12 De Blaauwe Haan Bijlage 5 Nader ecologisch onderzoek.pdf
Tekst van het document
Kattensingel 62 te Gouda
G&G-rapport 2020-80
Inventarisatie Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen in het kader van de natuurwetgeving
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Kattensingel 62 te Gouda Inventarisatie Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen in het kader van de natuurwetgeving
F.N.M. van der Knaap J.C.C. Wabeke
2020
Opdrachtgever Sens Real Estate
G&G-rapport 2020-80
Datum Versie
19 oktober 2020 V1
Gecontroleerd door: R.de Beer
Bovendijk 35-G
Hazenkoog 35-A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Kattensingel 62 te Gouda
3
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
5
1.1
Aanleiding tot het onderzoek .................................................................................. 5
1.2
Doel van het onderzoek........................................................................................... 6
1.3
Ligging van het plangebied ...................................................................................... 6
1.4
Geplande werkzaamheden ...................................................................................... 6
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................ 6
Methode 2.1
8
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten .................................................... 8 2.1.1 Huismus ..................................................................................................................... 8 2.1.2 Gierzwaluw ................................................................................................................ 9
2.2
Vleermuizen ........................................................................................................... 12 2.2.1 Veldbezoeken .......................................................................................................... 12 2.2.2 Relatie met het vleermuisprotocol ......................................................................... 14
3
4
5
Resultaten broedvogels
16
3.1
Huismus ................................................................................................................. 16
3.2
Gierzwaluw ............................................................................................................ 16
Resultaten vleermuizen
17
4.1
Gewone dwergvleermuis....................................................................................... 17
4.2
Ruige dwergvleermuis ........................................................................................... 18
4.3
Laatvlieger.............................................................................................................. 19
4.4
Meervleermuis....................................................................................................... 20
Effectbeoordeling en maatregelen
21
5.1
Huismus ................................................................................................................. 21
5.2
Gierzwaluw ............................................................................................................ 21
5.3
Vleermuizen ........................................................................................................... 21
5.4
Broedvogels ........................................................................................................... 21
6
Conclusies en aanbevelingen
23
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
24
8
Bijlagen
26
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
4
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
1
5
Inleiding 1.1
Aanleiding tot het onderzoek Er bestaan plannen een perceel aan de Kattensingel 62 te Gouda, gemeente Gouda, Provincie Zuid-Holland her in te richten. Een oud kaaspakhuis op de locatie wordt gesloopt en op deze locatie wordt een appartementengebouw in een parklandschap gerealiseerd. Het is mogelijk dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (Huismus, Gierzwaluw) of vleermuizen verblijven in de te slopen bebouwing. De aanwezigheid van deze potentie werd aangegeven in een eerder uitgevoerde quickscan (VAN DER MEER, 2020). Om dit nader te onderzoeken heeft Sens Real Estate opdracht gegeven aan ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot een inventarisatie uit te voeren naar deze soorten. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode april-september 2020. Dit rapport doet verslag van het onderzoek.
Ligging van plangebied Kattensingel 62.
±
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
6
1.2
Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het voorkomen en de verspreiding van Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen binnen het plangebied.
1.3
Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied betreft enkele (grote) gebouwen gelegen aan de Kattensingel en achterliggend terrein binnen de bebouwde kom van Gouda. De grote gebouwen hebben dienst gedaan als kaaspakhuizen. Het plangebied betreft ook enkele kleinere gebouwen en een groot stuk braakliggend terrein dat tussen deze gebouwen in ligt.
1.4
Geplande werkzaamheden Ten behoeve van woningbouwontwikkeling wordt het oude kaaspakhuis en bijbehorende opstallen aan de rand van het centrum van Gouda gesloopt. De opstallen in het plangebied worden gesloopt om op deze plek een appartementengebouw met 24 appartementen en 35 parkwoningen te realiseren. Tussen de woningen wordt een park aangelegd. Aan de randen van het gebied zullen parkeerplaatsen gecreëerd worden. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit sloop van gebouwen met benodigd hak- breek- en zaagwerk, het verwijderen van de vegetatie-toplaag, het vergraven van de bodem en het kappen en rooien van struiken en/of bomen. Bij uitvoering van het werk kan door geluid, trillingen of licht verstoring optreden van (beschermde) soorten.
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3-4 worden de resultaten beschreven en wordt aangegeven welke soorten zijn aangetroffen binnen en eventueel nabij het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden door de uit te voeren werkzaamheden welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn en of een ontheffing van de Wnb noodzakelijk is. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies en eventuele aanbevelingen. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 tenslotte, geeft een overzicht van de gebruikte literatuur.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
7
In de bijlages is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag. Eventueel zijn (indien relevant) verspreidingskaarten opgenomen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
8
2
Methode 2.1
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Alleen vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd, zijn geïnventariseerd. Het betreft de Huismus en de Gierzwaluw. Beide soorten komen in de omgeving van het plangebied voor (NDFF) en kunnen gevestigd zijn in bebouwing zoals die aanwezig in het plangebied. Uiteraard is tijdens de inventarisatie ook gelet op eventueel andere aanwezige jaarrond beschermde broedvogels of andere beschermde soorten. Alle waarnemingen zijn op locatie gekarteerd. De codes zijn gestipt op locatie met behulp van een veldtablet.
