CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

QuickScan Klein Dalem 01-04-2021 - QuickScan Klein Dalem 01-04-2021.pdf

Parallelsessie raadzaal 11 november 2021, gemeente GorinchemBij agendapunt: B&A Verklaring van geen bedenkingen voor het plaatsen van 10 tiny houses voor 10 jaar bij Waaldijk 9 te Dalem4.270 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanvullende ecologische QuickScan "Tiny House project Klein Dalem"

@Geo-Oblique, luchtfoto onderzoeksgebied Waaldijk 9

Auteur Datum

: Johan Sterk, Stadsecoloog 0183 : 04-03-2021

Inhoudsopgave 1 Aanleiding 2 Onderzoekslocatie & Ontwikkeling 3 Wet natuurbescherming 3.1 Algemeen 3.2 Vrijstellingen provincie Zuid-Holland 3.3 Voorzorgsmaatregelen 3.4 Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb) per beschermingscategorie 3.5 Ontheffingsplicht 3.6 Bescherming Natura-2000 gebieden 3.7 Gebiedsbescherming overig 3.8 Bescherming houtopstanden 4 Resultaten literatuur & veldonderzoek 4.1 Flora 4.2 Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat.1 t/m 4) 4.3 Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) 4.4 Broedvogels algemeen 4.5 Vleermuizen 4.6 Zoogdieren grondgebonden 4.7 Amfibieën 4.8 Reptielen 4.9 Vissen 4.10 Vlinders, libellen en overige ongewervelden 4.11 Overzicht resultaten 5 Conclusies & aanbevelingen 5.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 5) 5.2 Broedvogels algemeen 5.3 Vleermuizen 5.4 Nabijgelegen Natura 2000 gebieden 5.5 Planologische gebiedenbescherming 5.6 Aanvullende maatregelen 5.7 Aanvullend onderzoek & ontheffing 6 Advies algemeen 6.1 Amfibieënpoel 7 Bronvermelding 8 Bijlage foto’s veldbezoek 27-03-2021

2 2

3 3 3 3 3 4 4 4 4 5 5 5 5 5 5 5 6 6 6 6 6 7 7 7 7 8 8 8 8 9 9 9 10

1

1)Aanleiding Na aanleiding van de realisatie van het "Tiny House project Klein Dalem" heb ik op verzoek van de heer Hennie Rietveld een aanvullend ecologische QuickScan Wnb uitgevoerd naar het graslandperceel gelegen aan de Waaldijk 9, te Dalem. Aanleiding voor het uitvoeren van een natuuronderzoek Wet natuurbescherming betreft het voornemen om een tiental Tiny Houses te plaatsen op deze locatie. Op basis van een literatuuronderzoek, een verkennend veldbezoek en gebiedskennis wordt de voorgenomen werkzaamheden getoetst aan de vigerende natuurbeschermingswetgeving.

2)Onderzoekslocatie & ontwikkeling De onderzoekslocatie is gelegen aan de westzijde van de huidige bebouwing aan de Waaldijk 9, te Dalem. Het betreffende graslandperceel was voorheen in gebruik als schapenweide. Daarnaast is het perceel langdurig jaarlijks geïnjecteerd met drijfmest. De locatie is bekend onder de kadastrale aanduiding: Gemeente Gorinchem, sectie P, perceelnummer 814. Het perceel kent een totaal oppervlak van ruim 11.000 m2 waarvan het achterste gedeelte (ca. 4500 m2) zal worden gebruikt voor de plaatsing van tien stuks Tiny Houses inclusief bijhorende infrastructuur. Daarnaast zal er o.a. een gemeenschappelijke biologische moestuin, fruitgaard, enkele nieuwe watergangen en een amfibieën poel met oppervlakte van plusminus 100 m2 op het perceel gerealiseerd gaan worden.

Fig. 1) Plangebied rood gearceerd weergegeven

2

3)Wet natuurbescherming 3.1)Algemeen Middels de Wet natuurbescherming(Wnb) is de bescherming van diverse inheemse planten en dieren in Nederland bij de wet vastgelegd. Naast de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (art. 1.11 van de Wnb), geldt voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. Deze aanvullend beschermde soorten zijn onderverdeeld in drietal groepen, namelijk: - Vogels (alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn (art. 3.1) - Overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (dit betreft o.a. vleermuizen (art. 3.5) - Nationaal beschermde soorten, waaronder soorten uit de Rode Lijst (art. 3.10) Het is volgens de Wnb niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten. Dit is vastgelegd middels verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden.

