03B Geanonimiseerde zienswijzen - De Blaauwe Haan.pdf
Tekst van het document
DSP 2E
gemeente gouda
2E
Gouda
2E
Tel. 2E
\czm H MEI 2021
2E
@qmail.com
m
Afdeli,
College van burgemeester en wethouders Gemeente Gouda tav. afdeling Ruimtelijk beleid en advies Postbus 1086 2800 BB Gouda
Ovb
3
00001111 Tevens per e-mail aan Omgevingsdienst Midden-Holland (
2E
2E
Gouda, 3 mei 2021,
Betreft: Zienswijze ontwerpbestemmingsplan en ontwerpbesluit omgevingsvergunning De Blaauwe Haan
Geacht college Wij zijn woonachtig te Gouda, in de nabijheid van het projectgebied De Blaauwe Haan. In die hoedanigheid zijn wij direct belanghebbenden bij de voorgenomen plannen en dienen wij bij deze een zienswijze in tegen de voorgenomen (bouw)plannen. In deze zienswijze beschrijven wij eerst kort de inhoud van de plannen. Daarna formuleren wij onze bezwaren tegen het ontwerpbestemmingsplan en de het ontwerpbesluit omgevingsvergunning. Wij concluderen op basis van onze bezwaren dat het ontwerpbestemmingsplan niet, althans niet in deze vorm, door de gemeenteraad kan worden vastgesteld en dat de omgevingsvergunning niet, althans niet in deze vorm, door het college van burgemeester en wethouders kan worden verleend. 1.
Inleidinq/inhoud voorgenomen (bouw)plannen
De voorgenomen plannen1 maken de herontwikkeling mogelijk van het voormalig terrein van het kaaspakhuis De Producent. De plannen voorzien in de realisatie van in totaal 59 woningen. Aan de zijde van de Kattensingel wordt een appartementencomplex met 24 huurwoningen gerealiseerd en op het achterliggende terrein is ruimte voor 35 grondgebonden koopwoningen. Tussen de woningen wordt in de semi-openbare ruimte een groen park gerealiseerd met een langzaamverkeersverbinding tussen de Kattensingel en het Van Bergen IJzendoornpark. Vooropgesteld zij dat wij geen (principiële) bezwaren hebben tegen de herontwikkeling van het voormalig kaaspakhuis en het bijbehorend terrein naar woningbouw. Wij begrijpen de behoefte aan nieuwe woningen en zien ook dat de herontwikkeling op diverse onderdelen een verbetering kan vormen ten opzichte van de huidige situatie. Wel hebben wij tegen diverse onderdelen van het pian 1
Het ontwerpbestemmingsplan ‘De Blaauwe Haan’, het ontwerpbesluit vaststellen hogere waarden met kenmerk 2020343484 en het ontwerpbesluit omgevingsvergunning ‘Het bouwen van 24 appartementen en 35 grondgebonden woningen’ met kenmerk 2020319019. 1
bezwaren. Wij maken ons namelijk ernstig zorgen over de aantasting van ons woongenot en aanverwante zaken op basis van de plannen zoals deze nu (in ontwerp) voorliggen. Wij zullen onze zorgen en onze bezwaren hieronder verder uiteenzetten. Daarbij gaan wij eerst in op het ontwerpbestemmingsplan en daarna volgende de bezwaren tegen het ontwerpbesluit omgevingsvergunning. 2.
Bezwaren tegen het ontwerpbestemmingsplan
2a Bouwhoogte, goothoogte en kapvorm (impact op het woongenot van omwonenden) De bouwmassa Ons eerste bezwaar is de enorme massa aan bouwblokken (woningen) die het plan mogelijk maakt. Daarbij speelt ook de bouw- en goothoogte een rol, alsmede de vorm van de daken. De maximale bouwhoogte van 10 meter in combinatie met het feit dat er wordt gekozen voor platte daken en de hoogteverschillen in het terrein maken dat wij als omwonenden tegen rechte en hoge achtergevels gaan uitkijken, die wij als te hoog en te massaal ervaren. Naast het feit dat wij de potentiële bebouwing als zeer massaal en derhalve onwenselijk ervaren blijkt uit de plannen ook op geen enkele wijze dat de beoogde ontwikkeling stedenbouwkundig aanvaardbaar is en op een goede wijze in de omgeving wordt ingepast. Er wordt in de bijgevoegde cultuurhistorische analyse (bijlage 1) wel iets geschreven over stedenbouw, maar deze analyse gaat enkel over de vraag of de beoogde plannen de cultuurhistorische waarden aantasten. Dat is in onze ogen toch werkelijk iets anders dan een stedenbouwkundige beoordeling op de vraag of dit voorgenomen bouwplan stedenbouwkundig in de omgeving past. Omdat een stedenbouwkundige beoordeling ontbreekt zijn wij van mening dat het ontwerpbestemmingsplan in ieder geval onvoldoende is gemotiveerd.
Daarnaast pleiten wij er ook via deze weg voor - wij hebben dit immers al meerdere malen bij de ontwikkelaar aangegeven - om het beleven en ervaren van de massale bouwblokken te ondervangen door de maximale goothoogte te verlagen en/of te kiezen voor een andere kapvorm, bijvoorbeeld een zadeldak, schilddak en/of mansardedak. Deze andere type kapvormen zorgen niet alleen voor een minder massaal beeld, maar passen in onze optiek ook veel beter in de omliggende omgeving en tasten de cultuurhistorische waarde zeker niet aan. Dit sluit onzes inziens ook beter aan bij de Stedenbouwkundige visie voor de binnenstad en haar randen, waar overigens in het gehele ontwerpbestemmingsplan ook geen aandacht voor is en dat is toch opvallend gelet op de locatie van onderhavig projectgebied. Wij zouden dan ook graag zien dat de kapvorm wordt aangepast en/of dat in de bouw- en goothoogte een en ander wordt verminderd, zodat de massaliteit van de bouwblokken wordt verminderd. Onzes inziens kan dit op meerdere manieren, zonder dat dit voor de ontwikkelaar ten koste gaat van een bouwlaag. Daarbij past een aanpassing van de kapvorm ook veel beter in de omgeving en sluit dit dus veel beter aan.
Mocht u toch van mening zijn en ondanks het voorgaande blijven dat onderhavig plan stedenbouwkundig passend is, dan verzoeken wij u om dit nader te motiveren, want het huidige ontwerpbestemmingsplan geeft daar geen blijk van. Bezonning, schaduwwerking en lichttoetreding Het ontwerpbestemmingsplan maakt op meerdere plekken massieve bouwblokken mogelijk. Wij maken ons gelet op de maximale massa, bouwhoogten en goothoogten, alsmede de positionering van de bouwblokken zorgen over de (eventuele) nadelige effecten van de nieuw op te richten bebouwing op ons woongenot. In het gehele ontwerpbestemmingsplan is geen rekening gehouden met de effecten van het plan op onze woning en alle omliggende woningen én derhalve ons 2
woongenot en dat van omwonenden. Zo ontbreekt bijvoorbeeld in zijn geheel een bezonningsstudie. Het ontwerpbestemmingsplan houdt dus achtereenvolgens op geen enkele manier rekening met de effecten op: 1) afname van dag- en zonlicht, 2) extra schaduwvorming en 3) privacyaspecten. Aangezien het ontwerpbestemmingsplan derhalve op geen enkele manier blijk geeft van een goede en juiste belangenafweging, berust het vaststellen van dit (ontwerp)bestemmingsplan, in de huidige vorm, niet op een deugdelijke motivering en is derhalve onder meer sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 Awb). Daarnaast draagt het plan op deze manier ook niet bij aan het door uzelf omschreven doel: “Doel van het plan is een comfortabele en groene woon- en leefomgeving te creëren” (par. 3.1), tenzij dit doel enkel geldt voor de toekomstige bewoners en niet voor ons als omwonenden? Privacy Gelet op de situering van de nieuwe woningen, alsmede de hoogteverschillen in het terrein en de mogelijkheden tot het realiseren van bijgebouwen maken wij ons als omwonenden zorgen over de aantasting van onze privacy. Wij beseffen dat het onderdeel privacy in beginsel een privaatrechtelijke aangelegenheid is en de bouwblokken allemaal op minimaal twee meter uit de erfgrens zijn gesitueerd, maar wij hebben toch enkele bezwaren.