2.1.1
Huismus Het onderzoek is uitgevoerd conform het KENNISDOCUMENT HUISMUS, VERSIE 1.0, BIJ12 juli 2017. Op 20 april en 8 mei 2020 is het plangebied bezocht om de verblijfplaatsen van Huismussen te inventariseren, zie Tabel 1. Tussen de verschillende bezoekrondes lag minimaal tien dagen. De bezoeken vonden plaats tussen twee uur na zonsopkomst en twee uur voor zonsondergang en zijn uitgevoerd bij gunstige (weers-) omstandigheden (geen regen, harde wind en/of kou, geen overmatige verkeersdrukte). Door langzaam rond te lopen en te posten in het plangebied en door regelmatig te luisteren, wordt duidelijk of- en waar Huismussen aanwezig zijn. Tijdens elk van de inventarisatierondes is daarbij het gehele plangebied bezocht. Zowel nestindicatieve waarnemingen als waarnemingen van
Overzicht bezoekrondes (territoriale) vogels in geschikt broedbiotoop zijn op locatie Huismusinventarisatie. Ronde
Datum
Tijdstip
1 2
20 april 8 mei
12:00-13:00 10:30-11:30
gekarteerd. De waarnemingen zijn zoveel als mogelijk gekarteerd op de daadwerkelijke nestplaatsen van de Huismussen. Indien mogelijk werd gewacht met het stippen tot vogels op of nabij de daadwerkelijke nestplaats aanwezig waren (veelal op dakgoten, op pannendaken, naast dakkapellen e.d.). De codes zijn beide gebruikt om kaarten te maken van de verblijfplaatsen van Huismussen per ronde.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
2.1.2
9
Gierzwaluw Het onderzoek is uitgevoerd conform richtlijnen uit het KENNISDOCUMENT GIERZWALUW, VERSIE 1.0, BIJ12, juli 2017. Er zijn drie avondbezoeken afgelegd aan het gebied in de periode juni tot uiterlijk 21 juli. De bezoekrondes zijn uitgevoerd op 1 juni 2020 en op 3 en 21 juli 2020, zie Tabel 2. Hierbij is gelet op territoriale en invliegende vogels. Tussen de verschillende bezoekrondes lag minimaal tien dagen. De bezoeken werden alle uitgevoerd gedurende twee uur. Er werd hierbij alleen geïnventariseerd in de periode voor zonsondergang tot een half uur na zonsondergang en tijdens goede inventarisatieomstandigheden, dat wil zeggen, temperatuur >15°C, wind <5 Bft. en
Overzicht bezoekrondes inventarisatie Gierzwaluw.
Ronde
Datum
Tijdstip
1 2 3
1 juni 3 juli 21 juli
20:20-22:20 20:30-22:30 20:15-22:15
geen zware bewolking. In het Kennisdocument wordt 15 juli als ‘grens’ genomen maar later in de broedperiode zijn poepstrepen duidelijker, wordt meer en harder uit verblijf geroepen (door de jongen) en worden jonge vogels frequenter gevoerd en zijn er daardoor meer contactbezoeken van oudervogels. Onderzoek in juist deze periode kan daarom in sommige gevallen en afhankelijk van het weer, van belang zijn voor het behalen van de beste resultaten (zie ook kader pagina 9).
Typische invliegplek van Gierzwaluw onder een eind nokvorst (voorbeeldfoto, niet in plangebied!). Aan de hand van sporen op de muur zijn invlieglocaties op te sporen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
10
Door langzaam rond te lopen of te posten en te luisteren in het plangebied, wordt duidelijk of- en waar Gierzwaluwen aanwezig zijn. Tijdens elk van de inventarisatierondes is het gehele plangebied bezocht. Later op de avond wordt de onderzoeksinspanning, indien nodig, verlegd naar de meest kansrijke locaties: de plekken of bebouwing waar eerder laag vliegende of anderszins territoriale of nestindicerende Gierzwaluwen aanwezig waren. Hier wordt langer gepost om zoveel mogelijk de exacte verblijfplaatsen op te sporen.
