CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

A PvdA Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026 DEF

Commissie Samenleving 19 januari 2026, gemeente GoudaBij agendapunt: Oordeelsvorming Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 20261.067 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Technische vragen Van: Datum vraag: Onderwerp:

Sophie Heesen (PvdA) 11-01-2025 Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026 Commissiegriffier: Marnix Pons Datum antwoord:

Vragen 1. In het raadsvoorstel staat dat de 'voorwaarden en afwegingsfactoren' voor eigen kracht nu in de Verordening staan. Kunt u precies aanwijzen in welke artikelen de afwegingsfactoren staan die bepalen wanneer een ouder niet beschikbaar is vanwege werk, studie of noodzakelijke rust? 2. De Centrale Raad van Beroep stelt dat de essentie in de Verordening moet staan. Hoe voorkomt de verordening in de praktijk dat een consulent aan de keukentafel zelf invulling geeft aan het begrip 'redelijkheid' bij de beschikbaarheid van ouders? 3. Hoe wordt in de nieuwe Verordening concreet geborgd dat ‘eigen kracht’ nooit leidt tot een impliciete verschuiving van zorgtaken naar ouders die al overbelast zijn, met name in gezinnen met lage inkomens of beperkte draagkracht? 4. Wordt in de beoordeling van de eigen kracht de economische zelfstandigheid van ouders meegewogen? Kan de gemeente van een ouder eisen dat deze minder gaat werken om zelf jeugdhulp te verlenen? 5. Als een ouder aangeeft meer te willen gaan werken (uitbreiding van uren), wordt dit dan gerespecteerd als een legitieme reden waarom eigen kracht niet toereikend is of wordt de huidige situatie als nulpunt genomen? 6. In artikel 1 van de Verordening wordt verwezen naar 'algemeen aanvaarde opvattingen' over gebruikelijke hulp.

Wat zijn deze opvattingen in Gouda precies? Is er een objectieve grens (bijvoorbeeld een maximaal aantal uren per week) om overbelasting van ouders te voorkomen?

7. Hoe waarborgt deze Verordening dat ouders nog tijd overhouden voor sociale participatie en ontspanning, zaken die essentieel zijn om de zorg op lange termijn vol te houden?

8. Op welke wijze wordt in de Verordening vastgelegd dat bij de beoordeling van eigen kracht altijd aandacht is voor sociale ongelijkheid, zoals armoede, taalachterstand, schuldenproblematiek en beperkte toegang tot informele netwerken? 9. Op welke wijze wordt in de Verordening vastgelegd dat het belang van het kind altijd leidend is, ook wanneer de eigen mogelijkheden van ouders formeel als ‘toereikend’ worden beoordeeld? 10. Welke waarborgen bevat de Verordening om te voorkomen dat gezinnen met minder mondigheid sneller buiten de boot vallen dan gezinnen die beter in staat zijn hun weg te vinden in het systeem? 11. Hoe wordt in de uitvoering geborgd dat maatwerk mogelijk blijft, zodat de Verordening niet leidt tot een te rigide toepassing van normen die onvoldoende recht doet aan complexe gezinssituaties? Antwoorden: 1. Artikel 13 van de verordening is gewijd aan het beoordelen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In de daaropvolgende toelichting is extra duiding gegeven aan het artikel. Het artikel dient als kader waarop het onderzoek wordt gedaan en zal steeds op individueeel niveau worden ingevuld zodat er oog is voor ieders persoonlijke situatie. 2. Doordat de essentialia van de eigen kracht nu in de Verordening staan, wordt een eigen invulling voorkomen. De kaders van eigen kracht zijn in de Verordening uitgewerkt.

Door de terminologie van redelijkheid voor de beschikbaarheid van ouders, is er ruimte voor maatwerk, omdat voor alle omstandigheden van het geval rekening moet worden gehouden. 3. Het aanpassen van de verordening en het verduidelijken van de kaders rondom eigen kracht heeft juist als doel om de juiste zorg te kunnen blijven bieden aan diegene die het het hardst nodig hebben. Dit zijn met name de overbelaste ouders, de gezinnen met een laag inkomen en een beperkte draagkracht. 4. Bij het onderzoeken naar de eigen kracht dient met allerlei persoonlijke factoren rekening te worden gehouden zo ook de economische zelfstandigheid van de ouder(s). De gemeente kan niet eisen dat de ouder minder gaat werken. iIn de toelichting van artikel 13 lid 6b staat

beschreven dat het gesprek kan worden aangegaan over het eventueel verminderen van betaalde arbeid om (dreigende) overbelasting tegen te gaan. Door deze (dreigende) overbelasting kan de eigen kracht namelijk in het gedrang komen. 5. Dit is persoonsafhankelijk en hier dient het gesprek over gevoerd te worden. Centraal hierbij zou moeten staan de vraag wat de zorgbehoefte is van het kind en de economische en mentale veerkracht van het gezin. 6. Artikel 13 lid 3 a en b gaat over de vraag of ouders in staat zijn om noodzakelijke hulp (danwel gebruikelijke hulp) te bieden. In de toelichting bij lid 3 a en b wordt een afwegingskader gegeven. Dit dient als richtlijn voor het vaststellen van de gebruikelijke hulp per leeftijdscategorie voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel. 7. In artikel 13 onder lid 6 wordt benoemd wat er van ouders zelf verwacht mag worden om hun eigen overbelasting te doen verminderen. In de toelichting onder lid 6a staat specifiek over het beperken van maatschappelijke activiteiten: “Bij de afweging hiervan kan worden gekeken naar wat het kost als de maatschappelijke activiteit wordt beperkt in vergelijking met wat het oplevert.

Uitgangspunt is hierbij de vraag: Wat maakt het dat een bepaalde activiteit essentieel is voor het vergroten van de veerkracht of het in stand houden van het eigen netwerk?” Dit uitgangspunt moet dit waarborgen zodat ouders tijd overhouden voor de sociale participatie en ontspanning, die essentieel zijn om de zorg op lange termijn vol te houden. 8. In artikel 13 onder lid 2 is vastgelegd dat het college onderzoek doet naar de eigen mogelijkheden. Hierbij weegt het de aard en de ernst van de problemen, de draagkracht en draaglast van het gezin, en de effectiviteit van de reeds beschikbare ondersteuning en kunnen aspecten zoals sociale ongelijkheid, armoede, taalachterstand, schuldenproblematiek en beperkte toegang tot informele netwerken worden betrokken. 9. In de verordening is vastgelegd hoe wordt bepaald of een jeugdige recht heeft op jeugdhulp. Op het moment dat blijkt dat de eigen mogelijkheden van ouders toereikend zijn wordt er in de basis geen jeugdhulp verstrekt. In de beoordeling van de eigen mogelijkheden wordt ook het belang van het kind zwaar meegewogen. 10. Door het verankeren van de voorwaarden van toekenning in de verordening zijn er duidelijke kaders waar alle inwoners aanspraak op kunnen maken. Dit zorgt voor consistentie en duidelijkheid.

De uitvoering heeft als doel kundig onderzoek te doen naar de persoonlijke situatie van de jeugdige en het gezin om wanneer nodig de meest passende jeugdhulp toe te kennen. De verordening dient hierbij als kaderdocument die tegelijk juridische betekenis heeft. De verordening biedt naast de geschetste kaders nog voldoende ruimte om iedere

situatie individueel te kunnen beoordelen en wanneer goed onderbouwd af te wijken van de geschetste kaders.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=d44822ac-dfd3-497d-81f3-f47de0c96edb