A PvdA IHP2
Tekst van het document
Technische vragen Van Datum indiening Onderwerp Commissiegriffier Datum antwoord
: Aline Tuls en Max de Groot- PvdA : 18 mei 2025 : Uitvoeringsplan IHP2 : Lars van der Linden : 27 mei 2025 -
Vragen: Raadsvoorstel ‘Er zijn scholen die grote delen van hun lumpsum-kwijt zijn aan materiële kosten waardoor er relatief minder budget naar onderwijs en leerlingen gaat.’ 1. Is er in de doorkijk, naast de fysieke staat van schoolgebouwen, ook rekening gehouden met de ontwikkeling en samenstelling van de leerling populatie? Met name: wordt er bij scholen met een relatief goede gebouwkwaliteit toch tijdig (ver)nieuwbouw overwogen om te voorkomen dat hoge onderhoudskosten uiteindelijk ten koste gaan van de onderwijskansen van leerlingen?" 2. Kunt u voor de vier (S)BO-scholen die pas vanaf 2039 in de doorkijk staan een korte analyse geven van hoe hier rekening mee is gehouden? 3. Is er gekeken naar alternatieve financiering voor de voorstellen die pas vanaf 2039 ingetekend staan, is hier nog versnelling mogelijk? 4. In een nog op te stellen IHP Binnensportlocaties wordt de (ver)nieuwbouw van de overige binnensportlocaties nader uitgewerkt. Wanneer wordt dit plan verwacht? 5. Kan toegelicht worden waarom voor het Coornhert Gymnasium 1) een nieuwe locatie gevonden moet worden, 2) deze binnen een jaar gevonden moet worden en 3) deze binnen 1,5 kilometer van het station gevonden moet worden? 6.
Wordt er binnen het meerjarenperspectief van het IHP actief gestuurd op het minimaliseren van exploitatielasten (zoals energie- en onderhoudskosten) door duurzame en energiezuinige (ver)nieuwbouw, en zo ja, hoe worden deze toekomstige besparingen meegenomen in de afwegingen voor prioritering van investeringen? ‘Het Uitvoeringsplan 2 IHP past bij de omgevingsvisie van de gemeente Gouda en geeft invulling aan Ruimtelijke Keuze 5 ‘sterke wijken’. Het doel van het Goudse onderwijshuisvestingsbeleid is immers geschikte onderwijsgebouwen op het juiste moment op de juiste plek in de stad beschikbaar te hebben. Geschikt wil zeggen dat er voor ieder schoolgaand kind in Gouda en voor de onderwijsprofessionals een gezonde, prettige, duurzame en toekomstbestendige leeromgeving is.’ 7. Hoe wordt aan deze uitgangspunten voldaan voor de Goudse scholen die niet in IHP2 en ook niet in de doorkijk voor IHP3 opgenomen zijn? 8. Gelden deze zelfde uitgangspunten voor het plan dat volgt voor het bewegingsonderwijs? 9. Op welke manier is bij het opstellen van IHP2 getoetst of álle Goudse wijken evenredig bijdragen aan en profiteren van de ambitie van ‘sterke wijken’ via onderwijshuisvesting, en welke wijken blijven hierin mogelijk achter? 10.
Wordt bij het bepalen van de geschiktheid van onderwijsgebouwen ook rekening gehouden met veranderende demografische trends en integrale wijkontwikkelingen (zoals woningbouw en mobiliteit), en hoe wordt deze afstemming eventueel al geborgd in toekomstige plannen zoals IHP3?
Uitvoeringsplan ‘Sinds 2020 wordt er door de gemeente Gouda hard gewerkt om de achterstand in onderwijshuisvesting weg te werken. Met de uitvoering van Uitvoeringsplan 1 IHP worden zes schoolgebouwen weer in goede staat gebracht of gebouwd voor de komende 40 jaar.’ 11. Er wordt van 2020 tot minimaal 2040 gewerkt aan de inhaalslag en de toekomstbestendigheid van gebouwen voor 40 jaar. Hoe voorkomen we dat we 20 jaar na afronding van de inhaalslag van 20 jaar opnieuw met een grote inhaalslag te maken krijgen? ‘Zeven van de 56 scholen zitten onder de instandhoudingsnorm voor scholen. Enkele scholen zijn gehuisvest in vrij grote gebouwen waar ze boven normatief ruimte hebben. Een aantal van deze scholen hebben die ruimte verhuurd aan kinderopvang, waarmee ze een belangrijke functie vervullen voor de wijk.’ 12. Hoeveel scholen zitten wel onder de instandhoudingsnorm, maar benutten de ruimte niet voor kinderopvang? 13. Zijn daar nog andere (verhuur)opties mogelijk om kosten te drukken, waarbij gedacht wordt aan locaties voor de bredere school, wijkbijeenkomsten, stichtingen of andere voor wijken belangrijke activiteiten? ‘De opbrengsten van vrijvallende locaties zijn momenteel niet ingerekend in het meerjareninvesteringsschema.
