Plan van aanpak Kindermishandeling
Tekst van het document
In de werkwijze volgens het Toekomstscenario is en blijft het lokale team het vaste aanspreekpunt voor inwoners, ook als er sprake is van onveiligheid. Als het lokale team aanvullende expertise of bevoegdheden nodig heeft kan zij een beroep doen op VT, de RvdK en GI. Deze samenwerking, waarbij partijen idealiter volgens het Toekomstscenario op elkaar aansluiten, in plaats van gezinnen/huishoudens over te dragen, is essentieel. In de paragrafen hieronder worden de verantwoordelijkheden die de wetgever bij het college legt voor de toegang, uitgewerkt naar taken voor het lokale team. Vanwege de wederzijdse afhankelijkheid met VT, de RvdK, GI en de justitiële partners, beschrijven we ook kort de taken van deze drie partijen. Ook komt kort ‘Veiligheid voorop’ aan de orde.
21
b. Lokale teams Veel gemeenten werken met lokale teams voor de toegang tot specialistische zorg die bovendien zelf lichte hulp verlenen. Gemeenten bepalen zelf in welke vorm zij deze teams organiseren en hoe ze de teams noemen. Hier in dit document gebruiken we de term ‘lokaal team’. Samen met de andere voorzieningen (sociale basisvoorzieningen als vrijwilligerswerk, mantelzorg, welzijn, algemene voorzieningen, buurthuizen) hebben zij een belangrijke rol in de wijk. Uit onderzoek van KPMG in 2019 komen vijf basisfuncties voor het lokale team naar voren 25: a) Veilige leefomgeving: Heb oog voor een veilige leefomgeving van de inwoner en pas de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toe. b) Tijdig signaleren van vraag: wees aanwezig daar waar de doelgroep is, zodat vragen gezien worden. Maak verbinding met de wijk en werk outreachend. Investeer in preventie. c) Vindbare en toegankelijke hulp: Wees toegankelijk en vindbaar en voer een goede triage uit. d) Handelen met een brede blik: Verhelder de vraag, maak een plan van en met het gezin en verleen ondersteuning, beleg de regie, maak duidelijke afspraken, houd een vinger aan de pols en blijf zichtbaar en benaderbaar. e) Leren en verbeteren: Verzamel inzichten over je handelen, deel ze, ga erover in gesprek en trek er lessen uit.
Deze leidraad gaat nader in op basisfunctie a (Veilige leefomgeving) en dan specifiek op onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties of ontwikkelingsbedreiging van minderjarigen Nadere uitwerking volgt in hoofdstuk 6. Vanuit het perspectief van opdrachtnemer heeft de Associatie Wijkteams op basis van bestaande praktijkkennis en theoretische kennis de opdracht geformuleerd voor lokale (wijk)teams. Het is een groeidocument dat in lopende het jaar 2023 zal worden verrijkt en verdiept.26 Deze opdrachtformulering bestaat uit acht onderdelen en vormt volgens de Associatie de basis voor de opdracht van lokale teams. 1. Het versterken van de buurt; 2. Laagdrempelig toegankelijk zijn voor vragen, advies en hulp; 3. Aanvullend werken op de mogelijkheden van de inwoner zelf; 4. Kijken met een brede blik; 5. Alert zijn op signalen van onveiligheid en deze bespreekbaar maken; 6. Analyse en planvorming; 7. Het ondersteunen bij en bieden van (intensieve) hulp bij onveiligheid; 8. Het waarborgen van rechtsbescherming. De lokale teams bieden vrijwillige hulp en ondersteuning en hebben geen bevoegdheden om zich met inwoners te bemoeien zonder diens toestemming. Zo lang de rechter geen maatregel uitgesproken heeft, is immers de veiligheid van een gezin/huishouden de verantwoordelijkheid van het gezin/huishouden zelf.
Tegelijkertijd belegt de wetgever wettelijke taken bij de gemeente op het gebied van onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties of ontwikkelingsbedreiging van minderjarigen, ook in die gevallen dat er nog geen maatregel door de wetgever is uitgesproken. Bovendien dienen ook de professionals van het lokale team zich te verhouden tot de verplichte meldcode.
22
In de uitvoeringspraktijk ontstaat zodoende een grijs gebied tussen vrijwillig en dwang. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) constateerden in 2019 dat ‘drang’ en ‘preventieve jeugdbescherming’ soms feitelijk het karakter van dwang krijgen, terwijl het om hulp in het vrijwillig kader gaat. Dit is onwenselijk. Er moet een scherp onderscheid worden gemaakt tussen vrijwillige hulp en jeugdbescherming, zonder vormen er ‘tussenin’. Het moet voor jeugdigen en ouders glashelder zijn welke soort hulp – vrijwillig of gedwongen – aan hen wordt verleend. De RSJ en de RVS hebben daarom in 2019 de term ‘intensieve vrijwillige hulp’ geïntroduceerd voor lokale (wijk)teams: een proces van hulp en zorg verlenen in het vrijwillige kader van de (jeugd)zorg, waarbij de (jeugd)professional gradueel meer invloed uitoefent, meer verantwoordelijkheid neemt en daarmee steeds intensiever hulp en zorg verleent én tegelijkertijd de vrijwilligheid van de hulp garandeert.27 In deze leidraad sluiten we aan bij dit advies van de RSJ en RVS. Kortom vrijwillige hulp bieden betekent niet dat je alleen hulp biedt als de cliënt zelf in staat is om de hulpvraag te formuleren en gemotiveerd is voor hulp.
