12. OBP.aww108.toelichting
Tekst van het document
De conclusies van dit onderzoek luiden: ‘Op basis van het bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: • De puinvrije kleiig venige bovengrond bevat licht verhoogde gehalten aan diverse metalen en aan de bestrijdingsmiddelen DDD, Drins en Hexachloorbenzeen; • De plaatselijk aanwezige licht puinhoudende bovengrond bevat lichte verhogingen aan koper, kwik, lood, nikkel, zink en molybdeen; • De zintuiglijke schone venige ondergrond blijkt geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740-pakket; • De licht puinhoudende dempingsgrond langs de noordelijke perceelsgrens is in vergelijkbare mate licht verontreinigd met metalen en PAK als de bovengrond op het terrein; • In een separaat door Adcim BV uitgevoerd asbestonderzoek is gebleken dat de licht puinhoudende bodem ter plaatse van de noordelijke strook totaal geen asbest bevat (< 1 mg/kgds). • In het grondwater zijn barium en naftaleen in gehalten boven de streefwaarden aangetroffen. Dit zijn geen relevante overschrijdingen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bouw van een woning op het terrein.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.
Gouda, Achterwillenseweg 108
24
5.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. In aanvulling op het rijks- en provinciaal archeologisch beleid heeft de gemeente Gouda in juni 2011 de geactualiseerde gemeentelijke archeologische beleidskaart (ABK) vastgesteld. Op de ABK is aangegeven in welke gebieden binnen de gemeente archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. In die gebieden is een omgevingsvergunning voor de activiteit archeologie vereist bij bodemverstorende werkzaamheden. In het beleid is opgenomen in welke situaties vrijstelling geldt van deze verplichting. Het beleid met betrekking tot cultuurhistorie heeft de gemeente Gouda vastgelegd in de Nota Cultuurhistorie. In deze nota is geprobeerd om het cultuurhistorisch erfgoed zoveel mogelijk integraal te behandelen. Centraal staat het streven het cultuurhistorisch erfgoed een bijdrage te laten leveren aan de eigen identiteit en herkenbaarheid van Gouda waarbij optimaal gebruik gemaakt wordt van haar bestaande kwaliteiten.
Gekozen is voor een thematische benadering waarbij achtereenvolgens wordt ingegaan op hoe erfgoed richting kan geven aan ruimtelijke plannen en die kan stimuleren, hoe met de bescherming van waardevolle objecten wordt ingegaan en vervolgens hoe die objecten kunnen worden behouden en beheerd. Samen met de erfgoedvisie vormt de nota het cultuurhistorisch beleidskader voor de begeleiding van bouwinitiatieven. Onderzoek Archeologie Op de archeologische beleidskaart van de gemeente is te zien dat het plangebied valt op gronden met een hoge verwachting. Een archeologievergunning is nodig voor projecten groter dan 100 m² waarvan de bodemverstorende ingrepen dieper reiken dan 0,5 m -mv. Plangebied
Afbeelding 10: Uitsnede archeologische beleidskaart Gouda
Gouda, Achterwillenseweg 108
25
Om eventuele archeologische resten in het plangebied in kaart te brengen en of het bouwplan voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen ondervindt, is door ADC ArcheoProjecten een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.’ Cultuurhistorie Door Kokon architectuur, stedenbouw en erfgoed is een memo cultuurhistorie en archeologie (cultuurhistorische analyse) opgesteld. In deze memo is het volgende opgenomen ten aanzien van cultuurhistorie. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd stadsgezicht. Binnen het plangebied en op de direct aangrenzende percelen zijn evenmin cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. De voorgenomen realisatie van 1 woning leidt niet tot negatieve cultuurhistorische effecten. Bij de totstandkoming van het plan is rekening gehouden met de kernkwaliteiten van de Achterwillenseweg: de kadewerking versterken door de begeleidende sloten weer zichtbaar te maken. Ter plaatse van het perceel is de sloot langs de Achterwillenseweg dichtgeraakt in de loop van de decennia. Het is zaak deze weer open te graven.
Ook de sloot op de scheiding met perceel Achterwillenseweg 110 is niet meer open, maar maakt wel onderdeel uit van een doorgaand water vanuit het Goudse Hout tot dwars door de wijk Middenwillens. Het is zaak ook deze sloot open te graven, zodat deze landschappelijke kwaliteit weer hersteld worden.’
Afbeelding 11: Schets herstellen watergangen
Gouda, Achterwillenseweg 108
26
Afbeelding 12: Herstel doorloop watergang langs Achterwillenseweg
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft archeologie en cultuurhistorie geen belemmering. De uitvoerder van het grondwerk dient eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.
Gouda, Achterwillenseweg 108
27
5.6 Waterparagraaf In het plangebied is het Hoogheemraadschap van Rijnland beheerder van waterkeringen, oppervlaktewater, grondwater gemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Beleidskader Voor de planperiode 2016-2021 zijn de Waterbeheerplannen (WBP) van de Hoogheemraadschappen van toepassing. In deze plannen geven de waterbeheerders aan wat hun ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De nieuwe WBP's leggen meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij willen de waterbeheerders dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. De waterbeheerplannen sorteren voor op deze ontwikkelingen. Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20191101-13-21693).
Door onder andere het realiseren van oppervlaktewater dient het plan voorgelegd te worden aan het Hoogheemraadschap van Rijnland. Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele watergangen. In de Toelichting legger oppervlaktewateren is vastgelegd dat voor primaire oppervlaktewateren een beschermingszone van 5 meter en voor overige oppervlaktewateren een beschermingszone 2 meter breed geldt. De breedte van deze zones zijn gebaseerd op de ruimte welke noodzakelijk is voor het uitvoeren van onderhoud en/of inspectie aan de watergangen. Aan de beschermingszones kunnen ter bescherming van de watergang voorschriften en beperkingen gelden. Het onderhavige plan voorziet niet in werkzaamheden in de watergangen of de bijbehorende beschermingszones. Overige watergang 250-058-01945
Overige watergang 250-058-00616
Overige watergang 250-058-02502 Afbeelding 13: Uitsnede Legger Oppervlaktewater
Middels het onderhavige plan wordt een watergang gegraven aan de noordzijde van het plangebied. Voor het graven van watergangen dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het Gouda, Achterwillenseweg 108
28
oppervlaktewater wordt middels de enkelbestemming ‘Water’ opgenomen in het onderhavige bestemmingsplan. Waterberging en -compensatie Het plangebied is gelegen in de polder Willens (Goudse Hout). De polder heeft een zomerpeil van -2,05 m NAP en een winterpeil van -2,10 m NAP. Er dient voldoende drooglegging (het verschil tussen de maaiveldhoogte en het oppervlaktewaterpeil) en ontwatering (het verschil tussen de grondwaterstand en het oppervlaktepeil), te worden gerealiseerd om de nodige veiligheid tegen grondwateroverlast te waarborgen. Conform de regel van het Hoogheemraadschap van Rijnland dient minimaal 15% van de toename aan verhard oppervlak gecompenseerd te worden met het aanleggen van water. Het aanleggen van water dient vooraf of tegelijkertijd plaats te vinden met het aanleggen van de verharding. Middels het plan wordt de volgende verharding gerealiseerd. Tabel 2: Verhardingsbalans Verharding Bestaande situatie Onbebouwde kavel
Oppervlak 0 m²
Nieuwe situatie Woning Bijgebouwen (conform regels) Verharding (20% van kavel minus bebouwing) Verschil
88 m² 50 m² 142 m² 280 m² toename
Het onderhavige plan voorziet in een toename aan circa 280 m² aan verharding. Conform de regel van het Hoogheemraadschap dient minimaal 42 m² (15% x 280 m²) aan watercompensatie plaatsvinden. Middels het onderhavige plan wordt circa 80 m² aan water gegraven, waarmee ruim voldoende water gecompenseerd wordt. Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen nabij een primaire of regionale waterkering Ontsluiting Het plangebied betreft thans een stuk tuin behorende bij het perceel Achterwillenseweg 108 te Gouda. De kavel wordt dan ook thans ontsloten middels de bestaande ontsluiting ten behoeve van de woning Achterwillenseweg 108. Middels het onderhavige plan zal de nieuwe woning een eigen ontsluiting krijgen op de Achterwillenseweg middels een brug met duiker. Voor het realiseren van een brug dient een watervergunning aangevraagd te worden. Riolering In de omgeving van het plangebied is een gescheiden rioolstelsel aanwezig. De nieuwe woning wordt hierop aangesloten. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor de uitvoering van het onderhavige plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
Gouda, Achterwillenseweg 108
29
5.7 Ecologie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt de 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Het doel van de nieuwe Wet natuurbescherming is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende plant- en diersoorten, Natura 2000- gebieden en bossen. Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat u werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. In de Wet natuurbescherming geldt tevens dat onderzocht moet worden of ruimtelijke ingrepen effect hebben op beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde bosopstanden (ecologische quickscan). Ter bescherming van natuurwaarden is er door de Europese Unie een netwerk van speciale beschermingszones aangewezen onder de naam Natura 2000. De richtlijnen zijn in Nederland onder meer verankerd in de Wet Natuurbescherming (Wnb).