De opbrengsten van herontwikkelingen op deze vrijvallende locaties komen ten bate van de reserve onderwijsvesting zodat die gebruikt kunnen worden voor de onderwijshuisvestingsopgave.’ 14. Wat is de inschatting van de hoogte van deze baten en kunnen deze baten met een ruime risicomarge niet meegenomen worden in het meerjaren-investeringsschema om de projecten toch meer perspectief te bieden? 15. Kan er al meer gedeeld worden over de mogelijkheden die gezien worden qua geldstromen vinden binnen het groeifondsprogramma van OCW? ‘De toetsingskaders richten zich op de urgentie van de onderwijshuisvestingsvragen van de schoolbesturen en zijn ingezet om een volgorde in de prioritering van projecten aan te brengen. De toetsingskaders zijn als volgt ingevuld: bouwkundige staat, clustering en schaalgrootte.’ 16. Is naast deze kaders en na bovengenoemde weging ook de weging van de kwetsbaarheid van de leerling populaties per school meegenomen? 17. Hoe wordt in IHP2 en in de doorkijk naar IHP3 een link gelegd tussen huisvesting en het vergroten van kansengelijkheid? 18.
In hoeverre zijn de toetsingskaders gevalideerd met input van onderwijspartijen, zoals schoolbesturen en medezeggenschapsraden, en hoe is gewaarborgd dat hun signalen over sociale of onderwijskundige urgentie voldoende zijn meegewogen? De PO-raad doet een aantal aanbevelingen voor schoolgebouwen in het kader van inclusief onderwijs. ‘Er is in dit Uitvoeringsplan geen financiële dekking voor extra vierkante meters voor inclusief onderwijs ten opzichte van de gehanteerde vierkante meters conform aangegeven onder punt a. Leerlingenprognoses.’ Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) worden de projecten uit de uitvoeringsplan voor iedereen toegankelijk. 19. Hoe wordt naast het fysiek toegankelijk maken van gebouwen voor leerlingen ook voldaan aan de andere aanbevelingen van de PO raad zoals meer kleine ruimtes voor extra ondersteuning., flexibele (zorg)ruimtes en ruimte voor huisvesten van (zorg)partners? 20. Hoe wordt in het IHP 2 en de doorkijk naar IHP 3 een link gelegd tussen huisvesting en tussen het terugdringen van schoolverzuim door in te zetten op inclusief onderwijs? 21.
Op welke wijze wordt in de planvorming samengewerkt met jeugdzorg, GGD en andere (zorg)partners om te komen tot integrale huisvestingsoplossingen die inclusief onderwijs daadwerkelijk ondersteunen in de praktijk? ‘De keus vanuit de gemeente is gemaakt om op basis van methode 2 bouwkundig te prioriteren. Een deel van de schoolbesturen had kritiek op de schouw en de uitkomsten daarvan.’
22. Kan beschreven worden hoe in de prioritering rekening is gehouden met de kritiek van een schoolbestuur op de schouw en de uitkomsten daarvan? 23. Hoe wordt voorkomen dat goed onderhoud plegen aan klimaatinstallaties en andere vormen van onderhoud in het nadeel van scholen werkt om op de prioriteitenlijst voor (ver)nieuwbouw te komen? Dit zou een perverse prikkel op kunnen leveren voor toekomstig onderhoud. De Graaf Jan van Nassauschool krijgt een nieuwe locatie, die beter bereikbaar is. De huidige locatie leidt tot veel verkeersdrukte in de ochtend, vanwege de regiofunctie van de school. Deze locatie moet tijdelijke huisvesting bieden aan andere scholen die verbouwd worden. De leerlingen die hier tijdelijk gehuisvest worden, zullen niet om de hoek wonen en mogelijk ook gebracht worden. 24. Is dit de Graaf Jan van Nassauschool wel een logische doorstroomlocatie gegeven bovenstaande? 25. Hoe voorkomt de gemeente dat er niet minder maar meer verkeersdrukte ontstaat door alle leerlingen uit andere wijken die hier tijdelijk gehuisvest moeten worden? ‘In het Uitvoeringsplan 2 IHP is net als bij het Uitvoeringsplan 1 IHP een eigen bijdrage van de schoolbesturen van 10% het uitgangspunt.
