CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

A GL Bijlage VII en VIII huidig RVO en werkwijze ARK

Raadsvergadering 14 maart 2023, gemeente GoudaBij agendapunt: Wijziging Verordening Fysieke Leefomgeving (VFLO)1.899 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage VII – Reglement van orde op de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit (versie Welstandsnota 2017, bijlage I) 1. organisatie Gouda kiest voor het voeren van een integraal ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Niet alleen de gebouwen, maar ook de plaatsing en ordening daarvan, de inrichting van het publiek domein en de zorg voor het cultureel erfgoed bepalen die ruimtelijke kwaliteit. Dat betekent dat niet alleen geadviseerd wordt over bouwplannen, maar ook over reclames, restauratieplannen, stedenbouwkundige plannen, stedenbouwkundige randvoorwaarden en de inrichtingsplannen voor het openbaar gebied. De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan gevraagd en ongevraagd advies geven over het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. 2. taken De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert onder andere over de volgende onderwerpen: 1. Bouwplannen a. bouwaanvragen (welstandstaak) b. principeplannen (advies aan de aanvrager met een welstandsbeoordeling) 2. Restauratie of wijziging van beschermd erfgoed (monumenten, zowel rijks- als gemeentelijk) 3. Aanvragen voor reclames, terrassen en uitstallingen 4. Sloopaanvragen binnen een aanlegvergunningenstelsel 5. Stedenbouwkundige plannen. 6. Stedenbouwkundige randvoorwaarden bij ontwikkelingen (onder andere artikel 2.12 WABO) 7. Regieplannen en beeldkwaliteitplannen 8. Plannen voor de inrichting van het openbaar gebied 3.

samenstelling Gouda voert een integraal beleid. Dat betekent dat de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit op diverse punten deskundig moet zijn. De volgende disciplines zijn noodzakelijk: 1. architectuur 2. stedenbouw 3. landschapsontwerp en inrichting van het openbaar gebied 4. bouwhistorie 5. cultuurhistorie. De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan bij het uitoefenen van de verschillende adviesfuncties verschillende samenstelling hebben. De commissie wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter. De voorzitter is geen vakinhoudelijke deskundige, maar moet wel affiniteit met het werk van de commissie hebben. Van de voorzitter mag verwacht worden dat hij innemend, maar niet toegeeflijk is en vooral duidelijk in zijn samenvatting van het advies. De commissie wordt ondersteund door een secretaris die het advies van de commissie op schrift stelt in heldere en begrijpelijke taal en daarin de verbinding legt met de welstandscriteria. 4. competenties De leden van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit moeten deskundig, gezaghebbend en overtuigend zijn. Daarnaast moeten ze de stad Gouda goed kennen en tegelijk onafhankelijk staan tegenover de ingediende bouwplannen. De commissie moet duidelijk en goed met de ontwerpers kunnen communiceren. Hieronder worden de gevraagde kwaliteiten toegelicht en gemotiveerd.

Deskundig: oordeel met voorspellende waarde en verzekering van blijvende waarde Doorslaggevend moet zijn of een bouwwerk een blijvende waardering zal oogsten gedurende de daarop volgende decennia en nog veel langer. Het is aan het gemeentebestuur om zichzelf

op dit punt van een vooruitziende blik te voorzien. Ze kan zich daarvan verzekeren door een deskundige adviescommissie die in staat is om de plannen goed te doorzien en te beoordelen, en waarvan het oordeel een grote voorspellende waarde heeft.

Gezaghebbend en overtuigend Voor een ontwerper is het niet gemakkelijk om kritiek op het eigen ontwerp te verwerken. Het is immers naar beste inzicht vervaardigd. Het helpt, wanneer de beoordelende instantie gezag heeft door eigen werk en prestaties. Ook helpt het, wanneer de beoordelaars begrip hebben voor de motieven van de ontwerper, maar in aansluiting daarop hun oordeel kunnen verhelderen, daarbij steunend op het door de gemeente geformuleerde beleid. De commissie moet in haar advies overtuigend zijn. Onafhankelijk, goed bekend met de stad De leden van de commissie moeten bij hun beoordeling geen ander motief hebben dan een goed resultaat voor de stad. De ervaring leert dat lokale professionele activiteit daarin soms complicerend werkt. Het aantrekken van landelijk gezaghebbende vakmensen kan er toe leiden dat de commissieleden niet in Gouda wonen. Dat is voor de onafhankelijkheid een voordeel. Maar het vergt een goede en regelmatig terugkerende kennismaking met de stad: de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit dient de stad zeer goed te kennen. Onafhankelijk, geen (bouw)stijlvoorkeuren Een ander aspect van onafhankelijkheid is de neutraliteit ten opzichte van (bouw)stijlen. Hoewel een ontwerper natuurlijk een eigen handschrift en stijlvoorkeur kent, zal hij of zij bij de beoordeling van andermans werk daardoor niet beïnvloed mogen worden.