Juist bij onveiligheid in afhankelijkheidsrelaties of ontwikkelingsbedreiging van minderjarigen is het nodig om te motiveren en outreachend te werken. Intensieve vrijwillige hulp vraagt van de professionals van het lokale team vaardigheden en expertise om verbinding en vertrouwen tot stand te brengen, om transparant te maken waar zorgen over zijn, om inwoners te motiveren hulp te accepteren en om gezamenlijk een plan te maken en uit te voeren. Zodoende wordt vanuit verbinding met het gezin of huishouden samengewerkt, wordt dwang of drang voorkomen en wordt zoveel mogelijk bereikt in het vrijwillig kader. Intensieve vrijwillige hulp vraagt een duidelijke opdracht van gemeenten maar ook om goede afspraken over de randvoorwaarden en toegestane duur. Intensieve vrijwillige hulp trajecten zijn vaak trajecten van een lange adem. Het merendeel van de signalen over onveiligheid komen bij het lokale team na een melding bij VT in beeld. Op basis van samenwerkingsafspraken tussen het lokale team en VT, draagt VT de melding van (een vermoeden van) huiselijk geweld en/of kindermishandeling over naar het lokale team. Veilig Thuis en het lokale team overleggen samen over de opvolging. Nadat het lokale team in kennis is gesteld is het lokale team verantwoordelijk voor de opvolging van die melding.
In samenspraak tussen het lokale team en Veilig Thuis wordt afgewogen: Hoe er contact gelegd moet worden met het gezin/huishouden en op welke wijze; Hoe het lokale team het gezin/huishouden kan ondersteunen in het zoveel mogelijk tot stand brengen van directe veiligheid in het gezin/huishouden en, daar waar van toepassing, aan de hand van de veiligheidsvoorwaarden die door Veilig Thuis zijn opgesteld. Of en hoe, aanvullend op het lokale team, inzet van specialistische vormen van hulp en ondersteuning noodzakelijk is. Aanvullende hulp wordt ingezet gericht op het wegnemen van risico’s en het bevorderen van herstel en uiteraard worden daar alle relevante leefgebieden in meegenomen. Denk daarbij aan (in samenwerking met de gemeentelijke diensten) werken aan de basis zoals wonen, werk en inkomen. Bij opvoedproblematiek gaat het bij werken aan de basis ook om hulp voor ouders die de opvoedstress doet afnemen. Ook gaat het om (gespecialiseerde) hulpverlening op het gebied van problematiek die vaak samenhangt met huiselijk geweld en kindermishandeling, zoals LVB-, GGZ- en verslavingsproblematiek. Afhankelijk van de aard en de omvang van de problematiek kan het lokale team samen met het gezin/huishouden (en waar relevant met partners) een veiligheids-, hulpverlenings- en herstelplan28 opstellen en casusregie uitvoeren.
23
Daar waar professionals in deze organisatie(s) zelf over onvoldoende kennis/mogelijkheden beschikken als het gaat om GGZ-, verslavings- en/of LVB-problematiek of scheidingsproblematiek, is het van belang dat de gemeente heeft georganiseerd dat zij een beroep kunnen doen op GGZprofessionals (bijvoorbeeld bij een GGZ- of FACT-team29). Wanneer vrijwillige hulp ontoereikend is en er ernstige zorgen zijn over de veiligheid van een kind kan de RvdK verzocht worden een onderzoek in te stellen. Onderzocht wordt dan of het nodig is om beschermende maatregelen op te leggen en ouders te verplichten hulp te accepteren. Een dergelijk verzoek kan ingediend worden door de gemeente, een Gecertificeerde Instelling, Veilig Thuis of de rechtbank. De gemeente kan deze bevoegdheid bij het lokaal team beleggen.
c. De taken van Veilig Thuis, Veilig Thuis heeft de wettelijke taak om naar aanleiding van meldingen van huiselijk geweld en kindermishandeling een veiligheidsbeoordeling uit te voeren en, wanneer nodig, vervolgstappen te zetten. Veilig Thuis heeft een wettelijke basis voor het doen van onderzoek en heeft hier geen toestemming van betrokkenen voor nodig. Veilig Thuis organisaties voeren hun wettelijke taken uit aan de hand van het Handelingsprotocol Veilig Thuis. 30 Veilig Thuis heeft daarnaast de belangrijke taak om advies en ondersteuning te bieden aan betrokkenen en professionals bij vermoedens van en signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Afhankelijk van de bevindingen zijn er op hoofdlijnen na de veiligheidsbeoordeling (triage) drie routes te onderscheiden: 1. Betrokkenheid van Veilig Thuis in het vervolgproces is niet nodig. Veilig thuis zorgt dat het lokale wijkteam betrokken wordt. Het lokale team biedt het gezin/huishouden (vrijwillige) hulp en ondersteuning aan: 2. Betrokkenheid van Veilig Thuis in het vervolgproces is nodig. Veilig Thuis doet onderzoek en/of stelt veiligheidsvoorwaarden op voor het huishouden/gezin en ziet toe op de opvolging. Veilig Thuis zorgt dat het lokale team betrokken wordt. Het lokale team biedt het gezin/huishouden (vrijwillige) hulp en ondersteuning aan: 3. Veilig Thuis vraagt de RvdK om onderzoek.
Hieronder worden de huidige taken en samenwerkingsafspraken tussen Veilig Thuis en de lokale teams en gemeenten beschreven. De wens leeft echter bij partijen om gelijktijdig op te trekken/samen te werken in een netwerk met het gezin/huishouden in plaats van na elkaar met overdrachten (estafette). Deze integraal systeem- en mensgerichte werkwijze is in lijn met het Toekomstscenario en wordt hier en daar al in praktijk gebracht. De gemeente kan in overleg met Veilig Thuis en het lokaal team bepalen hoe ze samen optrekken richting deze andere werkwijze en invulling geven aan onderstaande taken. Veilig Thuis draagt in veel gevallen een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan over aan het lokale team, zodat het lokale team het gezin/huishouden passende ondersteuning en/of hulpverlening aan kan bieden. Deze overdracht vindt plaats óf direct na de veiligheidsbeoordeling óf nadat Veilig Thuis de diensten Voorwaarden & Vervolg of Onderzoek heeft afgerond. Bij de overdracht direct na de veiligheidsbeoordeling stelt Veilig Thuis het lokale team in kennis van de inhoud van de melding en de informatie die in het kader van de veiligheidsbeoordeling is verkregen.
