CConstaterende datGouda
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Ruimtelijke onderbouwing Goejanverwelledijk 56-62

Commissie Fysieke leefomgeving 27 november 2024, gemeente GoudaBij agendapunt: Beeld- en oordeelsvorming: Goejanverwelledijk 56-62, ontwerp omgevingsvergunning19.382 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

locatie

weg

WeVgw (dB)

Woningen

Binnen bebouwde kom

Lokale en provinciale wegen

63

Auto(snel)wegen

53

Lokale en provinciale wegen

53

Auto(snel)wegen

53

Buiten bebouwde kom

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

31

Doorwerking besluitgebied Met onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt de realisatie van een kantoorgebouw mogelijk gemaakt. Een kantoor is in het kader van de Wgh geen geluidsgevoelige bestemming. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect 'wegverkeerslawaai' zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

5.4

Bedrijven en milieuzonering

Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten. De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot drie groepen en bijbehorende aanpak, te weten:  Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet milieubeheer en bijbehorende AMvB's. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie 

ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van Bedrijven en milieuzonering. Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies In deze situatie is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bijvoorbeeld 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige functies en belastende activiteiten moeten worden gerespecteerd. In het geval de bestemmingswijziging wordt gerealiseerd ten bate van de vestiging van een specifiek bedrijf, kunnen de omstandigheden van dit bedrijf worden meegewogen. In elk geval dient ten-

minste aan de Wet milieubeheer te worden voldaan. Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen In dit geval is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bijvoorbeeld 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige en belastende bestemmingen moeten worden gerespecteerd.

De richtafstanden in Bedrijven en milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. Omdat de categorie-indeling van Bedrijven en milieuzonering voor agrarische bedrijven als te grof wordt ervaren, wordt voor deze bedrijfstak getoetst aan de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geurhinder veehouderij. Op basis van o.a. geurberekeningen wordt bepaald hoe deze bedrijven zich verhouden tot een acceptabel woon- en leefklimaat in de omgeving.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

32

Doorwerking besluitgebied In het vigerende bestemmingsplan heeft het besluitgebied de bestemming Bedrijfsdoeleinden en de subbestemming (B2)an: tevens aannemersbedrijf, voor zover voorkomend in categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en Wonen. Op figuur 5.2 is het besluitgebied geprojecteerd op het vigerende bestemmingsplan.

Figuur 5.2 Besluitgebied versus vigerend bestemmingsplan

Het gebruik voor het besluitgebied wordt kantoor, parkeren en groen. Een kantoor is geen milieugevoelige functie. Voor een kantoor geldt wel een richtafstand van 10 meter voor het omgevingstype rustige woonwijk ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals wonen. Voor het omgevingstype gemengd gebied geldt een afstand van 0 meter. Gezien de ligging van het besluitgebied aan de Goverwellesingel een hoofdontsluitingsroute van Gouda, grenzend aan de Hollandsche IJssel, de Goejanverwelledijk, bedrijfsfuncties (ten noordoosten, ten zuidenoosten) en wonen is sprake van gemengd gebied. Binnen deze richtafstand bevinden zich geen milieugevoelige bestemmingen. De dichtstbijzijnde gevel van een woning is gelegen op 50 meter vanaf het besluitgebied, zie figuur 5.3. Tussen de woning en het besluitgebied ligt een schuur en een zwembad. De gevel van de schuur ligt op 9 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Ter plaatse van woningen worden voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

33

Figuur 5.3 Besluitgebied afstand t.o.v. dichtstbijzijnde woning

Conclusie Het aspect Bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

5.5

Flora en fauna

Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. De Wnb heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Doorwerking besluitgebied Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plan. De quickscan is opgenomen in de bijlagen.

Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

34

Figuur 5.4 Ligging besluitgebied (bron: MBH Consult B.V.)

Figuur 5.4 weergeeft een overzicht van het besluitgebied en de te slopen gebouwen. Gebouw 1 betreft een kantoorpand welke grenst aan een werkschuur. Gebouw 1 zal worden gesloopt, de werkschuur zal behouden blijven. Gebouw 1 is opgetrokken uit bakstenen muren. Er zijn geen open stootvoegen aanwezig. Het gebouw bevat een schilddak welke bedekt is met dakshingles. De rand tussen de dakgoot en onderste dakshingles is afgedicht met een metalen rand waardoor er geen opening aanwezig is. Om de dakrand en bij de ingang is een overstek aanwezig welke nauw aansluit op de gevel en welke geen openingen of kieren bevat. Het gebouw bevat een kelder waarin kantoren zijn gevestigd. Gebouw 2 bestaat uit een twee-onder-één-kap woning welke momenteel in gebruik zijn als kantoor. Het gebouw is opgetrokken uit bakstenen spouwmuren met open stootvoegen en bevat een zadeldak welke bedekt is met dakpannen. Op enkele plekken zijn openingen tussen dakpannen aanwezig. Aan de zuidzijde zijn balkons aanwezig. Langs en onder de goot is een overstek aanwezig. De laatste pannenrijen bij de kopgevels liggen over de overstek heen. Verder heeft het gebouw twee schoorstenen en balkons aan de zuid- en oostzijde. Naast het balkon aan de oostzijde is een rond gat in de muur aanwezig met een diameter van ongeveer 6 centimeter. Gebouw 3 betreft een houten buitenhuisje met een dak dat bedekt is met dakpannen.