Het grootste bezwaar zit daarbij in de mogelijkheden tot uitbouwen die het ontwerpbestemmingsplan en de daarin opgenomen planregels biedt. Op grond van artikel 17 lid 2 onder c kan er veel aan bijbehorende bouwwerken worden toegevoegd, waarbij wij het vergunningsvrij bouwen op grond van het Besluit omgevingsrecht voor nu zelfs nog even buiten beschouwing laten. Het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt door de planregels in het zij- en achtererfgebied weliswaar grotendeels beperkt, maar in het voorerfgebied een stuk minder. Dit is onzes inziens zeer relevant nu het ontwerpbestemmingsplan niet bepaalt c.q. vastlegt waar de voorgevelrooilijn van gebouwen nu, maar ook in de toekomst, dient te lopen. Daarmee biedt het ontwerpbestemmingsplan planologisch de ruimte om de (formele) voorgevel te situeren richting de omliggende bebouwing en ontstaat er derhalve een voorerfgebied tussen de nieuwe woningen en de bestaande woningen rondom het projectgebied. Wij zouden dan ook graag zien dat de voorgevelrooilijn niet alleen in het bestemmingsplan wordt gedefinieerd, maar ook dat de voorgevelrooilijn daadwerkelijk wordt vastgelegd, zodat geen discussie kan ontstaan over het zij-, achter- en/of voorerfgebied. Daarnaast zouden wij graag in de planregels een koppeling zien met de mogelijkheden tot vergunningsvrij bouwen uit het Besluit omgevingsrecht.
Op basis van de huidige planregels is namelijk bebouwing mogelijk tot 50% / (afhankelijk van het type woning) 30 m2 of 55 m2 per woning, maar daarbovenop zijn vervolgens ook nog mogelijkheden om vergunningsvrij door te bouwen. Dit maakt dat grote delen ook dicht tegen onze erfgrenzen kunnen worden bebouwd; dit gaat niet alleen ten koste van onze privacy, maar heeft ook nadelige effecten voor onder andere de waterhuishouding. Wij zouden in de planregels dan ook graag een koppeling zien door in artikel 8.2 onder c onder 1, 5 en 6 toe te voegen dat het gaat om 'al dan niet met een omgevingsvergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken’ of iets in die trant. Tot slot vragen wij u om nog eens kritisch te kijken naar de mogelijkheden tot bijbouwen en met name de gevolgen daarvan voor de bestaande woningen langs de Kattensingel en de Van Swietenstraat. Wij menen dat op onderdelen zoveel kan worden bijgebouwd dat het bestemmingsplan mogelijkheden biedt om binnen twee meter van de erfgrens te bouwen. Dit kan in onze ogen een evident privaatrechtelijke belemmering vormen en daar dient het bevoegd gezag wel degelijk in dit bestuursrechtelijke spoor rekening mee te houden.
3
Welstand In paragraaf 4.3.4 wordt gesproken over de Welstandsnota 2017 en wordt aangegeven dat de bouwplannen in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning aan deze nota zullen worden getoetst. Opgemerkt zij dat de Welstandsnota 2017 niet van toepassing is op onderhavige plannen. Wij vragen ons dan ook af waarom in het ontwerpbestemmingsplan niet wordt uitgegaan van het actuele Welstandsbeleid 2020, zoals door de gemeenteraad van Gouda vastgesteld op 9 december 2020 en in werking per 1 januari van dit jaar. Derhalve is onduidelijk hoe de plannen zich verhouden tot dit 'nieuwe’ Welstandsbeleid en dat is met name van belang gelet op de ligging van het projectgebied in het beschermd stadsgezicht. Op het beschermd stadsgezicht zullen wij hieronder, alsmede bij de bezwaren ten aanzien van het ontwerpbesluit omgevingsvergunning nog nader ingaan. 2b Verkeer en parkeren Langzaamverkeersverbinding Kattensingel - Van Beveminahlaan In de toelichting wordt gesteld dat de ontsluiting van het gemotoriseerd verkeer plaatsvindt via twee in- en uitritten ter hoogte van de Kattensingel. Verder wordt gesteld dat er door het projectgebied een langzaamverkeersverbinding loopt die de Kattensingel verbindt met de Van Beverninghlaan en het achterliggende Van Bergen IJzendoornpark.
Voorgaande wordt ook in het rapport van Over Morgen (bijlage 9 bij de toelichting) bevestigd, waarbij uitdrukkelijk wordt gesteld dat de doorsteek naar de Van Beverninghlaan via een ‘zakpaal’ wordt afgesloten voor eventueel doorgaand verkeer, of ter voorkoming van sluipverkeer. Wij zijn geen tegenstander van een langzaamverkeersverbinding, maar constateren wel dat het ontwerpbestemmingsplan dit op geen enkele manier borgt. Op basis van de planregels bij het ontwerpbestemmingsplan is een doorgaande verbinding voor gemotoriseerd verkeer planologisch toegestaan en ook het aanbrengen van een ‘zakpaal’ wordt nergens in de planregels voorgeschreven. Wij, en met ons andere omwonenden, maken ons zorgen dat een dergelijke (planologische) mogelijkheid nu, dan wel in de toekomst, maakt dat er meer verkeersbewegingen komen en ook verkeersonveilige situaties zullen ontstaan ter hoogte van de Van Beverninghlaan. De angst voor een eventuele doorsteek voor motorvoertuigen wordt daarbij ook vergroot gelet op de inhoud van het nieuwe ontwerp verkeerscirculatieplan van de gemeente Gouda. Wij zien dan ook graag dat de langzaamverkeersverbinding tussen het projectgebied en de Van Beverninghlaan ook als zodanig expliciet wordt bestemd in de planregels. Parkeren en parkeerdruk Wij zijn bang voor een toename van de parkeerdruk in de omliggende straten rondom het projectgebied.
Deze angst wordt veroorzaakt door twee aspecten. Het eerste aspect ziet op de het te lage aantal parkeerplaatsen, dat zonder goede onderbouwing, wordt toegepast en het tweede aspect ziet op het ontbreken van een voorwaardelijke verplichting in de planregels van het ontwerpbestemmingsplan. Beide aspecten zullen wij hieronder nader toelichten. Het ontwerpbestemmingsplan verwijst voor de te hanteren parkeernormen naar bijlage 1 bij de planregels (Parkeernormen). Op basis van deze parkeernormen dienen er afgerond 113 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd, waarvan 95 voor toekomstige bewoners en 18 voor bezoekers. Wij constateren dat in het plan slechts wordt voorzien in totaal 71 parkeerplaatsen (incl. twee voor deelauto’s en waarvan acht voor bezoekers). Wij kunnen ons niet vinden in de motivatie om af te wijken van de parkeernorm en zetten grote vraagtekens bij de onderbouwing van de parkeerbalans (bijlage 9 bij de toelichting).
4
Allereerst wordt opgemerkt dat het bureau Over Morgen de onderbouwing tot afwijking van de parkeernorm (grotendeels) baseert op het Parkeerplan Gouda 2020. Hierbij wordt gelijk door ons opgemerkt dat hoofdstuk 4 uit het Parkeerplan Gouda 2020, luidend Parkeernormen auto’s, op 29 januari 2020 helemaal niet door de gemeenteraad is vastgesteld. De onderbouwing ter afwijking van de parkeernorm is daarom gebaseerd op niet relevant én niet vastgesteld beleid en alleen in zoverre is er al geen sprake van een zorgvuldige afweging c.q. besluitvorming. Het ontwerpbestemmingsplan is in zoverre dan ook onder meer in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb). Daarbij wordt verder inhoudelijk opgemerkt dat niet de CROW als basis geldt voor de te hanteren parkeernormen, maar de eigen ‘Goudse’ parkeernormen, zoals opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan (bijlage 1 bij de planregels). Ook zetten wij veel vraagtekens bij de onderbouwing van Over Morgen. Het verlagen van de parkeernormen wordt beargumenteerd door een enkele vergelijking met station Haarlem (p. 10), een vermoeden dat het project bewoners trekt die minder behoefte hebben aan een auto (p. 12) en de gemeentelijke hoop dat bewoners kiezen om te delen, onder andere in de vorm van deelauto’s (p.