3.2)Vrijstellingen provincie Zuid-Holland Provincies hebben de bevoegdheid om middels een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling. In het geval van de provincie Zuid-Holland worden de volgende nationaal beschermde soorten vrijgesteld: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, bastaardkikker, aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat. (Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Zuid-Holland, d.d. 09-11 2016).

3.3)Voorzorgsmaatregelen Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming is soms te voorkomen door (voorafgaand aan de werkzaamheden) voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn gericht op het behoud van de functionaliteit van de groeiplaats van flora en de voortplanting en/of vaste rust en verblijfplaatsen van de inheemse fauna. Daarnaast voorkomen de voorzorgsmaatregelen negatieve gevolgen van een activiteit op individuen(o.a. doding en verwonding).

3.4)Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb) per beschermingscategorie Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb

Beschermingsregime Nationaal beschermde soorten (andere soorten) § 3.3 Wnb

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort Niet van toepassing

Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen Niet van toepassing

Niet van toepassing

Fig. 1) Bijlage wettelijk kader 3

3.5)Ontheffingsplicht Een ontheffingsplicht (artikelen 3.3,3.8 en 3.10) is van toepassing als een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb niet kan worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen Het is mogelijk om met een goed onderbouwd projectplan een ontheffing aan te vragen bij de desbetreffende provincie (in deze de provincie Zuid-Holland). De provincie (het bevoegd gezag) toetst de aanvraag vervolgens aan een drietal criteria: - Dient het planvoornemen in één van de in de wet genoemde belangen (bijv.in het belang van de instandhouding van de natuurlijke Habitats)? - Is er een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? - Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van een soort?

3.6)Bescherming Natura 2000-gebieden Via de Wnb is tevens de bescherming van Natura 2000-gebieden vastgelegd. De Wnb stelt dat het verboden is om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor projecten die een significant negatief effect kunnen hebben op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied, dient een passende effectbeoordeling te worden uitgevoerd en is een vergunningaanvraag noodzakelijk. Naast plannen in of nabij Natura 2000-gebieden, kunnen ook plannen op grotere afstand van Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten op kwalificerende habitattypen en/of soorten tot gevolg hebben: - Plannen kunnen (ook op relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden)negatieve effecten hebben door toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een toename van bijv. meer dan 0,00mol/ha/jr vraagt om een specifieke ecologische beoordeling van de gevolgen.

- Plannen kunnen ook een negatief effect hebben op (leefgebieden van) kwalificerende soorten buiten een Natura 2000-gebied, waardoor negatieve effecten optreden op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. Dit kan het geval zijn wanneer het foerageergebied van een kwalificerende soort van een Natura 2000-gebied binnen het plangebied ligt. Effecten op het foerageergebied kunnen leiden tot afname van aantallen binnen het Natura 2000-gebied (bijv. bij zeearenden, kleine zwanen of ganzen)

3.7)Gebiedsbescherming overig Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen was dit de EHS) geldt het ‘Nee, tenzij’-beschermingsregime. Aantasting van de natuurlijke waarden en kenmerken van het NNN is niet toegestaan, tenzij sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn. De wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN zijn onder andere landschappelijke waarden, natuurwaarden en natuurlijk bodemkenmerken. Eventuele schade moet worden gemitigeerd, of (indien mitigatie niet mogelijk is) elders worden gecompenseerd. Naast de bescherming van het NNN zijn in sommige provincies tevens weidevogelgebieden (ook wel belangrijke weidevogelgebieden, weidevogelleefgebieden en weidevogelkerngebieden genoemd) aangewezen. Binnen deze gebieden geldt doorgaans (evenals het geval is voor het NNN) het Nee, tenzij-regime.

