A LG Afstemmings- en Handhavingsverordening Participatiewet 2024
Tekst van het document
Leefbaar Gouda Technische vragen Datum vraag Onderwerp
: 25 mei 2024 : Afstemmingsverordening- en handhavingsverordening Participatiewet 2024
Commissiegriffier: Datum antwoord : 28 mei 2024
College van B&W; Naar aanleiding van de stukken over bovengenoemd onderwerp willen wij als fractie van Leefbaar Gouda u de navolgende vragen voorleggen;
Vragen: 1. Kan worden aangegeven hoe vaak en voor welke bedragen ten onrechte uitkeringen zijn gedaan in het jaar 2021,2022 en 2023 voor wat betreft; a. Uitkeringen; b. Bijzondere bijstand; c. Studietoeslag; d. Individuele inkomenstoeslag? 2. Hoe frequent is in genoemde periode aangifte gedaan bij het O? 3. Welke uitspraken zijn er gedaan door het OM naar aanleiding van de aangifte? 4. Op Welke wijze wordt vastgesteld of er inderdaad sprake is van een gedragsverandering na aanpassing van de afstemmings- en handhavingsverordening? In afwachting van uw beantwoording, Namens de fractie van Leefbaar Gouda, Jan de Koning
Antwoorden: 1. Uitkeringen worden deels ten onrechte gedaan zonder dat dit de cliënt of gemeente te verwijten is en deels ook door schending inlichtingenplicht. Het uitkeringssysteem wordt (her)ingericht zodat het college de handhavende taak tweejaarlijks kan verantwoorden. Hieronder valt ook het aantal keer dat uitkeringen ten onrechte zijn verstrekt vanwege schending inlichtingenplicht en de bedragen. Om betrouwbare informatie over voorgaande jaren te verstrekken zou op individueel dossierniveau onderzoek verricht moeten worden, omdat niet altijd op een uniforme wijze volgens dezelfde definities is
geregistreerd. Een dergelijk dossieronderzoek is arbeidsintensief en niet binnen dit tijdsbestek mogelijk. Aard en karakter van de bijzondere bijstand brengen met zich mee, dat dit zeer beperkt ten onrechte wordt verstrekt en tot een terugvordering leidt. Hetzelfde is van toepassing op de studietoeslag en individuele inkomenstoeslag. 2. Er zijn in de genoemde periode geen aangifte gedaan bij het OM. 3. N.v.t. 4. Het beoordelen van gedragsherstel na 3 maanden sluit aan bij hetgeen wat de wetgever ook gebruikt als termijn om te beoordelen of het gedrag is aangepast (artikel 18 lid 3 en 11). Het vaststellen van gedragsverandering vindt plaats als uit de houding en gedragingen van de bijstandsgerechtigde blijkt dat hij/zij de verplichtingen (alsnog) nakomt. Pas dan kan het eerdere maatregelbesluit worden herzien met een matiging naar 0% van de maatregel.