15), waarbij wij ons ook nog afvragen hoe het effect van deelmobiliteit überhaupt is berekend (er wordt volstaan met de enkele mededeling -4,0 parkeerplaatsen (p.17). Het afwijken van de parkeernorm is dus niet alleen gebaseerd op expliciet niet door de gemeenteraad vastgesteld beleid, maar is ook in strijd met de eigen gemeentelijke parkeernormen uit het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast is de inhoudelijke motivatie gebaseerd op een enkele vergelijking met station Haarlem (de vraag is of dit vergelijkbare gevallen zijn, waarbij wij, alsmede andere omwonenden, dat zeker niet vinden), een vermoeden en vooral hoop vanuit gemeentelijke doelen. Dit brengt ons tot de conclusie dat de onderbouwing ter afwijking van de parkeernorm onzorgvuldig is en slecht is gemotiveerd. De motivatie om af te wijken is vooral gestoeld op aannames en verwachtingen in plaats van feiten. Hierdoor is onze angst voor extra parkeerdruk in omliggende straten en de afbreuk van ons woongenot dus meer dan gerechtvaardigd. Het ontwerpbestemmingsplan getuigt op dit punt zeker niet van ‘een goede ruimtelijke ordening’ en kan in deze hoedanigheid dan ook onmogelijk worden vastgesteld. Wij zien graag dat de volledige parkeereis (113 parkeerplaatsen) wordt opgelost op eigen terrein ter voorkoming van extra parkeerdruk.
Naast een niet, althans slecht gemotiveerde afwijking van de parkeernormen wordt in de toelichting behorende bij het ontwerpbestemmingsplan het volgende gesteld: “Met het opnemen van de dynamische parkeerverwijzing en daarmee de waarborg dat elk concreet bouwplan moet voorzien in voldoende parkeerplaatsen op basis van het geldende parkeerbeleid, wordt voldaan aan het uitvoerbaarheidsaspect parkeren" (par. 5.9.1). Daarna wordt in de toelichting verwezen naar artikel 17 van de planregels en wordt de conclusie getrokken dat het aspect parkeren geen belemmering vormt (par. 5.9.2). Wj merken op dat artikel 17 van de planregels inderdaad ziet op onder andere het aanbrengen van (in voldoende mate) parkeergelegenheid, maar merken gelijktijdig op dat artikel 17 noch een ander artikel in de planregels een voorwaardelijke verplichting bevat voor het daadwerkelijk realiseren van voldoende parkeergelegenheid. Wij stellen ons op dit standpunt omdat artikel 17 lid 1 onder a bijvoorbeeld geen relatie legt met omgevingsvergunningsplichtige activiteiten, zoals vermeld in artikel 2.1 lid 1 Wabo, en ook het ontwerpbestemmingsplan zelf niet in artikel 1 van de planregels definieert wanneer ‘de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft’.
Artikel 17 bevat dus geen voorwaardelijke verplichting, waarmee het aanleggen van parkeerplaatsen op geen enkele manier in het ontwerpbestemmingsplan wordt voorgeschreven. Derhalve vormt het aspect parkeren wel een belemmering voor het voorgenomen plan en het vaststellen van het (ontwerp)bestemmingsplan.
5
2c Groen en water Behoud moestuin In de huidige situatie is in de noordwestelijke hoek een moestuin gesitueerd. Tijdens onder andere de participatiebijeenkomsten is door de ontwikkelaar toegezegd dat deze moestuin behouden zal blijven. Wij zijn uiteraard erg blij met deze toezegging en zien de moestuin ook graag terugkomen in de terreininrichting. Wij zouden echter graag zien dat het niet blijft bij de enkele toezegging van de ontwikkelaar, maar dat deze toezegging ook daadwerkelijk wordt verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan door de moestuin, als zodanig, expliciet op te nemen in de planregels van het ontwerpbestemmingsplan. Kappen van bomen In de plannen wordt uitgegaan van de kap van een aantal bomen binnen het projectgebied. Wij snappen dat het bestemmingsplan niet gaat over het kappen van bomen en zullen op dit onderdeel dus ook nadrukkelijk later ingaan bij onze bezwaren tegen het ontwerpbesluit omgevingsvergunning. Desalniettemin willen wij ook in dit kader aangeven dat wij de kap van de bomen en met name de grote en voor ons zeer waardevolle treurwilg niet begrijpen en onacceptabel vinden. Wij kunnen uit de voorgenomen plannen en stukken niet opmaken waarom de bomen dienen te worden gekapt, althans welk zwaarwegend belang de ontwikkelaar daarbij heeft.
Daarbij komt dat de bomen een waardevolle bijdrage leveren aan de biodiversiteit in het gebied, een ecologische stepping stone zijn, een bijdrage leveren aan de beleving, een natuurlijke geluidswering vormen, zorgen voor koeling en een waterhuishoudkundige functie vervullen. Daarnaast geeft de gemeente in het kader van de bomen ook aan dat er diverse oogmerken zijn die moeten worden beschermd, maar blijkt op geen enkele manier hoe het belang van de ontwikkelaar tegen al deze belangen opweegt. Verharding en afwatering In de huidige situatie zorgt overtollig regenwater, na een gemiddelde regenbui, al voor grote overlast bij de omliggende, grotendeels lager gelegen, woningen. Na een regenbui blijft het regenwater (nu al) lang staan in onder andere de achtertuinen en sommige schuren. Dit geldt vooral voor de tuinen, behorende bij de woningen aan de Van Beverninghlaan. Nu wordt in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan gesproken over de waterhuishouding in het projectgebied (par. 5.10.1), maar dit stelt ons en andere omwonenden allerminst gerust. In de toelichting wordt aangegeven dat de verharding in het gebied ten opzichte van de huidige situatie zal afnemen (circa 70% wordt circa 67%), maar het ontwerpbestemmingsplan legt dit niet vast. Op basis van de planregels is, ondanks een beperking van bebouwing, (in de toekomst) wel 100% (oppervlakte)verharding mogelijk.
Aangezien het ontwerpbestemmingsplan de oppervlakteverharding niet maximeert is allerminst zeker of de waterhuishoudkundige situatie zal verbeteren, althans zijn de onverharde oppervlaktes waarnaar wordt gerefereerd niet afdwingbaar. Hetzelfde geldt voor de aanleg van wadi’s die in geval van (extreme) regenval zullen fungeren als buffer- en infiltratievoorziening. De conclusie dat het aspect water geen belemmering vormt voor de planontwikkeling is derhalve gestoeld op oplossingen, zoals onverharde oppervlaktes en wadi’s, die geenszins zijn geborgd in de planregels van het ontwerpbestemmingsplan. Daarmee vormt het onderdeel water dus wel een belemmering voor de vaststelling van het (ontwerp)bestemmingsplan. Daarnaast wordt in het gehele ontwerpbestemmingsplan nauwelijks tot geen aandacht besteed aan de verschillen in terreininrichting, zijnde hoogteverschillen, tussen de Kattensingel en de Van Beverninghlaan. Ook deze terreinverschillen (NAP) maken dat wij en andere omwonenden zorgen hebben over (de afvoer van) overtollig regenwater als dat niet, althans onvoldoende wordt 6
opgevangen binnen het projectgebied. Er is dus onvoldoende aangetoond hoe de afwatering zal plaatsvinden zonder dat wij en andere omwonenden hiervan (extra) hinder ondervinden. 2d Milieuaspecten Geluid Wij merken op dat in het kader van de gemeentelijke duurzaamheidsambities bij de nieuwe woningen onder andere gebruik zal worden gemaakt van warmtepompen. Het is inmiddels algemeen bekend dat warmtepompen voor geluidsoverlast kunnen zorgen richting belendende percelen. In het kader van geluid is voor onderhavig ontwerpbestemmingsplan echter enkel aandacht voor de geluidbelasting op de nieuw te bouwen woningen afkomstig van weg- en spoorwegverkeer. In het uitgevoerde akoestisch onderzoek (bijlage 7 bij de toelichting) is ook geen aandacht voor de plaatsing en eventueel nadelige (geluids)effecten van warmtepompen. Nu begrijpen wij dat deze toetsing, aan het Bouwbesluit, formeel hoort bij het ontwerpbesluit omgevingsvergunning (zie ook verderop in onze zienswijze), maar wij stellen ons op het standpunt dat ook in het ontwerpbestemmingsplan hier reeds rekening mee dient te worden gehouden.