Kader Inventarisatie van Gierzwaluw. Ruim de helft van de populatie Gierzwaluwen bestaat uit niet-broeders. Waar broedende Gierzwaluwen precies broeden is niet altijd gemakkelijk te ontdekken, want ze broeden in kieren en gaten in gevels en daken van huizen. Broedplaatsen zijn soms niet te zien vanaf de straatzijde. Meerdere paren kunnen dezelfde vliegopening gebruiken. Het is dus niet zo eenvoudig het aantal broedparen in een gebied te bepalen, zoals dat bijvoorbeeld bij de Koolmees wel kan aan de hand van het aantal zingende mannetjes gedurende een aantal bezoeken. Gierzwaluwen kunnen broeden vanaf hun 2e jaar, maar doen dat meestal pas vanaf hun derde of vierde levensjaar. Gierzwaluwen die broeden slapen in de nestholte terwijl de niet-broeders opstijgen naar hogere luchtlagen. Het invliegen in de nestholte gebeurt vooral op het einde van de avond, begeleid door gierende nietbroeders. De meeste invliegers worden opgemerkt vanaf ongeveer een 30 minuten voor en 15 minuten na zonsondergang. Daarna wordt het stil in de omgeving van de verblijfplaatsen. Het is niet makkelijk om een invlieger te betrappen. Het invliegen gebeurt snel en het vaststellen ervan hangt deels af van de ervaring van de waarnemer/onderzoeker. Om de trefkans te optimaliseren wordt gewerkt volgens een vast onderzoeksprotocol.
Aan het einde van het broedseizoen zijn de nestholtes ook te vinden aan de hand van poepsporen. Er zijn echter ook bezette nestholtes bekend zonder poepsporen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
11
Code Waarnemingscategorieën Gierzwaluwonderzoek
Uitleg
gz (met aantal)
Aanwezige vogels zonder duidelijke binding met het plangebied.
gz1
Lager overvliegende vogels, regelmatig aanwezig, tot tientallen meters boven de bebouwing (´rondhangend´).
gz2
Laag vliegende gierende vogels, gierend langs mogelijke verblijfplaatsen in gevels en daken. Aantikken, aanklampen, maar niet invliegen.
gz3
In/uitvliegen (verblijfplaats).
gz4
Piepende jongen in een nest.
gz5
Gierende volwassen vogels in een verblijfplaats.
gz6
Poepsporen (verblijfplaats).
Voor het verzamelen van territoriale en nest indicerende waarnemingen in het veld zijn de waarnemingen ingedeeld en genoteerd met verschillende categorieën (zie Tabel 3). De codes zijn gestipt op locatie met behulp van een tablet. In een bijgevoegd ‘kader’ in deze methodebeschrijving staat aangegeven waarbij rekening moet worden gehouden in het geval van het inventariseren van Gierzwaluw. Bij het maken van de verspreidingskaarten zijn de eerste drie categorieën gebruikt om het vlieggebied van territoriale Gierzwaluwen te bepalen per ronde en in totaal. De overige 4 codes zijn bij elkaar genomen om kaarten te maken van de verblijfplaatsen van Gierzwaluwen per ronde.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
12
2.2
Vleermuizen Alle soorten vleermuizen zijn beschermd krachtens de Wnb onder het regime van de Habitatrichtlijn. Het doel van het onderzoek is om de aanwezigheid en de verspreiding van vleermuizen in het plangebied in kaart te brengen. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van de richtlijnen uit het protocol voor vleermuisinventarisaties, zoals dat is opgesteld door het Vleermuisvakberaad (VLEERMUISVAKBERAAD, 2017). Voorafgaand aan het onderzoek is op grond van aanwezige biotopen en bekende voorkomens nagegaan welke vleermuissoorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn binnen het onderzoeksgebied. Het onderzoek is op grond daarvan met name gericht op de gebouwbewonende soorten Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger. Uiteraard zijn ook andere soorten gezocht in het plangebied en zijn eventueel bezoek rondes en/of bezoektijden tussentijds aangepast aan bevindingen tijdens het veldwerk. Bij het aantreffen van ‘bijzondere’ soorten zoals Meervleermuis, grootoorvleermuis, Watervleermuis, Baardvleermuis, etc., die mogelijk het plangebied gebruiken, worden rondes en rondetijden aangepast of worden extra rondes ingepland.
