10 miljoen
2023 €12 miljoen
2024 €14 miljoen
Structureel €14 miljoen
Door plaatsing van lachgas op lijst II bij de Opiumwet zijn bepaalde handelingen met dit middel, bedoeld in artikel 3 Opiumwet, strafbaar. Aan de strafbarstelling van lachgas zijn financiële gevolgen verbonden, er gaan immers uitvoeringskosten gepaard met de handhaving van het verbod. Door de politie is een quickscan uitgevoerd om de effecten van de strafbaarstelling van handelingen met lachgas in kaart te brengen. De quickscan bevat een eerste inschatting van onder meer de kosten, en is op 18 juni 2021 naar de Tweede Kamer gestuurd.23 Bovenstaande bedragen zijn grotendeels gebaseerd op deze documenten. Een bedrag van €10 miljoen is nodig voor de handhaving door de politie van het lachgasverbod. Dit bedrag is toereikend om vanaf medio 2022 te kunnen starten met landelijke handhaving van het lachgasverbod. In de quickscan is de werklast berekend voor de uitvoering van het lachgasverbod, gebaseerd op het huidige aantal incidenten waarbij lachgas betrokken is. Daarnaast zijn de materiële kosten in beeld gebracht. De eerste jaren zal €10 miljoen worden ingezet voor met name materiële kosten zoals vervoer, opslag en vernietiging en opleiding. De resterende middelen worden in de latere jaren (€4 miljoen structureel) ingezet voor handhavingscapaciteit (waarbij verdringingseffecten niet zijn uitgesloten).
De overige partners hebben aangegeven het lachgasverbod binnen de bestaande kaders te kunnen implementeren. 9. Advies en consultatie Advies College Toetsing regeldruk (ATR) Het Advies College Toetsing Regeldruk (ATR) heeft geadviseerd het gebruik van lachgas in de (dier)geneeskunde naast de technische en gastronomische toepassing op te nemen in de algemene uitzondering van artikel 15a van het Opiumwetbesluit dan wel beter te motiveren waarom geen uitzondering wordt gemaakt voor het (dier)geneeskundig gebruik van lachgas. Om verschillende redenen is er echter voor gekozen om het (dier)geneeskundig gebruik van lachgas niet op te nemen in een algemene uitzondering in artikel 15a van het Opiumwetbesluit. Allereerst, de ontheffingsplicht uit artikel 6 Ow geldt voor alle geneesmiddelen die onder de Opiumwet vallen, ongeacht de toepasselijkheid van andere regelgeving, zoals bijvoorbeeld de Geneesmiddelenwet. Feitelijk betekent dit dat fabrikanten van geneesmiddelen die ook op één van de lijsten bij de Opiumwet staan altijd zowel een handelsvergunning op grond van de Geneesmiddelenwet nodig hebben als een ontheffing op grond van de Opiumwet. Om precedentwerking tegen te gaan, vindt de regering het belangrijk aan deze gebruikelijke regelgeving vast te houden die van toepassing is op alle middelen op lijst I en II bij de Opiumwet.
Wanneer in het geval van lachgas de ontheffingsplicht van de Opiumwet wordt losgelaten en wordt volstaan met de vergunningsvereisten van de Geneesmiddelenwet, wordt mogelijk het signaal afgegeven dat de vergunningsvereisten uit de Geneesmiddelenwet een voldoende regulerend systeem zijn voor de productie en het verhandelen van extra risicovolle stoffen als geneesmiddelen die ook onder de Opiumwet vallen. Een dergelijke discussie en mogelijk gevolg zou volgens de regering onderdeel moeten zijn van een bredere behandeling van de Opiumwet, en niet moeten voortvloeien uit een eenzijdige handeling als het plaatsen van een middel op één van de 23
Kamerstukken II 2020-2021, 24077, nr. 474.