Wanneer warmtepompen immers (geluidstechnisch) niet mogelijk blijken, kan het plan in mindere mate voldoen aan de, door de gemeente, gestelde duurzaamheidsambities en is het dus de vraag hoe in een dergelijk geval het project zich verhoudt tot onder meer het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2016-2019 en de Handreiking duurzaamheid. Wij constateren dus dat het geluid afkomstig van installaties ten onrechte niet is meegenomen in de berekeningen en uitgevoerde onderzoeken én derhalve getuigt het ontwerpbestemmingsplan niet van een goede ruimtelijke ordening en kan het niet worden vastgesteld. Vormvriie m.e.r. -beoordeling Om uit te sluiten dat het voorgenomen plan belangrijke en nadelige gevolgen voor het milieu met zich brengt heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. In dit kader heeft de ontwikkelaar een aanmeldnotitie opgesteld (bijlage 8 bij de toelichting). Allereerst merken wij op dat de aanmeldnotitie zoals bij het ontwerpbestemmingsplan is gevoegd is gericht aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard en niet aan de gemeente Gouda. Verder wordt in de toelichting (par. 5.11.1) vermeld dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda deze aanmeldnotitie op 16 maart 2021 heeft vastgesteld en op basis hiervan heeft besloten dat een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is.
Ten aanzien van deze beoordeling zijn wij van mening dat het college van burgemeester en wethouders helemaal niet bevoegd is om op de aanmeldnotitie te beslissen. Het bestuursorgaan dat bevoegd is het besluit te nemen waarop de aanmeldnotitie betrekking heeft, is tevens bevoegd de beslissing te nemen op de aanmeldnotitie. Aangezien de aanmeldnotitie betrekking heeft op het (ontwerp)bestemmingsplan en de gemeenteraad hiervoor het bevoegd gezag is, dient ook de gemeenteraad, én dus niet het college van burgemeester en wethouders, te beslissen op de aanmeldnotitie. Voor zover u wel van mening bent dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd was om op de aanmeldnotitie te beslissen, merken wij op dat de beslissing niet bij het ontwerpbestemmingsplan is gevoegd. Hoewel een dergelijke beslissing niet in de Staatscourant hoeft te worden gepubliceerd, dient de beslissing wel te worden opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan, zodat daarop tijdens de zienswijzenperiode van het ontwerpbestemmingsplan ook (inhoudelijk) kan worden gereageerd.
7
Naast procedurele (vorm)fouten is het voor ons nu dus niet mogelijk om te achterhalen hoe het college van burgemeester en wethouders tot haar conclusie is gekomen. De enkele zinsnede: “Geconcludeerd wordt dat, gelet op de aard en omvang van het project en de daarmee gepaard gaande milieugevolgen, een nadere m.e.r.-beoordeling niet nodig is”, achten wij onvoldoende. 2e Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Wij constateren, op basis van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan (par. 7.1), dat de economische uitvoerbaarheid niet, althans onvoldoende is aangetoond. Voor onderhavig plan is blijkens de toelichting geen exploitatieplan opgesteld en is het kostenverhaal ook (nog) niet anderszins verzekerd. Omdat het kostenverhaal niet is verzekerd, is het ontwerpbestemmingsplan economisch niet uitvoerbaar en kan het derhalve ook niet worden vastgesteld. Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid merken wij allereerst op dat het meeste vooroverleg (ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) enkel heeft plaatsgevonden in het kader van het voorontwerpbestemmingsplan. Wij vragen ons af welk voorontwerpbestemmingsplan dit is geweest aangezien er bij ons weten nooit een voorontwerpbestemmingsplan is gepubliceerd en ter inzage heeft gelegen.
Daarbij vragen wij ons af hoe bijvoorbeeld de provincie aankijkt tegen het nu voorliggende ontwerpbestemmingsplan; dat komt immers niet naar voren uit de stukken. Hierbij komt dat het enkele invullen van het E-formulier een eenzijdige handeling vanuit de gemeente betreft, wat onzes inziens niet als vooroverleg is aan te merken. Naast het vooroverleg concluderen wij ook dat de participatie op onderdelen niet volledig en/of correct is weergegeven. Dit is relevant omdat zonder een goed beeld van de participatie nooit een zorgvuldige belangenafweging kan worden gemaakt bij de vaststelling van het (ontwerp)bestemmingsplan. Ten aanzien van de bijeenkomst op 11 februari 2020 merken wij het volgende op. Tijdens deze bijeenkomst zijn de opmerkingen van de klankbordgroep gepresenteerd. Deze opmerkingen zijn daarna gedeeltelijk meegenomen in het ontwerp. In zowel de klankbordgroep als op de avond in februari 2020 zijn meerdere opmerkingen geplaatst over het ontwerp van de woningen. De belangrijkste opmerking was het feit dat de voorgestelde (platte) daken niet passend zijn in de omgeving en schuine dakvlakken (met dakpannen) veel beter aansluiten op de omgeving en passen in het karakter van de buurt. Daarnaast was er sprake van een maximale bouwhoogte van 9,0 meter, die nu zonder verdere toelichting in het ontwerpbestemmingsplan 10,0 meter is geworden.
Verder ontbreekt in het overzicht van bijeenkomsten dat er, vanwege Covid-19, een bewonersavond in april/mei 2020 niet is doorgegaan en ontbreekt ook de bewonersavond op 22 juli 2020 in het Kaaspakhuis. Tijdens deze avond is enkel nog gesproken over de architectuur van de nieuwe woningen. Voorafgaand aan deze avond in juli 2020 hebben wij als omwonenden een brief verstuurd aan Sens waarin wij onduidelijkheden, onze bezwaren en onze vragen hebben benoemd, waaronder de kapvorm. Op deze wensen kon blijkens hun reactie, niet meer ingaan. Enige wijzigingen die daarna nog zijn doorgevoerd waren details ten aanzien van het parkeren en de ontsluiting. 2E
Allereerst bevreemdt het ons dat er blijkbaar over voor ons essentiële onderdelen vanaf juli 2020 (bijna een jaar geleden) niet meer kon worden gesproken. Dit getuigt onzes inziens niet van een zorgvuldige en serieuze participatie. Daarnaast klopt het dus ook niet dat de wijzigingen zijn afgestemd op de voorkeuren van omwonenden. Naast deze inhoudelijke inconsistenties in het verhaal rondom de participatie missen wij in de toelichting vooral de argumentatie waarom naar bepaalde wensen en zorgen vanuit ons als omwonenden wel is geluisterd en waarom naar andere wensen en zorgen niet is geluisterd. Op dit 8
onderdeel mist dus een zorgvuldige motivatie en belangenafweging. Wij stellen ons dan ook niet alleen op het standpunt dat de maatschappelijke uitvoerbaarheid onvoldoende is aangetoond, maar ook dat onder meer sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 Awb). 3.
Bezwaren tegen het ontwerpbesluit omqevinasverqunnina
3a Kappen van bomen De bouwplannen gaan uit van de kap van zes bomen, waaronder een grote en voor ons zeer waardevolle treurwilg nabij de Van Beveminghlaan. Naast de treurwilg betreft het ook nog twee esdoorns en drie platanen. Wij als omwonenden maken sterk bezwaar tegen de kap van deze bomen en in het bijzonder de treurwilg. Allereerst vragen wij ons af waarom de bomen dienen te worden gekapt. Conform het beoogde kapplan (bijlage 2021-02-03- Lindeloof - 195506) bevinden alle potentieel te kappen bomen zich immers niet op gronden waar nieuwe woningen zijn geprojecteerd. De bomen vallen dan ook buiten de in het ontwerpbestemmingsplan aangewezen bouwvlakken. De noodzakelijkheid van de kap wordt in de stukken behorende bij de omgevingsvergunning door de ontwikkelaar niet inzichtelijk gemaakt. Dat het kappen van de bomen de bouw misschien vergemakkelijkt en/of versnelt is wellicht de reden, maar dat is geen gegronde reden om in te stemmen met deze kapvergunning. Ook is niet door de ontwikkelaar onderzocht wat de waarde is van de bomen op aspecten als natuur en milieu, landschappelijke kwaliteit, e.d.
