A LG re-integratie Participatiewet
Tekst van het document
Leefbaar Gouda Technische vragen
Datum vraag Onderwerp Commissiegriffier Datum antwoord
: 12-01-2025 : Re-integratie Participatiewet : Lars van der Linden : 14 januari 2025
Vragen: Naar aanleiding van bovengenoemd onderwerp willen wij als fractie van Leefbaar Gouda de volgende vragen voorleggen; 1. Hoe verklaart het college dat klantgroep 1, welke in theorie snel aan werk geholpen kan worden, toch niet de verwachte uitstroom naar werk behaalt? Wat zegt dit over de effectiviteit van de indeling in klantgroepen? 2. Waarom is de instroom in Gouda structureel hoger dan het landelijke gemiddelde, terwijl de uitstroom naar werk lager ligt? Welke concrete maatregelen neemt het college om deze trend te keren? 3. Is er voldoende inzet om werkgevers te betrekken bij de plaatsing van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt? Wat zijn de obstakels vanuit werkgevers? 4. Met een jaarlijks re-integratiebudget van ruim € 1,7 miljoen, hoe rechtvaardigt het college de beperkte uitstroom naar werk? Worden beschikbare middelen effectief ingezet? 5. De inzet van loonkostensubsidies is hoog, maar lijkt niet structureel tot meer duurzame uitstroom te leiden. Zijn deze subsidies wel doelmatig? 6. Ondanks extra begeleiding blijft het moeilijk om statushouders te bemiddelen. Wat is de reden dat specifieke trajecten voor hun onderbenut blijven? Is de regionale aanpak voldoende afgestemd op deze uitdagingen? 7. Hoe kijkt het college naar de toename van jongeren in de bijstand? 8.
Hoe verklaart het college dat bijna 80% van de bijstandsgerechtigden langer dan een jaar in de bijstand zit, ondanks de inspanningen om hen naar werk te begeleiden? 9. Het Werkcentrum (langetermijnoplossing). Wat doet het college op korte termijn om de uitstroompercentages te verbeteren? 10. Voor inwoners zonder arbeidsvermogen wordt veel ingezet op maatschappelijke participatie, zoals vrijwilligerswerk of activiteiten in buurthuizen. Waarom blijft het college erop aandringen dat deze mensen moeten 'meedoen', terwijl zij vaak niet in staat zijn om volledig deel te nemen? Zou het college niet meer moeten investeren in structurele ondersteuning en rust, in plaats van hen voortdurend te activeren? 11. Wat gaat het college doen om de kansenongelijkheid binnen Gouda te verminderen, gezien het lage opleidingsniveau en de multi problematiek onder bijstandsgerechtigden. 12. Hoe bereidt het college zich voor op de invoering van de wetswijzigingen (zoals "Participatiewet in Balans")? Worden hier al pilots of experimenten voor gestart?
In afwachting van beantwoording, Namens de fractie van Leefbaar Gouda, Linda Verschut
Antwoorden: 1. Bij cliënten ingedeeld in klantgroep 1 was de verwachting dat veel van deze cliënten (vrijwel) direct zouden kunnen werken. De inzet was er dan ook op gericht hen zo snel mogelijk naar werk te begeleiden. Deze cliënten werden geholpen door het WSP, het Werkcafé en de uitzendbureaus waarmee wordt samengewerkt. Met vacatures, sollicitatietraining, training cv opstellen, empowerment. De verwachting is niet helemaal gehaald; het uitstroompercentage naar werk lag in 20222023 rond de 70%. Het college trekt hier niet de conclusie dat de indeling in de klantgroep niet goed zou zijn gegaan. Maar kijkt met vertrouwen naar de oprichting van één Regionaal Werkcentrum om een wat hoger percentage uitstroom naar werk voor deze groep te gaan realiseren. 2. In 2022-2023 was de instroom in Gouda hoger dan landelijk gemiddeld (maar het verschil werd kleiner in de loop van de periode). De redenen voor instroom in de bijstand kunnen niet vergeleken worden met andere gemeenten; de Divosa benchmark werk en inkomen voorziet daar niet in. Maar uit analyse van eigen cijfers en uit ons dossieronderzoek blijkt dat het verschil met name zit in het gegeven dat de gemeente Gouda er belang aan hecht qua opgave voor de huisvesting van statushouders goed op schema te blijven en in de centrumtaken voor VrouwenOpvang en Maatschappelijke Opvang.
