A CU Beantwoording technische vragen GOVO en Reserve AVOR
Tekst van het document
Technische vragen Van Datum vraag Onderwerp
: Gert van den Brink : 24 november 2021 : Verloop reserve vervangingsinvesteringen en beheerplan GOVO
Datum antwoord: 29 november 2021 Technische vragen In de begroting 2022 en de jaarrekening 2021 worden de reserves en voorzieningen uitgesplitst verantwoord en toegelicht. In de nota Reserves en Voorzieningen Gemeente Gouda 2020 zijn regels opgenomen voor de toevoegingen aan en de onttrekkingen uit deze reserves en voorzieningen en in het beheerplan GOVO wordt een opsomming gegeven van het geplande onderhoud en de onderhoudsinvesteringen. In de jaarrekening 2020 is bij de reserve de volgende opstelling te lezen: Saldo per 1-1-2020 Toevoeging Af: wegens afschrijving Saldo per 1-12-2020
€ “ “ €
8.601 1.985 -798 9.788
€ “ “ €
12.332 2.119 0 14.451
In de begroting over 2022 staan bij de reserve de volgende bedragen Saldo per 1-1-2022 Toevoeging Afname Saldo per 1-12-2020
Volgens diezelfde nota zou de toevoeging aan deze reserve elk jaar gelijk moeten zijn aan het bedrag van de begrote/geactiveerde investeringen in dat jaar. Eventuele onderschrijdingen worden toegevoegd aan de voorziening groot onderhoud openbare ruimte. Vrijval vindt plaats als compensatie van de afschrijvingen (zie ook overzicht jaarrekening 2020) Dit leidt tot de volgende technische vragen: 1. In de begroting 2022 is een bedrag aan toevoegingen opgenomen van € 2.119 maar wordt niet zichtbaar rekening gehouden met een vrijval als dekking van de afschrijvingskosten. a. Wat is de onderverdeling van de toevoeging in de begroting 2022 als deze worden gesplitst in een bedrag aan investeringen en een bijdrage aan de afschrijvingskosten? De mutatie van de Reserve Afschrijvingslasten Vervangingsinvesteringen Openbare Ruimte wordt gesaldeerd gepresenteerd. Dat betekent dat het saldo van de onttrekking, welke gelijk is aan de gevraagde afschrijvingslasten, en de toevoeging (van EUR 3.500.000 per jaar) op één regel (in dit geval de regel “Toevoeging”) gepresenteerd wordt. In onderstaande tabel zijn deze (meerjarige) bedragen gesplitst gepresenteerd (NB: Bedragen x EUR 1.000).
Pagina 1 van 4
Grootboek Kosten nummer soort Subtaakveld Omschrijving Afschrijvingslasten vervangingsinvesteringen openbare ruimte 7000201
Reserve afschrijvingslasten vervangingsinv. O.R. Lasten 471000
Onttrekking aan reserves
Baten 871000
Bijdragen aan reserves
Begroting na wijziging 2021 -2.543
Begroting na wijziging 2022 -2.201
Begroting na wijziging 2023 -1.683
Begroting na wijziging 2024 -1.374
Begroting na wijziging 2025 -1.014
-2.543
-2.201
-1.683
-1.374
-1.014
957
1.299
1.817
2.126
2.486
957
1.299
1.817
2.126
2.486
-3.500
-3.500
-3.500
-3.500
-3.500
-3.500
-3.500
-3.500
-3.500
-3.500
b. Volgens de nota zou de toevoeging gelijk moeten zijn aan de begrote vervangingsinvestering. Kunt u op detailniveau de aansluiting geven met het overzicht van de investeringskredieten die zijn gepland in 2022? Volgens de door de Raad op 1 juli 2020 vastgestelde Nota Reserves en Voorzieningen betreft de toevoeging een “jaarlijks bedrag op basis van begroting” en is de onttrekking gelijk aan de “kapitaallasten van investeringen openbare ruimte met een maatschappelijk nut”. In diezelfde nota wordt aangegeven dat “als de toevoeging aan de reserve elk jaar gelijk wordt gesteld aan het bedrag van de geactiveerde investeringen in dat jaar, is daarmee de jaarlijkse dekking van de afschrijvingskosten en de financiering van de boekwaarde gegarandeerd. Bij een onderschrijding van het gevoteerde investeringsbudget wordt in afwijking van de begrote dotatie aan de egalisatiereserve een lager bedrag daaraan toegevoegd. De onderschrijding wordt dan toegevoegd aan de Voorziening groot onderhoud openbare ruimte.” Op deze nota is door diezelfde Raad dd. 11 november 2020 bij de tweede begrotingswijziging 2020 een wijziging hierop vastgesteld. “Met ingang van 2020 is een nieuwe reeks investeringen maatschappelijk nut openbare ruimte, gesplitst naar levensduur (10 jaar / 15 jaar / 20 jaar / 40 jaar), opgenomen.