En dat terwijl de bomen in onze optiek waardevolle functies hebben, namelijk, maar niet uitsluitend: een waardevolle bijdrage leveren aan de biodiversiteit in het gebied, een bijdrage leveren aan de seizoensbeleving, een natuurlijke geluidswering vormen, zorgen voor koeling en een bijdrage leveren aan de waterhuishouding. Daarnaast is de beoordeling ook niet in lijn met de door de gemeente Gouda eigen geformuleerde regels in de Verordening fysieke leefomgeving (afdeling 3.7). Niet in het geding is dat alle bomen op grond van artikel 3.96 (VFL) zogezegd kapvergunningplichtig zijn. Een dergelijke omgevingsvergunning kan door het college van burgemeester en wethouders worden verleend met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.97 lid 1 (VFL), waarbij het de oogmerken uit artikel 3.95 (VFL) in acht dient te nemen In de afweging die het college van burgemeester en wethouders dient te maken moet worden afgewogen of de belangen van de ontwikkelaar opwegen tegen het behoud van de bomen en derhalve de oogmerken als bedoeld in artikel 3.95 (VFL). Aangezien het belang van de ontwikkelaar niet duidelijk is kan het college van burgemeester en wethouders in onze optiek dus nimmer deze kapaanvraag honoreren. Tot slot wordt ten aanzien van de overwegingen nog het volgende meegegeven.
Het feit dat bomen niet in plannen zijn opgenomen, noch op de lijst van monumentale bomen staan wil niet zeggen dat dergelijke bomen geen bescherming genieten. Tevens is het voorzien in nieuwe bomen en beplanting geen valide reden om mee te werken aan een kapaanvraag; ten eerste is het inrichtingsplan nergens in de omgevingsvergunning geborgd en ten tweede is de herplanting verplicht. Bovendien is onduidelijk hoe de functies van de huidige bomen door de ontwikkelaar worden gecompenseerd. Alleen al de treurwilg heeft een geschat kroonvolume van 1000 m3. Uit de plannen blijkt niet of, hoe en op welke termijn dit volume door nieuw aan te planten bomen wordt gerealiseerd. Eveneens blijkt niet uit de plannen of en op welke wijze is onderzocht of de treurwilg kan worden verplaatst. Ons inziens zou een boom effect analyse onderdeel moeten uitmaken van dit plan. 3b Strijdigheid met artikel 17 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
9
Zoals ook al onder punt 2c naar voren is gebracht, kunnen wij ons niet vinden in de onderbouwing die bij het ontwerpbestemmingsplan is gevoegd met betrekking tot het afwijken van de parkeereis. Dit punt moet hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Wij constateren dat de omgevingsvergunning onvolledig is. De omgevingsvergunning is namelijk ten onrechte niet getoetst aan de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen regels in artikel 17. Het voorgenomen bouwplan is immers in strijd met artikel 17 lid 1. In dit kader dient dus te worden afgeweken van het (ontwerp)bestemmingsplan op grond van artikel 2.1 lid 1 onder c Wabo. Dit onderdeel ontbreekt echter in zijn geheel, waardoor de omgevingsvergunning onvolledig is. Wij concluderen dan ook dat het aspect parkeren niet is afgewogen c.q. niet is meegenomen in de ontwerp omgevingsvergunning en dat derhalve ook het ontwerpbesluit om deze omgevingsvergunning te verlenen onzorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. 3c Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden Naast het feit dat de omgevingsvergunning ten aanzien van het parkeren onvolledig is constateren wij eenzelfde gebrek ten aanzien van in ieder geval het bepaalde in artikel 8.6 van de planregels uit het ontwerpbestemmingsplan.
In de aanvraag omgevingsvergunning, alsmede het ontwerpbesluit omgevingsvergunning ontbreekt in zijn geheel het verzoek om een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1 lid 1 onder b Wabo, terwijl de plannen toch wel degelijk uitgaan van het aanbrengen van oppervlakteverharding ter plaatse van de specifieke functieaanduiding ‘Wetering’, al is het maar de aanleg van parkeerplaatsen en de langzaamverkeersverbinding. Ook om die reden concluderen wij dat de ontwerp omgevingsvergunning en derhalve ook het ontwerpbesluit om deze omgevingsvergunning te verlenen onvolledig is, onzorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. 3d Welstand In het kader van de beoordeling op het aspect Welstand heeft de commissie een advies gegeven dat luidt: akkoord onder voorwaarden. Bij dit advies heeft de commissie een aantal heldere voorwaarden geformuleerd, waarmee feitelijk de conclusie is dat enkel met een nadere uitwerking op de benoemde onderdelen het plan (de omgevingsvergunning) voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Deze nadere uitwerking is ook benoemd in de overwegingen. Deze nadere voorwaarden zijn echter niet als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Daarmee is de ontwikkelaar op geen enkele manier aan deze nadere uitwerking gehouden, maar belangrijker nog: voldoet het huidige plan zoals dat voorligt niet aan de redelijke eisen van welstand.
Kortom, de omgevingsvergunning kan niet, althans niet in deze vorm worden verleend, omdat dit in strijd is met artikel 2.10 lid 1 onder d Wabo. Wij zijn van mening dat ofwel het plan nader dient te worden uitgewerkt, ofwel de voorwaarden van de commissie, die wij noodzakelijk achten voor het oordeel of het plan al dan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, als voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden op grond van artikel 2.22 lid 2 Wabo. 4.
Conclusie
Wij verzoeken de gemeenteraad dan ook om op grond van het bovenstaande het ontwerp bestemmingsplan 'De Blaauwe Haan' niet vast te stellen, althans het (ontwerp)bestemmingsplan met inachtneming van al het voorgaande gewijzigd vast te stellen en een en ander nader te motiveren en te onderzoeken. Daarnaast verzoeken wij het college van burgemeester en wethouders om op grond van het bovenstaande de omgevingsvergunning 'Het bouwen van 24 appartementen en 35 grondgebonden 10
woningen’ niet te verlenen, althans de omgevingsvergunning met inachtneming van het bovenstaande gewijzigd te verlenen en daarbij de omgevingsvergunning aan te vullen en een en ander nader te motiveren en te onderzoeken. Hoog
2E
2E
2E
Deze zienswijze ontberpbestemmingsplan en ontwerpbesluit omgevingsvergunning De Blaauwe Haan wordt mede ondertekend door:
2E
2E
r
2E
\ 2E
i 2E
Gouda \ (Ondertekenina ontbreekt vanweae vakantie) 2E
2E 2E
2E
2E
2E
Gouda
i 2E
2E
2E
2E
Gouda (Ondertekening ontbreekt vanwege vakantie)
l \
11
DSP gemeente
2E
gouda
2E
2E
3 MEI 2021
Gouda
2E 2E
teA
Afdel,
Ovb
3
2E
College van burgemeester en wethouders Gemeente Gouda t.a.v. afdeling Ruimtelijk beleid en advies Postbus 1086 2800 BB Gouda
Tevens per e-mail aan Omgevingsdienst Midden-Holland (
2E
00001 1 1 1
2E
2E
3 mei 2021, Gouda
Betreft: Zienswijze ontwerpbestemmingsplan en ontwerpbesluit omgevingsvergunning De Blaauwe Haan
Geacht college. Wij zijn woonachtig te Gouda, in de nabijheid van het projectgebied De Blaauwe Haan. In die hoedanigheid zijn wij direct belanghebbenden bij de voorgenomen plannen en dienen wij bij deze een zienswijze in tegen de voorgenomen (bouw)plannen. In deze zienswijze beschrijven wij eerst kort de inhoud van de plannen. Daarna formuleren wij onze bezwaren tegen het ontwerpbestemmingsplan en de het ontwerpbesluit omgevingsvergunning. Wij concluderen op basis van onze bezwaren dat het ontwerpbestemmingsplan niet, althans niet in deze vorm, door de gemeenteraad kan worden vastgesteld en dat de omgevingsvergunning niet, althans niet in deze vorm, door het college van burgemeester en wethouders kan worden verleend.
1.