Onder het dak is dakbeschot aanwezig. De ramen, deuren en muren zijn intact. De muren zijn enkelwandig. Het overige terrein binnen het besluitgebied bestaat uit verharding, halfverharding, bomen en tuinplanten. Ten zuiden van het besluitgebied stroomt de Hollandsche IJssel. Het gebied ten zuiden hiervan bestaat voornamelijk uit agrarisch grasland en watergangen. Ten noorden van het besluitgebied zijn woonwijken van Gouda gelegen. Verder zijn in de omgeving uiterwaarden, plantsoenen, bosschages en dijken aanwezig.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

35

Gebiedsbescherming Het besluitgebied ligt op ongeveer 1,3 kilometer afstand van Natura 2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek. Overige Natura 2000-gebieden zijn op grotere afstand dan 10 kilometer gelegen. Gezien de ligging ten opzichte van de Natura 2000-gebieden en uit te voeren activiteiten, sloop, bouw, en verwijderen groen, zijn geen directe effecten op de Natura 2000-gebieden te verwachten. Wel kan er een mogelijk indirecte effect stikstofdepositie optreden. Dit onderzoek is separaat uitgevoerd. Het besluitgebied ligt op 160 meter afstand tot het Natuur Netwerk Nederland, in de Omgevingsverordening Zuid-Holland van de provincie Zuid-Holland. Zuid-Holland (Rijksoverheid, 2022) ligt, is geen sprake van aantasting van NNN. Omdat er geen sprake is van een bestemmingswijziging, is verdere toetsing aan Omgevingsverordening Zuid-Holland van de provincie Zuid-Holland niet noodzakelijk. Soorten bescherming Vogels Voor soorten die in bomen nestelen zijn geen bomen met nesten of holtes aanwezig binnen en in de omgeving van het besluitgebied. De aanwezigheid van roofvogels, uilen en andere in bomen nestelende soorten zijn daarom uitgesloten. Voor de ooievaar is er geen ooievaarspaal of hoge mast aanwezig binnen het besluitgebied. Ook is geen nest aangetroffen op de bebouwing. De bebouwing is te laag voor de soort om geschikt te zijn om te nestelen.

Aanwezigheid van de ooievaar is uitgesloten. De bebouwing bevat geen openingen welke toegang bieden tot donkere besloten ruimten om te verblijven voor kerkuil en steenuil. Er zijn geen nestkasten voor uilen aanwezig. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van deze soorten zijn eveneens uitgesloten. De gierzwaluw nestelt in gebouwen indien deze geschikte invliegopeningen met een valruimte van minimaal 3 meter hebben. De openingen dienen toegang te bieden tot tussenruimten om te verblijven. Vaak zijn deze verblijfplaatsen in dak-overstek en onder nokpannen en scheve dakpannen waar gierzwaluwen verblijven tussen nokpannen en dakbeschot. Gebouw 1 is niet geschikt voor de gierzwaluw om te verblijven. Gebouw 2 is wel geschikt voor de gierzwaluw om te nestelen. Gebouw 3 is 3 meter hoog en bevat geschikte invliegopeningen bij de kantpannen van de kopgevel. Hiermee is het gebouw potentieel geschikt als nestlocatie voor de soort. Er is nader onderzoek uitgevoerd. De huismus nestelt onder dakpannen en beschutte plekken in gebouwen indien deze toegankelijk zijn en indien de elementen van het functioneel leefgebied aanwezig zijn. In de omgeving van de bebouwing zijn elementen aanwezig zoals beschutting, voedsel, water, en zand voor stofbaden aanwezig. Gebouw 1 is niet geschikt voor de huismus om te nestelen doordat er geen mogelijkheid is om onder de pannen te komen.

Gebouw 2 en 3 zijn wel geschikt voor de huismus om onder het dak te nestelen. Bij gebouw 2 is een opstaande rand tussen de dakgoot en onderste pannenrij aanwezig echter deze is niet volledig afgedicht. Er is nader onderzoek uitgevoerd. Tijdens het onderzoek zijn er geen huismussen waargenomen zowel binnen als rondom het besluitgebied. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat er geen vaste rust- of verblijfplaatsen voor deze soort aanwezig zijn. Tevens is er geen essentieel functioneel leefgebied voor de huismus binnen het besluitgebied. Er zijn geen gierzwaluwen waargenomen in het besluitgebied. Dit wijst op het ontbreken van vaste rust- of verblijfplaatsen voor deze vogelsoort evenals van een essentieel functioneel leefgebied Binnen het besluitgebied zijn geen sporen zoals ontlasting, braakballen of prooiresten waargenomen van roofvogels of uilen. Aangezien er volop alternatieven in de omgeving beschikbaar zijn, het besluitgebied relatief gering van formaat is en er geen sporen zijn aangetroffen betreft het met zekerheid geen essentieel

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

36

jachtgebied van roofvogels. De rand tussen de dakgoot en onderste dakshingles is afgedicht met een metalen rand waardoor er geen opening aanwezig is. Op beschutte plekken in het groen binnen het besluitgebied en onder de pannen van de bebouwing zijn mogelijkheden voor algemene broedvogels om te nestelen. Alle vogelnesten in functie zijn beschermd. Alle werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (circa 15 maart – 15 juli) plaats te vinden. Wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd, dient vooraf een broedvogelcheck te worden gedaan door een deskundige. Wanneer nesten worden aangetroffen die in gebruik zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest verlaten is. Vleermuizen Binnen en rondom het besluitgebied zijn geen bomen aanwezig welke holtes of loszittende stukken schors bevatten. De wilg ten oosten van het gebouw, welke buiten het besluitgebied valt, bevat eveneens geen holtes of loszittende stukken schors. De aanwezigheid van boombewonende vleermuissoorten binnen het besluitgebied zijn daarom uitgesloten. Gebouwbewonende vleermuizen kunnen in gebouwen verblijven indien er geschikte invliegopeningen aanwezig zijn op een grotere hoogte dan 2 meter welke toegang bieden tot een geschikte tussenruimte om in te verblijven. Gebouw 1 is niet geschikt voor vleermuizen om te verblijven doordat er geen invliegopeningen aanwezig zijn.

Gebouw 2 is geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen om in te verblijven. Gebouw 3 is eveneens geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen om te verblijven. Er is nader onderzoek uitgevoerd. Gedurende de veldbezoeken zijn er twee vleermuissoorten waargenomen: de gewone dwergvleermuis (1 waarneming) en de ruige dwergvleermuis (2 waarnemingen). De waarnemingen van de gewone dwergvleermuis duiden op een overvliegend individu zonder dat er sprake was van een verblijfplaats, foerageergebied of essentiële vliegroute binnen het besluitgebied. De ruige dwergvleermuis vertoont meer activiteit in het natuurlijke gebied ten noorden van het besluitgebied, maar ook hier geldt dat de geplande ingreep geen significante invloed zal hebben op de soort. Al met al bevestigt het onderzoek dat het besluitgebied kan worden uitgesloten als leefgebied voor de vleermuizen. Dit geeft de ruimte om de geplande sloop en herinrichting van het terrein uit te voeren zonder dat dit gevolgen heeft voor deze vogel- en vleermuissoorten. Binnen het besluitgebied zijn geen lijnvormige structuren zoals bomenrijen en watergangen aanwezig welke kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Het besluitgebied maakt ook geen onderdeel uit van essentieel foerageergebied van vleermuizen. Het opgaand groen is wel geschikt voor vleermuizen om te foerageren echter zijn in de omgeving voldoende alternatieven aanwezig.