3.8)Bescherming houtopstanden Zoals beschreven in art. 4.2 van de Wnb is het verboden een houtopstand buiten de bebouwde kom geheel of gedeeltelijk te vellen zonder melding bij het bevoegd gezag, bovendien geldt een herplantplicht voor. Een houtopstand beslaat 10 are of meer of is een rijbeplanting van meer dan 20 bomen en moet derhalve aan een aantal voorwaarden voldoen. Voor een aantal gevallen, geldt een uitzondering, bijvoorbeeld voor houtopstanden op erven, fruitbomen voor productie of grienden en hakhout (zie voor de volledige lijst art. 4.1 van de Wnb). Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom is de Wnb niet van toepassing, maar geldt het beleid van de gemeente waar binnen de projectlocatie gelegen is. Voor deze nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is toetsing aan het onderdeel Houtopstanden niet van toepassing. De houtopstanden die het perceel omzomen blijven namelijk gehandhaafd in de voorgenomen nieuwe ontwikkeling.

4

4)Resultaten literatuur & veldonderzoek 4.1)Flora Uit literatuuronderzoek en gebiedskennis is gebleken dat in de omgeving van het onderzoeksgebied de volgende beschermde soorten voor(kunnen) komen: Schubvaren - Asplenium ceterach en Karthuizer anjer - Dianthus carthusianorum. Tijdens het veldbezoek is echter vastgesteld dat het onderzoeksgebied ongeschikt is voor deze twee beschermde soorten. Het plangebied bevat geen (oude) muren met broze, kalkrijke specie welke geschikt is als substraat(groeiplaats) voor de schubvaren. Het onderzoeksgebied is ongeschikt voor de kartuizer anjer vanwege de hoge voedselrijkdom en het intensieve beheer van de laatste decennia.

4.2)Broedvogels met jaarrond beschermde nesten (cat.1 t/m 4) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het onderzoeksgebied de volgende broedvogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4 broedvogels) voorkomen: buizerd, sperwer, gierzwaluw, huismus en steenuil voorkomen. Uit eerdere onderzoeken en tijdens het veldbezoek aan het onderzoeksgebied zijn geen broedvogels met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied onbebouwd is en dat het plangebied daarmee ongeschikt is voor nestplaatsen van de huismus en de gierzwaluw. Verder zijn in of nabij het plangebied geen geschikte nesten in bomen aangetroffen waarmee de overige categorie 1 t/m 4 broedvogels zijn uitgesloten binnen het plangebied. Wel zijn er zeer recentelijk een tweetal steenuil nestkasten gemonteerd tegen de populieren van het aan de westzijde gelegen Dalemse Wiel van het onderzoeksgebied. Beide kasten zijn tot op heden niet in gebruik.

4.3)Broedvogels met niet jaarrond beschermde nesten, inventarisatie gewenst (cat. 5) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5-broedvogels) voor (kunnen) komen: boomkruiper, ekster, zwarte kraai, koolmees, pimpelmees, grote bonte specht, groene specht, spreeuw en torenvalk. Tijdens het veldbezoek zijn foeragerende eksters, kraaien, spreeuwen, kool en pimpelmezen aangetroffen. Binnen het plangebied zijn geen nesten aangetroffen van categorie 5-broedvogels. De lijnvormige groenstructuren van het onderzoeksgebied zijn geschikt als broedlocatie voor boom-en struweelbroeders.

4.4)Broedvogels algemeen Uit het literatuuronderzoek en eerdere onderzoeken blijkt dat in de omgeving van het plangebied diverse algemene broedvogels voor (kunnen) komen, waaronder: vink, heggenmus, groenling, merel en roodborst. Uit het veldonderzoek blijkt dat de groenzone geschikt is als broedlocatie voor boom-en struweelbroeders. Het open grasland is ongeschikt als broedlocatie voor weidevogels vanwege het beheer en de ligging van het plangebied nabij een bosschage (beperkt terrein overzicht, nabijheid van predatoren etc.).