Beoordeeld moet worden of het ontwerp voldoet aan de gestelde criteria. Passendheid in de omgeving en kwaliteit binnen een bepaalde stijl is daarbij belangrijker dan een oordeel over die stijl zelf. Voeling met de stad Ook moet de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit oog hebben voor wat er in de stad speelt en leeft. Niet alleen moet de commissie de stad goed kennen in bouwkundige en stedenbouwkundige zin. Maar ook wat er aan opvattingen leeft, is van belang bij het behandelen van de plannen, het overleg met de indieners en het advies aan het college. 5. benoeming van de leden De welstandsleden van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit worden benoemd door de Raad op voordracht het college. Het college gebruikt daarbij de kwalificaties uit deze nota. De vertegenwoordiger(s) namens de Commissie Cultuurhistorie worden door het college toegevoegd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Alle leden worden door het college benoemd. Er wordt landelijk geworven. De selectie wordt schriftelijk vastgelegd en vertrouwelijk behandeld door het college. De voordracht wordt door het college gemotiveerd. De commissie telt minimaal vier leden en een onafhankelijk voorzitter. Supervisors of een kwaliteitsteam kunnen worden ingesteld en benoemd door het college.

Een supervisor is geen lid van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit: hij/zij presenteert daar het plan, eventueel samen met de architect. Ook het kwaliteitsteam maakt geen deel uit van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit, maar adviseert in een eerder stadium over de kwaliteitsaspecten en de vraag of en wanneer een plan in de procedure verder kan. Een lid van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan als supervisor worden benoemd, maar treedt vervolgens bij de behandeling van de betreffende plannen terug uit de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Een lid van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan als adviseur aanzitten in het kwaliteitsteam. Alvorens een lid te benoemen stelt de Raad zich op de hoogte van de kwaliteiten van de kandidaat. Dat kan door in een informele raadscommissie een korte presentatie te laten geven van het oeuvre door de betreffende kandidaat, gevolgd door een informatief gesprek. Zo wordt de Raad ook inhoudelijk betrokken bij het onderwerp. De leden van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit worden benoemd voor een termijn van max. drie jaar en kunnen daarna eenmaal worden herbenoemd. Om de continuïteit in de commissie te waarborgen, wordt telkens een deel van de commissie vervangen.

pagina 2

6. communicatie en perscontacten Een goede communicatie over de ruimtelijke kwaliteit van de stad is belangrijk. De communicatie rond het werk van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit is daarin een belangrijk aspect. Verantwoordelijk daarvoor is tijdens de vergadering de voorzitter van de commissie, in het dagelijks verkeer de secretaris en over het beleid de verantwoordelijke afdeling Ruimtelijk Beleid en Advies (waar de beleidsvelden ruimtelijke kwaliteit en stedenbouw zijn ondergebracht) en de portefeuillehouder. De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit is een adviescommissie die een door de eigen gemeenteraad vastgesteld Beleid uitvoert en dit naar beste vermogen doet. De commissie adviseert aan het college, die uiteindelijk de beslissing nemen. Regelmatig overleg met de portefeuillehouder is nodig om voeling te houden met het beleid, waarbinnen moet worden gewerkt. Raadsleden zijn welkom bij de vergadering. Het is immers het beleid van de Raad dat hier wordt uitgevoerd en de Raad moet oordelen over eventuele bijstelling. Om verkeerde berichtgeving te voorkomen kunnen de leden van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit alleen met instemming van de gemeente (verantwoordelijke portefeuillehouder, of ambtenaar) worden geïnterviewd en alleen onder de voorwaarde dat het interview door hen wordt geautoriseerd en onverhoopte onjuistheden vooraf kunnen worden gecorrigeerd.