Grondgebonden zoogdieren De bever komt voor in waterrijke gebieden en is sterk gebonden aan beken en rivieren. Dit habitat is niet aanwezig binnen het besluitgebied. Daarom wordt deze soort niet verwacht. In de bomen in en om het besluitgebied zijn geen nesten van eekhoorn aangetroffen. Daarom is deze soort niet in het besluitgebied te verwachten. Er zijn in en rondom het besluitgebied geen sporen van dassen gevonden (mestkuilen, singels, burchten, wissels). Hiermee kan worden uitgesloten dat functioneel leefgebied van een das wordt verstoord.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

37

De bunzing, hermelijn en wezel hebben hun leefgebied in structuurrijke bossen, kleinschalig landschap, greppels en sloten met overhangende vegetaties in dorpen en buitenwijken van steden. De verblijfplaatsen bestaan uit holen en takken- en steenhopen. Het habitat binnen het besluitgebied is niet geschikt voor de soorten om voor te komen. Binnen het besluitgebied zijn ook geen holen, takken- en steenhopen aanwezig om te verblijven. Aanwezigheid van de bunzing, hermelijn en wezel binnen het besluitgebied is uitgesloten. De boommarter heeft soms zijn verblijfplaats in gebouwen indien het gebouw ten midden of aan de rand van structuurrijk bos gelegen is. Bij het besluitgebied is dit niet het geval waardoor verblijfplaatsen van de boommarter in de bebouwing uitgesloten is. De steenmarter heeft zijn verblijfplaats voornamelijk in bebouwing, rommelschuurtjes en steenachtige biotopen zoals steenhopen en rotsige hellingen. De bebouwing binnen het besluitgebied was goed te inspecteren. Er zijn geen sporen zoals ontlasting, krabsporen, prooiresten en haren aangetroffen. Er is geen verblijfplaats gevonden. De gebouwen worden regelmatig gebruikt. Aanwezigheid van de steenmarter binnen het besluitgebied is daarom uitgesloten. Vervolgonderzoek naar deze soortgroep is niet noodzakelijk. Flora Er zijn tijdens het veldbezoek in het besluitgebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen.

Enkel tuinplanten en algemene vaatplanten zoals paardenbloem, paarse dovenetel (Taraxacum officinale), zachte ooievaarsbek (Geranium molle), distel (Carduus) en grassen zijn waargenomen. Vervolgonderzoek naar deze soortgroep is niet noodzakelijk. Amfibieën Alle amfibieën hebben water in of zeer nabij hun leefomgeving nodig. De Hollandsche IJssel welke langs het besluitgebied stroomt is niet geschikt voor amfibieën om in voor te komen doordat deze te diep is, te steile oevers bevat en te snel stroomt. De aanwezigheid van voortplantingswater van amfibieën is hiermee uitgesloten. De begroeide delen van het terrein bestaat uit (half)verharding, intensief onderhouden tuin en gemaaid grasveld. Hiermee is het niet geschikt als landhabitat voor amfibieënsoorten. De aanwezigheid van beschermde amfibieën binnen het besluitgebied is uitgesloten. De rugstreeppad is een pionierssoort. Gezien de goed onderhouden vegetatie dat zich bevindt in en om het besluitgebied en de vele verharding in en rondom de gebouwen, wordt deze soort niet verwacht binnen het besluitgebied. Deze kan zich echter wel vestigen wanneer werkzaamheden beginnen. Er wordt geadviseerd om tijdens de sloopwerkzaamheden het ontstaan van poelen water en open zand te voorkomen. Wanneer een rugstreeppad zich vestigt in een poel, dan is dit water als voortplantingsplaats beschermd van mei tot en met juli.

Werkzaamheden dienen uitgesteld te worden totdat de poel verlaten is. Wanneer aan deze voorwaarde wordt voldaan, is geen vervolgonderzoek noodzakelijk voor deze soortgroep. Reptielen Doordat het besluitgebied een gebouw, intensief onderhouden tuin met verharding betreft ontbreekt geschikt habitat zoals een strooisellaag, heidevegetatie, bosranden, oppervlaktewater, open zand en aansluiting op geschikte gebieden en is het voorkomen van de adder (Vipera berus), gladde slang (Cornella austrica), hazelworm (Anguis fragilis), levendbarende hagedis (Zootoca vivipera), muurhagedis (Podarcis muralis) en zandhagedis (Lacerta agilis) uitgesloten. De ringslang (Natrix natrix) is sterk gebonden aan water, omdat deze soort voornamelijk foerageert langs waterkanten. Gezien het besluitgebied uit bebouwing, (half)verharding en onderhouden tuin bestaat wordt de

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

38

soort niet verwacht binnen het besluitgebied. Er zijn geen holen en hopen met organisch materiaal aangetroffen. Vervolgonderzoek naar deze soortgroep is niet noodzakelijk. Vissen Tijdens het veldbezoek is gebleken er in het besluitgebied geen permanent oppervlaktewater aanwezig is. Hierdoor kan de aanwezigheid van beschermde vissoorten worden uitgesloten. Het nemen van vervolgstappen voor deze soortgroep is niet noodzakelijk. Ongewervelden Uit de gegevens van NDFF blijkt dat in de omgeving van het besluitgebied de beschermde vlindersoort teunisbloempijlstaart is waargenomen. De teunisbloempijlstaart komt voor in open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. De waardplanten van de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Deze soorten zijn niet waargenomen binnen het besluitgebied. Ook is geschikt habitat niet aanwezig, doordat het besluitgebied bestaat uit voornamelijk bebouwing en (half)verharding. Aanwezigheid van de soort binnen het besluitgebied is uitgesloten. Er zijn geen door overig beschermde vlinders benodigde waardplanten aanwezig in het besluitgebied. Ook ontbreken voldoende nectarplanten voor deze soorten. De aanwezigheid van beschermde vlindersoorten kan daarom worden uitgesloten. Door het ontbreken van permanent oppervlaktewater in het besluitgebied is de aanwezigheid van beschermde libellensoorten uitgesloten.