4.5)Vleermuizen Uit het literatuuronderzoek en eerdere onderzoeken blijkt dat in de omgeving van het onderzoeksgebied de volgende vleermuizen voor (kunnen) komen: gewone en ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis, meervleermuis, laatvlieger, baardvleermuis, gewone grootoorvleermuis en de Bechsteins vleermuis. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen of andere aanwijzingen aangetroffen die kunnen duiden op de aanwezigheid van vleermuizen. Door het ontbreken van bebouwing in het plangebied is de locatie ongeschikt als verblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis. Verder zijn binnen het plangebied geen holten aangetroffen welke mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Het plangebied is wel geschikt als foerageergebied. Vanwege het ontbreken van beschut open water binnen het plangebied gaat het hier niet om essentieel foerageergebied. Daarnaast zijn er in de omgeving voldoende alternatieve locaties beschikbaar die fungeren als essentieel foerageergebied. Naast de oostelijke bosschage en aan de noordzijde van de onderzoekslocatie zijn sloten aanwezig. De bosschages en opgaande bomen rond de planlocatie zijn mogelijk in gebruik als vlieg- en oriëntatieroute tussen de verschillend foerageergebieden in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

4.6)Zoogdieren grondgebonden Uit het literatuuronderzoek en gebiedskennis blijkt dat in de omgeving van het onderzoeksgebied de beschermde bever algemeen voorkomt. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied ongeschikt is voor de bever. Binnen het onderzoeksgebied is onvoldoende oppervlaktewater aanwezig en zijn er geen sporen en/of burchten van de bever waargenomen. Voor overige grondgebonden zoogdieren zoals bunzing, wezel en hermelijn is het onderzoeksgebied ongeschikt omdat het plangebied buiten het verspreidingsgebied van deze soorten gelegen is. 5

4.7)Amfibieën Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde amfibieën voor komen: alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, rugstreeppad. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied ongeschikt is als voortplantingsbiotoop voor amfibieën door het ontbreken van geschikt voortplantingswater. Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van de alpenwatersalamander. De waarnemingen van deze soort binnen Gorinchem betreft uitgezette dieren in een achtertuin in Gorinchem-Oost. Vanwege de omringende infrastructuur en bebouwing is het voor deze soort niet mogelijk om in de buurt van het plangebied te komen. Dit geldt ook voor de rugstreeppad waarvan de meest recente waarnemingen zijn gedaan na onderzoek(Arvalis) in Gorinchem noord. Daarnaast vormen diepe watergangen en verkeersinfrastructuur voor deze soort een niet te nemen barrière. Het plangebied is als landbiotoop ongeschikt voor de kamsalamander aangezien in de nabije omgeving van het plangebied geen geschikt voorplantingswater gelegen is voor deze soort. Het plangebied is ongeschikt als landbiotoop voor de heikikker vanwege het intensieve beheer van het grasland en de ligging van het onderzoeksgebied in verstedelijkte omgeving. Daarmee is het plangebied onbereikbaar voor de soort vanuit de nabije omgeving.

4.8)Reptielen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde reptielen voor (kunnen) komen. Het plangebied is ongeschikt voor beschermde reptielen aangezien het geen onderdeel uitmaakt van het verspreidingsgebied van deze soorten.

4.9)Vissen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het onderzoeksgebied de beschermde grote modderkruiper voorkomt. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied ongeschikt is als biotoop voor de grote modderkruiper door het ontbreken van kwalitatief oppervlaktewater met voldoende gevarieerde watervegetatie.

4.10)Vlinders, libellen en overige ongewervelden Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het onderzoeksgebied de beschermde rivierrombout voorkomt. De larven van de rivierrombout zijn stromingsminnend en bevinden zich op zandige oevers binnen de kribvakken van de grote rivieren. Waarnemingen van deze soort in de directe nabijheid van het onderzoeksgebied betreffen vervellingshuiden en/of larven op zandige oevers binnen kribvakken of foerageerde imago’s welke geen directe binding hebben met het onderzoeksgebied. Daarmee is de kans op voorkomen van de rivierrombout binnen het onderzoeksgebied uitgesloten. De locatie is tevens ongeschikt voor andere beschermde soorten aangezien het onderzoeksgebied geen onderdeel uitmaakt van het verspreidingsgebied van deze beschermde soorten.

4.11)Overzicht resultaten In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de beschermde soorten die op basis van het literatuur en het uitgevoerde veldonderzoek mogelijk aanwezig zijn binnen het onderzoeksgebied.