24
Bij overdracht na afronden van de diensten Voorwaarden & Vervolg of Onderzoek stelt Veilig Thuis het lokale team bovendien in kennis van de door Veilig Thuis voor het gezin/huishouden opgestelde veiligheidsvoorwaarden. In het Handelingsprotocol Veilig Thuis staat beschreven waaraan de veiligheidsbeoordeling en de veiligheidsvoorwaarden moeten voldoen. Bij overdracht na de diensten Voorwaarden & Vervolg of Onderzoek, monitort Veilig Thuis (1) of door het gezin aan de gestelde veiligheidsvoorwaarden is voldaan, (2) of deze hebben geleid tot directe veiligheid en later stabiele veiligheid en (3) of er aandacht is voor het werken aan herstel van de gevolgen van het geweld. Hiertoe neemt Veilig Thuis contact op met het gezin/huishouden en onder andere professionals uit het lokale (wijk)team. Veilig Thuis sluit de monitoring af wanneer stabiele veiligheid is bereikt. Als Veilig Thuis zich ernstige zorgen maakt over de veiligheid van een kind en vrijwillige hulp aan het gezin niet voldoende helpt om de situatie te verbeteren dan vraagt deze de RvdK te onderzoeken of het nodig is om beschermingsmaatregelen op te leggen en ouders te verplichten hulp te accepteren. Naast bovenstaande diensten, heeft Veilig Thuis ook een adviesfunctie: het geven van informatie en ondersteuning aan hulpvragers (o.a.
slachtoffers, plegers, getuigen) als zij een vermoeden hebben van kindermishandeling of huiselijk geweld. Ook professionals worden ondersteund in vragen die zij hebben tijdens de ondersteuning of hulpverlening. Hieronder valt ook zo nodig het samen doorlopen van de meldcode. Een advies leidt overigens niet per definitie tot een melding. Veilig Thuis kijkt samen met de adviesvrager wat er aan de hand is en wat deze zelf kan doen. Is dit niet mogelijk of is er sprake van acute of structurele onveiligheid, dan moet de adviesvrager een melding doen.
d. Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) Als er ernstige zorgen zijn over de veiligheid van een kind en vrijwillige hulp onvoldoende helpt dan kan de RvdK verzocht worden, te onderzoeken of het nodig is om ouders te verplichten hulp te accepteren. Op basis van dit onderzoek kan de RvdK besluiten de rechter vragen een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen. De rechter kan hierbij gebruik maken van twee maatregelen voor kinderbescherming: de (voorlopige) ondertoezichtstelling ((V)OTS) en de gezag beëindigende maatregel (GZBM). Bij een OTS (1:255 BW en 1:257 BW)) krijgen ouders een jeugdbeschermer toegewezen die werkzaam is bij een Gecertificeerde Instelling (GI). Deze jeugdbeschermer geeft uitvoering aan de doelstelling van de OTS zoals door de rechtbank beschreven in de beschikking. Als de thuissituatie te onveilig is kan de rechter bovendien besluiten het kind uit huis te plaatsen (1:265b BW). De gezag beëindigende maatregel (1:266 BW) is de meest verregaande maatregel voor kinderbescherming die de rechter op kan leggen. De gecertificeerde instelling of een pleegouder krijgen dan het gezag over het kind toegewezen. De wet geeft de mogelijkheid om het gezag van ouders te herstellen.
e. Gecertificeerde instelling (GI) Gemeenten zijn op grond van de jeugdwet verantwoordelijk voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclasseringsmaatregelen. De gecertificeerde instellingen (GI’s) zijn bevoegd om deze maatregelen uit te voeren. Gemeenten maken hiervoor afspraken met de GI’s in hun regio. Ook kan de gemeente de opdracht aan de GI geven om in het vrijwillige kader werkzaamheden te verrichten om een kinderbeschermingsmaatregel dan wel jeugdreclasseringsmaatregel te voorkomen.
25
Kinderbeschermingsmaatregelen: De kinderrechter kan een ondertoezichtstelling (OTS) opleggen als de veiligheid en ontwikkeling van een kind ernstig wordt bedreigd. De jeugdige komt daarmee onder toezicht te staan van een GI. Bij een OTS houden ouders het gezag over hun kind. Wel zijn ze verplicht om mee te werken aan de adviezen en aanwijzingen van de jeugdbeschermer. De OTS is erop gericht ouders te ondersteunen en te begeleiden met als doel dat zij hun opvoedrol zo kunnen uitvoeren dat de ontwikkelingsbedreiging van een kind wordt afgewend. Als dat niet lukt en de thuissituatie te onveilig is dan kan de GI, als uiterste middel, de kinderrechter verzoeken om een machtiging uithuisplaatsing. Ook kan een GI de kinderrechter verzoeken om een jeugdige in de gesloten jeugdzorg te plaatsen. Als blijkt dat ondanks de OTS en geboden hulp ouders niet in staat zijn om, binnen aanvaardbare termijn, zelf weer voor het kind te zorgen dan kan de GI bij de RvdK een verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindiging doen. De RvdK kan naar aanleiding van dit onderzoek besluiten de kinderrechter te verzoeken om het gezag van ouders over het kind te beëindigen. Bij een gezagsbeëindigende maatregel kan de voogdij worden neergelegd bij de GI, waarbij een jeugdbeschermer die werkzaam is bij de GI deze maatregel uitvoert.