In de nota staat: “Ten behoeve van de financiering van de boekwaarde van die investeringen moet de waarde van de egalisatiereserve per balansdatum daaraan gelijk zijn.” Dit uitgangspunt had betrekking op de investeringsreeks 2017-2019. Om verwarring te voorkomen wordt aan de raad voorgesteld om bovengenoemde vernieuwde werkwijze omtrent de reserve AVOR vast te stellen en te besluiten dat de relatie tussen boekwaarde investeringen maatschappelijk nut openbare ruimte en de omvang van de reserve (blz. 12 uit de Nota Reserves en Voorzieningen) alleen betrekking had op de investeringsreeks 2017-2019, die in de periode 2017-2019 onderdeel was van de financiële verslaglegging. De koppeling van de boekwaarde met de hoogte van de reserve AVOR wordt voor de reeks investeringen maatschappelijk nut openbare ruimte vanaf 2020 losgelaten en evenals de verrekeningen met de voorziening groot onderhoud openbare ruimte.” De geraamde toevoeging van EUR 3.500.000 per jaar op basis van investeringen in het verleden en destijds geraamde investeringen voor de toekomst is sinds vaststelling ervan op 11 november 2020 niet gewijzigd. De gevraagde aansluiting was zowel destijds als per heden dus niet te maken.
c. Als deze aansluiting er niet is, kunt u dan aangeven hoe de toevoeging dan wel is bepaald? De geraamde toevoeging van EUR 3.500.000 per jaar op basis van investeringen in het verleden en destijds geraamde investeringen voor de toekomst is sinds vaststelling ervan op 11 november 2020 niet gewijzigd. De gevraagde aansluiting was zowel destijds als per heden dus niet te maken.
2. Volgens de nota worden onder- en overschrijdingen van de geplande investeringen verrekenend met de voorziening groot onderhoud. Bij een overschrijding van het investeringsbudget wordt deze overschrijding gecompenseerd door een lagere dotatie aan de voorziening groot onderhoud openbare ruimte. a. Bent u met mij van mening dat de egalisatiereserve daarmee het karakter heeft gekregen van een voorziening en niet van een resultaatbestemming, ook al besluit de raad bij het vaststellen van de jaarrekening over de hoogte van de reserve? Gezien vorenstaande antwoorden, wordt deze vraag als niet meer van toepassing beoordeeld.
Pagina 2 van 4
b. Is er jurisprudentie, of zijn er voorschriften die deze benadering van de reserves in combinatie met de hogere of lagere dotatie aan de voorziening ondersteunen? Gezien vorenstaande antwoorden, wordt deze vraag als niet meer van toepassing beoordeeld. Voor alle Reserves en Voorzieningen wordt de geldende regelgeving (BBV) als leidend gehanteerd.
c. In de nota wordt verwezen naar de begrotingsbrief 2020 waarin deze reserve als bestemmingsreserve wordt aangemerkt. Deze brief is helaas door mij niet in Ibabs gevonden. Zou u mij daar een afschrift van willen doen toekomen? Deze wordt / is u toegezonden.