Soortgroep

Potentie op aanwezigheid beschermde soorten? Ja

Flora Broedvogels jaarrond beschermd (cat. 1 t/m 4) Broedvogels niet jaarrond, inventarisatie gewenst beschermd (cat. 5) Broedvogels algemeen Vleermuizen Zoogdieren (grondgebonden) Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders, libellen en overige ongewervelden

Nee ☒ ☒

☑ ☑ ☑ ☒ ☒ ☒ ☒ ☒

Fig. 1) Resultaat overzicht

Bij het planvoornemen dient men rekening te houden met de (potentieel) aanwezige beschermde soorten (tabel4-1, soorten uit kolom ‘ja’). Daarnaast dient men (in het kader van de zorgplicht) tevens rekening te houden met de (binnen de provincie Zuid-Holland) van bescherming vrijgestelde soorten (o.a. gewone pad, bruine kikker en veldmuis). Doordat het duidelijk is dat de beschermde soorten uit de soortgroepen Flora, Broedvogels jaarrond beschermd (cat. 1 t/m 4), Zoogdieren grondgebonden, Amfibieën, Reptielen, Vissen, Vlinders, libellen en overige ongewervelden niet aanwezig zijn binnen het plangebied, worden deze in het vervolg van deze rapportage verder niet meer behandeld. 6

5)Conclusies & aanbevelingen 5.1)Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (cat. 5) De bomen en struiken binnen en rond het onderzoeksgebied zijn geschikt als broedlocatie voor soorten zoals o.a. ekster en zwarte kraai Het plangebied is voor de mogelijk aanwezige cat. 5 broedvogels niet van ecologisch hoog belang, omdat het hooguit om enkele broedparen gaat. Bovendien zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties te vinden in tuinen, boomgaard en uiterwaard. De te verwachten broedvogelsoorten zijn daarnaast algemeen in Nederland. Als gevolg hiervan zijn de nesten van categorie 5 broedvogels binnen het onderzoeksgebied niet jaarrond beschermd. Wel zijn nesten van deze broedvogels ten alle tijde beschermd tijdens het broedseizoen.

5.2)Broedvogels algemeen De groenzone in het plangebied is geschikt voor boom-en struweelbroeders. Kap- en/of snoeiwerkzaamheden hebben hier mogelijk invloed op. Nesten van deze soorten kunnen hierdoor worden verstoord en/of vernield. De verstoring die als gevolg van de werkzaamheden kan optreden, is niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Dit aangezien de te verwachten soorten algemeen in Nederland voorkomen en de verstoring slechts van tijdelijke aard is. Verstoring van nesten veroorzaakt derhalve geen overtreding van de Wet natuurbescherming. Door vernieling van nesten wordt de Wet natuurbescherming echter wel overtreden en kan er handhavend opgetreden worden door het bevoegd gezag. Middels onderstaande voorzorgsmaatregelen kan overtreding van de Wet natuurbescherming als gevolg van vernieling van vogelnesten worden voorkomen en kunnen de werkzaamheden doorgang vinden: - Werkzaamheden aan bomen en struiken buiten het reguliere broedseizoen 15 maart t/m 15 juli uitvoeren. Afhankelijk van de weersomstandigheden kan er ook buiten de reguliere broedperiode worden gebroed door vogels.

Derhalve dient men dan voorafgaande aan de werkzaamheden contact op te nemen met een ter plaatse deskundig ecoloog om te bepalen of er een kans is op broedgevallen om hiermee een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen Indien de werkzaamheden in het reguliere broedseizoen uitgevoerd dienen te worden: - Als de bomen, struiken en andere beplanting niet kunnen worden gerooid buiten het reguliere broedseizoen 15 maart t/m 15 juli dient men dan voorafgaande aan de werkzaamheden contact op te nemen met een ter plaatse deskundig ecoloog om een broedvogelcontrole uitte voeren. Broedgevallen worden tijdens deze controle gemarkeerd en tijdens de werkzaamheden ontzien.