Ook kan de GI de voogdij uitoefenen bij kinderen van ouders die tijdelijk geen gezag meer hebben, bij kinderen van wie de ouders zijn overleden of bij kinderen met een minderjarige moeder. De GI kan voogdij ook via de rechter overdragen aan bijvoorbeeld familieleden of pleegouders. Jeugdreclasseringsmaatregelen: Een jongere die met de politie in aanraking is geweest en een proces-verbaal heeft gekregen, kan een jeugdreclasseringstoezicht opgelegd krijgen. Jeugdreclassering wordt uitgevoerd door de GI, waarbij de jongere wordt geholpen, begeleid en gecontroleerd. De jongere krijgt door de rechtbank tal van voorwaarden opgelegd, waar hij zich binnen de opgelegde proeftijd aan dient te houden en waar de jeugdreclassering toezicht op moet houden. De jeugdreclassering rapporteert halfjaarlijks aan het OM en de RvdK op de voortgang van de doelen en de voorwaarden. Als de jongere zich stelselmatig niet houdt aan de opgelegde voorwaarden, dient de jeugdreclassering dit te melden aan het OM. Hierop kan een terugmelding volgen, waarop het voorwaardelijke deel van de opgelegde straf ten uitvoer kan worden gelegd. De jeugdreclasseringsmaatregel heeft dus een sterk duaal karakter. Enerzijds beweegt de professional zich in het jeugdzorgdomein en probeert hij de ontwikkeling van de jongere in zijn context te beïnvloeden.
Anderzijds heeft de jeugdreclassering een stevige opdracht vanuit het strafrecht om toe te zien op opgelegde voorwaarden en daarop te acteren. Dit doet de jeugdreclasseerder samen met professionals uit het jeugd-, én uit het strafrechtdomein. Het doel van jeugdreclassering is om in samenwerking met het gezin en netwerk, recidive te voorkomen door positieve levensdoelen op te stellen en kansen te creëren voor de jongere in de maatschappij.
f. Samenloop van zorg en strafbare feiten bij huiselijk geweld en kindermishandeling Onder de noemer ‘Veiligheid voorop’ werken Veilig Thuis, politie, Openbaar Ministerie, RvdK en de drie reclasseringsorganisaties (3RO) aan verbeterde samenwerking wanneer er sprake is van samenloop tussen zorg en straf. De samenwerking is gericht op een tijdige, gecoördineerde inzet van straf en zorg met al doel dat de kans op herhaling en escalatie afneemt. Informatie hierover is in digitale bundels geordend en breed beschikbaar gesteld.31.
26
Voor het lokale wijkteam is het belangrijk dat zij weten, dat politie en justitie op grond van hun bevoegdheden bijdragen aan het tot stand brengen van meer veiligheid in gezinnen/ huishoudens met straf-, bestuurs- of civielrechtelijke interventies.32 Bij het delen van informatie met het lokale team zijn professionals gehouden aan de voor de betreffende organisatie geldende wet en regelgeving. Meer informatie hierover vindt u in de digitale bundels, (zie link hierboven).
6. De opdrachtverstrekking De onderdelen voor de opdrachtverstrekking die hieronder aan de orde komen, richten zich op gemeenten in hun opdrachtgevende rol.
a. Gemeentelijke visie op de aanpak van onveiligheid en opdracht De gemeentelijke visie op werken aan veiligheid staat beschreven in het plan voor de Wmo, de regiovisie huiselijk geweld en kindermishandeling en de regiovisie Jeugd. In de regiovisie kan ook worden beschreven hoe gemeenten samenwerken met andere organisaties die een rol hebben in het bieden van hulp en ondersteuning aan gezinnen/huishoudens waar sprake is van onveiligheid (onder andere huisartsen, justitiële organisaties, vrouwenopvang, Veilig Thuis, volwassenen-GGZ, enz.). Op basis van deze documenten organiseert en faciliteert de gemeente de samenwerking, zodat de visie gerealiseerd wordt. Zorg dat de verschillende partners in de gemeente op een afgestemde wijze met de leden van het gezin/huishouden werken en spreken, bij het werken aan veiligheid. Hiervoor is in een visie vastgelegd hoe, o.b.v. de visie Gefaseerd samenwerken aan veiligheid, domein overstijgend en systeemgericht hulp en ondersteuning wordt geboden aan gezinnen/huishoudens waar de veiligheid in het geding is.
Expliciteer welke opdracht en expertise het lokale team heeft als het gaat om o het signaleren en oppakken van casuïstiek waarin (zorgen over) onveiligheid speelt en o het zoveel mogelijk bewerkstelligen van directe veiligheid, het op een effectieve manier hanteerbaar maken van en zoveel mogelijk laten afnemen van de risicofactoren van onveiligheid, en o indien nodig hulp en ondersteuning biedt gericht op herstel. Hiervoor kan, aanvullend op deze leidraad, de opdrachtformulering opgesteld door de Associatie Wijkteams gebruikt worden33. Expliciteer afspraken over informatiedeling. Richt zorgvuldige processen in voor informatiedeling, met oog voor de wettelijke grondslagen en professionele afwegingen. Doel van de informatiedeling is het in samenwerking organiseren van veiligheid en goede zorg. Doel en noodzaak kunnen geconcretiseerd worden aan de hand van de visie Gefaseerd samenwerken aan veiligheid.