De Nederlandse Natura-2000-gebieden worden op basis van de Wet Natuurbescherming vastgelegd, waarbij de bescherming gericht is op beheer en instandhouding van natuurlijke habitats en leefgebieden van plant- en diersoorten. Kaders hiervoor zijn uitgewerkt in het Natura-2000-doelendocument. Op basis van de Wet Natuurbescherming worden speciale beschermingszones aangewezen. Voor deze gebieden worden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Nationaal Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de realisatie van een woning. Hiermee is sprake van werkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd in de bijlage van de toelichting. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Mogelijk kan de rugstreeppad tijdens de werkzaamheden gaan koloniseren hiervoor dienen maatregelen genomen te worden.
De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de rugstreeppad, Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Achterwillenseweg 108a te Gouda uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen: • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
Gouda, Achterwillenseweg 108
30
• •
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000-gebied en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 1 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Broekvelden Vettenbroek & Polder Stein’. Op een afstand van circa 1 km ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 1,2 km ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied. Op een afstand van circa 13 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’.
Afbeelding 14: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland
Gouda, Achterwillenseweg 108
31
Afbeelding 15: Afstand plangebied t.o.v. Natura2000-gebied
Afbeelding 16: Afstand plangebied t.o.v. Belangrijk weidevogelgebied
Gouda, Achterwillenseweg 108
32
Afbeelding 17: Afstand plangebied t.o.v. Strategisch reservering natuur
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen, mits de te treffen maatregelen inzake de Zorgplicht worden genomen. Uit de ecologische quickscan van Blom Ecologie wordt geconcludeerd dat er een onderzoek naar stikstofdepositie dient plaats te vinden. Het aspect stikstofdepositie wordt behandeld in paragraaf 5.12 van deze toelichting.
Gouda, Achterwillenseweg 108
33
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Het nationaal toetsingskader voor luchtkwaliteit is opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van het onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 3: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) 24-uurgemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 μg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 μg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3
Daarnaast hanteert de Wereldgezondheidsorganisatie een advieswaarden voor fijn stof van 20 µg/m3 PM10 en 10 µg/m3 PM2,5 voor het jaar 2030. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2018 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 22,1 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,9 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,4 μg PM2,5/m3. En voor het jaar 2030 het volgende overzicht met betrekking tot fijnstof: • Een fijnstofconcentratie van 16,5 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 9,3 μg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan zowel de wettelijke grenswaarden als de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Gouda, Achterwillenseweg 108
34
5.9 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Invloed van stationaire bronnen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden.
Het besluit is - op enkele onderdelen na - op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi). Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt.
Regulering van de risicoaspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. Onderzoek Volgens de risicokaart bevindt zich in de omgeving van het plangebied een Beviinrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan. Het betreft het bedrijf aan de Goudvlinderstraat 2 te Gouda, welke een vergunning heeft voor de opslag van vuurwerk. Hiervoor is een veiligheidscontour opgenomen van 8 meter. Gezien het plangebied op een afstand van 123 meter is gelegen vanaf dit bedrijf, kan gesteld worden dat het onderhavige plan geen belemmeringen ondervindt met betrekking tot deze inrichting.
Gouda, Achterwillenseweg 108
35
123 meter
Afbeelding 18: Uitsnede risicokaart
Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In en om het plangebied zijn geen van dergelijke buisleidingen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Wegverkeer Per 1 april 2015 is de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ van kracht. Basisnet Weg moet de bereikbaarheid van de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het aangrenzende buitenland garanderen voor wat betreft vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Met Basisnet Weg is een duurzaam evenwicht gecreëerd tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Het Basisnet Weg richt zich uitsluitend op het hoofdwegennet (rijkswegen en verbindende wegen die van belang worden geacht voor het vervoer van gevaarlijke stoffen). In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats.
Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 155 meter tot het spoortrajectnummer 30AV.2. Het spoor wordt gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De PR-contour ligt op 7 meter vanaf het midden van het spoor. Het plangebied is buiten het plasbrandaandachtsgebied gelegen, maar binnen de 200 meterzone. Op grond van artikel 7 van het Bevt dient in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: • De bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute en; • De zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.
Gouda, Achterwillenseweg 108
36
Verder kan gesteld worden dat het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, gezien de lage woningdichtheid in de directe omgeving van het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwingsen alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Na de realisatiefase zijn in het plangebied voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.
De beleidsvisie Externe Veiligheid van de gemeente Gouda als de Omgevingswet stellen daarnaast de verplichting voor nieuwbouw om een maatregel te nemen ter bescherming tegen een gifwolk. Deze maatregel is het installeren van mechanische ventilatie die voorzien is van een knop waarmee deze in één keer volledig is uit te schakelen. De nieuwe woning wordt voorzien van deze installatie. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. De Linge betreft geen beroepsvaart relevante vaarweg. Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voor het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.
Gouda, Achterwillenseweg 108
37
5.10 Technische infrastructuur Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Voor zover bekend liggen er binnen de grenzen van het plangebied of in de directe omgeving geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden. Er is een gemeentelijk rioolstelsel aanwezig. Daarnaast zijn er in of nabij het plangebied de gebruikelijke kabels en leidingen van de nutsbedrijven, zoals KPN, elektriciteit, gas etc. aanwezig. De uitvoering van het onderhavige plan levert om die reden geen bijzondere aandachtspunten op ten gevolge van aanwezige kabels en leidingen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Gouda, Achterwillenseweg 108
38
5.11 Niet gesprongen explosieven Beleidskader Uit ervaring is gebleken dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. In opdracht van de gemeente Gouda zijn vooronderzoeken (Probleeminventarisaties en een Probleemanalyse) uitgevoerd om te bepalen voor welke gebieden in de gemeente Gouda een verhoogd risico geldt op achtergebleven CE. De verdachte gebieden zijn ingetekend op de Risicokaart CE. Onderzoek Uit de Risicokaart CE blijkt dat het plangebied niet verdacht is voor wat betreft het voorkomen van CE. Verder onderzoek naar niet CE is noodzakelijk.
Plangebied
Afbeelding 19: Uitsnede kaart Risicokaart CE
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect niet gesprongen explosieven de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig.
Gouda, Achterwillenseweg 108
39
5.12 Stikstofdepositie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.
Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden. Onderzoek De ecologische quickscan van Blom Ecologie concludeert dat er een onderzoek naar stikstofdepositie dient plaats te vinden (zie paragraaf 5.7 van deze toelichting). Door Van den Heuvel Milieuadvies is een stikstofdepositieonderzoek vanwege zowel de aanleg- als de gebruiksfase opgesteld. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘In het stikstofdepositieonderzoek is voor het plan de stikstofdepositie vanwege de aanleg- en gebruiksfase ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden berekend met behulp van de AERIUS Calculator 2021.
Uit de berekening blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de ontwikkeling niet voorzien in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Conclusie Het plan ondervindt geen belemmeringen ten aanzien van het aspect stikstofdepositie.
Gouda, Achterwillenseweg 108
40
6 JURIDISCHE PLANOPZET 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Gouda, Achterwillenseweg 108’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld met een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Gouda, Achterwillenseweg 108’is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Gouda, Achterwillenseweg 108’ is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Achterwillenseweg 98a en 112’, vastgesteld op 20 september 2017. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
6.3 Bestemmingen Tuin Ten behoeve van de voortuin en de ontsluiting wordt een tuinbestemming opgenomen. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan. Water Ten behoeve van het water wordt een waterbestemming opgenomen. Gebouwen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan. Een brug is ter plaatse van de aanduiding ‘brug’ toegestaan, met een maximale breedte van 4 meter. Wonen Om een burgerwoning toe te staan wordt een woonbestemming toegevoegd. Het hoofdgebouw is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter. Aan-, uit- en bijgebouwen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5 meter.
6.4 Aanduidingen • • • •
Bouwvlak; Figuur ‘gevellijn’ Functieaanduiding ‘brug’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte (m), maximum goothoogte (m): 10, 4’
Gouda, Achterwillenseweg 108
41
7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
8 OVERLEG EN ZIENSWIJZEN 8.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Zederik bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg wordt het plan besproken met de Provincie Zuid-Holland en het Hoogheemraadschap van Rijland.
8.2 Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerp bestemmingsplan en bijbehorende stukken worden gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd zal ook een mondelinge zienswijze gegeven kunnen worden.
Gouda, Achterwillenseweg 108
42