2.2.1
Veldbezoeken Door middel van veldwerk zijn de daadwerkelijke aanwezigheid en verspreiding van vleermuizen in het plangebied onderzocht. Er zijn vijf bezoeken volbracht in de periode mei tot en met september 2020. Het aantal bezoeken is op voorhand op grond van potentie bepaald, bij onverwachte of afwijkende waarnemingen of grotere en bijzondere verblijfplaatsen wordt altijd een extra veldbezoek ingepland. Het plangebied kan door vleermuizen op verschillende manieren worden gebruikt, bijvoorbeeld als verblijfplaats, als (onderdeel van) een vliegroute of als foerageergebied. Deze gebiedsfuncties zijn tijdens het veldwerk onderzocht. Tijdens een veldverkenning (tijdens de quickscan en de eerste ronde) zijn relevante elementen zoals bijvoorbeeld begroeiing en randen daarvan en delen van bebouwing nader op potentie beoordeeld (gaten, spleten, donkere delen). Bij dit onderzoek en tijdens alle veldrondes is met behulp van zaklamp bij inspecteerbare delen van het plangebied en bij mogelijke verblijfplaatsen gezocht naar sporen van gebruik zoals keutels op verhardingen, poepstrepen bij gaten, vraatresten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
13
Het terreingebruik door vleermuizen is op grond van de veldverkenning ’s nachts nader onderzocht door middel van langzaam surveilleren en posten met gebruik van batdetectors (beschikbare modellen Pettersson 240x, Echo Meter Touch (Pro), Batlogger-M). Op de onderzoek locatie was altijd visuele- en audioweergave van de opgevangen pulsen mogelijk en er was altijd de mogelijkheid geluiden en/of pulsen op te nemen met opnameapparatuur (Batlogger M, Echo Meter Touch Pro of Edirol R-09-HR). Bij het onderzoek werden ook een sterke zaklamp en een warmtebeeldcamera (Pulsar Helicon XP50) ingezet. Tijdens alle veldbezoeken is gekeken naar aanwezige vliegroutes en foerageergebieden in het plangebied. Deze gebruiksfuncties zijn vooral te verwachten in luwe delen van het plangebied en langs lijnvormige landschapselementen. De eerste drie bezoeken aan het begin van de zomer zijn met name gericht geweest op het in kaart brengen van zwermactiviteit bij kraamkolonies of zomerkolonies. Deze zwermactiviteit treedt met name aan het einde van de nacht op en wordt onderzocht door op kansrijke plekken te posten en/of door rustig door het plangebied surveilleren. Bij een avondbezoek wordt gepost op kansrijke plekken (uitvlieggaten). De avondrondes zijn vooral ingezet om de activiteit van Laatvlieger te kunnen volgen.
Overzicht en informatie van de veldbezoeken ten behoeve van het vleermuisonderzoek in Kattensingel 62 in 2020.
Ronde / Datum
Starttijd
Duur
Weersomstandigheden bewolking (in octa’s), temp, wind, regen
Opzet
KZ1 26 mei
zonsondergang 21:44-23:44
2 uur
6/8,16°C,nw2,droog
avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik
KZ2 22 juni
2uur voor zonsopkomst 3:24-5:24
2 uur
1/8,17°C,w2,droog
ochtendbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik
KZ3 13 juli
zonsondergang 21:55-23:55
2 uur
4/8,17°C,w2,droog
avondbezoek kraamverblijven, zomerverblijven, terreingebruik
P1 28 aug
00:00-02:00
2 uur
6/8,17°C,zw3,droog
middernachtbezoek paarverblijven, zwermactiviteit, terreingebruik
P2 18 sept
21:00-23:00 00:00-1:00
2 uur
1/8,17°C,no3,droog
avondbezoek paarverblijven, zwermactiviteit, terreingebruik
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
14
Het vierde bezoek in augustus is mede gericht geweest op het vaststellen van middernachtelijke zwermactiviteit van Gewone dwergvleermuis. Deze zwermactiviteit vormt een sterke aanwijzing voor de aanwezigheid van een winterverblijf. De laatste twee bezoeken zijn vooral gericht geweest op het vaststellen van paarverblijven en baltsactiviteit. De ronde in de periode eind augustus/begin september is tevens laat ingezet om baltsactiviteit van Ruige dwergvleermuis later in de nacht in beeld te brengen. Zoals aangegeven wordt in deze ronde ook eventuele middernachtzwerm activiteit onderzocht. Vanwege de grootte van het object en het aantal potentieel geschikte plekken en de positie daarvan voor met name verblijfsgebruik van vleermuizen, is de inventarisatie uitgevoerd door twee personen. Tijdens de veldbezoeken was geen sprake van substantiële neerslag, werd er niet geïnventariseerd bij een windkracht hoger dan 4 Bft of bij een te lage temperatuur. Voor een overzicht met informatie van de veldbezoeken zie Tabel 4.
2.2.2
Relatie met het vleermuisprotocol Het vleermuisprotocol is een richtlijn op grond waarvan het onderzoek zo goed mogelijk is uitgevoerd. Dit betekent dat op grond van aanwezige biotopen en potenties in het onderzochte plangebied de uiteindelijke onderzoeksopzet is gemaakt. In het geval van het besproken gebied zijn de hieronder genoemde keuzes gemaakt om de resultaten te optimaliseren. Vanwege de aanpassing van de werkwijze zijn de resultaten van het onderzoek naar verwachting beter. Suboptimale bezoekrondes De bebouwing binnen het plangebied wordt niet altijd verwarmd en heeft weinig bufferende capaciteit ten aanzien van warmte. Daarom worden geen bijzondere constante en koele microklimaten verwacht ten aanzien van warmte en vocht en is de bebouwing naar verwachting niet geschikt als (massa)winterverblijf voor Gewone dwergvleermuis. Het middernachtzwermen van deze soort wordt daarom niet op voorhand verwacht. Omdat bovenstaande slechts een inschatting betreft en (massa-) winterverblijf als een belangrijke vast te stellen gebruiksfunctie wordt gezien, is hiernaar tijdens één ronde toch optimaal onderzoek gedaan. Door deze laat uitgevoerde bezoekronde wordt tevens ondervangen dat baltsactiviteit op verschillende momenten in de nacht wisselende intensiteit kan hebben en het plangebied op meerdere momenten in de nacht hierop werd onderzocht.