27
Het uitvoeren van de Privacy impact assessment (PIA) gericht op de samenwerking aan veiligheid kan leemtes blootleggen in de voorwaarden die de AVG stelt, waardoor aanvullende afspraken met betrokken organisaties kunnen worden gemaakt. Klik hier voor een link naar de handreiking die het programmateam Toekomstscenario hiervoor heeft opgesteld. Zorg er voor dat er voldoende (variatie in) gespecialiseerd hulpaanbod beschikbaar is binnen de gemeente (en/of (boven)regionaal) voor alle leden van een gezin of huishouden (slachtoffers en plegers) , gericht op het zo veel mogelijk creëren van directe veiligheid, het op een effectieve manier hanteerbaar maken van en zoveel mogelijk laten afnemen van de risicofactoren van onveiligheid en op het bijdragen aan herstel van de gevolgen van onveiligheid. Zorg dat hiervoor afstemming plaatsvindt met de organisatie(s) die toeleiden naar deze hulp. Zorg ervoor dat professionals werkzaam in het bieden van hulp en ondersteuning aan gezinnen/huishoudens waar sprake is van onveiligheid veilig hun werk kunnen doen.
b. Taken in de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling De basisvoorzieningen in de wijk en het lokale (wijk)teams als laagdrempelige organisatie waar inwoners eenvoudig advies, hulp en ondersteuning kunnen vragen zijn essentieel voor een veilige leefomgeving. Bovendien komen gezinnen en huishoudens waar zorgen om zijn, met deze voorzieningen vaak eerder in beeld. Wanneer blijkt dat de veiligheid in het geding is kan het lokaal team de expertise van VT, GI en de RvdK erbij vragen 34. Taken voor het lokale team -
-
het signaleren en bespreekbaar maken van zorgen en vragen over onveiligheid het vragen van advies of het doen van een melding bij VT (en dit bespreken met de betrokkenen), wanneer dit nodig blijkt naar aanleiding van het doorlopen van de stappen van de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling; het indienen van een verzoek tot onderzoek doen bij de RvdK als de situatie dit vereist; hulp en ondersteuning bieden aan gezinnen en huishoudens waar onveiligheid is en die direct vrijwillige hulp van het lokale team accepteren; hulp en ondersteuning bieden aan gezinnen/huishoudens die overgedragen zijn door VT (met of zonder) veiligheidsvoorwaarden; in samenspraak met het gezin en VT zicht op directe veiligheid organiseren; het bieden of organiseren van (specialistische vormen van) ondersteuning, hulpverlening en behandeling in het vrijwillige kader gericht op het bewerkstelligen van directe veiligheid, het verminderen en hanteerbaar maken van de risicofactoren en het toewerken naar herstel.
Onderstaand worden deze taken nader uitgewerkt. Niet alle professionals in het lokale team hoeven over alle beschreven competenties te beschikken. Het is echter wel noodzakelijk dat gemeenten het lokale team opdracht geven er voor zorg te dragen dat er voldoende en passende competenties beschikbaar zijn. Gemeenten en organisaties maken hierover in samenspraak bij de inkoop of subsidiering keuzes passend bij de lokale situatie. Signaleren en bespreekbaar maken De belangrijkste vaardigheid van de professionals in het lokale team is het realiseren van aansluiting met de inwoner. De vaardigheid om écht te zien en te horen wat er speelt. Maar ook de vaardigheid om dat transparant te benoemen en betekenis te geven. Het signaleren en bespreekbaar maken van zorgen over veiligheid hoort daar ook bij.
28
Voor professionals werkzaam in de jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning is het gebruiken van de meldcode bovendien verplicht. Op basis van de meldcode besluiten professionals of melden bij Veilig Thuis noodzakelijk is of dat hulp verlenen of organiseren mogelijk is. Onderdelen van de opdrachtverstrekking Zorg er voor dat alle professionals in de lokale organisatie(s): a) in staat zijn onderliggende risicofactoren voor onveiligheid te signaleren. b) In staat zijn onveiligheid in een opvoedsituatie te signaleren. c) in staat zijn onveiligheid als gevolg van huiselijk geweld en kindermishandeling in een gezin/huishouden te signaleren, inclusief specifieke geweldsvormen 35 en -patronen36 (onder andere seksueel geweld, eer-gerelateerd geweld, intiem terreur, ouderenmishandeling). d) in staat zijn om specifieke risicogroepen te herkennen (onder andere ouders met GGZ-problematiek, LVB, complexe scheidingen, ouderverstoting) 1 e) in staat zijn te werken met de Meldcode Huiselijk geweld en Kindermishandeling 37 38 f) in staat zijn zorgen over onveiligheid te bespreken met alle betrokkenen (kinderen en volwassenen (incl. plegers), waaronder ook ouderen) 39 en/of hiervoor toegang hebben tot 40een deskundige collega (bijvoorbeeld een aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling of een gedragswetenschapper).
g) toegang hebben tot een aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling h) in staat zijn systeemgericht te werken.41 Zicht op directe veiligheid Bij zicht op directe veiligheid wordt in samenspraak met het gezin, afgesproken wie mee gaan kijken of de onveiligheid zich niet herhaalt. Met het gezin zelf, het sociale netwerk, betrokken professionals en instanties zoals bijvoorbeeld scholen, huisarts en jeugdgezondheidszorg worden hierover afspraken gemaakt. De betrokkenen weten op welke signalen zij moeten letten en welke informatie zij moeten delen met het lokale team. Deze afspraken worden vastgelegd in een veiligheidsplan en meestal zal het lokale team vinger aan de pols houden op de naleving van deze afspraken. Goede afspraken zijn noodzakelijk wanneer nog geen sprake is van stabiele veiligheid maar ook voor gezinnen/huishoudens die op de wachtlijst staan. Wanneer geconstateerd wordt dat de veiligheidsbeoordeling en/of gestelde veiligheidsvoorwaarden niet toereikend zijn, of wanneer het gezin/huishouden niet (meer) bereid is of niet in staat is de hulp te accepteren, treedt het lokaal team in overleg met VT, GI en/of de RvdK.
29
De afspraken over het zicht op de directe veiligheid eindigen wanneer de veiligheid (weer) voldoende stabiel is. Onderdelen van de opdrachtverstrekking a.