7. presentievergoedingen De voorzitter en de leden genieten een door het uitvoerend orgaan vastgesteld presentiegeld overeenkomstig de gemeentelijke vergoedingenregeling. Reiskosten worden vergoed op basis van kosten openbaar vervoer of de verreden kilometers. Declaraties dienen uiterlijk na afloop van elk kwartaal via de bedrijfsnota en het declaratieformulier te worden ingediend.

pagina 3

Bijlage VIII – Werkwijze van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit (versie Welstandsnota 2017, bijlage II) 1. frequentie, openbaarheid en verslag van de vergaderingen De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (grote commissie) vergadert in principe eens in de twee weken. Daarnaast adviseren elke twee weken maximaal twee gemandateerde leden van de commissie (kleine commissie) over kleine bouwplannen. Eén daarvan is een ‘monumenten/erfgoed-lid’, de ander een ‘nieuwbouw/architectuur-lid’. In bijzondere gevallen wijzen de gemandateerde leden een klein plan door naar de voltallige commissie. De vergaderingen over bouwvergunningaanvragen, monumentenvergunningaanvragen, sloopvergunningaanvragen, reclamevergunningen en principeplannen zijn openbaar. Van de vergadering wordt een verslag gemaakt. Bij negatieve adviezen, voorwaardelijke adviezen en als van de welstandsrichtlijnen afgeweken wordt, worden de adviezen gemotiveerd. Dit verslag geldt als advies aan het college. De aanvrager wordt schriftelijk geïnformeerd over de genoemde adviezen. Behandeling van stedenbouwkundige plannen, stedenbouwkundige randvoorwaarden, regieplannen, beeldkwaliteitplannen, plannen voor de inrichting van het openbaar gebied zijn niet openbaar. Deze voorstellen zijn ambtelijk en nog niet voorgelegd aan het college.

Deze adviezen en ongevraagde adviezen zijn niet openbaar en worden als een besprekingsverslag geredigeerd. Ze worden pas na vaststelling in de eerstvolgende vergadering doorgeleid naar het college en degenen die bij het overleg aanwezig waren. De adviezen worden gevoegd bij het betreffende voorstel aan het college. 2. advisering over de plannen Voordat een bouwplan, restauratieplan, herbestemmingsplan, inrichtingsplan of reclameplan aan de commissie voorgelegd wordt, is het plan getoetst aan het bestemmingsplan. Indien het plan niet voldoet aan het bestemmingsplan en dus een verzoek tot vrijstelling van het bestemmingsplan inhoudt, wordt het plan eerst door de ambtelijke dienst voorzien van een stedenbouwkundig en/of cultuurhistorisch advies. Indien blijkt dat het plan niet past binnen de gemeentelijke ruimtelijke visie, wordt geen advies aan de commissie gevraagd. Er is immers al een grond tot afwijzing en vanwege de samenhang van stedenbouw, cultuurhistorie en architectuur is adequate advisering dan niet mogelijk. De commissie kan de volgende adviezen geven: positief, positief onder voorwaarden, negatief, of het plan aanhouden en de ontwerper uitnodigen om een toelichting op het ontwerp te geven.

Een positief advies onder voorwaarden kan alleen worden gegeven als deze voorwaarden simpel en eenduidig zijn, toegevoegd kunnen worden aan de vergunning en aangetekend op de vergunningstekening. Het overleg van een ontwerper met de commissie heeft soms het karakter van collegiaal overleg, waarbij het plan in gewijzigde vorm nogmaals aan de commissie ter beoordeling aangeboden wordt, voordat er een definitief advies afgegeven wordt. Toch is het wenselijk om beperkingen te stellen aan het aantal malen dat een plan in de commissie besproken wordt. In de regel zullen de aanvrager en de commissie binnen drie behandelingen tot afronding moeten komen. Bij de derde behandeling moet de commissie haar definitieve (gemotiveerde) advies geven. Alleen indien de ontwerper daar nadrukkelijk om verzoekt en de commissie van mening is dat er nog voortgang in het collegiale overleg zit, kunnen meer behandelingen mogelijk zijn. In enkele gevallen kan het zinvol zijn dat een van de commissieleden buiten de vergadering van de voltallige commissie om in overleg met de ontwerper gaat, omdat het plan nog onvoldoende kwaliteit heeft. Deze wijze van ontwerpbegeleiding wordt supervisie genoemd (niet te verwarren met supervisor). Bij een herhaalde behandeling van een plan zijn de eerder behandelde stukken en verslagen aanwezig en deze worden als uitgangspunt voor de verdere bespreking genomen.

De stukken die in de welstandsvergadering besproken zijn, worden door de behandelende afdeling gearchiveerd.

pagina 4

Er zal behoefte blijven bestaan aan vooroverleg. Dit biedt de aanvrager meer zekerheid in een eerder stadium en daardoor lagere voorbereidingskosten. Gouda kent daarvoor het principeplan. Het principeplan wordt ook voorgelegd aan de commissie. De commissie geeft een gemotiveerd richtinggevend welstandsadvies. Dat advies kan ook inhouden een uitnodiging om het plan aan te passen of een uitnodiging voor nader overleg. Een advies op een principeplan is niet gericht aan het college maar aan de aanvrager en diens architect.

pagina 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=bb94b422-cd37-4490-89fa-170deb442445