De larven van het vliegend hert (Lucanus cervus) zijn afhankelijk van rottend eikenhout om zich te kunnen voeden. Er is geen rottend eikenhout (stronken, stammen, wortelstelsels) aanwezig. Hiermee is de soort in het besluitgebied niet te verwachten. Andere beschermde soorten als de Europese rivierkreeft (Astacus astacus) en platte schijfhoren (Anisus vorticulus) zijn in het besluitgebied ook uit te sluiten. Door het ontbreken van permanent oppervlaktewater in het besluitgebied is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten aanwezig. Vervolgstappen voor deze soortgroep is niet noodzakelijk. Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt in het besluitgebied. Het onderdeel Houtopstanden uit de Wnb is daarom niet van toepassing. Stikstofdepositie Er is een stikstofonderzoek uitgevoerd voor het plan. Het onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Het besluitgebied ligt op ongeveer 1,3 kilometer afstand van Natura 2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek. Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein is op dit moment niet aangewezen als stikstof gevoelig. De verwachting is dat dit Natura 2000-gebied in de nabije toekomst wel wordt aangewezen als stikstofgevoelig. Indien het plan op het moment van aanwijzen nog niet gerealiseerd is, veranderen de uitkomsten van het stikstofonderzoek mogelijk.

Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (11 km).

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

39

Voor zowel de bouw(aanleg)fase als de gebruiksfase bedraagt het projecteffect op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage treedt er geen stikstofdepositie op binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Derhalve treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Conclusie Op basis van de quickscan Flora en fauna wordt nader onderzoek uitgevoerd.

5.6

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: 

activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;

transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een orientatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Doorwerking besluitgebied Risicobronnen in de omgeving van het besluitgebied worden in kaart gebracht met de Atlas Leefomgeving. Figuur 5.5 weergeeft een uitsnede van de kaart ter hoogte van het besluitgebied.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

40

Figuur 5.5 Uitsnede Risicokaart met globale aanduiding besluitgebied (bron: Atlas Leefomgeving)

Inrichtingen Het besluitgebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico's als gevolg van inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is. Buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) stelt net als het Bevi normen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en de verantwoording van het groepsrisico met de wijze waarop deze risico's berekend moeten worden. Verder wordt een belemmeringenstrook rond de buisleidingen gehanteerd die moet worden vastgelegd in de omgevingsvergunning. De grootste letaliteitsafstand behorende buisleidingen is 580 meter. Omliggende buisleidingen zijn minimaal op een afstand van 675 m van het besluitgebied gelegen. Het besluitgebied ligt niet binnen de veiligheidszone en belemmeringsstrook van deze leidingen. Er is geen sprake van een verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Transport over het water Het besluitgebied ligt niet binnen een invloedsgebied als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water, waardoor de risico's als gevolg van het transport over deze modaliteit geen belemmering vormen voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht voor deze transportas is niet aan de orde.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

41

Transport over het spoor Op circa 1.100 meter afstand van het besluitgebied is het spoor gelegen. De betreffende route is spoorlijn Utrecht - De Haag. Bij dit spoor is sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Het besluitgebied is buiten deze zone gelegen. Er zijn geen bijzonderheden voor dit spoordeel. Over dit spoor worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Het betreft de stoffen: 

A – brandbaar gas: Propaan;

B2 – toxisch gas: Chloor;

C3 – zeer brandbare vloeistof: Pentaan;

D3 – toxische vloeistof: Acrylnitril;

D4 – zeer toxische vloeistof: Acroleïne.

Het maximale invloedsgebied bijbehorende deze stoffen is 4.000 meter voor de stof D4. Het besluitgebied is op circa 1.100 meter gelegen. Een verantwoordingsplicht voor deze transportas is aan de orde. Deze wordt later in dit hoofdstuk uiteengezet. Transport over de weg – N228 Op een afstand van ruim 100 meter is de provinciale weg N228 gelegen. Deze weg is niet opgenomen in het Basisnet. Deze weg kent geen plaatsgebonden risico en ook geen PAG, waardoor deze aspecten geen belemmering vormen planvorming. Aangezien het besluitgebied op minder dan 200 meter van de weg is gelegen, is de hoogte van het groepsrisico een aandachtspunt. Er is een berekening van het groepsrisico uitgevoerd. Deze berekening is opgenomen in de bijlagen van onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Groepsrisico Onderstaand wordt op basis van de vuistregels uit de HART bepaald of de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico berekend moet worden met behulp van het rekenprogramma RBMII. De N228 ter hoogte van het besluitgebied betreft een weg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km per uur. Voor het toepassen van de vuistregels is aangesloten bij de vuistregels behorende bij een weg buiten de bebouwde kom (maximumsnelheid 80 km/uur (worstcase).

Vuistregels toetsing groepsrisico: Toetsing oriëntatiewaarde: Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Toetsing 10% van de oriëntatiewaarde: Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBMII toe. Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

42

Voor de N228 zijn geen jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat (juni 2019) beschikbaar. Echter op grond van de inrichtingen in de omgeving is het aannemelijk dat over de N228, ter hoogte van het besluitgebied LF1, LF2 en GF3 stoffen worden getransporteerd. Aan vuistregel 1 wordt derhalve voor beide toetsingen voldaan. In onderhavig geval is sprake van tweezijdige bebouwing. De kleinste afstand tussen een gebouw en de as van de N228 bedraagt circa 10 meter. De personendichtheid binnen het invloedsgebied van de weg bedraagt zowel in de dag- als nachtperiode circa 5 personen/hectare. Op grond van de personendichtheid en de afstand tot de weg zou 10% van de oriëntatiewaarde overschreden worden bij meer dan 8.600 transporten GF3 op jaarbasis. Dergelijke hoge transportaantallen worden in de onderhavige situatie niet behaald. Geconcludeerd wordt dat ook na de planvorming de oriëntatiewaarde en de 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Op grond van deze stoffen die over de N228 vervoerd worden, ligt het besluitgebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen (GF3). De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de N228 (BLEVE scenario) worden meegenomen in deze beperkte verantwoording. 5.6.1

Beknopte verantwoording groepsrisico

Bevt - Water-, weg- en spoorwegtransport 

In een beperkte verantwoording worden de volgende aspecten beschouwd.

Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

Zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten.

Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N228 dient binnen de planlocatie rekening gehouden te worden met een BLEVE scenario. BLEVE-scenario BLEVE is een afkorting voor “Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion” (kokende vloeistof-gasexpansieexplosie). Er bestaat een koude en een warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen. Bij een warme BLEVE explodeert de tank als gevolg van een brandhaard. Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Uit bovengenoemde handreiking volgt het advies dat het besluitgebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het besluitgebied en de risicobron goed bereikbaar is.

Aangezien het besluitgebied aanhaakt aan een bestaande locatie, is het uitgangspunt dat de bereikbaarheid voldoende is.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

43

Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Uitgangspunt is dat het brandweerkorps, bestaande uit beroepsmedewerkers en vrijwilligers, binnen de wettelijke opkomsttijd aanwezig is op de planlocatie. Bestrijdbaarheid BLEVE scenario Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.

Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het besluitgebied worden geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Het plan betreft de ontwikkeling van een bedrijfsperceel. Bij een calamiteit kunnen aanwezigen zichzelf of met hulp van anderen in veiligheid brengen. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. Feit blijft dat in geval van een calamiteit een vroegtijdige alarmering van levensbelang is om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de risicobron af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door het gebouw zelf. Vluchtroutes dienen duidelijk te worden aangeduid. Ook kan een optimalisatie van de ontvluchting plaatsvinden door de (nood)uitgangen op zo groot mogelijke afstand van de risicobronnen te projecteren.

Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op het eerdergenoemde scenario). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Hierbij zijn het opstellen van een bedrijfsnoodplan en de bedrijfshulpverlening inrichten en oefenen op het beschreven scenario interne maatregelen die de zelfredzaamheid verhogen. In het ontruimingsplan (dit maakt onderdeel uit van het bedrijfsnoodplan) dient onder andere te worden beschreven: 

wie de organisatie van het evacueren begeleidt;

de verantwoordelijkheden;

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

44

waar de verzamelplaats is;

de organisatie op de verzamelplaats;

wie zorg draagt voor alarmering.

Het ontruimingsplan dient opgesteld te worden in samenspraak met de brandweer. Daarnaast dienen ontruimingsoefeningen te worden gedaan waarbij de frequentie hiervan in overleg met de brandweer kan worden vastgesteld. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Bovengenoemde punten ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn voor advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio. Door de Veiligheidsregio is aangegeven in en advies van 19 februari 2024 dat ten aanzien van fysieke veiligheid de belangrijkste zaken zijn: 

Er zijn geen bijzonderheden ten aanzien van de bereikbaarheid voor hulpdiensten, zowel over de openbare weg als binnen het besluitgebied zijn de gebouwen goed bereikbaar.

Ten aanzien van de bluswaterwinning is er binnen 100 meter geen brandkraan aanwezig. Voor deze locatie wordt nu volstaan met bluswaterwinning vanuit open water, in de huidige situatie is dit acceptabel in verband met de beperkte omvang van de vrijstaande bouwwerken. Geadviseerd wordt te onderzoeken of bij plaatsing van een brandkraan mogelijk is.

Het besluitgebied is vanuit het Regionale dekkingsplan gelegen in een buurt met de classificatie ‘Categorie 2’ met het overheersende kenmerk ‘Woningen’ / ‘Gebouwen voor zelfredzame personen’. De nieuwe ontwikkeling past binnen het profiel van de vastgestelde categorie. De referentiewaarde voor deze categorie is 10 minuten. De daadwerkelijke opkomsttijd valt hier binnen. Daarmee scoort het nieuwe initiatief ‘Goed’. Er zijn in het kader van het Dekkingsplan geen aanvullende voorzieningen benodigd, de te verwachten preventieve voorzieningen en opkomsttijd voldoen aan de uitgangspunten van het Dekkingsplan.

Naast het scenario ‘Gebouwbrand’ is een ongeval met vervoer van gevaarlijke stoffen vanaf de provinciale weg beschreven. De weg maakt geen deel uit van het Basisnet. Bij een ongeval (brand/explosie of gifwolk) kan er direct door aanwezige personen (aannemelijk dat personen zelfredzaam zijn) naar veilig gebied gevlucht worden; direct van het incident af dan wel haaks op de windrichting. Ook zijn er voor dit onderdeel geen aanvullingen/opmerkingen op de uitwerking van paragraaf 'Externe veiligheid' in de Toelichting.

Aanvullend is het belangrijk is dat het kantoor wordt voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect Externe veiligheid.

5.7

Milieueffectrapportage

Toetsingskader De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Met deze ruimtelijke motivering wordt de uitbreiding van een kantoor mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

45

m.e.r. moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking besluitgebied Om te bepalen of er sprake is van een m.e.r.-plicht dient bepaald te worden of sprake is van een ontwikkeling die is opgenomen als activiteit in het Besluit m.e.r. en zo ja of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C of D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen de vigerende bedrijfsbestemming. Er wordt een bouwvlak toegevoegd om een nieuw kantoorgebouw te kunnen realiseren. Onderhavige ontwikkeling behoeft om bovengenoemde redenen niet aangemerkt worden als een uitbreiding of wijziging van een bedrijventerrein of een stedelijke ontwikkeling. Er is geen sprake van een m.e.r.-plichtige activiteit. Er is geen m.e.r.(beoordelings)-procedure noodzakelijk en er hoeft geen aanmeldingsnotitie te worden opgesteld.

5.8

Waterhuishouding

Toetsingskader Het algemeen waterbeleid dat van toepassing is binnen het besluitgebied staat beschreven in het Nationaal waterplan, het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Gemeentelijke Rioleringsplan 2019-2023 van de gemeente Gouda. Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit). Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën die zijn vastgelegd in de Nota Ruimte (2006): 

Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren);

Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).