Zorg dat er voldoende professionals in het lokale team beschikbaar zijn om zicht op directe veiligheid te organiseren voor alle leden van het gezin/huishouden waar zorgen zijn over onveiligheid.
Directe veiligheid, stabiele veiligheid en herstel van de gevolgen Om te kunnen werken aan de veiligheid wordt samen met het gezin/huishouden een plan opgesteld. Het plan gaat over alle leden van het gezin/huishouden (systemisch) en over alle relevante leefgebieden (integraal). In dit plan worden concreet toetsbare doelen opgenomen, die toewerken naar stabiele veiligheid binnen het gezin/huishouden, herstel van trauma’s en herstel van de gevolgen van het geweld voor alle leden van dit gezin/huishouden. 42 Uitgangspunt is dat er steeds samen met alle leden van het gezin/huishouden wordt opgetrokken, tenzij dit niet mogelijk is om de veiligheid van andere te kunnen waarborgen (bijvoorbeeld bij intieme terreur). Het is belangrijk dat de sociale steunstructuur van de gezinnen/huishoudens bij het opstellen van dit plan wordt betrokken. Samen met het gezin/huishouden en de betrokken professionals (o.a. huisarts, school/kinderopvang, politie, GGZ (eventueel via een FACT-team43), verslavingszorg, (jeugd)gezondheidszorg, etc.) kunnen oplossingen worden doordacht en ingebracht. Het gezin/ huishouden wordt hierbij indien nodig ondersteund wordt met (casus)regie volgens het gedachtengoed van 1Gezin1Plan1Regisseur.
De professional die deze taak krijgt, ordent, concretiseert, prioriteert en bewaakt de voortgang.44 Ook is deze professional (net als de andere professionals) alert op signalen van herhaling van onveiligheid en maakt dit bespreekbaar. Het lokale team houdt de vinger aan de pols of afspraken worden nagekomen. Waar nodig wordt op maat expertise, advies en hulp toegevoegd van netwerkpartners. Het lokale team blijft het vaste gezicht en hulpverlener voor het gezin/huishouden. Als hulp en ondersteuning in het vrijwillig kader niet afdoende is, kan een verzoek tot onderzoek gedaan worden bij RvdK. De RvdK onderzoekt de noodzaak tot het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel indien het college, een daartoe door het college aangewezen jeugdhulpaanbieder, een gecertificeerde instelling of Veilig Thuis hiertoe een verzoek heeft gedaan. (3.1 JW) Ook tijdens het onderzoek of na uitspraak van de rechter blijft het lokale team het vaste gezicht en hulpverlener als het gezin/huishouden dit wil. In alle fasen van de hulpverlening moet voor betrokkenen duidelijk zijn of de hulp en ondersteuning vrijwillig is of verplicht. De hulp en ondersteuning die zij van het lokale team ontvangen is in alle gevallen op vrijwillige basis.
Het bereiken van stabiele veiligheid, is vaak een kwestie van lange adem, want een deel van deze gezinnen/ huishoudens heeft langdurig deskundige hulp en ondersteuning nodig.
30
Onderdelen van de opdrachtverstrekking Zorg dat de professionals van het lokale team: a) b) c) d)
werken conform het gedachtengoed van 1Gezin1Plan1Regisseur; werken op basis van een gedeelde visie op veiligheid; 45 systeemgericht en traumasensitief werken; met één instrument46 werken voor de veiligheidsinschatting; op de hoogte zijn welke instrumenten andere organisaties in het netwerk hiervoor gebruiken en hoe deze zich verhouden tot het eigen instrument; e) waar nodig in staat zijn maatwerk toe te passen; f) het gezin/huishouden kunnen ondersteunen met (casus)regie, samen met partnerorganisaties, totdat stabiele veiligheid is bereikt; 47 g) gebruik kunnen maken van aanvullende expertise op het gebied van (on)veiligheid in opvoedsituaties en als gevolg van huiselijk geweld en kindermishandeling (zoals de adviesfuncties bij VT, GI en RvdK); h) een verzoek tot onderzoek (VTO) kunnen (laten) indienen bij de RvdK; i)
mogelijkheden hebben om GGZ-professionals te consulteren bij GGZ-, verslavings- of LVB-problematiek (bijvoorbeeld via een GGZ- of FACT-team).
Zorg dat die professionals in het lokale team die werken met gezinnen/huishoudens waar zorgen zijn over onveiligheid, beschikken over, of toegang hebben tot: a) een basiskennis van geweldsdynamiek en risicofactoren en beschermende factoren (incl. patroonherkenning);48 b) een basiskennis van specifieke geweldsvormen 49 en -patronen50 (onder andere seksueel geweld, eer-gerelateerd geweld, ouderenmishandeling), risicofactoren en specifieke risicogroepen (onder andere ouders met GGZ-problematiek, LVB, complexe scheidingen); 51 c) een basiskennis op het gebied van de problematiek en risicofactoren die vaak samenhangen met huiselijk geweld en kindermishandeling, o.a. bestaansonzekerheid, complexe scheidingen, LVB-, GGZ- en verslavingsproblematiek;52 d) een basiskennis van de relevantie onderdelen van familie-, jeugd- en bestuursrecht (met name gezag, erkenning, kinderbeschermingsmaatregelen en wet Tijdelijk Huisverbod) en WvGGZ; e) kennis van hoe de samenwerking tussen hen en Veilig Thuis, de GI’s en RvdK verloopt en wat zij daarin van Veilig Thuis, de GI’s en RvdK mogen verwachten.