De uitstroom (meer specifiek: het algehele uitstroompercentage) was in Gouda in 20222023 hoger dan landelijk gemiddeld. Maar het uitstroompercentage naar werk was in Gouda in de verslagperiode lager dan landelijk gemiddeld (2,3% lager in 2023); dit zal deels te maken hebben met de wijze van registreren (100% wordt verdeeld over de onderscheiden redenen van uitstroom, waarbij het percentage “reden uitstroom = overige/andere redenen” en het percentage “uitstroom vanwege handhaving” in Gouda hoger is dan landelijk gemiddeld; dat heeft een dempende werking op het percentage “uitstroom naar werk”). Voor meer informatie wordt u verwezen naar het raadsvoorstel aanvraag vangnetuitkering Participatiewet 2023 en de bijbehorende bijlage 1. De raad heeft deze stukken behandeld op 22 mei 2024. 3. Ja. Het WSP stimuleert werkgevers om op een mensgerichte, slimme en financieel aantrekkelijke manier te ondernemen, om meer mensen in de regio aan het werk te helpen en te houden. De plaatsing van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt maakt hier onderdeel van uit, o.a. via social return en jobcarving. De sociaal ontwikkelbedrijven Promen en FermWerk maken onderdeel uit van de samenwerking, zodat ook hun specifieke kennis en expertise voor deze doelgroep ingezet kan worden, evenals hun werkgeversnetwerk.
Dit wordt ook in regionaal verband geregisseerd, waarbij ook werkgeversorganisaties aan tafel zitten. De obstakels die werkgevers soms ervaren zijn soms onvoldoende tijd en capaciteit voor een goede begeleiding op de werkvloer. Er kan dan een jobcoach worden ingezet. 4. Ja, de middelen zijn (en worden) effectief ingezet naar de mening van het college.
Een groot deel van de middelen gaat naar de groep (klantgroep 3) die langdurige ondersteuning nodig heeft naar werk, om steeds een stapje te zetten dichter naar de arbeidsmarkt. Dit is verreweg de grootste groep in het bestand. Voor een deel is dit ook inherent aan de wettelijke taak om mensen met een arbeidsbeperking te begeleiden, waar die voor de invoering van de Participatiewet in de Wajong of de Wsw terecht zouden zijn gekomen.
En een deel van de middelen gaat naar cliënten die onvoldoende arbeidsvermogen hebben om te kunnen gaan werken. Dat houdt in, dat de inzet van middelen zich in lang niet alle gevallen (direct) vertaalt in uitstroom naar werk; het is meestal een kwestie van een lange adem. 5. Ja zeker. Loonkostensubsidies werden ingezet om arbeidsbeperkten aan het werk te helpen en te houden. Iedereen die in Gouda een Beschutte Werkplek nodig had heeft deze gekregen en het aantal gerealiseerde garantiebanen lag op het landelijk gemiddelde (ondanks de beperkte nieuwe instroom). Dat Gouda het beter doet dan landelijk gemiddeld blijkt ook uit de ruime compensatie via het deelbudget loonkostensubsidie van het BUIGbudget; dat was hoger dan de daadwerkelijke uitgaven in het voorgaande uitvoeringsjaar. 6. Statushouders komen in een voor hen nieuw land en zijn niet altijd goed voorbereid op hun komst naar Nederland. Het doel van de Wet Inburgering is dat alle statushouders snel en volwaardig mee kunnen doen in de Nederlandse maatschappij. Iedere statushouder krijgt een passend inburgeringstraject aangeboden, waarmee maximaal binnen 3 jaar de inburgering wordt afgerond. De inburgering omvat verschillende onderdelen. Ze worden o.a. met maatschappelijke begeleiding geholpen bij het regelen van praktische zaken en volgen verplicht taallessen.