De trits voor waterkwantiteit betekent dat neerslag bij voorkeur wordt vastgehouden op de plaats waar het valt. Indien vasthouden niet mogelijk is, wordt neerslag geborgen in oppervlaktewater. De trits voor waterkwaliteit houdt in dat gestreefd moet worden naar het voorkomen van verontreinigingen. Indien schoonhouden niet mogelijk is, worden schone en vervuilende bronnen gescheiden. De Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie, onderdeel van het Deltaprogramma 2018, schrijft voor dat rijk, provincies, gemeenten en waterschappen het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimtelijke omgeving moeten opnemen in het beleid. Doel van de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie is het sturen van het veranderingsproces om het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van Nederland een vanzelfsprekend onderdeel te maken van ruimtelijke her)ontwikkeling. Hierbij wordt het uitgangspunt gehanteerd dat bij (her)ontwikkelingen geen extra risico op schade en slachtoffers mag ontstaan voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Vanaf 8 februari 2022 is het Waterbeheerprogramma 6 (WBP 6 ‘water wijst de weg’) van het hoogheemraadschap van kracht. In het waterbeheerprogramma beschrijft het hoogheemraadschap wat ze in de planperiode willen bereiken en hoe ze dat wil doen.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

46

Verder beschikt Hoogheemraadschap Rijnland over de ‘Waterschapverordening Rijnland’. De waterschapverordening vervangt de Keur en de algemene regels. In de waterschapverordening staan alle regels die bepalen welke activiteiten waar in het beheersgebied mogen plaatsvinden en welke voorwaarden hiervoor gelden. Hierin staan de voorwaarden waaraan voldaan moet worden bij de inrichting, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, ondersteunende kunstwerken en grondwater. Voor bepaalde werkzaamheden dient een watervergunning aangevraagd te worden. Compensatie verhard oppervlak – Hoogheemraadschap van Rijnland Indien de toename van verhard oppervlak minder is dan 500 m² geldt er vanuit het hoogheemraadschap de zorgplicht. In de zorgplicht is opgenomen de ontwikkeling van extra verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het gebied van wateroverlast en/of waterschaarste en waterkwaliteit. Er geldt geen compensatieplicht. Bij een verhardingstoename van 500 m² tot 5.000 m² geldt vanuit het hoogheemraadschap de algemene regels en een meldplicht. In de algemene regels is een compensatie verplichting opgenomen. De compensatieverplichting houdt in dat over het toenemend verhard oppervlak 15% wateroppervlak gegraven dient te worden.

Indien het graven van oppervlaktewater niet gewenst kan de compensatie ook gerealiseerd worden doormiddel van alternatieve waterberging. Bij een verhardingstoename van meer dan 5.000 m² geldt vanuit het hoogheemraadschap de beleidsregels en een vergunningsplicht. In de beleidsregels is opgenomen dat het toenemend verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden met het graven van 15% oppervlaktewater. De compensatie kan buiten het besluitgebied maar binnen het peilgebied gerealiseerd worden. Na de zomer van 2023 wordt de Keur vervangen door de Waterschapsverordening. Hierin zijn ook regels ten aanzien van klimaatbestendig ontwikkelen opgenomen. De nieuwe regels betreffen: 

Om ervoor te zorgen dat een gebied droogte aankan, moet de bodem in een gebied een normale bui van 20 mm in 24 uur op kunnen nemen en kunnen vasthouden voor droge periodes;

Om ervoor te zorgen dat een gebied extreme neerslag aankan, moet een gebied een regenbui van 90 millimeter in 24 uur op kunnen vangen. Dat opvangen kan in de bodem, sloten, open water of andere vormen van wateropslag;

Om de waterkwaliteit en de biodiversiteit te versterken en te ondersteunen, moeten brede sloten en ander water van voldoende en afwisselende diepte en een schuine kant worden aangelegd in plaats van ondiepe, smalle slootjes. De oevers moeten natuurvriendelijk zijn (schuine kant (talud 1:3), beplanting).

Compensatie verhard oppervlak – Gemeente Gouda In het gemeentelijk rioleringsplan van de gemeente Gouda zijn geen eisen opgenomen betreft compensatie van verhard oppervlak. Doorwerking besluitgebied Er is een waterparagraaf opgesteld. De belangrijkste conclusies worden in deze paragraaf samengevat. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen van onderhavige motivering. Inrichting besluitgebied Figuur 5.6 weergeeft de huidige situatie van het besluitgebied. Het bedrijfsterrein is grotendeels verhard. Figuur 5.7 weergeeft de toekomstige situatie van het besluitgebied. In de toekomstige situatie is circa 9.200 m² aan verhard oppervlak aanwezig in het besluitgebied.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

47

Figuur 5.6: Huidige situatie besluitgebied (bron: BOOT)

Figuur 5.7: Toekomstige situatie besluitgebied (bron: BOOT)

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

48

Met de ontwikkelingen binnen van het besluitgebied neemt de hoeveelheid verhard oppervlak af. Het betreft een afname van 1.240 m². Een overzicht van het verschil in oppervlakken in de huidige en toekomstige situatie is in tabel 5.4 weergegeven. Tabel 5.4 Verhard oppervlak Type oppervlak

Verhard oppervlak

Onverhard oppervlak

Verhard oppervlak

(m²)

(m²)

(m²)

Huidige situatie

Onverhard oppervlak (m²)

Toekomstige situatie

Bebouwing

1.300

-

1.380

-

Halfverhard

-

-

220

210

Onverhard

-

2.660

-

3.690

Verhard

9.140

-

7.600

-

Subtotaal

10.440

2.660

9.200

3.900

Totaal

13.100

Afname verhard oppervlak (m²)

