Vragen gemeenteraad verordening Jeugdhulp
Tekst van het document
Technische vragen Vraag: 1. In artikel 10, lid 4, wordt verwezen naar psychische problemen of stoornissen die in beginsel onder de eigen verantwoordelijkheid van ouders/de jeugdige moeten worden opgelost. Kunnen jullie toelichting welke psychische problemen of stoornissen hier bijvoorbeeld dan onder worden verstaan en eventueel welke niet? Antwoord: Dit artikel beoogt niet weer te geven welke psychische problemen of stoornissen in beginsel wel en welke niet onder de eigen verantwoordelijkheid van ouders vallen. De Jeugdwet schrijft voor dat jeugdhulp kan worden ingezet bij (samengevat) psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen en beperkingen. Daartoe heeft de gemeente een jeugdhulpplicht. De Jeugdwet bepaalt echter niet dat, indien sprake is van één van deze problemen of stoornissen, er automatisch recht is op zorg. Met de invoering van de Jeugdwet is er geen sprake meer van een wettelijk recht op zorg. Ouders blijven primair verantwoordelijk voor de zorg van hun kind, ongeacht wat het kind nodig heeft. Dit geldt dus ook als er sprake is van een stoornis, beperking of probleem. Pas wanneer ouders niet meer in staat zijn om de noodzakelijke zorg te bieden, kunnen zij een verzoek tot ondersteuning indienen.
Artikel 2.3 van de Jeugdwet legt vast dat het college slechts een voorziening hoeft te treffen wanneer de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat dus voorop. Alleen wanneer zij – eventueel met hulp van hun sociale netwerk of andere hulpverlenende instanties – niet in staat zijn om de benodigde hulp te bieden, is de gemeente verplicht ondersteuning te bieden. Artikel 10 concretiseert dit uitgangspunt door te bepalen dat de beoordeling van draagkracht en draaglast bepalend is voor de vraag welke ondersteuning voor psychische problemen of stoornissen onder de eigen verantwoordelijkheid van ouders valt. Met andere woorden: het is afhankelijk van de draagkracht en draaglast van ouders in hoeverre de gemeente ondersteuning moet bieden. Vraag: 2. In artikel 10, lid 5, onder b, wordt verwezen naar het zelfoplossend vermogen van ouders voor o.a. de kortdurende inzet van 3 maanden in 1 jaar, en dat dus dit niet tot overbelasting zou leiden. Waarop is de termijn van 3 maanden gebaseerd en kunnen jullie wellicht een voorbeeld geven van een situatie waarin dit zich voordoet? Antwoord: De 3 maanden is overgenomen vanuit de modelverordening VNG. Als regio achten we dit redelijk. Al zal dit altijd maatwerk zijn. Het betreft hier situaties waarbij er sprake is van overbelasting of dreigende overbelasting.
Dat kan om diverse redenen het geval zijn. In deze situaties is het gezin niet in staat om zelf iets in de hulpvraag te betekenen. Hierom kan er voor gekozen worden om kortdurende hulp in te zetten (uitgangspunt drie maanden) om de (dreigende) overbelasting op te heffen. Deze ondersteuning mag niet tot extra overbelasting leiden.
Vraag 3. Is het college voornemens om nadere beleidsregels op te stellen voor een concretisering van de begrippen ‘draagkracht en draaglast’ zoals bedoeld in art 10? En zo ja, is het college voornemens om daarvoor een procedure van wensen en bedenkingen te starten bij de raad? Antwoord: De concretisering van de begrippen Draagkracht en Draaglast staan op dit moment opgenomen in de huidige nadere regels (Nadere regels 2022). Deze huidige bepalingen zijn, in andere bewoordingen, overgeheveld naar de nu voorliggende verordening (2026). In deze verordening is bij een aantal artikelen een lid opgenomen dat regelt dat er nadere regels opgesteld kunnen worden. Dit geldt niet voor artikel 10. Er zullen dus geen nadere regels komen voor de concretisering van Draagkracht en Draaglast. We kunnen ons wel voorstellen dat er beleidsregels opgesteld worden, waarin mee ingegaan wordt op het toepassen van de regels. Dit als richtinggevend kader. Met name voor de professionals. De vraag of het college daarvoor een procedure van wensen en bedenkingen wil starten bij de raad, is een politieke vraag en zou gesteld kunnen worden tijdens de B&A. Vraag 4. In de toelichting bij art. 9 staat dat het college niet verplicht is om een voorziening toe te kennen, als ouders zelf al jeugdhulp hebben ingeschakeld.