26
lijsten van de Opiumwet. Daarnaast zijn fabrikanten en handelaren van geneesmiddelen reeds gewend te werken met het ontheffingensysteem uit de Opiumwet. Voor hen betekent het aanvragen of wijzigen van een ontheffing een beperkte extra last. De ontheffingsplicht voor fabrikanten van lachgas als medisch hulpmiddel is in beginsel nieuw. In de meeste gevallen zullen fabrikanten van lachgas zowel lachgas bestemd voor gebruik als geneesmiddel als lachgas bestemd voor gebruik als medisch hulpmiddel produceren, waardoor de bijkomende lastendruk voor deze kleine groep minimaal is. Voorts hecht de regering belang aan een eenduidige aanpak waarbij niet onnodig onderscheid wordt gemaakt binnen een bepaalde sector, in dit geval de zorg. Tot slot is het aantal producenten en handelaren van lachgas voor technische doeleinden en als voedingsadditief omvangrijk. De omvang van dit aantal maakt dat een gesloten systeem van ontheffingen volgens de regering een onevenredige belasting zou vormen die voorbij gaat aan de doelstellingen van dit besluit en de adviezen van het CAM. Ook heeft het college geadviseerd de regeldrukberekening te actualiseren. De regeldrukberekening is op punten aangepast. Het opnemen van een algemene uitzondering is voornamelijk ingegeven vanuit het oogpunt van lastenbeperking.
Gelet op de algemene uitzondering en de omvang van de uitgezonderde toepassing wordt vastgehouden aan het per bedrijf in kaart brengen van de totale kosten. IGJ en CIBG Het besluit leidt voor de IGJ niet tot onoverkomelijke bezwaren voor haar toezicht en handhaving taken. Plaatsing van lachgas op lijst II bij de Opiumwet behoort volgens het CIBG tot het reguliere proces. Het CIBG voorziet geen grote problemen of risico’s bij de uitvoering van de wijziging met betrekking tot de opiumontheffingen voor fabrikanten, groothandels, api-registraties en bemiddelaars. Zo ook niet voor de im- en exportcertificaten voor Opiumwetmiddelen. Er ontstaan geen nieuwe taken voor het CIBG. NVWA Het besluit is volgens de NVWA niet uitvoerbaar en handhaafbaar, omdat de NVWA geen toezichthoudende bevoegdheid heeft op grond van de Opiumwet. Om die reden geeft de NVWA aan dat zij slechts een signalerende rol kan vervullen. In reactie hierop wordt opgemerkt dat een dergelijke rol past binnen het oorspronkelijke doel van de maatregel. Dit besluit heeft betrekking op de toepassing van lachgas als voedingsadditief, maar is opgesteld in het kader van de Opiumwet. Dat betekent dat alleen de toezichthouder van de Opiumwet, in dit geval de IGJ, hierop kan handhaven. Wel is het zo dat, vergelijkbaar met andere producten, aanpalende toezichthouders zoals de NVWA of ILT een signalerende functie kunnen hebben.
Om mogelijk onduidelijkheid over de rol van verschillende toezichthouders weg te nemen, is in paragraaf 6 expliciet opgenomen dat de NVWA (als ook de ILT) geen toezichthoudende rol heeft in het kader van de Opiumwet, maar slechts een signalerende functie. College van procureurs-generaal Het College van procureurs-generaal is het zeer eens met het voornemen van de regering om het recreatief gebruik van lachgas als roesmiddel tegen te gaan. Het recreatief gebruik van lachgas in het verkeer heeft al met enige regelmaat geleid tot zeer ernstige ongelukken, sommigen met fatale afloop. Vanuit het oogpunt van de handhaving heeft het College echter bedenkingen tegen het nu voorliggende voorstel. Dit betreft in de eerste plaats de uitzondering voor lachgas dat bestemd is voor technische of gastronomische doeleinden. Hierbij is de vraag aan de orde of de vaststelling van de sterke aanwijzingen een verdenking oplevert die tot opsporing kan leiden, en of de opsporingsambtenaar daarbij gehouden is aannemelijk te maken dat de uitzondering van de technische of gastronomische doeleinden zich niet voordoet. Het 27
College zou het op prijs stellen als de toelichting dieper zou ingaan op de bewijslastverdeling. Naar aanleiding van dit advies is de uitzonderingsgrond in het voorgestelde artikel 15a verhelderd - de uitzondering voor gastronomische doeleinden is vervangen door het gebruik als voedingsadditief - en de toelichting aangevuld en verhelderd. In de toelichting is de reikwijdte van de uitzonderingsgronden verhelderd en is een nieuwe paragraaf (2.4) opgenomen, waarin wordt ingegaan op de betekenis van de aanwijzingen voor de opsporing en vervolging. Voorts wijst het College op de criteria die verkopers in acht moeten nemen om zekerheid te hebben of de handel in lachgas niet onder het verbod van de Opiumwet valt, en dringt aan op flankerende regelgeving. In reactie op dit verzoek wordt opgemerkt dat deze criteria dienen om de verkopers zekerheid te bieden dat hun handelen niet strafbaar is op grond van de Opiumwet. Een verkoper die niet voldoet aan de gestelde criteria, maakt zich in beginsel schuldig aan overtreding van het verbod van artikel 3 Ow en riskeert strafvervolging. Als vervolging wordt ingesteld dan is het aan de verkoper om aannemelijk te maken dat de uitzondering van het verbod van de Opiumwet van toepassing is.