13.100 1.240

Wateropgave Binnen het besluitgebied is met de voorgenomen ontwikkelingen sprake van een afname van verhard oppervlak. Een afname van verhard oppervlak heeft een positief effect op de afvoersituatie. Daarom geldt conform het beleid van hoogheemraadschap en de gemeente Gouda geen compensatieplicht en is er geen wateropgave. Waterbergende voorzieningen Binnen het besluitgebied geldt geen compensatieplicht. Daarom is aanleggen van waterbergende voorzieningen op het terrein niet verplicht. Wijze van afwatering De wijze van afwatering kan gelijk blijven aan de huidige situatie. In de huidige situatie watert het terrein af op het gemengde stelsel in de Uiterwaardseweg (parallelweg aan de Goejanverwelledijk) ten oosten van het besluitgebied. Voor het nieuwe kantoor dient een nieuwe huisaansluiting gerealiseerd te worden. Ter plaatse van de groene parkeerplaatsen wordt geadviseerd aan de zijde van de rijbaan kolken te plaatsen om overtollig afstromend hemelwater vanaf de groene parkeerplaatsen te verzamelen en af te voeren. Onder deze rijbaan kan eventueel een waterbergende fundering met daaronder een drain met grondverbetering welke hemelwater vertraagd afvoert op het gemengde riool, dit kan gecombineerd worden met de kolkenleiding.

Meekoppelkansen in het besluitgebied Om binnen het besluitgebied kansen te benutten op het gebied van verkoeling en biodiversiteit zijn de volgende meekoppelkansen mogelijk: 

Biodiverse beplanting op het bedrijfsterrein. Dit zorgt voor een goede klimaatbestendige vegetatie.

Realiseren van groene daken. In het kader van slim gebruiksoppervlakte zorgt het aanleggen van een groen dak voor zowel verkoeling en isolatie als waterberging.

Realiseren schaduw voor verkoeling met het plaatsen van bomen op het perceel.

Overige randvoorwaarden Om vervuiling van het hemelwater te beperken, wordt geadviseerd het gebruik van uitlogende bouwmaterialen te voorkomen conform beleid gemeente en waterschap.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

49

Vuilwater De gebruiksfuncties binnen het besluitgebied wijzigen niet. Een deel van een kantoorruimte wordt vervangen met een nieuw kantoor. De droogweerafvoer zal daarom in hoeveelheid niet significant veranderen. Grondwater Vanuit de gemeente Gouda zijn geen eisen voor de minimale ontwateringsdiepte. Gezien de hoge grondwaterstand in het besluitgebied en het verloop in het maaiveld is grondwatermonitoring ter plaatse van het nieuwe kantoor aanbevolen. De gangbare normen voor de ontwateringsdiepte zijn voor bebouwing met kruipruimte 0,7 meter en voor bebouwing zonder kruipruimte 0,5 meter. Indien op de bouwlocatie van het kantoor niet wordt voldaan aan deze uitgangspunten is het aanbevolen om maatregelen (maaiveld ophogen of drainage) te treffen. Met de toekomstige situatie is de verwachting dat de realisatie niet voor een verandering van de grondwaterstand gaat zorgen. De locatie bevindt zich niet binnen een grondwaterfluctuatiezone. Oppervlaktewater De zuidzijde van het besluitgebied grenst aan de Hollandse IJssel. In verband met de afname van het verhardoppervlak heeft het plan geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem in de omgeving. Waterveiligheid De waterkering langs de Hollandse IJssel en een deel van de Goverwellesingel zijn regionale waterkeringen.

In een zone van 25 m om de waterkeringen zijn beschermingszone van toepassing waar geboden en verboden gelden. De geboden en verboden zijn opgenomen in de Waterschapsverordening. In verband met de waterkeringen zijn het noorden, zuiden en westen van het plangebied gelegen binnen een beschermingszone, zie ook figuur 5.8. Het bouwen van een kantoor (inclusief fundering, isolatie en heipalen) binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering op deze locatie valt onder de vergunningplicht bij Rijnland. Hieronder valt ook het maken van een cunet voor wegen/inrit of parkeerplaats.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

50

Figuur 5.8 Ligging projectgebied ten opzichte van de waterkering (Bron: BOOT)

Toelichting bouwen in/op een waterkering Het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat het kantoor met zijn fundering niet in/door het leggerprofiel en profiel van vrije ruimte mag komen te liggen (ook wel het dwarsprofiel van de theoretische dijk en toekomstige ruimte gereserveerd voor ophoging). Om dit inzichtelijk te maken is ter plaatse van het meest kritische punt een doorsnede gemaakt, deze is weergegeven in bijlage A in de Waterparagraaf die als bijlage is bijgevoegd bij onderhavige onderbouwing. . Binnen de dwarsdoorsnede is uitgegaan van de volgende uitgangspunten: 

De kortste afstand tussen de middenkruinlijn en de bebouwing bedraagt 4,6 m.

Het wegpeil van het parkeerterrein komt op NAP +1,0 m te liggen.

De groenstroken komen op ca. NAP +0,8 m te liggen.

Het kantoorgebouw ligt 20 á 30 cm hoger dan het wegpeil, uitgegaan wordt van de meest kritische waarde van NAP +1,20 m.

Voor de funderingsdikte wordt uitgegaan van 1,0 m dikte.

Te zien is dat de afstand tussen het vloerpeil en het profiel van ruimte circa 1,03 m bedraagt. Dit betekent dat voldoende ruimte beschikbaar is voor het realiseren van de fundering van 1,0 m op dit meest kritische punt.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

51

Heipalen in kern- en beschermingszone van een waterkering/kwetsbaar kwelgebied Op dit moment is nog niet bekend of heipalen toegepast worden. Wanneer deze toegepast worden dienen deze grondverdringend te zijn (zonder verzwaarde punten) en door middel van heien, boren, schroeven of trillen de grond in worden gebracht. Voorspuiten is niet toegestaan. Grondverzet (bouwen/graven) / aanpassingen aanmaaiveldhoogten beschermingszone en kruin Op basis van de huidige plannen zijn de volgende toekomstige maaiveldhoogten voorzien, zie ook figuur 5.9: 

Vloerpeil kantoor

NAP + 1,2 m

Maaiveld parkeerterrein

NAP +1,0 m (huidig gemiddeld NAP +0,75m, laagste NAP +0,50 m)

Inrit parkeerterrein

NAP +0,7 m (huidig NAP +0,4 á 0,5 m)

Groenstroken

NAP + 0,8 m (huidig NAP +0,8 á +1,0 m)

Figuur 5.9 Overzicht toekomstige aanleghoogten terrein (Bron: BOOT)

Nabij de inrit van het parkeerterrein zal een van een helling gemaakt worden om het hoogteverschil te overbruggen. Zoals bovenstaand beschreven zal de ophoging maximaal 0,5 m bedragen. Bij het nader vormgeven van het plan zal het maaiveld op zo’n wijze vormgegeven worden dat afstromend hemelwater van de waterkering af stroomt. Het overige deel van het bestaande terrein, de kruinzone (0,75 m aan weerszijde van de middenkruinlijn) en maaiveldhoogten blijft ongewijzigd.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

52

Ook wanneer (tijdelijk) dieper gegraven wordt dan 0,3 m of meer ontgraven wordt dan 3 m3 op een waterkering dan geldt voor dit aspect ook de vergunningplicht. Dit geldt ook voor ontgravingen en ophogingen voor het aanleggen van een weg. Het ophoogmateriaal zal bestaan uit (gebiedseigen) schoon bodemmateriaal (zonder steen, puin, stronken of andere vervuiling). Het hoogheemraadschap kan eisen stellen aan de exacte samenstelling van het ophoogmateriaal. Slopen binnen waterkering Voor het slopen/verwijderen van objecten binnen een waterkering geldt de zorgplicht, tenzij het gaat over: palen, mediumvoerende leidingen (geen huisaansluitingen) of damwanden, zie ook Hoofdstuk 10 Slopen en verwijderen via Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl). (Zwaar) materieel op waterkering Zolang een voertuig/werktuig op de weg blijft en minder weegt dan 50.000 kg dan geldt de zorgplicht. Als dit meer is, valt dit onder de vergunningplicht. Ook als het voertuig/werktuig niet op de weg blijft en zwaarder is dan 8.000 kg, dan geldt de vergunningplicht. Zie ook Hoofdstuk 15 Gebruik van voertuigen en werktuigen via Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl). Als dit meer is, moet worden aangetoond dat dit geen gevaar oplevert voor de stabiliteit en waterkerendheid van de waterkering.

Conclusie Onderhavige ontwikkeling zorgt niet voor belemmeringen op het aspect water. Er moet te zijne tijd een omgevingsvergunning voor de wateractiviteit aangevraagd worden voor bouwactiviteiten en graafwerkzaamheden.

5.9

Archeologie en cultuurhistorie

5.9.1

Archeologie

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die op 1 januari 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

53

Doorwerking besluitgebied Er heeft een archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek plaatsgevonden. De belangrijkste conclusies worden in deze paragraaf samengevat. De volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen van onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart is aan het besluitgebied een hoge archeologische verwachting toegekend voor nederzettingsresten vanaf de Romeinse tijd (Figuur 5.10) Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd per periode/bijgesteld. Op basis van de landschappelijke ligging op de stroomgordel van de Hollandsche IJssel en de archeologische monumenten en onderzoeksmeldingen uit de omgeving is aan het besluitgebied een zeer lage verwachting (geërodeerd) toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Midden-Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Late IJzertijd. Aan het besluitgebied is een hoge verwachting toegekend voor nederzettingsresten uit de Romeinse tijd tot en met de Vroege Middeleeuwen. Aan het besluitgebied is een hoge verwachting toegekend voor ontginningsresten vanaf de Volle Middeleeuwen (vanaf de 10e eeuw) en een hoge verwachting voor bebouwingresten vanaf de Nieuwe Tijd Laat (vanaf de tweede helft van de 19e eeuw).

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

54

Figuur 5.10 Het besluitgebied op de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Gouda (Groenendijk 2011)

Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat met uitzondering van de boringen 1 en 4 de oorspronkelijke ooivaaggrond is verdwenen. Er zijn geen dieper gelegen bodemhorizonten aangetroffen die zouden kunnen duiden op oudere bewoningsniveaus (ouder dan de tweede helft van de 19e eeuw. Er zijn geen zandige beddingafzettingen van de Hollandsche IJssel aangetroffen. Daarnaast zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen ouder dan de tweede helft van de 19e eeuw. De kans dat binnen het besluitgebied archeologische resten aanwezig zijn die ouder zijn dan de tweede helft van de 19e eeuw wordt klein geacht. Op basis hiervan is de zeer lage verwachting uit het bureauonderzoek voor vuursteenvindplaatsen van jagersverzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Midden-Neolithicum en de zeer lage verwachting voor nederzettingsresten vanaf het Neolithicum tot en met de Late IJzertijd bijgesteld naar een onbekende verwachting. De hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor nederzettingsresten uit de Romeinse Tijd tot en met de Vroege Middeleeuwen is bijgesteld naar laag. De resultaten van het booronderzoek geven aanleiding om de hoge verwachting voor resten uit de Volle Middeleeuwen (vanaf de 10e eeuw) tot en met de

Goejanverwelledijk 56-62 Gouda

55

Nieuwe Tijd Midden bij te stellen naar laag. De hoge verwachting voor resten uit de Nieuwe Tijd Laat blijven gehandhaafd. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waarde stelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. Conclusie Het aspect 'archeologie' zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. 5.9.2

Cultuurhistorie

Bureau Helsingen heeft in het kader van de onderliggende ruimtelijke visie een cultuurhistorische analyse uitgevoerd voor het besluitgebied en de aangrenzende omgeving. Een dergelijke cultuurhistorische analyse geeft inzicht in de aanwezige cultuurhistorische waarden. De analyse wordt door de gemeente Gouda verplicht geacht binnen de gebieden die zijn gelegen nabij historische weg- of waterlinten. In dit hoofdstuk is de essentie van de analyse opgenomen. De volledige analyse is opgenomen in de bijlagen. Figuur 5.11 toont de cultuurhistorische analyse kaart. Hoge waardering Voor de beoordeling is er gebruik gemaakt van de classificatie opgesteld door de RCE voor bouwhistorisch onderzoek. De classificatie bestaat uit een hoge, positieve en indifferente waardering. Een hoge waardering binnen die classificatie behelst beschermwaardigheid. Elementen met een hoge waardering zijn: 

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gouda&id=06204ad4-c203-47eb-a384-8c9159a922b7