5.3)Vleermuizen Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring bij hun verblijfplaatsen, op de vliegroutes en in het jachtgebied. Vooral straatverlichting kan leiden tot pijnlijke verblinding bij deze nachtdieren. Het blauwe en ultraviolette licht dat straatlantaarns uitstralen nemen vleermuizen zeer sterk waar. Licht kan vleermuizen op verschillende manieren verstoren. Soorten die relatief langzaam zijn, vliegen laat uit en blijven altijd in het donker om predatie te voorkomen. Licht dwingt ze nog later uit te vliegen, waardoor ze minder tijd hebben om te jagen, of tot verlaten van de verblijfplaats. Jachtgebieden worden na verlichten minder of helemaal niet meer gebruikt. Als nachtactieve dieren hebben vleermuizen ogen die evolutionair zijn aangepast aan lage lichtintensiteit. Hun ogen hebben ten opzichte van mensen, relatief veel staafjes (zwart-wit gevoelig en hogere lichtgevoeligheid) en weinig kegeltjes (kleurgevoelig en relatief lagere gevoeligheid). Een hoge lichtgevoeligheid is voor vleermuizen belangrijker dan kleuren zien. Net als bij mensenogen moeten vleermuisogen wennen aan het donker. Ze gaan bij lagere lichtintensiteit meer met de staafjes kijken dan met de kegeltjes. Elke keer dat vleermuizen licht tegen komen verliezen ze hun aanpassing aan het donker. Het omschakelen naar licht gaat in een fractie van een seconde, aanpassen aan het donker duurt veel langer.

Dat stoort de oriëntatie en de effectiviteit van het jagen. Met hun veel lichtgevoeligere ogen vinden vleermuizen verblinding vermoedelijk ook gewoon onplezierig, mogelijk zelfs pijnlijk. De lichtgevoelige soorten proberen het licht van lampen altijd onmiddellijk te ontwijken. De lichthinder voor vleermuizen kan aanzienlijk worden beperkt door de toepassing van amberkleurig UV-vrije led armaturen, lagere lichtmasten en een scherpe afsnede van de lichtinval. Vastgestelde te nemen maatregelen om lichtvervuiling te voorkomen: - Tijdens de uitvoering van voorgenomen werkzaamheden deze waar mogelijk uit te voeren tussen zonsopgang en zonsondergang 7

- Een verlichtingsplan opstellen en vastleggen in het huishoudelijk reglement voor de nieuwe situatie waarbij lichtvervuiling(het zgn. aanschijnen) van de groenstructuren rondom de onderzoekslocatie vermeden kan worden

5.4)Nabijgelegen Natura 2000 gebieden Het onderzoeksgebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000 gebied waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat er geen sprake is van een direct negatief effect op deze beschermde natuurgebieden. De meest nabijgelegen Natura 2000 gebieden zijn Pompveld & Kornsche Boezem (0.6 km), Lingegebied en Diefdijk-zuid (2,0 km) en nationaal park De Biesbosch op 9,3 km. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling kleinschalig is en op enige afstand van de beschermde natuurgebieden plaats zal vinden, zullen er geen negatieve effecten door verstoring van geluidshinder, trillings verstoringen en lichtvervuiling worden verwacht.

Fig. 2) Ligging plangebied t.o.v. de nabijgelegen Natura 2000-gebieden

5.5)Planologische gebiedenbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuur Netwerk Nederland(NNN) en valt ook niet onder gebieden die zijn aangewezen als belangrijk weidevogelgebied. Directe negatieve effecten kunnen derhalve worden uitgesloten.

5.6)Aanvullende maatregelen Om een zorgvuldige omgang met alle in het wild levende soorten (zorgplicht) te garanderen, zijn de volgende maatregelen geformuleerd: - Aanwezige beplanting binnen het plangebied met name bomen en struiken zoveel mogelijk behouden - Mogelijk vestiging leefgebied tijdens werkzaamheden, jonge hazen/egels uit het werkgebied verplaatsen - Wanneer tijdens de werkzaamheden onverhoopt beschermde soorten worden aangetroffen, dient contact te worden opgenomen met een ter plaatste deskundig ecoloog om te bespreken hoe gehandeld kan worden met de minste schade voor de aangetroffen soort(en) - Voor realisatie van de geplande parkeerplaats de buitenste bomenrij/struiken langs de noordelijke watergang dient gehandhaafd te blijven omdat deze mogelijk in gebruik als vlieg- en oriëntatieroute tussen de verschillend foerageergebieden voor vleermuizen - Voor realisatie van de geplande parkeerplaats bijv. kunststof grastegels met waterdoorlatende fundering gebruiken

5.7)Aanvullend onderzoek & ontheffing Vermits gehoor gegeven wordt aan de aanbevelingen zoals vermeld in deze rapportage, leiden de geplande werkzaamheden niet tot een negatief effect op vleermuizen. Het uitvoeren van een jaarrond onderzoek volgens het vigerende vleermuisprotocol en het aanvragen van een ontheffing voor de Wet natuurbescherming is derhalve niet noodzakelijk. 8

6)Advies algemeen 6.1)Amfibieënpoel Als stadsecoloog ben ik positief gestemt omtrent het voornemen voor de realisatie van een amfibieënpoel plusminus 100m2 groot op dit perceel. Op dit moment zijn er helaas geen kwalitatieve amfibieënpoelen aan de oostzijde van Dalem meer te vinden. Uit onderzoek zien we ook dat het de laatste jaren slecht gaat met o.a. de voortplanting van de diverse soorten amfibieën rond deze onderzoekslocatie. Hier zijn een aantal oorzaken voor aan te wijzen: - De enorme toename van de diverse soorten Amerikaanse rivierkreeften die te boek staan als invasieve exoten. Deze dieren beschadigen waterplanten, verdrijft amfibieën en vissoorten en er is sprake zijn van besmettingsgevaar door een schimmel die ze bij zich dragen waardoor de inheemse rivierkreeften nagenoeg gedecimeerd zijn in aantallen - Slecht of geen beheer van de bekende amfibieënpoelen die in particulier handen zijn.

Door slecht of geen beheer van deze poelen zijn ze niet meer geschikt als voortplantingspoel voor de diverse soorten amfibieën in en rond Gorinchem - Door de zeer droge weersomstandigheden van de laatste jaren zien we dat de bekende amfibieënpoelen in het Gorcumse te snel indrogen, waardoor het de larven van de diverse soorten niet meer lukt om groot genoeg te worden om op land te overleven Voor een juiste aanleg en toekomstig beheer van de amfibieënpoel verwijs ik u graag naar de RAVON website: - https://www.ravon.nl/Helpdesk/poel-aanleggen

7)Bronvermelding Ministerie van Economische zaken (Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen 2016) Netwerk Groene Bureaus, Vleermuisprotocol Database Alblaswaarneming Database biodiversiteit gemeente Gorinchem Bomenkaart Geoportaal gemeente Gorinchem Bij12 (Kennisdocument Gewone Dwergvleermuis 2017) Bij12 (Kennisdocument Ruige Dwergvleermuis 2017) RVO (Soortenstandaard Laatvlieger 2014) Bij12 (Kennisdocument Kamsalamander 2017) Bij12 (Kennisdocument Heikikker 2017) Bij12 (Kennisdocument Rugstreeppad 2017) Bij12 (Kennisdocument Groet modderkruiper 2017)

9

8)Bijlage foto’s veldbezoek 27-03-2021

Afb. 1) Huidige situatie t.b.v. realisatie parkeerplaats

Afb. 2) Huidige situatie t.b.v. realisatie parkeerplaats 10

Afb. 3) Smalle watergang met steile oevers en ontdaan van vegetatie

Afb. 4) Smalle watergang met steile oevers en ontdaan van vegetatie 11

Afb. 5) Smalle watergang met steile oevers en ontdaan van vegetatie

Afb. 6) Oostelijke groenstructuur met o.a. prunus en Californische cipres

12

Afb. 7) Westelijke groenstructuur met o.a. populier, meidoorn, hedera helix en de exotische woekerende dijkviltbraam

Afb. 8) Noordwestelijke groenstructuur met veldesdoorn hakhout en een recent vervaardigde takkenril

13

Afb. 9) Grasland vegetatie met raaigras, paarse dovennetel en speerdistel

Afb. 10) Grasland vegetatie met raaigras en rode klaver

14

Afb. 11) Opkomend kwel (oostzijde graslandperceel)

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=6cff6d6e-a57f-44d2-a08d-cbf40b8d748d