31
Zorg dat professionals die in het lokale team werken met gezinnen/huishoudens waar zorgen zijn over onveiligheid, in staat zijn: a) zorgen over onveiligheid en geweld te bespreken met alle betrokkenen (kinderen en volwassenen, waaronder ouderen en plegers); 53 b) outreachend54 55aan te sluiten bij gezinnen/huishoudens en te ondersteunen bij de formulering van de hulpvraag; c) een veiligheidsinschatting te maken samen met en voor alle leden van het gezin/huishouden;56 d) de sociale steunstructuur van het gezin/huishouden te betrekken en te steunen in het zorgen voor directe veiligheid, het zoveel mogelijk laten afnemen en hanteerbaar maken van de risicofactoren van onveiligheid en het werken aan herstel; e) contact te houden met alle betrokken professionals bij het gezin/huishouden (o.a.
huisarts, school/kinderopvang, politie, GGZ, verslavingszorg, vrouwenopvang, CSG, VT, GI, RvdK, Reclassering etc.); f) het gezin/huishouden te ondersteunen in het voeren van regie op het maken van en gezamenlijke besluitvorming over een integrale analyse en het opstellen en uitvoeren van veiligheids-, hulpverlenings- en herstelplannen; 57 g) veiligheidsplannen met gezin en sociaal netwerk op te stellen (waar mogelijk samen met betrokken partner-organisaties), de door Veilig Thuis geformuleerde veiligheidsvoorwaarden hierin te vertalen, en het veiligheidsplan uit te voeren; h) tijdig systeemgerichte (gespecialiseerde) hulp of ondersteuning in te zetten (of naar toe te leiden) voor alle leden van het gezin/huishouden op het gebied van de problematiek die vaak (direct of indirect) samenhangt met onveiligheid, o.a. LVB-, GGZ- en verslavingsproblematiek, complexe scheidingen, maar ook huisvesting en inkomen en andere bestaanszekerheden; i) tijdig systeemgerichte (gespecialiseerde) hulp of ondersteuning in te zetten (of toe te leiden) voor alle leden van het gezin/huishouden, om te herstellen van de gevolgen van het geweld (bijvoorbeeld traumabehandeling). j) gezinnen/huishoudens te ondersteunen in het voeren van regie op de uitvoering van een veiligheids-, hulpverlenings- en herstelplan (ook wel (casus)regie genoemd).
32
c. Samenwerkingsafspraken lokaal team, VT, RvdK en GI Het bieden van hulp en ondersteuning aan gezinnen/huishoudens waar sprake is van onveiligheid is een gedeelde verantwoordelijkheid van onder andere gemeenten, VT, RvdK, GI en de lokale organisatie(s). Dit vraagt een goede samenwerking tussen deze organisaties. Samenwerkingsafspraken tussen deze organisaties zorgen ervoor dat de verwachtingen over en weer geëxpliciteerd zijn en houvast bieden. De gemeente heeft de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat werkwijze van deze organisaties naadloos op elkaar aansluit. Onderdelen voor opdrachtverstrekking Zorg dat Veilig Thuis, RvdK, GI en het lokaal (wijk)team samenwerkingsafspraken maken. Deze samenwerkingsafspraken58 bevatten in ieder geval afspraken over: a) Wanneer en hoe de lokale organisatie(s), gebruik kan maken van de dienst Advies en Ondersteuning van zowel VT, RvdK (bijvoorbeeld bij de laatste weging die samen met het gezin wordt gedaan) als GI. b) Het informeren van direct betrokkenen over: i. de melding bij Veilig Thuis en de in kennisstelling door Veilig Thuis aan de lokale organisatie(s) (onder andere wie informeert de direct betrokkenen en wanneer). ii. het verzoek tot onderzoek bij de RvdK (onder andere wie informeert de direct betrokkenen en wanneer).
c) De taakverdeling tussen betrokken professionals van Veilig Thuis, RvdK, GI en het lokaal wijkteam onder andere over het opstellen van veiligheidsplannen, informeren direct betrokkenen en in het geval van wachtlijsten. d) Afspraken over: i. de start en beëindiging van betrokkenheid Veilig Thuis, RvdK en/of GI bij een gezin/huishouden; ii. de wijze waarop de overdracht gebeurt door VT; iii. de samenwerking (taken, verantwoordelijkheden) in de fase van zicht op directe veiligheid, ook in het geval dat er nieuwe zorgen zijn over het gezin/huishouden; iv. de informatie die wordt overgedragen door VT, RvdK en/of GI; v. de kwaliteit van de veiligheidsbeoordeling en veiligheidsvoorwaarden door VT. e) Afspraken tussen lokaal team en RvdK hoe de samenwerking verloopt als het lokaal team nieuwe zorgen heeft over het gezin nadat een ondertoezichtstelling is opgeheven. f) De manier waarop de RvdK het lokale team informeert over het resultaat van het verzoek tot onderzoek. Inclusief afspraken over welke informatie wordt gedeeld. g) Afstemming tussen GI en lokale organisatie(s) over de inzet van jeugdhulp op indicatie.
h) Zorg voor een overzicht van de (zoveel mogelijk) erkende methodes en instrumenten die door professionals van de lokale organisatie(s), Veilig Thuis, RvdK en GI worden gebruikt voor het in beeld brengen wat er aan de hand is en wat er op de verschillende leefgebieden nodig is. Hierbij gaat het vooral om eenduidigheid in taal en afstemming van de inhoud. (Noot: binnen het programma Toekomstscenario wordt gewerkt aan een samenhangende set van kaders, methodes en instrumenten. We adviseren gemeenten bij verbeteracties hierbij aan te sluiten) i) Welke stappen er door wie worden gezet op het moment dat de bij een gezin/huishouden betrokken medewerkers van Veilig Thuis, RvdK, GI en/of van de lokale organisatie(s) niet tot overeenstemming komen, waardoor samenwerking en voortgang (dreigen te) stagneren.
33
j)
Hoe casuïstiek met elkaar wordt geëvalueerd zodat gezamenlijk wordt geleerd.