In de tussentijdse evaluatie van Uitvoeringsplan 1 IHP en in de voortgangsrapportages onderwijshuisvesting is aangeven dat het uitgangspunt van 10% eigen bijdrage in de praktijk bij de PO-scholen niet volledig gehaald wordt. Bij uitbreiding en vernieuwbouw is dit nog lastiger dan bij nieuwbouw (tot nu toe 4% als maximum). Dit heeft grotendeels te maken met de beperkingen vanuit het investeringsverbod voor het PO.’ 26. Kan meer toegelicht worden wat oplossingen zijn voor bovengenoemd probleem? 27. Is onderzocht of er binnen de huidige wet- en regelgeving (bijvoorbeeld via constructies als cofinanciering met gemeenten of fondsen) toch ruimte bestaat om de financiële inzet van PO-besturen te vergroten zonder in strijd te handelen met het investeringsverbod? 28. In hoeverre is het risico op vertraging of uitval van projecten meegenomen in het IHP als gevolg van het structureel niet kunnen voldoen aan de 10% eigen bijdrage door PO-besturen, en welke mitigerende maatregelen zijn daarbij overwogen?
Antwoorden: 1. Er is rekening gehouden met de demografie van de leerlingpopulatie aan de hand van de vastgestelde leerlingenprognose. Deze wordt iedere twee jaar vernieuwd en vormt de basis voor de benodigde ruimtebehoefte van nieuw te bouwen of te verbouwen schoolgebouwen. Schoolgebouwen met een relatief goede gebouwkwaliteit komen in de planning later aan de beurt met (ver)nieuwbouw dan schoolgebouwen met een relatief slechtere gebouwkwaliteit, ongeacht de wijk waarin ze liggen. 2. Als er met 'hier' bedoeld wordt hogere onderhoudskosten, dan is het antwoord dat hier vanuit de gemeente geen rekening mee is gehouden. Het onderhoud van schoolgebouwen is een verantwoordelijkheid voor de schoolbesturen zelf. 3. Nee daar is nog niet naar gekeken omdat de doorkijk van de projecten zich heeft beperkt tot 2040. Wellicht is alternatief financieren ook dan mogelijk en biedt het kansen op versnelling. Dat beoordelen we te zijner tijd. Voor verdere versnelling gelden overigens nadrukkelijk meer afwegingsfactoren, waaronder in ieder geval de beschikbaarheid van tijdelijke huisvesting. 4. Voorliggend plan ziet op schoolgebouwen en daaraan gerelateerde gymzalen. Op het breder IHP Binnensport is nog geen zicht. In eerste instantie ligt de vraag voor wat te doen met een aantal zeer oude sportgebouwen en een gebouw dat
een tijdelijke bestemming heeft. In 2026 zal daar een beslissing over moeten worden genomen. De te nemen maatregelen vanuit het IHP Onderwijshuisvesting en bestaande data over gebruik en bezetting van de accommodaties vormen belangrijke bouwstenen binnen die te nemen beslissingen. 5. Het Coornhert heeft om diverse redenen, zoals genoemd in het Uitvoeringsplan, een nieuwe locatie nodig: clustering van hoofdgebouw en dependance is op de huidige locatie niet mogelijk; de beperkte mogelijkheden voor tijdelijke huisvesting elders en de mogelijkheid die het (vrijkomend) schoolgebouw biedt om de schuifpuzzel in het basisonderwijs te leggen. Het vinden van een locatie binnen een jaar is nodig. Is dat later, dan is de kans dat het Coornhert later gaat verhuizen naar een nieuwe locatie, en dus tot het later vrijkomen van het huidige gebouw voor de basisschool Graaf Jan van Nassau. Hiermee wordt de schuifpuzzel in het basisonderwijs vertraagd. Het zoekgebied binnen 1,5 kilometer is van belang omdat zowel een deel van de docenten als leerlingen met de trein of bus komt en vanaf het station te voet naar het Coornhert gaat. 6. De ambitie voor alle projecten in het IHP is het realiseren van duurzame en energiezuinige gebouwen, conform de kaders die de raad heeft meegeven: minimaal BENG voor vernieuwbouw, en ENG voor nieuwbouw.