d. Is de toevoeging aan de voorziening groot onderhoud gevormd aan de hand van het planmatig opgezet beheerplan (GOVO)? Ja, de jaarlijkse toevoegingen aan de voorziening Groot Onderhoud Openbare Ruimte worden bepaald op basis van het geactualiseerde vastgestelde beheerplan. Deze actualisatie wordt bij de ijkmomenten ter accordering aan de Raad voorgelegd. Hierbij is de jaarlijkse toevoeging niet gelijk
Pagina 3 van 4
aan de geraamde uitgaven per jaar, maar gelijk aan een te berekenen jaarlijks gelijk bedrag om meerjarig de uitgaven te dekken en de voorziening meerjarig toereikend te houden. Door overheveling van baggerkosten uit het GRP naar GOVO is aanvullende dotatie nodig omdat deze werkzaamheden in het onderhoudsperspectief naar voren komen.
e. Zo ja, kunt u de globale aansluiting geven tussen de bedragen in het beheerplan en de bedragen in de begroting 2022, gesplitst naar reserve, voorziening GOVO en Riool? Deze aansluiting is niet te maken met het destijds door de Raad vastgestelde beheerplan, aangezien door de jaren heen meerdere actualisaties hebben plaatsgevonden. Deze actualisaties worden jaarlijks bij de ijkmomenten toegelicht en de financiële impact wordt dan ter akkoord aan de Raad voorgelegd. Daarnaast wordt jaarlijks door de accountant een beoordeling op de mutaties en hoogte van de voorzieningen gedaan, waarbij deze naast de beheerplannen worden gelegd.
3. Kunt u globaal aangeven op welk moment de gemiddeld geplande vervangingsinvesteringen in de openbare ruimte gelijk worden aan de jaarlijkse afschrijvingen (ideaalcomplex)? Theoretisch gezien, zullen de afschrijvingskosten en de hoogte van investeringen op een gegeven moment aan elkaar gelijk worden als jaarlijks de geïnvesteerde bedragen gelijk zijn én als de afschrijvingstermijnen (levensduur) van vervangingsinvesteringen altijd gelijk zijn. Ter voorbeeld, als alle investeringen een afschrijvingsduur van 10 jaar kennen en elk jaar zijn de geïnvesteerde bedragen gelijk (in dit voorbeeld EUR 100.000) dan ontstaat onderstaand beeld: Investerings- InvesteringsAfschrijvingskosten jaar bedrag 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035 2036 2037 2038 2039 2040 2041 2042 2021 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2022 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2023 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2024 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2025 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2026 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000
€ 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2027 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2028 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2029 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2030 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2031 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2032 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2033 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2034 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2035 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2036 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2037 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2038 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2039 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 10.000 2040 € 100.000 € 10.000 € 10.000 2041 € 100.000 € 10.000 € 10.000 € 20.000 € 30.000 € 40.000 € 50.000 € 60.000 € 70.000 € 80.000 € 90.000 € 100.000 € 100.000 € 100.000 € 100.000 € 100.000 € 100.000 € 100.000 € 100.000 € 100.000 € 100.000 € 100.000 €
100.000
In de praktijk is geen ideaalcomplex te maken door teveel variabelen (rente, inspecties, samenvallend onderhoud en vervangingsnoodzaak) waardoor ramingen en realisaties nooit tot op de cent gelijk zullen zijn en daarnaast de aanpassing in de Nota reserves en voorzieningen waaraan eerder in deze beantwoording is gerefereerd. Daarnaast gaat een ideaalcomplex uit van een levensduurbenadering waarbij na het verstrijken van de levensduur ook direct tot vervanging wordt overgegaan. Dat is niet altijd zinvol, omdat uit inspectie kan blijken dat een object nog vele jaren meekan (bijvoorbeeld het schudden van lichtmasten waardoor deze nog minimaal 5 jaar extra meekunnen op levensduur van 35/40 jaar zijnde 10% langer). Anderzijds zijn er ook situaties waarbij objecten minderlang meegaan dan verwacht, zoals ondergronden speelterreinen 12 jaar i.p.v. 15 jaar. Daarom wordt ca. 8 jaar vooruitgekeken en bepaald op basis van de inspecties en vervangingsbehoefte bekeken of de voorzieningen nog toereikend zijn.
Pagina 4 van 4