Deze systematiek is helder en geeft naar het oordeel van de regering geen aanleiding tot het vaststellen van flankerende regelgeving op het gebied van de criteria voor verkopers. Tenslotte stelt het College de mogelijkheid aan de orde van een eenduidige strafbepaling in plaats van de bijzondere excepties, waarbij gedacht kan worden aan een bepaling die erop neerkomt dat het verboden is om lachgas buiten een woning voorhanden te hebben anders dan in gesloten verpakking die voldoet aan een bepaalde wettelijke omschrijving. In reactie hierop wordt opgemerkt dat een dergelijke strafbepaling eveneens tot uitzonderingen noopt voor technische doeleinden en het gebruik als voedingsadditief, zoals bij gebruik van lachgas in de autosport of in een restaurant, en aldus eveneens noopt tot nadere inkadering. Daarnaast leent de Opiumwet zich niet voor het stellen van uitgebreide gebruiksvoorschriften, omdat de wet ervan uitgaat dat een stof overwegend wordt gebruikt als drug en geen of een beperkt aantal andere toepassingen kent. Het is daarom niet mogelijk de gebruiksvoorschriften in het besluit zelf op te nemen. De gebruiksvoorschriften in de toelichting zijn bedoeld om een handvat te bieden voor welk type handelingen wel of niet onder de uitgezonderde toepassingen valt.
Overigens wordt thans, met de verheldering van het voorgestelde artikel 15a en de aanvulling en verheldering van de toelichting, naar het oordeel van de regering een helder kader geboden voor de handhaving van het voorgestelde verbod. Politie De politie is verheugd dat het recreatief gebruik van lachgas wordt aangepakt door lachgas op lijst II bij de Opiumwet te plaatsen. Uit verschillende onderzoeken is immers gebleken dat lachgas geen onschuldig middel is. Ook onderschrijft de politie het belang van intensieve en indringende voorlichting ter preventie evenals monitoring van de maatregel. Met de indicaties voor verschillende situaties die kunnen wijzen op een bestemming voor technische of gastronomische doeleinden, dan wel die kunnen rechtvaardigen dat van die doeleinden juist geen sprake is, is nog geen sprake van een sluitend en helder handhavingskader. Onduidelijk blijft welke betekenis in juridische zin aan de in de toelichting genoemde criteria, indicaties en aanwijzingen gegeven kan worden. Aangedrongen wordt hierover in de nota van toelichting op overzichtelijke wijze inzicht te geven. Naar aanleiding van dit advies is de uitzonderingsgrond in het voorgestelde artikel 15a verhelderd en de toelichting aangevuld en verhelderd, hiervoor wordt verwezen naar de reactie op het advies van het OM.
Er is een nieuwe paragraaf (2.4) opgenomen, waarin wordt ingegaan op de door de politie geschetste situaties. In het kader van de toepassing als voedingsadditief verzoekt de politie een meldplicht op te nemen voor producenten om verdachte transacties op te nemen. De regering neemt dit verzoek niet over, omdat bij verdachte situaties altijd melding kan worden gemaakt bij de politie en een verplichtend karakter niet past binnen de doelstelling om een algemene uitzondering te formuleren met beperkte lasten voor de betrokken sectoren. Voor een
28
toelichting op de noodzaak van preventie en monitoring wordt verwezen naar de passage onder de kop Internetconsultatie in deze paragraaf. De politie vraagt ook om de strafbaarstelling van lachgas aan te grijpen om via intensieve en indringende publieksvoorlichting te wijzen op de gevaren en de strafbaarheid van lachgas. In navolging van het advies van het CAM geeft de regering op verschillende manieren invulling aan het intensiveren van voorlichting en preventie. De regering is voornemens om drie jaar na de inwerkingtreding van onderhavig besluit een evaluatie van dit besluit mee te laten lopen in de onderzoeksprogrammering van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Douane De bepalingen van de Algemene douanewet strekken mede tot uitvoering en handhaving van de Opiumwet. In dat kader is de Douane bevoegd om controles uit te voeren om te beoordelen of inkomende zendingen van buiten de EU in overeenstemming zijn met de Opiumwet. Toezicht door de Douane op basis van de Opiumwet is reeds ingericht. Handhaving past volgens de Douane binnen de bestaande handhavingsaanpak en processen, de Douane voorziet slechts enkele wijzigingen in de systematiek om ook op lachgas als middel op lijst II bij de Opiumwet te kunnen handhaven.