Inleidinq/inhoud voorgenomen (bouwlplannen
De voorgenomen plannen1 maken de herontwikkeling mogelijk van het voormalig terrein van het kaaspakhuis De Producent. De plannen voorzien in de realisatie van in totaal 59 woningen. Aan de zijde van de Kattensingel wordt een appartementencomplex met 24 huurwoningen gerealiseerd en op het achterliggende terrein is ruimte voor 35 grondgebonden koopwoningen. Tussen de woningen wordt in de semi-openbare ruimte een groen park gerealiseerd met een langzaamverkeersverbinding tussen de Kattensingel en het Van Bergen IJzendoornpark. Vooropgesteld zij dat wij geen (principiële) bezwaren hebben tegen de herontwikkeling van het voormalig kaaspakhuis en het bijbehorend terrein naar woningbouw. Wij begrijpen de behoefte aan Het ontwerpbestemmingsplan 'De Blaauwe Haan’, het ontwerpbesluit vaststellen hogere waarden met kenmerk 2020343484 en het ontwerpbesluit omgevingsvergunning ‘Het bouwen van 24 appartementen en 35 grondgebonden woningen’ met kenmerk 2020319019. 1
nieuwe woningen en zien ook dat de herontwikkeling op diverse onderdelen een verbetering kan vormen ten opzichte van de huidige situatie. Wel hebben wij tegen diverse onderdelen van het plan bezwaren. Wij maken ons namelijk zorgen over de aantasting van ons woongenot en aanverwante zaken op basis van de plannen zoals deze nu (in ontwerp) voorliggen. Wij zullen onze zorgen en onze bezwaren hieronder verder uiteenzetten. Daarbij gaan wij eerst in op het ontwerpbestemmingsplan en daarna volgen onze de bezwaren tegen het ontwerpbesluit omgevingsvergunning.
2. Bezwaren tegen het ontwerpbestemmingsplan 2a Bouwhoogte, goothoogte en kapvorm (impact op het woongenot van omwonenden) De bouwmassa Ons eerste bezwaar is de enorme massa aan bouwblokken (woningen) die het plan mogelijk maakt. Daarbij speelt ook de bouw- en goothoogte een rol, alsmede de vorm van de daken. De maximale bouwhoogte van 10 meter in combinatie met het feit dat er wordt gekozen voor platte daken en de hoogteverschillen in het terrein maken dat wij als omwonenden tegen rechte en hoge achtergevels gaan uitkijken, die wij als te hoog en te massaal ervaren. geldt dat bovendien het uitzicht op het Voor ons als bewoners van historisch centrum van de binnenstad (beschermd stadsgezicht), inclusief de gevelrij Kattensingel, torens als van de Vrouwentoren, Stadhuis op de markt, St. Janskerk en Gouwekerk, volledig verdwijnt. 2E
Naast het feit dat wij de potentiële bebouwing als zeer massaal en derhalve onwenselijk ervaren, blijkt uit de plannen onvoldoende dat de beoogde ontwikkeling stedenbouwkundig aanvaardbaar is en op een goede wijze in de omgeving wordt ingepast. Er wordt in de bijgevoegde cultuurhistorische analyse (bijlage 1) wel iets geschreven over stedenbouw, maar deze analyse gaat enkel over de vraag of de beoogde plannen de cultuurhistorische waarden aantasten. Dat is in onze ogen iets anders dan een stedenbouwkundige beoordeling op de vraag of dit voorgenomen bouwplan stedenbouwkundig in de omgeving past. Omdat een volledige stedenbouwkundige beoordeling ontbreekt, zijn wij van mening dat het ontwerpbestemmingsplan in ieder geval onvoldoende is gemotiveerd. Daarnaast pleiten wij er ook via deze weg voor - wij hebben dit immers al meerdere malen bij de ontwikkelaar aangegeven - om het beleven en ervaren van de massale bouwblokken te ondervangen door de maximale goothoogte te verlagen en/of te kiezen voor een andere kapvorm, bijvoorbeeld een zadeldak, schilddak en/of mansardedak. Deze andere type kapvormen zorgen niet alleen voor een minder massaal beeld, maar passen in onze optiek ook beter in de omliggende omgeving en tasten de cultuurhistorische waarde zeker niet aan.
Dit sluit onzes inziens ook beter aan bij de Stedenbouwkundige visie voor de binnenstad en haar randen, waar overigens in het gehele ontwerpbestemmingsplan geen aandacht voor is en dat is opvallend, gelet op de locatie van onderhavig projectgebied. Wij zouden dan ook graag zien dat de kapvorm wordt aangepast en/of dat in de bouw- en goothoogte een en ander wordt verminderd, zodat de massaliteit van de bouwblokken wordt verminderd. Onzes inziens kan dit op meerdere manieren, zonder dat dit voor de ontwikkelaar ten koste gaat van een bouwlaag. Daarbij past een aanpassing van de kapvorm ook beter in de omgeving en sluit dit dus beter aan. Mocht u toch van mening zijn en ondanks het voorgaande blijven dat onderhavig plan stedenbouwkundig passend is, dan verzoeken wij u om dit nader te motiveren, want het huidige ontwerpbestemmingsplan geeft daar geen blijk van.
2
Bezonnina. schaduwwerking en lichttoetreding Het ontwerpbestemmingsplan maakt op meerdere plekken massieve bouwblokken mogelijk. Wij maken ons gelet op de massa, bouwhoogten en goothoogten, alsmede de positionering van de bouwblokken zorgen over nog andere (eventuele) nadelige effecten van de nieuw op te richten bebouwing op ons woongenot. In het gehele ontwerpbestemmingsplan is geen rekening gehouden met de effecten van het plan op onze woning en alle omliggende woningen én derhalve ons woongenot en dat van omwonenden. Zo ontbreekt bijvoorbeeld in zijn geheel een bezonningsstudie. Het ontwerpbestemmingsplan houdt dus achtereenvolgens geen rekening met de effecten op: 1) afname van dag- en zonlicht, 2) extra schaduwvorming en 3) privacyaspecten. Aangezien het ontwerpbestemmingsplan derhalve geen blijk geeft van een goede en juiste belangenafweging, berust het vaststellen van dit (ontwerp)bestemmingsplan, in de huidige vorm, niet op een deugdelijke motivering en is daarmee onder meer sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 Awb). Daarnaast draagt het plan op deze manier ook niet bij aan het door uzelf omschreven doel: “Doel van het plan is een comfortabele en groene woon- en leefomgeving te creëren" (par. 3.1), tenzij dit doel enkel geldt voor de toekomstige bewoners en niet voor ons als omwonenden.
Privacy Gelet op de situering van de nieuwe woningen, alsmede de hoogteverschillen in het terrein en de mogelijkheden tot het realiseren van bijgebouwen maken wij ons als omwonenden zorgen over de aantasting van onze privacy. Wij beseffen dat het onderdeel privacy in beginsel een privaatrechtelijke aangelegenheid is en de bouwblokken allemaal op minimaal twee meter uit de erfgrens zijn gesitueerd, maar hebben toch enkele bezwaren. Het grootste bezwaar zit daarbij in de mogelijkheden tot uitbouwen die het ontwerpbestemmingsplan en de daarin opgenomen planregels bieden. Op grond van artikel 17 lid 2 onder c kan er veel aan bijbehorende bouwwerken worden toegevoegd, waarbij wij het vergunningsvrij bouwen op grond van het Besluit omgevingsrecht voor nu nog even buiten beschouwing laten. Het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt door de planregels in het zij- en achtererfgebied weliswaar grotendeels beperkt, maar in het voorerfgebied een stuk minder. Dit is onzes inziens zeer relevant nu het ontwerpbestemmingsplan niet bepaalt c.q. vastlegt waar de voorgevelrooilijn van gebouwen nu, maar ook in de toekomst, dient te lopen. Daarmee biedt het ontwerpbestemmingsplan planologisch de ruimte om de (formele) voorgevel te situeren richting de omliggende bebouwing en ontstaat er derhalve een voorerfgebied tussen de nieuwe woningen en de bestaande woningen rondom het projectgebied.
Wij zouden dan ook graag zien dat de voorgevelrooilijn niet alleen in het bestemmingsplan wordt gedefinieerd, maar ook dat de voorgevelrooilijn daadwerkelijk wordt vastgelegd, zodat geen discussie kan ontstaan over het zij-, achter- en/of voorerfgebied. Daarnaast zouden wij graag in de planregels een koppeling zien met de mogelijkheden tot vergunningsvrij bouwen uit het Besluit omgevingsrecht. Op basis van de huidige planregels is namelijk bebouwing mogelijk tot 50% / (afhankelijk van het type woning) 30 m2 of 55 m2 per woning, maar daarbovenop zijn vervolgens ook nog mogelijkheden om vergunningsvrij door te bouwen. Dit maakt dat grote delen ook dicht tegen onze erfgrenzen kunnen worden bebouwd; dit gaat niet alleen ten koste van onze privacy, maar heeft ook nadelige effecten voor onder andere de waterhuishouding. Wij zouden in de planregels dan ook graag een koppeling zien door in artikel 8.2 onder c onder 1, 5 en 6 toe te voegen dat het gaat om ‘al dan niet met een omgevingsvergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken’ of iets in die trant.