In de andere najaarsronde is ook op nachtelijk zwermgedrag gelet, bij (grote) winterverblijven is dit gedrag ook eerder in de nacht
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
15
waarneembaar en kan dit gedurende langere tijd doorgaan (tot ver in september).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
16
3
Resultaten broedvogels 3.1
Huismus In het plangebied of de omgeving daarvan, werden in het geheel geen waarnemingen gedaan van aanwezige Huismussen. Omdat de soort ontbreekt in het plangebied, is geen aparte verspreidingskaart gemaakt. De industriële bebouwing is niet zeer geschikt voor de soort.
3.2
Gierzwaluw In het plangebied werden geen verblijvende Gierzwaluwen of sporen daarvan waargenomen. Er werden alle drie de rondes overvliegende Gierzwaluwen hoog vliegend waargenomen die op geen enkele wijze binding aan bebouwing binnen het plangebied hadden. De verspreiding van de aanwezige Gierzwaluwen staat in Bijlage 1
Gierzwaluw (archieffoto).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
4
17
Resultaten vleermuizen In plangebied Kattensingel 62 zijn vier soorten vleermuizen vastgesteld. In Tabel 5 staan de aangetroffen soorten. De relevante verspreidingskaarten van de aangetroffen vleermuizen staat in Bijlage 1.
Vastgestelde soorten vleermuizen met bijbehorende indicatie van de aantallen waarnemingen en bescherming/bedreiging in plangebied Kattensingel 62 in 2020.
Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis
Aantal 10 tal enkele enkele enkele
Beschermd x (HR IV) x (HR IV) x (HR IV) x (HR II, IV)
Rode Lijst gevoelig -
Er werden langsvliegende, foeragerende exemplaren en baltsende vleermuizen waargenomen. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen gevonden, in bebouwing direct buiten het plangebied zijn wel verblijfplaatsen gevonden van Gewone en Ruige dwergvleermuis. Het gaat om drie verblijfplaatsen: Van Swietenstraat zomerverblijf Gewone dwergvleermuis. Van Swietenstraat baltsverblijf Ruige dwergvleermuis. Kattensingel (achterzijde) baltsverblijf Ruige dwergvleermuis. Per soort wordt hieronder het voorkomen van de aangetroffen vleermuizen in het plangebied kort toegelicht en wordt de leefwijze van de waargenomen vleermuizen in Nederland geschetst.
4.1
Gewone dwergvleermuis In gebied Kattensingel 62 werd de Gewone dwergvleermuis in het gehele plangebied verspreid aangetroffen. De dichtheden en aantallen vleermuizen lagen laag. Er werden in het plangebied geen gebouwgerichte activiteiten van vleermuizen waargenomen. De omliggende begroeiing in en net buiten het plangebied werd gedurende de onderzoeksperiode regelmatig gebruikt door foeragerende vleermuizen. Er werden geen bijzondere gerichte verplaatsingen opgemerkt van Gewone dwergvleermuizen die zouden kunnen wijzen op een belangrijke vliegroute. Er was geen sprake van langdurige aanwezigheid van de baltsende vleermuizen met aanhoudend rond of bij bebouwing vliegende dieren of gebouwgerichte activiteit (aantikken, gebouwgericht zwenken e.d.).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
18
Algemeen De Gewone dwergvleermuis is de meest verspreide en talrijkste vleermuissoort in Nederland. Deze soort wordt beschouwd als hoofdzakelijk gebouwbewonend. Gedurende het hele jaar worden vooral van buiten toegankelijke spouwmuren en besloten ruimtes achter betimmeringen en daklijsten gebruikt. Nachtelijk zwermgedrag rond een verblijfplaats in voorjaar en zomer duidt op de aanwezigheid van (kraam)kolonies. Door de verborgen leefwijze gedurende de winterperiode zijn overwinterende dieren, die zich dan meestal in kleinere groepen ophouden, vaak onvindbaar. Een sterke aanwijzing voor dergelijke winterverblijven is het voorkomen van zogenaamde middernachtzwermactiviteit in de periode half juli – augustus. Daarnaast is gedurende de baltsperiode in de nazomer en herfst sprake van paargezelschappen die rond paarverblijfplaatsen kunnen worden waargenomen. Baltsende mannetjes worden ook vaak vliegend waargenomen en zijn dan vaak niet direct aan een paarverblijfplaats te koppelen. Foerageergebieden bevinden zich overwegend in besloten tot halfopen landschap binnen enkele kilometers van de (zomer)verblijven. Het foerageergebied wordt via vaste en veelal beschutte vliegroutes bereikt, zoals bomenlanen, boszomen en watergangen.