Taal en participatie worden zoveel mogelijk gecombineerd in het traject. Er zijn verschillende trajecten georganiseerd en ingekocht. Door de brede verplichtingen van de statushouders zijn niet alle trajecten benut. De regionale aanpak wordt continu bijgesteld op de uitdagingen. In 2024 is er een regionaal verbindingsofficier statushouders gestart. Er is een concreet actieplan gemaakt, dat in 2025 zijn beslag krijgt in diverse activiteiten voor de werkzoekenden. 7. Ondanks een toename van het aantal jongeren met bijstand is de Goudse jeugdwerkloosheid nog steeds lager dan landelijk gemiddeld. De ontwikkeling van het aantal jongeren met bijstand benadrukt het belang om structureel de focus te hebben op de mogelijkheden om te gaan werken of een passende opleiding te volgen. Voor jongeren is dit wellicht nog wel van groter belang omdat zij nog een heel leven voor zich hebben. 8. Het werd in de verslagperiode 2022-2023 in het hele land lastiger om bijstandsgerechtigden naar werk te begeleiden; de uitstroom naar werk daalde, zowel in Gouda als landelijk. Veel bijstandsgerechtigden konden de stap naar werk moeilijk zetten. Dat wat de werkgevers verwachtten van een nieuwe werknemer (vaak iemand die snel inzetbaar is) en wat de werkzoekenden te bieden hadden, sluit niet altijd direct op elkaar aan. En deze mismatch was in lang niet alle gevallen gemakkelijk op te lossen. 9.
Vanuit de regionale dienstverlening (voor met name klantgroepen 1 en 2) wordt o.a. ingezet op: - intensieve begeleiding naar werk inzet van jobhunting; - samenwerking met uitzendbureaus; - aansluiten bij landelijke ontwikkelingen rondom loopbaanpaden door ontwikkeling van voortrajecten; - blijven stimuleren van werkgevers om flexibiliteit te tonen ten aanzien van de eisen die aan werkzoekenden worden gesteld en de manier waarop werk gedaan kan worden: parttime inzet, functiecreatie, open hiring, etc. De re-integratiedienstverlening wordt onverkort voortgezet, met continue afweging wat passend is voor de cliënt. Ondanks de moeilijke opgave die er ligt, blijven de inspanningen van het college erop gericht om meer mensen aan het werk te krijgen. 10. Dit is vanuit de gedachte dat verbinding met de gemeenschap, een sociaal netwerk en dagstructuur enorm belangrijk zijn voor het welzijn, het geluk en de gezondheid van mensen.
Vanzelfsprekend worden mensen niet ‘opgejaagd’ om meer te doen dan wat ze kunnen, zoals bijv. bij voortschrijdende ziektes als MS of Parkinson. Dan is inderdaad de juiste zorg nodig. Zoals blijkt uit het client ervaringsonderzoek (2023) waarderen de cliënten de ondersteuning naar re-integratie en participatie. Cliënten gaven tussen 7,7 en 8,1 voor verschillende aspecten van de begeleiding. 11. Het bevorderen van kansengelijkheid in brede zin is een speerpunt van het college. Het college werkt daar aan door in te zetten op het bestrijden van armoede, te investeren in de basisschuldhulpverlening en het Convenant de Goudse Standaard en extra middelen voor vroegsignalering. Daarnaast zet het college nog meer in op het terugdringen van laaggeletterdheid. Want om armoede tegen te gaan, zich te kunnen ontwikkelen én mee te kunnen doen in onze samenleving is het beschikken over voldoende basisvaardigheden op het gebied van taal, lezen en rekenen, en in toenemende mate digitale vaardigheden een cruciale voorwaarde. Daartoe intensiveert het college de huidige inzet via het Taalhuis en extra investeringen in het laaggeletterdheidsaanbod voor kwetsbare doelgroepen, zowel voor mensen die Nederlands als eerste taal spreken (NT1) als tweede taal (NT2). 12.
Het college volgt nauw de ontwikkelingen rondom de wetswijziging Participatiewet in Balans en de aanverwante wetsvoorstellen (zoals Handhaving Sociale Zekerheid en Maatwerk bij terugvordering). Er zijn nog geen experimenten gestart omdat er nog wijzigingen aangebracht worden. Zo is zeer recent het schrappen van de Wet taaleis (wat op de planning stond met de komst van de Participatiewet in Balans) heroverwogen. De invoering van de wet is afhankelijk van de behandeling in de Kamer, maar lijkt door te schuiven naar 1 januari 2026.