Op die manier wordt er actief gestuurd op minimaliseren van de energiekosten van scholen. In overleg met schoolbesturen wordt per project ook gekeken naar de mogelijkheden tot het minimaliseren van andere onderhoudskosten. Eventuele meerkosten hiervan worden berekend in de eigen bijdrage van schoolbesturen. Toekomstige besparingen voor het schoolbestuur zijn niet meegenomen in de afweging voor prioritering van investeringen. Overigens is het aan schoolbesturen zelf om in het kader van hun reguliere onderhoud ook besparingsmaatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van dubbele beglazing. Ook zij kunnen dus maatregelen in schoolgebouwen nemen, buiten de IHP-projecten om, om tot verduurzaming of vermindering van exploitatielasten te komen. 7. Veel scholen voldoen op dit moment niet aan een duurzame en toekomstbestendige leeromgeving. De scholen met de slechtste staat zijn opgenomen in dit plan en in de doorkijk. Gezien de grootte van de opgave voor Gouda en het beperkte budget kunnen we niet alle problemen tegelijkertijd oplossen helaas. 8. Deze uitgangspunten gelden ook voor het bewegingsonderwijs. In het IHP worden stappen gemaakt met gymzalen die gekoppeld zijn aan scholen die aan de beurt zijn. Voor de bredere binnensportlocaties: zie vraag 4. 9.
In de IHP-puzzel wordt voortdurend gekeken of er in iedere wijk voldoende basisonderwijs blijft, zodat spreiding geborgd is en kind en ouders een zekere keuzevrijheid hebben in hun eigen wijk. 10. Ja daar wordt rekening mee gehouden. Bij de leerlingenprognoses die iedere twee jaar worden geactualiseerd, worden alle toekomstige ontwikkelingen in Gouda (woningbouw) meegenomen. Mobiliteit is een van de aspecten waar alle ruimtelijke plannen op worden beoordeeld door de gemeente, zo ook de IHPprojecten. 11. Dit voorkomen we op twee manieren. Enerzijds wordt ingezet op clustering van schoolgebouwen, waardoor er in de toekomst minder schoolgebouwen vernieuwd hoeven te worden. Het voorliggend plan zetten we in op afname van de
gebouwvoorraad van 57 naar 40 schoolgebouwen. Anderzijds wordt bewust gekozen voor een levensduur(verlenging) van 40 jaar, ook bij vernieuwbouw. Door de achterstand in Gouda is het van belang dat er ook na Uitvoeringsplan 3 IHP structureel wordt geïnvesteerd in de vernieuwing van de scholenvoorraad. 12. Van de 7 scholen die onder de opheffingsnorm zitten, vallen er vier in het regulier onderwijs. Drie van de 7 scholen bieden kinderopvang of een peuterspeelzaal aan. Voor kinderopvang geldt overigens ook dat enige volume nodig is om tot een haalbare bedrijfseconomische omvang te komen voor een dergelijke voorziening. 13. Het feit dat scholen in vrij grote gebouwen gehuisvest zijn ten opzichte van de normatieve ruimte betekent niet dat de betreffende ruimte niet gebruikt wordt. In de regel koesteren scholen deze extra ruimte. We zien dat scholen in de praktijk ruimten bieden aan bijvoorbeeld een peuterspeelzaal, Brede school activiteiten, Bibliotheek, BSO, Kinderopvang of weekendschool. Ook zijn er gevallen waarin kantoorruimte wordt aangebracht. Ook maakt de wijk soms gebruik van ruimtes. Verhuur van dat laatste levert over het algemeen voor schoolbesturen weinig op. 14. Een eerste voorzichtige inschatting van de opbrengsten is gemaakt. Deze is evenwel nog te onzeker.
Aspecten die hierin meespelen: wanneer valt de locatie vrij en wat is marktwaarde tegen die tijd? Ook maakt het uit welke bestemming deze dan krijgt voor de opbrengsten, bijvoorbeeld woningbouw, groen of maatschappelijke voorziening. Voor de gemeente weegt publieke c.q. maatschappelijke waarde immers ook door, waarmee maximale opbrengst niet per definitie het leidmotief is. Bij transformatie naar woningen speelt nota bene ook de vraag of binnen dat kader maximaal rendement leidend is of bijvoorbeeld realisatie van voldoende sociaal/betaalbaar. Keuzes bepalen derhalve rendement. 15. Nog niet echt. Sinds dit voorjaar is er duidelijkheid over de subsidievoorwaarden. Die zijn best complex. Er wordt momenteel onderzocht of er projecten uit het IHP zijn die voldoen aan de subsidievoorwaarden. Een van de benodigde stappen is een voorgesprek met Ruimte OK. Dat gesprek is ingepland. Wanneer dat het geval is, zal er een subsidieaanvraag worden ingediend. 16. De weging van de kwetsbaarheid van de leerlingpopulatie is niet meegenomen aangezien deze niet in het kader is opgenomen dat de raad gesteld heeft. De clustering van een aantal scholen zorgt er wel voor dat toekomstbestendiger scholen ontstaan en versneld kan gaan worden. Dit zal zeker een deel van de kwetsbaardere populatie ten goede komen. Tevens hebben we oog voor spreiding van scholen en het behoud van wijkfuncties.