Zorg dat de samenwerkingsafspraken tussen de lokale organisatie(s) en Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming en de Gecertificeerde Instelling: a. in lijn zijn met de gezamenlijke integrale visie die in de gemeente is opgesteld, en b. naadloos op elkaar aansluiten, en c. dat deze periodiek gezamenlijk geëvalueerd worden.
7. Verantwoording Voor het opstellen van deze leidraad zijn de volgende stappen gezet: Er is gebruik gemaakt van de juridische notitie en de reactie op het kwaliteitskader Werken aan veiligheid voor lokale (wijk)teams en gemeenten 2019 van de Associatie Wijkteams. 59 Er is gebruik gemaakt van de aanbevelingen tot actualisatie van de expertpool die in opdracht van het programma Geweld hoort nergens thuis gemeenten hebben ondersteund in het toepassen van het kwaliteitskader Werken aan veiligheid voor lokale (wijk)teams en gemeenten 2019. De opbrengsten van drie digitale bijeenkomsten waaraan vertegenwoordigers van onder andere gemeenten, Veilig Thuis-organisaties, lokale (wijk)teams, Gecertificeerde Instellingen (GI's) en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hebben deelgenomen. Versies van deze leidraad zijn voorgelegd aan landelijke vertegenwoordigers van onder andere het landelijk netwerk Zorg-Straf, de Associatie Wijkteams, het Landelijke Netwerk Veilig Thuis (LNVT), de RvdK, de GI’s. Er is input opgehaald bij vertegenwoordigers van het programma Toekomstscenario kind en gezinsbescherming en het programma Scheiden zonder schade. Juristen betrokken bij het programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming hebben deze leidraad beoordeeld op juridische gronden.
Ten aanzien van besluitvorming zijn in ieder geval de volgende stappen voorzien: Het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, GI’s, RvdK en Associatie Wijkteams worden gevraagd om een reactie op de definitieve concept versie; Bespreking in de governance van het programma Toekomstscenario; Bespreking in het ambtelijk overleg centrumgemeenten Vrouwenopvang, accounthoudersoverleg GI en J42; Bespreking in het wethoudersoverleg BW/MO en VO/HG en BJ42; Vaststelling in Commissie Zorg, Jeugd en Onderwijs en de Commissie Bestuur en Veiligheid van de VNG. In dit document zijn termen gebruikt waarvan de definities nog worden doorontwikkeld. Het gaat onder andere om outreachend, systeem- en mensgericht en (casus)regie. In dit document is gebruik gemaakt van en wordt verwezen naar definities die in eerdere publicaties zijn opgenomen. Wanneer door voortschrijdend inzicht definities worden aangepast, dan zal deze leidraad daar ook op worden aangepast.
34
Bijlage 2 Regionaal VeiligheidsTeam (RVT) Eén van de centrale onderdelen van het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming is de ontwikkeling van Regionale Veiligheidsteams (RVT’s). Een RVT bestaat uit een samenwerking- en samenvoeging van kennis, expertise en uitvoeringskracht van de organisaties uit de Veiligheidsketen (Gecertificeerde Instellingen (GI’s), Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). De RVT’s zijn een antwoord op de huidige, ingewikkelde structuur en overlap in werkzaamheden tussen de drie organisaties in de Veiligheidsketen. De brede wens is om dit in de toekomst eenvoudiger te gaan organiseren. De huidige kerntaken van de organisaties in de veiligheidsketen worden in de toekomst ondergebracht bij het RVT. In het Toekomstscenario worden de volgende taken aan het RVT toebedeeld: • • • • •
Het ondersteunen van de lokale teams in complexe casussen en bij crisissituaties; Het adviseren van de lokale teams over de inzet van specialistische hulp en de Afstemming daarvan met de jeugdbescherming; Het monitoren van de kwaliteit van de uitvoering van de kinder- en gezinsbescherming in de regio en het signaleren van knelpunten; Het faciliteren van kennisdeling en samenwerking tussen de lokale teams en andere partners in de regio; Het bijdragen aan de ontwikkeling en implementatie van een integrale aanpak van kinder- en gezinsbescherming in de regio.
Vanaf 2022 zijn er door het land heen elf proeftuinen gestart. In deze proeftuinen wordt door gemeenten/regio’s en de veiligheidsketen geëxperimenteerd met de inrichting van RVT’s. In de regio Zuid-Holland Zuid loopt er geen proeftuin. Wel volgen we nauw de ontwikkelingen in Amsterdam. Zowel de komst van de RVT’s als de vorm waarin deze georganiseerd gaan worden is op dit moment nog onderwerp van gesprek. Op dit moment is het uitgangspunt dat de organisaties gezamenlijk opgaan in een publiek rechtelijk rechtsorgaan. Het regionaal programmateam ZHZ benoemt voor het organiseren van het RVT het volgende resultaat: In 2027 heeft Zuid-Holland Zuid een operationeel Regionaal Veiligheidsteam waarin Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming en Gecertificeerde Instellingen vanuit één team de regio ondersteunt bij het adviseren, ondersteunen, monitoren en het delen van kennis op het gebied van veiligheidscasuïstiek. Het moge duidelijk zijn dat het behalen van dit resultaat in grote mate samenhangen met de komst van wet- en regelgeving. Op dit moment is de landelijke planning als volgt: • •
• •
Voorjaar 2024: landelijk besluit over de voorkeursvariant van de regionale veiligheidsteams. Eind 2024: Uitgewerkte en onderbouwde voorkeursvariant voor de benodigde aanpassing van het stelsel. Daarnaast een beeld van welke wetgeving in gang gezet moet worden. En inzicht van de benodigde transitie en transformatie(kosten). Tweede helft van 2025: landelijk politiek besluit. Als de middelen beschikbaar zijn kan een wetgevingstraject starten. Tweede helft 2027: afronding. Start transitie en transformatie.
35