3
Welstand In paragraaf 4.3.4 wordt gesproken over de Welstandsnota 2017 en wordt aangegeven dat de bouwplannen in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning aan deze nota zullen worden getoetst. Opgemerkt zij dat de Welstandsnota 2017 niet van toepassing is op onderhavige plannen Wij vragen ons dan ook af waarom in het ontwerpbestemmingsplan niet wordt uitgegaan van het actuele Welstandsbeleid 2020, zoals door de gemeenteraad van Gouda vastgesteld op 9 december 2020 en in werking per 1 januari van dit jaar. Daarmee is onduidelijk hoe de plannen zich verhouden tot dit ‘nieuwe’ Welstandsbeleid en dat is met name van belang gelet op de ligging van het projectgebied in het beschermd stadsgezicht. Op het beschermd stadsgezicht zullen wij hieronder, alsmede bij de bezwaren ten aanzien van het ontwerpbesluit omgevingsvergunning nog nader ingaan.
2b Verkeer Langzaamverkeersverbinding Kattensingel - Van Beverninahlaan In de toelichting wordt gesteld dat de ontsluiting van het gemotoriseerd verkeer plaatsvindt via twee in- en uitritten ter hoogte van de Kattensingel. Verder wordt gesteld dat er door het projectgebied een langzaamverkeersverbinding loopt die de Kattensingel verbindt met de Van Beverninghlaan en het achterliggende Van Bergen IJzendoornpark. Voorgaande wordt ook in het rapport van Over Morgen (bijlage 9 bij de toelichting) bevestigd, waarbij uitdrukkelijk wordt gesteld dat de doorsteek naar de Van Beverninghlaan via een ‘zakpaal’ wordt afgesloten voor eventueel doorgaand verkeer, of ter voorkoming van sluipverkeer. Wij zijn voorstander van een langzaamverkeersverbinding, maar constateren dat het ontwerpbestemmingsplan dit niet borgt. Op basis van de planregels bij het ontwerpbestemmingsplan is een doorgaande verbinding voor gemotoriseerd verkeer planologisch toegestaan en ook het aanbrengen van een ‘zakpaal’ wordt nergens in de planregels voorgeschreven. Wij, en met ons andere omwonenden, maken ons zorgen dat een dergelijke (planologische) mogelijkheid nu, dan wel in de toekomst, maakt dat er meer verkeersbewegingen komen en ook verkeersonveilige situaties zullen ontstaan ter hoogte van de Van Beverninghlaan.
De angst voor een eventuele doorsteek voor motorvoertuigen wordt daarbij ook vergroot, gelet op de inhoud van het nieuwe ontwerp verkeerscirculatieplan van de gemeente Gouda. Wij zien dan ook graag dat de langzaamverkeersverbinding tussen het projectgebied en de Van Beverninghlaan ook als zodanig expliciet wordt bestemd in de planregels.
2c Groen en water Behoud moestuin In de huidige situatie is in de noordwestelijke hoek een moestuin gesitueerd. Tijdens onder andere de participatiebijeenkomsten is door de ontwikkelaar toegezegd dat deze moestuin behouden zal blijven. Wij zijn uiteraard erg blij met deze toezegging en zien de moestuin ook graag terugkomen in de terreininrichting. Wij zouden echter graag zien dat het niet blijft bij de enkele toezegging van de ontwikkelaar, maar dat deze toezegging ook daadwerkelijk wordt verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan door de moestuin, als zodanig, expliciet op te nemen in de planregels van het ontwerpbestemmingsplan.
4
Kappen van bomen In de plannen wordt uitgegaan van de kap van een aantal bomen binnen het projectgebied. Wij snappen dat het bestemmingsplan niet gaat over het kappen van bomen en zullen op dit onderdeel dus later ingaan bij onze bezwaren tegen het ontwerpbesluit omgevingsvergunning. Desalniettemin willen wij ook in dit kader aangeven dat wij de kap van de bomen en met name de grote en voor ons zeer waardevolle treurwilg niet begrijpen en onacceptabel vinden. Wij kunnen uit de voorgenomen plannen en stukken niet opmaken waarom de bomen dienen te worden gekapt, althans welk zwaarwegend belang de ontwikkelaar daarbij heeft. Behoud van het spaarzame bestaande groen en bomen zou in de planvorming uitgangspunt moeten zijn, vooral in een plan dat aansluiting zoekt bij het bestaande park. Dat de grote treurwilg (formeel en door de vorige eigenaar bewust) niet geregistreerd is als monument, betekent niet dat deze boom niet zeer waardevol is. Daarbij komt dat de bomen een waardevolle bijdrage leveren aan de biodiversiteit in het gebied, een ecologische stepping stone zijn, een bijdrage leveren aan de beleving, een natuurlijke geluidswering vormen, zorgen voor koeling en een waterhuishoudkundige functie vervullen.
Daarnaast geeft de gemeente in het kader van de bomen ook aan dat er diverse oogmerken zijn die moeten worden beschermd, maar blijkt op geen enkele manier hoe het belang van de ontwikkelaar tegen al deze belangen opweegt. Verharding en afwatering In de huidige situatie zorgt overtollig regenwater, na een gemiddelde regenbui, namelijk voor grote overlast bij de omliggende, grotendeels lager gelegen, woningen. Na een regenbui blijft het regenwater (nu al) lang staan in onder andere de achtertuinen en sommige schuren. Dit geldt vooral voor de tuinen, behorende bij de woningen aan de Van Beverninghlaan. Nu wordt in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan gesproken over de waterhuishouding in het projectgebied (par. 5.10.1), maar dit stelt ons en andere omwonenden onvoldoende gerust. In de toelichting wordt weliswaar aangegeven dat de verharding in het gebied ten opzichte van de huidige situatie enigszins zal afnemen (circa 70% wordt circa 67%), maar het ontwerpbestemmingsplan legt dit niet vast. Op basis van de planregels is, ondanks een beperking van bebouwing, (in de toekomst) immers wel 100% (oppervlakte)verharding mogelijk. Aangezien het ontwerpbestemmingsplan de oppervlakteverharding niet maximeert, is allerminst zeker of de waterhuishoudkundige situatie zal verbeteren, althans zijn de onverharde oppervlaktes waarnaar wordt gerefereerd niet afdwingbaar.
Hetzelfde geldt voor de op zich welkome aanleg van wadi’s die in geval van (extreme) regenval zullen fungeren als buffer- en infiltratievoorziening De conclusie dat het aspect water geen belemmering vormt voor de planontwikkeling is derhalve gestoeld op oplossingen, zoals onverharde oppervlaktes en wadi’s, die niet zijn geborgd in de planregels van het ontwerpbestemmingsplan. Daarmee vormt het onderdeel water een belemmering voor de vaststelling van het (ontwerp)bestemmingsplan. Daarnaast wordt in het gehele ontwerpbestemmingsplan nauwelijks tot geen aandacht besteed aan de verschillen in terreininrichting, zijnde hoogteverschillen, tussen de Kattensingel en de Van Beverninghlaan. Ook deze terreinverschillen (NAP) maken dat wij en andere omwonenden zorgen hebben over (de afvoer van) overtollig regenwater als dat niet, althans onvoldoende wordt opgevangen binnen het projectgebied. Er is dus onvoldoende aangetoond hoe de afwatering zal plaatsvinden zonder dat wij en andere omwonenden hiervan (extra) hinder ondervinden.