29
Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) Gelet op de ervaren hinder en overlast in openbare ruimte als gevolg van het recreatief gebruik van lachgas, alsmede de (volks-)gezondheidsrisico’s en gevaren voor de verkeersveiligheid, steunt de VNG plaatsing van lachgas op lijst II bij de Opiumwet. De VNG maakt een aantal opmerkingen ten aanzien van handhaving en de specifieke voorschriften binnen de gastronomische toepassing. Zoals aangegeven in paragraaf 6, zijn de lokale driehoeken verantwoordelijk voor afspraken over handhaving op lokaal niveau. Gezien de overlap in opmerkingen aangaande de gastronomische toepassing wordt verwezen naar de reactie op de internetconsultatie hieronder. Overigens is de uitzonderingsgrond van de gastronomische toepassing vervangen door de toepassing van lachgas als voedingsadditief. Voor zover de Rijksoverheid daar een rol in speelt, zal de VNG voortdurend actief worden betrokken in de verdere uitwerking van onderhavig besluit en aanpalende zaken zoals preventie en onderzoek. Raad voor de Rechtspraak De Raad voor de Rechtspraak heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het besluit. Ook verwacht de Raad geen substantiële gevolgen voor de werklast van de Rechtspraak en zijn er geen noemenswaardige IT-consequenties voor de Rechtspraak te verwachten.
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) De Wetenschappelijke Commissie (WeCo) van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) is van mening dat door de voorgestelde wijziging met name de handhaving van het besluit problematisch zou kunnen worden, aangezien er een uitzondering wordt gemaakt voor technische of gastronomische doeleinden. De WeCo acht het wenselijk dat het OM hieromtrent duidelijke richtlijnen opstelt en openbaar maakt, analoog aan de richtlijn voor de teelt van hennep voor eigen gebruik. Het opstellen van dergelijke richtlijnen valt onder de verantwoordelijkheid van het OM. Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) Het besluit is volgens de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) in algemene zin duidelijk en helder en in de toelichting voldoende onderbouwd. De NOvA beveelt aan de gastronomische exceptie voor detailhandel te verduidelijken. Gezien de overlap in opmerkingen aangaande de gastronomische toepassing wordt verwezen naar de reactie op de internetconsultatie hieronder. Nederlands Forensisch Instituut (NFI) Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) geeft aan dat het als zodanig identificeren van inbeslaggenomen lachgas momenteel niet in hun standaard werkprocessen en capaciteit past. Daarnaast past het volgens het NFI niet in de ‘Visie op forensisch onderzoek ten behoeve van de strafrechtketen’ dat het instituut dergelijk onderzoek uitvoert.
Het NFI adviseert daartoe alternatieve laboratoria en biedt aan hierin te adviseren. Tot slot verzoekt het NFI om forensisch onderzoek specifiek op te nemen in de uitzondering voor technische toepassingen van lachgas. Een dergelijke uitzondering past volgens de regering niet binnen de vaste lijn die geldt voor andere Opiumwetmiddelen. Het NFI heeft een brede Opiumwetontheffing en kan daartoe een wijzigingsaanvraag bij het CIBG indienen om lachgas aan deze ontheffing toe te voegen. Internetconsultatie Naast het advies van het ATR zijn op de internetconsultatie in totaal 58 reacties ontvangen waarvan 43 openbaar. Uitgaande van deze 58 blijkt dat 62% de maatregel ondersteunt. Hiervan steunt 24% het besluit zonder verdere aanpassingen, 38% steunt het voorstel maar stelt binnen het kader van het ontwerpbesluit andere maatregelen of aanpassingen voor. Daarnaast blijkt dat 38% van de reacties het voorstel niet steunt en al dan niet alternatieven voorstelt buiten de kaders van het ontwerpbesluit. Op basis van 30
reacties uit de internetconsultatie zijn verschillende aspecten rond de toepassing als voedingsadditief aangepast, waaronder het loslaten van de eis dat lachgas ampullen als onderdeel van een gezond boodschappenpatroon gekocht moet worden in de detailhandel, de lijst met SBI-codes van bedrijven waaraan mag worden geleverd, de wijze van het controleren van een (digitaal) uittreksel uit het Handelsregister van de KvK en het uitstalverbod in groothandels. Een uitgebreide toelichting op de internetconsultatie is opgenomen in het consultatieverslag. 10. Overgangsrecht en inwerkingtreding Dit besluit heeft directe werking. Er is niet voorzien in overgangsrecht. II Artikelsgewijs Artikel I Dit artikel regelt dat het personen onder voorwaarden is toegestaan lachgas binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren, aanwezig te hebben of te vervaardigen. Dit artikel heeft tot doel de oorspronkelijke toepassingen van lachgas legaal te houden. Op grond van artikel 15a is het bedrijven en particulieren toegestaan de handelingen met lachgas te verrichten die op grond van artikel 3 Ow zijn verboden. Dit op voorwaarde dat het lachgas bestemd is voor technische doeleinden of als voedingsadditief.
In paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting is reeds ingegaan op de feiten en omstandigheden die kunnen dienen als aanwijzing voor dergelijke toepassingen. Artikel II Door middel van dit artikel wordt distikstofmonoxide, ofwel lachgas, op lijst II bij de Opiumwet geplaatst. Artikel III Dit artikel regelt de inwerkingtredingsdatum. Voor de inwerkingtreding is aangesloten bij de vaste verandermomenten. Deze toelichting wordt ondertekend mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M. van Ooijen
31
BIJLAGEN Bijlage I In bijlage I bij dit besluit zijn de algemene gegevens van distikstofmonoxide (CASnummer 10024-97-2) opgenomen zoals bekend bij het ECHA, een overzicht van de toepassingen, en actieve registraties. De registraties in REACH zijn aan verandering onderhevig. Peildatum van de hier opgenomen gegevens is 1 mei 2020. De wetgever bedoelt om altijd naar de meest actuele lijst van registraties te verwijzen zoals opgenomen in REACH. Voor een adequate invulling van dit besluit moet daarom altijd de database van ECHA geraadpleegd worden. Deze database is beschikbaar via de zoekfunctie van de webpagina van het ECHA.24 1. Stofgegevens en toepassingen Distikstofoxide EC / Lijst nr.: 233-032-0 CAS nr.: 10024-97-2 Gevarenindeling & etikettering Gevaarlijk! Overeenkomstig de indeling die bedrijven het ECHA in het kader van een REACH-registratie verschaffen, kan deze stof brand veroorzaken of intensiveren (oxidatiemiddel) en slaperigheid of duizeligheid veroorzaken. Ook bevat deze stof gas onder druk, waardoor ontploffingsgevaar bij verwarming bestaat. Over deze stof Deze stof wordt vervaardigd en/of ingevoerd in de Europese Economische Ruimte in hoeveelheden van 1 000 - 10 000 ton per jaar.
Deze stof wordt gebruikt door consumenten in voorwerpen, door vakkundige werknemers (wijdverbreid gebruik) bij het formuleren of herverpakken, op industriële locaties en bij de vervaardiging zelf. Gebruik door consumenten25 Deze stof wordt gebruikt in de volgende producten: explosieven. Andere manieren waarop deze stof naar alle waarschijnlijkheid kan vrijkomen in het milieu zijn: gebruik binnenshuis (bv. vloeibare wasmiddelen/detergentia, onderhoudsproducten voor de auto, verven en coatings of kleefstoffen, geurstoffen en luchtverfrissers) en gebruik buitenshuis als verwerkingshulpmiddel. Levenscyclus van een voorwerp Andere manieren waarop deze stof naar alle waarschijnlijkheid kan vrijkomen in het milieu zijn: gebruik binnenshuis in materialen met een lange levenscyclus en een lage uitstoot (bv. vloerbekledingen, meubilair, speelgoed, bouwmaterialen, gordijnen, schoeisel, lederproducten, papieren en kartonnen producten, elektronische apparatuur). Deze stof komt voor in complexe voorwerpen, zonder bedoelde uitstoot: machines, mechanische apparatuur en elektrische/elektronische producten (bv. computers, camera’s, lampen, koelkasten, wasmachines).