Het risico ligt dan bij de jeugdige en of de ouders omdat zij het niet eerder bij de gemeente hebben gemeld. In wat voor situatie kan hiervan sprake zijn (kunnen jullie een voorbeeld geven)? En hoe werkt dat dan: moeten ouders de jeugdzorg dan (deels) zelf betalen? Antwoord: Artikel 9 en de toelichting daarop geeft aan dat het college geen voorziening hoeft toe te kennen als ouders reeds jeugdhulp hebben ingeschakeld EN deze jeugdhulp op moment van aanvraag bij het college reeds is afgerond. Het college is dan immers niet meer in staat de noodzaak en het passend zijn van ingeschakelde hulp te beoordelen. Uiteindelijk is he de eigen verantwoordelijkheid van de jeugdige en ouders tijdig een aanvraag in te dienen bij de gemeente. Ouders dienen dan inderdaad zelf de zorg te betalen. Artikel 9 noemt ook een “tenzij..” Als er sprake is van gewijzigde omstandigheden of een hernieuwd hulpvraag kan er wel gekeken worden of een individuele voorziening verstrekt moet worden. Dan kan er immers nog wel een beoordeling worden gedaan conform de in de verordening opgenomen bepalingen. Voorbeeld: Ouders kunnen zich altijd melden bij een aanbieder met een hulpvraag. Bijvoorbeeld bij een aanbieder waar de regio geen contract mee heeft en die zorg levert op basis van PGB. Deze zorg kunnen ze in theorie zelf betalen om vervolgens achteraf een rekening in te dienen bij de gemeente.
Voor zover bekend doet een dergelijke situatie zich eigenlijk nooit voor. Vraag 5. Kunnen jullie in technische zin aangeven in hoeverre de introductie van (een vorm van) het recht op vergissen uitvoerbaar is binnen de verordening? : Toelichting op de vraag: We beogen hiermee eigenlijk een analogie van het recht op vergissen bij bijvoorbeeld het wetsvoorstel Handhaving Sociale Zekerheid. In simpele taal: een foutje van een burger leidt niet meteen tot een straf of negatief besluit. Voor onze verordening stellen wij ons voor dat als jeugdigen of ouders bijvoorbeeld iets te laat aanvragen of een fout maken in een aanvraag, ze de kans krijgen om dat te herstellen in plaats van dat de aanvraag wordt afgewezen.
Er komt ruimte voor de menselijke maat. We willen graag weten of de implementatie van zo'n bepaling uitvoerbaar/werkbaar is. Antwoord: Er is sprake van een aanvraag als: 1) de aanvraag voldoet aan de vormvoorschriften van de Awb zoals bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2 of 2) Er een ondertekend verslag ligt van het gesprek bedoeld in artikel 8 van de verordening. In het eerste geval gelden de algemene regels van hoofdstuk 4 Awb. Als een ouder iets vergeet of verkeerd invult, moet het college dus op grond van artikel 4:5, tweede lid Awb een hersteltermijn bieden. In het tweede geval wordt met ouders gezamenlijk de hulpvraag verkend en vastgelegd in een verslag. Dit verslag wordt aan ouders\ jeugdigen voorgelegd. Zij kunnen daarop reageren en/of aanvullingen aandragen. Een ondertekent verslag wordt daarna aangemerkt als aanvraag. Daarnaast is in artikel 5 lid 1geregeld dat de aanvraag aangepast mag worden. Mocht tijdens die gesprekken over de aanvraag of gedurende het onderzoek blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn. In alle gevallen is er dus ruimte voor de menselijk maat. Vraag 6.
Is het mogelijk om aan te geven in hoeveel zaken het college in de afgelopen periode (2 jaar?) gebruik heeft gemaakt van de hardheidsclausule? En in hoeveel gevallen is dat procentueel, afgezet tegen het totaal? Antwoord: Er is één keer een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Deze is primair afgewezen omdat het college regulier beleid passend vond. Op basis van nieuwe informatie aangeleverd na het collegebesluit is uiteindelijk in overleg met het gezin een passende maatwerkoplossing gevonden. In 2023 en 2024 hebben gemiddeld genomen ongeveer 850 jeugdigen per jaar een vorm van zorg ontvangen. Dit betreft zowel zorg in natura als in de vorm van een PGB. Het gaat dus om nagenoeg 0% (0,1%.) Het toepassen van de hardheidsclausule is echt een uitzonderlijke situatie. Als gecontracteerde zorg niet passend is en de zorg is wel noodzakelijk, wordt er maatwerk ingezet. Pas als dat niet mogelijk is, kan gekeken worden naar de hardheidsclausule.