4.2
Ruige dwergvleermuis In Kattensingel 62 werd de Ruige dwergvleermuis enkele malen aangetroffen in het gebied. De soort werd alleen langsvliegend en foeragerend gezien zonder dat aanwijzingen werden verkregen dat de vleermuizen binding hadden met bebouwing in het plangebied. De waarneming van de baltsende Ruige dwergvleermuis werd gedaan aan de achterzijde van Kattensingel 61. Het baltsende exemplaar werd roepend gehoord vanuit de achtergevel van het gebouw. Kattensingel 61 ligt net buiten maar direct naast het plangebied. De andere verblijfplaats van een Ruige dwergvleermuis werd waargenomen in de Van Swietenstraat. Het betrof hier een paarverblijf. Algemeen De Ruige dwergvleermuis is in ons land jaarrond een algemeen verspreide soort, met name ten noorden van de grote rivieren. Het leefgebied is zeer divers, maar de grootste aantallen bevinden zich in bosrijk of parkachtig gebied. Ruige dwergvleermuizen gebruiken uiteenlopende (tijdelijke) verblijfplaatsen, zoals boomholten, bastspleten, nestkasten, spouwmuren, houtstapels en kelders. Hoewel de soort in ons land ook ’s zomers verspreid wordt
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
19
waargenomen, bevinden kraamkolonies zich vooral in Noord- en Oost-Europa (slechts één keer in ons land).
4.3
Laatvlieger In Kattensingel 62 werden slechts foeragerende en langsvliegende Laatvliegers opgemerkt. Er werden geen aanwijzingen verkregen dat de vleermuizen binding hadden met (bebouwing in) het plangebied. Vanwege het beperkte gebruik en omdat geen waarnemingen werden gedaan die duiden op belangrijk binding van de soort aan het plangebied, is geen aparte verspreidingskaart opgenomen. Algemeen De Laatvlieger komt in ons land algemeen verspreid voor rond dorpen in agrarisch gebied, parken, tuinen en stadsranden. In Nederland bewonen Laatvliegers gedurende het hele jaar uitsluitend gebouwen. Kraamkolonies worden vooral aangetroffen op (kerk)zolders, in spouwmuren of achter gevelbekleding, waarbij de dieren vaak weggekropen zijn tussen balken en in spleten. Een populatie Laatvliegers gebruikt veelal een netwerk van verblijven, waarbij relatief vaak van plaats wordt gewisseld. Voor zover bekend leven mannetjes vrijwel het gehele jaar solitair. Overwinterende dieren worden meestal in kleine groepjes aangetroffen, mogelijk in dezelfde gebouwen als waarin zich de zomerverblijven bevinden. Laatvliegers foerageren na het uitvliegen eerst kort in sociale groepen nabij de kolonieplaats. Daarna zoeken ze afzonderlijk de open jachtgebieden op. Deze liggen veelal in kleinschalig agrarisch gebied dat rijk is aan vochtige graslanden. Hierbij kunnen relatief grote afstanden worden afgelegd.
Impressie van het plangebied gedurende de ochtendronde.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
20
4.4
Meervleermuis In Kattensingel 62 werd de Meervleermuis slechts tweemaal overvliegend waargenomen zonder dat aanwijzingen werden verkregen dat de vleermuizen binding hadden met bebouwing in het plangebied. Algemeen Hoewel de Meervleermuis internationaal als bedreigd wordt beschouwd (Habitatrichtlijn IV) is deze soort in Nederland niet zeldzaam. In de waterrijke delen van Nederland komt de Meervleermuis redelijk algemeen voor en is daarbij sterk aan menselijke bouwwerken gebonden. De vaak grote kraamkolonies, tot enkele honderden dieren, worden aangetroffen op (kerk)zolders of in spouwmuren en kunnen zich gedurende een seizoen meerdere malen lokaal verplaatsen. In de (na)zomer worden solitaire dieren en kleine paargroepen ook in vleermuiskasten aangetroffen. De grootst bekende winterpopulatie Meervleermuizen van Europa bevindt zich in bunkers van het Zuid-Hollands duingebied. Ook wordt in groeven en kelders overwinterd. De Meervleermuis jaagt bij voorkeur vlak boven grote open wateren, waarbij prooidieren van het wateroppervlak worden geschept. Brede weteringen, vaarten en kanalen zijn vaak onderdeel van de vaste, soms lange (> 10 km), vliegroutes. De soort trekt tussen zomer- en winterverblijven, waarbij afstanden tot boven de 100 km worden overbrugd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
5
21
Effectbeoordeling en maatregelen De aanwezigheid van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten of vleermuizen nabij en binnen het plangebied kan van invloed zijn op de verdere procedure. De effecten die kunnen optreden bij de geplande werkzaamheden worden beschreven. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren.