https://echa.europa.eu/nl/home De stof kan in de genoemde gevallen mogelijk vrijkomen uit producten. De stof wordt echter niet specifiek gebruikt door consumenten bij de genoemde toepassingen. 24 25
32
Wijdverbreid gebruik door vakkundige werknemers Deze stof wordt gebruikt in de volgende producten: laboratoriumchemicaliën. Deze stof wordt gebruikt bij de vervaardiging van: elektrische, elektronische en optische uitrusting. Andere manieren waarop deze stof naar alle waarschijnlijkheid kan vrijkomen in het milieu zijn: gebruik binnenshuis in gesloten systemen met minimale uitstoot (bijvoorbeeld koelvloeistoffen in koelkasten, elektrische verwarmingen die op olie werken), gebruik binnenshuis als verwerkingshulpmiddel, gebruik buitenshuis in gesloten systemen met minimale uitstoot (bijvoorbeeld hydraulische vloeistoffen in de ophanging van voertuigen, smeermiddelen in motorolie en remvloeistoffen). Formuleren of herverpakken Het ECHA beschikt niet over openbare registratiegegevens waaruit duidelijk wordt óf, en in welke chemische producten de stof zou kunnen worden gebruikt. Deze stof kan in het milieu vrijkomen als gevolg van industrieel gebruik: het formuleren van mengsels. Gebruik op industriële locaties Deze stof wordt gebruikt in de volgende producten: halfgeleiders en laboratoriumchemicaliën. Deze stof wordt gebruikt op de volgende gebieden: bij het formuleren van mengsels en/of bij het herverpakken. Deze stof wordt gebruikt bij de vervaardiging van: elektrische, elektronische en optische uitrusting.
Deze stof kan in het milieu vrijkomen als gevolg van industrieel gebruik: als verwerkingshulpmiddel, in verwerkingshulpmiddelen op industriële locaties en van stoffen in gesloten systemen met minimale uitstoot. Vervaardiging Deze stof kan in het milieu vrijkomen als gevolg van industrieel gebruik: vervaardiging van de stof. 2. Actieve registraties
Factsheet URL
Stof informati ekaart
1000 10000 ton per jaar
Laatst gewijzigd
Geza menlij k
Totale band in tonnen
Type aanvraag
Type registrati e
10 Volle 02 dig 497 -2
Eerste publicatie datum
Dini 233trog 032en 0 oxid e
Cas-nr.
EC/ Lijst nr.
Naam
Er zijn twee actieve registraties, waar respectievelijk 15 registratienummers onder vallen.
17 mei 2013
19 april 2020
https:// echa.eu ropa.eu /nl/regi stration dossier/ /registe reddossier/ 14445
https://ech a.europa.e u/nl/substa nceinformation //substancei nfo/100.03 0.017
33
Registratie houder(s)
• •
AIR LIQUIDE SANTE FRANCE, 6, rue Cognacq-Jay 75007 PARIS France BOC Ltd, 10 Priestley Road The Surrey Research Park GU2 7XY Guildford Surrey United Kingdom • Eurogas S.r.l., via Pradazzo, 22 26012 Castelleone Cremona Italy • IJsfabriek Strombeek nv, broekstraat 70 1860 Meise Belgium • Linde Gas A/S, Lautruphøj 2-6 2750 Ballerup Denmark • LINDE GAS HUNGARY CO.LTD., Carl von Linde 1. 9653 Répcelak Western Transdanubia Hungary • Messer Croatia plin d.o.o., Industrijska 1 10290 Zapresic Croatia • Messer Romania Gaz, Delea Veche 24, Corp A, Etaj 3 024102 Bucharest Romania • Messer Technogas s.r.o., Zeleny Pruh 99 CZ 140 02 Prague 4 Czech Republic Czech Republic • Oy Woikoski Ab, PL 1 FI-52020 Woikoski Finland • S.E. de Carburos Metálicos, S.A., Av. de la Fama, 1 08940 Cornellà de Llobregat (Barcelona) Spain • SOL Nederland B.V., Swaardvenstraat 11 5048 Tilburg Netherlands • SOL SpA, Via Borgazzi 27 20900 Monza Italy • Versum Materials Netherlands B.V., Kanaalweg 15 PO Box 3193 3502 GD Utrecht Netherlands Registratienummer(s)
Uitsluite 17 april nd voor 2017 gebruik als tussenp roduct
25 maart 2020 https://ec ha.europa .eu/nl/reg istrationdossier//registere ddossier/1 9093
Stof informati ekaart
Factsheet URL
Laatst gewijzigd
Geza menlij k
Eerste publicatie datum
Tuss enpr oduc ten
Totale band in tonnen
Type aanvraag
10 02 497 -2
Type registrati e
Dini 233trog 032-0 en oxid e
Cas-nr.