Ook dat zorgt dat wijkscholen behouden blijven. 17. Door clustering van scholen ontstaan er sterkere scholen in de wijken, dat biedt meer ruimte om kennis te delen en samen te werken in het belang van kansengelijkheid in de wijk. Tevens kijkt het college zoals verwoord in het raadsvoorstel zeer kritisch naar de meerwaarde van nieuwe schoolinitiatieven. Het accommoderen van nieuwe initiatieven laat zich immers moeilijk combineren met de verantwoordelijkheid van de wettelijke zorgplicht van de bestaande schoolgebouwen. 18. Schoolbesturen zijn meermalen betrokken bij de kaderstelling en totstandkoming van dit uitvoeringsplan. De medezeggenschapsraden van de scholen zijn geen
gesprekspartner van de gemeente. Ze zijn door de schoolbesturen betrokken geweest daar waar de schoolbesturen dat nodig achtten. 19. Extra kleine ruimtes kunnen in het programma van eisen meegenomen worden als de school dat wenst, mits het binnen de financiële kaders van een verbouwing of vernieuwing haalbaar is. 20. Het uitvoeringsplan is een plan voor vernieuwing van onderwijshuisvesting. We investeren met dit plan naar vermogen in toekomstbestendige schoolgebouwen, waar leraren en leerlingen goed kunnen functioneren. 21. Samenwerking met derden gebeurt alleen op voorspraak van het betrokken schoolbestuur. 22. Met schoolbesturen is afgesproken om met gezond verstand de resultaten van de schouw in te zetten bij de definitieve prioritering. Er is gestart met projecten uit de top 13 waarop ook de andere toetsingskaders van de raad zoals clustering en schaalgrootte zijn toegepast. Hierdoor veranderde de volgorde van projecten. 23. Dit is inderdaad een perverse prikkel en dat werd ook duidelijk in de gesprekken met de schoolbesturen. Door nu vast te houden aan de volgorde van projecten uit het uitvoeringsplan en de doorkijk tot 2040, wordt deels voorkomen dat die prikkel geleverd blijft worden. Het is aan de schoolbesturen om hun gebouw te blijven onderhouden tot het moment dat ze in uitvoering worden genomen.
Die duidelijkheid wordt in het plan geboden en kan schoolbesturen stimuleren wel in duurzaamheid te investeren tot dat moment. Schoolbesturen zijn in de basis ook verantwoordelijk voor het dagelijks onderhoud van hun eigen gebouwen. 24. De locatie Graaf Jan van Nassauschool is een hele logische doorstroomlocatie, aangezien deze centraal in Gouda ligt en daarmee binnen wettelijke afstand van een aantal ver nieuw te bouwen scholen, en ook voldoende omvang biedt om grotere basissscholen tijdelijk te huisvesten. 25. De scholen die hier tijdelijk gehuisvest worden hebben een minder grote leerlingpopulatie uit de regio dan de huidige school. Dit beperkt de verkeersdrukte op deze locatie naar verwachting. Op dit moment is er immers onder andere . veel busjesverkeer. 26. De wetswijziging die in voorbereiding is, is voornemens om het investeringsverbod voor het PO te schrappen, waardoor het voor schoolbesturen onder voorwaarden mogelijk wordt om wel te investeren in schoolgebouwen. Wat die voorwaarden zijn is op dit moment nog onduidelijk, naast de vraag wanneer het wetsvoorstel wordt behandeld. 27. In de afgelopen jaren is dt gedurende de uitvoering van het Uitvoeringsplan 1 IHP onderzocht met schoolbesturen en hun accountants. De ruimte is maximaal benut. 28. De opbrengsten van de eigen bijdrage van schoolbesturen zijn niet ingerekend.
Na vaststellen van de eigen bijdrage zal dit bedrag in mindering worden gebracht op de projectinvestering conform de BBV-regels. Het niet kunnen voldoen aan de 10% eigen bijdrage zal daarmee geen vertraging of uitval van projecten betekenen. Overigens is de 10% eigen bijdrage wel gerealiseerd in het VO bij het project dat parallel aan het Uitvoeringsplan 1 IHP liep, namelijk de vernieuwbouw van de Goudse Waarden aan de Heemskerkstraat)