5.1
Huismus Er zijn geen Huismussen waargenomen in of bij de bebouwing van het plangebied en ook in de omgeving zijn geen broedende Huismussen vastgesteld. Er kunnen daarom geen negatieve gevolgen zijn door de plannen voor de Huismus.
5.2
Gierzwaluw Er zijn geen verblijvende Gierzwaluwen waargenomen in of bij de bebouwing van het plangebied. De werkzaamheden zullen geen negatieve invloed hebben op Gierzwaluwen.
5.3
Vleermuizen Verblijfplaatsen Er werden geen verblijfplaatsen vastgesteld in het plangebied, er worden geen negatieve gevolgen verwacht van de ingreep op verblijfplaatsen van vleermuizen. Foerageergebied Het foerageergebied binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken.
5.4
Broedvogels In het plangebied zijn geen vogelsoorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen aanwezig. Er kunnen in de bebouwing of het omliggend groen in het broedseizoen wel andere soorten broedvogels vestigen. Dergelijke vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen het slopen of renoveren van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag. Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden daarom buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
22
buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
6
23
Conclusies en aanbevelingen Tijdens de inventarisatie zijn Gierzwaluw en vleermuizen aangetroffen (zie Tabel 6).
Aanwezig Aangetroffen beschermde soorten met vastgestelde gebruiksfuncties in plangebied Kattensingel 62 in 2020.
Verblijfplaats Essentieel leefgebied
Vogels Huismus Gierzwaluw
nee ja
nee nee
nee nee
Verblijfplaats nee nee nee nee
Foerageren ja ja ja nee
Vliegroute nee nee nee nee
Vleermuizen Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis
♣ In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli. ♣ Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het plangebied. (Net buiten het plangebied zijn wel verblijfplaatsen aangetroffen). ♣ Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. ♣ Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
24
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BARATAUD, M., Y. TUPINIER, H. LIMPENS & A C. BETAIN, 2015. ACOUSTIC ECOLOGY OF EUROPEAN BATS. BIOTOPE EDITIONS, PUBLICATIONS SCIENTIFIQUES DU MUSÉUM. ISBN 9782366621440. BEUSEKOM, R. VAN, HUIGEN P., HUSTINGS F., DE PATER, K. & THISSEN J. (RED.), 2005. Rode Lijst van Nederlandse broedvogels. Tirion uitgevers B.V., Baarn. BIJLSMA, R.G., HUSTINGS F. & C.J. CAMPHUYSEN, 2001. Algemene en schaarse vogels van Nederland (Avifauna van Nederland 2). GMB Uitgeverij/KNNV Uitgeverij, Haarlem/Utrecht. BRIGGS, B. & D. KING, 1998. The Bat Detective. A fieldguide for bat detection. Stag Electronics, West Sussex. BROEKHUIZEN, S., B. HOEKSTRA, V. VAN LAAR, C. SMEENK & J.B.M. THISSEN (RED.), 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. 3e herziene druk. Utrecht. DIETZ, C., A. KIEFFER, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij. Zeist. DIJK A.J. VAN & A. BOELE, 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. GRIMMBERGER, E., 2001. Gids van de Vleermuizen van Europa. Tirion, Baarn. HUSTINGS F., BORGGREVE C., VAN TURNHOUT C. & THISSEN J. 2004. Basisrapport voor de Rode Lijst Vogels volgens Nederlandse en IUCN-criteria. SOVON-onderzoeksrapport 2004/13. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding.
Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. MEER, T.S. VAN DER, 2020. Kattensingel 62 te Gouda, Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. QS2020-054 Van der Goes en Groot, Alkmaar. SIERDSEMA, HENK, 1995. Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SOVON-onderzoeksrapport 1995/04. Staatsbosbeheerrapport 1995-1. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
25
TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING, 2017. Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl. WISMEIJER, H., 2002. Zoogdieren van Europa. ANWB bv/ TIRION Uitgevers bv, Baarn.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
26
8
Bijlagen
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Verspreidingskaart Gierzwaluw Verspreidingskaarten vleermuizen Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
Bijlage 1 Verspreidingskaart Gierzwaluw
! !
!
!
!
!
!
!
!
!
Gierzwaluw Gouda, Kattensingel Verspreidingskaart 2020
0
0,075 km
Van der Goes en Groot
! ! !