01-2119970538-25-0000 01-2119970538-25-0001 01-2119970538-25-0002 01-2119970538-25-0003 01-2119970538-25-0004 01-2119970538-25-0005 01-2119970538-25-0006 01-2119970538-25-0007 01-2119970538-25-0008 01-2119970538-25-0009 01-2119970538-25-0010 01-2119970538-25-0011 01-2119970538-25-0012 01-2119970538-25-0013 EC/ Lijst nr.
Naam
• • • • • • • • • • • • • •
https://ech a.europa.e u/nl/substa nceinformation //substancei nfo/100.03 0.017
34
Registratie houder(s)
• [Vertrouwelijk], [Vertrouwelijk] Registratie nummer(s) •
01-2119430456-42-XXXX
35
Bijlage II Detaillisten SBI-code 47.5: winkels in overige huishoudelijke artikelen • SBI-code 47.59: winkels in meubels, verlichting en overige huishoudelijke artikelen (rest) • SBI-code 47.59.5: winkel in glas- porselein- en aardewerk • SBI-code 47.59.6 winkels gespecialiseerd in overige huishoudelijke artikelen (rest) • SBI-code 47.59.7: winkels in huishoudelijke artikelen algemeen assortiment
Eindgebruikers SBI-code 47.24: winkels in brood, banket, chocolade en suikerwerk. • SBI-code 47.24.1: winkels in brood en banket. • SBI-code 47.24.2: winkels in chocolade en suikerwerk. SBI-code 55.1: hotels e.d. • SBI-code 55.10: hotels e.d. • SBI-code 55.10.1: hotelrestaurants. • SBI-code 55.10.2: hotels (geen hotel-restaurants), pensions en conferentieoorden. SBI-code 56: eet- en drinkgelegenheden. • SBI-code 56.1: restaurants, cafetaria’s e.d. • SBI-code 56.10: restaurants, cafetaria’s e.d. en ijssalons. • SBI-code 56.10.1: restaurants. • SBI-code 56.10.2: cafetaria's, lunchrooms, snackbars, ijssalons, eetkramen e.d. • SBI-code 56.2: kantines en catering. • SBI-code 56.21: eventcatering. • SBI-code 56.29: kantines en contractcatering. • SBI-code 56.3: cafés. • SBI-code 56.30: cafés. SBI-code 85.3: voortgezet onderwijs. • SBI-code 85.31.2: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. • SBI-code 85.31.3: praktijkonderwijs. • SBI-code 85.32.1: middelbaar beroepsonderwijs. SBI-code 85.4: tertiair onderwijs. • SBI-code 85.41: nietuniversitair hoger onderwijs.
De SBI-codes zoals opgenomen in deze bijlage II zijn in de huidige praktijk de bedrijven die lachgas toepassen zoals oorspronkelijk bedoeld in de toepassing als voedingsadditief, en daarom uitgezonderd zijn van de verboden handelingen met lachgas als bedoeld in artikel 3, aanhef, en onder A, B, C, en D, Ow. Verkopers kunnen aan deze bedrijven veilig leveren, mits zij geen signalen hebben ontvangen dat het lachgas niet bestemd is voor technische doeleinden of als voedingsadditief. Toekomstige ontwikkelingen kunnen ertoe leiden dat ook andere bedrijven, niet vallend onder de SBI-codes in bijlage II, handelingen met lachgas mogen verrichten omdat zij het lachgas als voedingsadditief toepassen, en het lachgas nadrukkelijk niet bestemd is het bewustzijn van de mens te beïnvloeden. Om innovatie niet in de weg te staan, mag in de toekomst ook aan deze
36
ondernemingen lachgas geleverd worden, mits niet blijkt dat het lachgas bestemd is als recreatief roesmiddel te dienen.
37