5
2d Milieuaspecten Geluid Wij merken op dat in het kader van de gemeentelijke duurzaamheidsambities bij de nieuwe woningen onder andere gebruik zal worden gemaakt van warmtepompen. Het is inmiddels algemeen bekend dat warmtepompen voor geluidsoverlast kunnen zorgen richting belendende percelen. In het kader van geluid is voor onderhavig ontwerpbestemmingsplan echter enkel aandacht voor de geluidbelasting op de nieuw te bouwen woningen afkomstig van weg- en spoorwegverkeer. In het uitgevoerde akoestisch onderzoek (bijlage 7 bij de toelichting) is ook geen aandacht voor de plaatsing en eventueel nadelige (geluids)effecten van warmtepompen. Nu begrijpen wij dat deze toetsing, aan het Bouwbesluit, formeel hoort bij het ontwerpbesluit omgevingsvergunning (zie ook verderop in onze zienswijze), maar wij stellen ons op het standpunt dat ook in het ontwerpbestemmingsplan hier reeds rekening mee dient te worden gehouden. Wanneer warmtepompen immers (geluidstechnisch) niet mogelijk blijken, kan het plan in mindere mate voldoen aan de, door de gemeente, gestelde duurzaamheidsambities en is het dus de vraag hoe in een dergelijk geval het project zich verhoudt tot onder meer het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2016-2019 en de Handreiking duurzaamheid.
Wij constateren dus dat het geluid afkomstig van installaties ten onrechte niet is meegenomen in de berekeningen en uitgevoerde onderzoeken én daarmee getuigt het ontwerpbestemmingsplan niet van een goede ruimtelijke ordening en kan het niet worden vastgesteld.
2e Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid merken wij allereerst op dat het meeste vooroverleg (ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) enkel heeft plaatsgevonden in het kader van het voorontwerpbestemmingsplan. Wij vragen ons af welk voorontwerpbestemmingsplan dit is geweest aangezien er bij ons weten nooit een voorontwerpbestemmingsplan is gepubliceerd en ter inzage heeft gelegen. Daarbij vragen wij ons af hoe bijvoorbeeld de provincie aankijkt tegen het nu voorliggende ontwerpbestemmingsplan; dat komt immers niet naar voren uit de stukken. Hierbij komt dat het enkele invullen van het E-formulier een eenzijdige handeling vanuit de gemeente betreft, wat onzes inziens niet als vooroverleg is aan te merken. Naast het vooroverleg concluderen wij ook dat de participatie op onderdelen niet volledig en/of correct is weergegeven. Dit is relevant omdat zonder een goed beeld van de participatie geen zorgvuldige belangenafweging kan worden gemaakt bij de vaststelling van het (ontwerp)bestemmingsplan. Ten aanzien van de bijeenkomst op 11 februari 2020 merken wij het volgende op. Tijdens deze bijeenkomst zijn de opmerkingen van de klankbordgroep gepresenteerd. Deze opmerkingen zijn daarna gedeeltelijk meegenomen in het ontwerp.
In zowel de klankbordgroep als op de avond in februari 2020 zijn meerdere opmerkingen geplaatst over het ontwerp van de woningen. De belangrijkste opmerking was het feit dat de voorgestelde (platte) daken niet passend zijn in de omgeving en schuine dakvlakken (met dakpannen) veel beter aansluiten op de omgeving en passen in het karakter van de buurt. Daarnaast was er sprake van een maximale bouwhoogte van 9,0 meter, die nu zonder verdere toelichting in het ontwerpbestemmingsplan 10,0 meter is geworden. Verder ontbreekt in het overzicht van bijeenkomsten dat er, vanwege Covid-19, een bewonersavond in april/mei 2020 niet is doorgegaan en ontbreekt ook de bewonersavond op 22 juli 2020 in het Kaaspakhuis. Tijdens deze avond is enkel nog gesproken over de architectuur van de nieuwe woningen. Voorafgaand aan deze avond in juli 2020 hebben wij als omwonenden een brief verstuurd aan Sens waarin wij onduidelijkheden, onze bezwaren en onze vragen hebben benoemd, waaronder 6
de kapvorm. Op deze wensen kon blijkens hun reactie, niet meer ingaan. Enige wijzigingen die daarna nog zijn doorgevoerd waren details ten aanzien van het parkeren en de ontsluiting. 2E
Allereerst bevreemdt het ons dat er blijkbaar op voor ons essentiële onderdelen vanaf juli 2020 (bijna een jaar geleden) geen aanpassingen meer konden worden gemaakt. Dit getuigt onzes inziens niet van een zorgvuldige en serieuze participatie. Daarnaast klopt het dus ook niet dat de wijzigingen zijn afgestemd op de voorkeuren van omwonenden. Naast deze inhoudelijke inconsistenties in het verhaal rondom de participatie missen wij in de toelichting vooral de argumentatie waarom naar bepaalde wensen en zorgen vanuit ons als omwonenden wel is geluisterd en waarom naar andere wensen en zorgen niet is geluisterd. Op dit onderdeel mist dus een zorgvuldige motivatie en belangenafweging. Wij stellen ons dan ook niet alleen op het standpunt dat de maatschappelijke uitvoerbaarheid onvoldoende is aangetoond, maar ook dat onder meer sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 Awb).
7
Bezwaren tegen het ontwerpbesluit omaevinqsverqunninq 3a Kappen van bomen De bouwplannen gaan uit van de kap van zes bomen, waaronder een grote en voor ons zeer waardevolle treurwilg achter de zie onderstaande foto. 2E
2E
»
m
Vj
r
7
y
•v t
Af
• :s
V
•
7 'f
■’r
*
m
LA
rA SS5*4*5
■As,,
. V "r M
i
1
-A
t: i
y,>l
4
% *. ■
■
m Ki.,
%
„Tl
r?1
ï
_
a
U
f L •J
■
■S£ï?
*
Hierop is duidelijk waarneembaar dat deze boom als baken op de doorgang van het bestaande naar het nieuw te creëren park kan dienen. Naast de treurwilg betreft het ook nog twee esdoorns en drie platanen. Wij als omwonenden maken sterk bezwaar tegen de kap van deze bomen en in het bijzonder de treurwilg. Allereerst vragen wij ons af waarom de bomen die voor alle bewoners zeer waardevol zijn, dienen te worden gekapt. Conform het beoogde kapplan (bijlage 2021-02-03- Lindeloof - 195506) bevinden alle potentieel te kappen bomen zich immers niet op gronden waar nieuwe woningen zijn geprojecteerd. De bomen vallen dan ook buiten de in het ontwerpbestemmingsplan aangewezen bouwvlakken. De noodzakelijkheid van de kap wordt in de stukken behorende bij de omgevingsvergunning door de ontwikkelaar niet inzichtelijk gemaakt. Dat het kappen van de bomen de bouw misschien vergemakkelijkt en/of versnelt, is wellicht de reden, maar dat is geen gegronde reden om in te stemmen met deze kapvergunning. Ook is niet door de ontwikkelaar onderzocht wat de waarde is van de bomen op aspecten als natuur en milieu, landschappelijke kwaliteit, e.d.
En dat terwijl de bomen in onze optiek waardevolle functies hebben, namelijk, maar niet uitsluitend: een waardevolle bijdrage leveren aan de biodiversiteit in het gebied, een bijdrage leveren aan de seizoensbeleving, een natuurlijke geluidswering vormen, zorgen voor koeling en een bijdrage leveren aan de waterhuishouding.
8
Daarnaast is de beoordeling ook niet in lijn met de door de gemeente Gouda eigen geformuleerde regels in de Verordening fysieke leefomgeving (afdeling 3.7). Niet in het geding is dat alle bomen op grond van artikel 3.96 (VFL) zogezegd kapvergunningplichtig zijn. Een dergelijke omgevingsvergunning kan door het college van burgemeester en wethouders worden verleend met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.97 lid 1 (VFL), waarbij het de oogmerken uit artikel 3.95 (VFL) in acht dient te nemen. In de afweging die het college van burgemeester en wethouders dient te maken, moet worden afgewogen of de belangen van de ontwikkelaar opwegen tegen het behoud van de bomen en derhalve de oogmerken als bedoeld in artikel 3.95 (VFL). Aangezien het belang van de ontwikkelaar niet duidelijk is, kan het college van burgemeester en wethouders in onze optiek deze kapaanvraag niet honoreren. Tot slot wordt ten aanzien van de overwegingen nog het volgende meegegeven. Het feit dat bomen niet in plannen zijn opgenomen, noch op de lijst van monumentale bomen staan, wil niet zeggen dat dergelijke bomen geen bescherming genieten. Tevens is het voorzien in nieuwe bomen en beplanting geen valide reden om mee te werken aan een kapaanvraag; ten eerste is het inrichtingsplan nergens in de omgevingsvergunning geborgd en ten tweede is de herplanting verplicht.