^ ^ ^
overvliegend, ronde1 overvliegend, ronde2 overvliegend, ronde3 verblijfplaats, ronde1 verblijfplaats, ronde2 verblijfplaats, ronde3
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
± 2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
Bijlage 2 Verspreidingskaarten vleermuizen
#
!#
Gewone dwergvleermuis Gouda, Kattensingel Verspreidingskaart 2020
±
* Baltsplek )
Baltsverblijf
Kraam-Zomer 1
(
Zomerverblijf
Kraam-Zomer 2
_ Kraamverblijf
Kraam-Zomer 3 Middernacht ronde
vliegroute
Paarronde 1
foerageergebied
* ) ( _ 1 * ) ( _ 2-4
Paarronde 2
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
( _ 5-10
(_
11-25
(_
>25
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
" "
Ruige dwergvleermuis Gouda, Kattensingel Verspreidingskaart 2020
±
* Baltsplek )
Baltsverblijf
Kraam-Zomer 1
(
Zomerverblijf
Kraam-Zomer 2
_ Kraamverblijf
Kraam-Zomer 3 Middernacht ronde
vliegroute
Paarronde 1
foerageergebied
* ) ( _ 1 * ) ( _ 2-4
Paarronde 2
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
( _ 5-10
(_
11-25
(_
>25
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
! !
! ! ! "
#
! !
! ! !
±
Gouda, Kattensingel foeragerend 2020 Kraam-Zomer 1 Kraam-Zomer 2
! Gewone dwergvleermuis. "
Ruige dwergvleermuis
# Laatvlieger
Kraam-Zomer 3
G Watervleermuis
Middernacht ronde
X
Paarronde 1 Paarronde 2
Van der Goes en Groot
! .
^
* ) ( _ Y# 1 # 2-4 * )(_Y
Rosse vleermuis Meervleermuis Gewone grootoorvleermuis
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
# 5-10 ( _Y
# ( _Y
( _Y #
11-25 >25
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
Bijlage 3 Huidige natuurwetgeving Bijlage 3.1 Wet Natuurbescherming (Wnb) De Wet Natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 3.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
Bijlage 3.2 Soortbescherming Bijlage 3.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn en soorten genoemd in de Europese Vogelrichtlijn. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 3.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 7.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. DR
FL
FR
GL
GR
L
NB
NH
OV
UT
ZH
ZL
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + +
+ + + +
+ + + +
+ + +
+ + + +
+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ + + +
+ + + +
+ + + +
+
+
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + +3 + +4 + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
*: algemene vrijstelling wanneer soorten zich in/op gebouwen en bijhorende erven bevinden +1:geldt in de periode maart-april en juli t/m november +2:geldt in de periode 15 augustus t/m februari +3:geldt in de periode juli t/m september +4:geldt in de periode 15 augustus t/m 15 oktober
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
+ + + +
Kattensingel 62 te Gouda
Bijlage 3.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bijlage 3.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 3.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 3.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet. Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 3.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig: ♣ in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. ♣ in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. ♣ ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig: ♣ ter bescherming van flora en fauna. ♣ in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig: ♣ ter bescherming van flora en fauna. ♣ in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. ♣ in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.
♣ ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Bijlage 3.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘jaarrond beschermde broedvogels’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Categorie Toelichting codes 4 Vogelsoorten waarvan de nesten in 4 principe jaarrond zijn beschermd met 2 beschermingscategorie: 3 1 = soorten die ook buiten het 4 broedseizoen het nest gebruiken als vaste 2 rust- of verblijfplaats, 3 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen 3 op dezelfde plaats broeden en die daarin 3 zeer honkvast zijn of afhankelijk van 4 bebouwing of biotoop, 2 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats 3 broeden en die daarin zeer honkvast zijn of 4 afhankelijk van bebouwing, 1 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in 4 staat zijn een nest te maken. 4
De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan, betrokken! Voor jaarrond beschermde soorten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen.
Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook jaarrond beschermde soorten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’. Bijlage 3.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de ‘andere soorten’.
Bijlage 3.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 3.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.
Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Het bevoegd gezag geeft een vergunning af als de verslechtering of verstoring in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar is. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000- gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.
Bijlage 3.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 3.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Getoetst wordt of een ingreep van invloed is op ‘wezenlijke kenmerken en waarden’, het NNN kent geen toetsing op ‘externe werking’. Als een ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Uitgangspunt bij het toestaan van ingrepen is dat netto sprake moet zijn van een versterking van het netwerk. Bijlage 3.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn.
Bijlage 3.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
Zie Bijlage 3.2.1 Geen ontheffing nodig
Zie Bijlage 3.2.2
Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing
Geen ontheffing nodig
Zie Bijlage 3.2.3
Zie Bijlage 3.2.3 Geen ontheffing mogelijk
Ontheffing onder voorwaarden mogelijk
kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 2 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 3.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Kattensingel 62 te Gouda
ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van:
♣ Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. ♣ Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft als onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie.
Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes of het stilleggen van werkzaamheden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-80
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl