CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Ecologische risicoanalyse weidevogels in windzoeklocatie S van RES Alblasserwaard

Parallelsessie raadzaal 12 februari 2026, gemeente GorinchemBij agendapunt: I&O - Update RES Alblasserwaard en verkenning windenergie locatie S15.399 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Notabene: De 1%-mortaliteitsnorm wordt niet gebruikt om het begrip ‘significantie’ uit te leggen. Het wordt gebruikt om een ordegrootte van effecten aan te geven waarbij zeker geen significante effecten optreden, omdat de sterfte procentueel zeer laag is ten opzichte van de jaarlijkse sterfte. Een veilige ‘eerste zeef’ dus. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State achtte dit een acceptabele werkwijze 1. Een grotere sterfte dan 1% van de totale jaarlijkse sterfte (in cumulatie met andere projecten) noodzaakt een aanvullende toetsing om te bepalen of het behalen van de IHD of SVI voor de desbetreffende soort in gevaar kan komen. Een dergelijke toetsing kan bijvoorbeeld bestaan uit het doorrekenen van de effecten (additionele sterfte) op de betrokken populatie met behulp van een populatiemodel, zoals uitgevoerd voor effecten van offshore windparken (Potiek et al. 2019, Lensink & van Horssen 2012).

5.4

Barrièrewerking In algemene zin is er sprake van een effectieve barrière als vogels door een windpark hun voedsel- of rustgebied niet kunnen bereiken of dergelijke gebieden in belangrijke mate minder functioneel worden. Bij een beperkt aantal windturbines, zoals bij windlocatie S, bestaan voldoende mogelijkheden voor vogels om voor het windpark uit te wijken of tussen de turbines door te vliegen (ruime tussenafstand van enkele honderden meters). Er is daarom geen sprake van barrièrewerking waarin foerageergebieden of slaapplaatsen onbereikbaar worden. Hooguit is sprake van enige hinder (vogels die omvliegen). De varianten zijn niet onderscheidend hierin.

1

Zie uitspraak ABRS van 1 april 2009 in zaaknr. 200801465/1/R2, uitspraak ABRS van 29 december 2010 in zaaknr. 200908100/1/R1, uitspraak ABRS van 8 februari 2012 in zaaknr. 201100875/1/R2 en de uitspraak ABRS van 7 oktober 2020 in zaaknr. 201903599/1/R2.

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

29

6 Effecten van windturbines op beschermd weidevogelgebied In onderstaand hoofdstuk worden de effecten van het windinitiatief windlocatie S op provinciaal beschermd weidevogelgebied (zie §1.2), beschreven. Het windinitiatief overlapt gedeeltelijk met belangrijk weidevogelgebied. De overlap heeft betrekking op ruimtebeslag door de windturbine(s) zelf alsook op overdraai (wanneer de wieken van de windturbine over het gebied heen draaien). In het geval van overdraai van windturbines over beschermd gebied is er juridisch gezien namelijk sprake van overlap van het project-/plangebied met het beschermd gebied (als vastgesteld voor het NNN: ABRvS 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3405). In variant A is er sprake van ruimtebeslag op het belangrijk weidevogelgebied door twee noordelijke (nieuwe) windturbines. Ook hebben deze windturbines overdraai over het belangrijk weidevogelgebied. De twee zuidelijke (reeds vergunde) windturbines hebben geen overlap met het belangrijk weidevogelgebied (Figuur B1 in Bijlage 1). Naast ruimtebeslag en overlap is mogelijk ook sprake van verstoring door de windturbines in het belangrijk weidevogelgebied. Dit heeft eveneens uitsluitend betrekking op de twee noordelijke windturbines (Figuur B1 in Bijlage 1). Het ruimtebeslag heeft tot gevolg dat het totaal oppervlak aan weidevogelgebied afneemt.

De overdraai en verdere mogelijke verstoring zorgt ervoor dat een deel van het weidevogelgebied afneemt in kwaliteit en mogelijk wordt gemeden door weidevogels. In variant B is sprake van ruimtebeslag op het belangrijk weidevogelgebied door één windturbine, namelijk de noordelijke in deze variant (nummer 1 in Figuur B2 in Bijlage 1). Deze windturbine heeft ook overdraai over belangrijk weidevogelgebied. Naast ruimtebeslag en overlap is mogelijk ook sprake van verstoring door de windturbines in het belangrijk weidevogelgebied. Dit betreft een tweetal windturbines, de noordelijk en oostelijk windturbine in deze variant (nummer 1 en 2 in Figuur B2 in Bijlage 1). Het ruimtebeslag heeft tot gevolg dat het totaal oppervlak aan weidevogelgebied afneemt. De overdraai en verdere mogelijke verstoring zorgt ervoor dat een deel van het weidevogelgebied afneemt in kwaliteit en mogelijk wordt gemeden door weidevogels. De mate van overlap met het belangrijkweidevogelgebied door overdraai en verstoring is voor beide varianten weergeven in Tabel 6.1. Daaruit komt naar voren dat variant A tot meer verstoord oppervlak leidt dan variant B. Variant A is ook de variant met het meeste ruimtebeslag (uitgaande van uitsluitend de windturbinemasten). Dit betreft wel de huidige situatie. Zie onderstaand de gevolgen van het nieuwe ontwerp van de begrenzing van de

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

30

provinciaal beschermde weidevogelgebied voor de mate van ruimtebeslag en overlap door overdraai en verstoringscontour van de windturbines in alternatief A en B. Tabel 6.1

Oppervlak aan overdraai en verstoringscontour (uitgaande van 200 m, zie §5.2) over belangrijk weidevogelgebied (in ha) in de twee varianten van Windlocatie S (zie H2). Dit is weergeven met en zonder inbegrip van de huidige verstoring (zie Tabel 7.1 voor de grootte van deze verstoringscontouren, zie Bijlage 1 voor visualisatie overlap). De oppervlakten aan overige bijkomende infrastructuur zoals onderhoudswegen zijn hierin niet bij inbegrepen. Variant A

Variant B

Overdraai over weidevogelgebied (incl. turbinevoet)

2,86

2,27

Overdraai over weidevogelgebied zonder huidige verstoring (incl. turbinevoet)

2,86

2,27

Verstoringscontour over weidevogelgebied (excl. overdraai)

20,09

10,93

Verstoringscontour over weidevogelgebied zonder huidige verstoring (excl. overdraai)

17,77

8,62

Totaal verstoord oppervlak in weidevogelgebied

22,95

13,20

Totaal verstoord oppervlak in weidevogelgebied zonder huidige verstoring

20,63

10,89

De omgevingsverordening ziet toe op het behoud van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied (zoals onder andere beschreven in de beleidsregel compensatie), en het behoud van oppervlak, kwaliteit en samenhang. Deze aspecten worden hieronder nader belicht. Oppervlak Doordat de masten van een deel van de windturbines in de varianten gepositioneerd zijn in belangrijk weidevogelgebied is er sprake van ruimtebeslag (zie kaarten in Bijlage 1). Verlies van oppervlak van belangrijk weidevogelgebied is dus in alle varianten aan de orde. Wel in verschillende mate, doordat in variant A twee windturbines in het belangrijk weidevogelgebied zijn gepositioneerd, waar dit in variant B één windturbine is. Naast ruimtebeslag door de windturbinemast(en) kan ook ruimtebeslag door bijkomende infrastructuur aan de orde zijn, zoals toegangswegen, maar dit is in deze fase nog niet bekend. Volgens het nieuwe ontwerp van de begrenzing van de provinciaal beschermde weidevogelgebieden is de overlap van het windinitiatief met beschermd weidevogelgebied groter als gevolg van een vergroting van het beschermde weidevogelgebied (zie kader §1.2). In de nieuwe situatie hebben alle windturbines in variant B ruimtebeslag (Figuur B4 in Bijlage 2). In variant A is liggen de zuidelijke (reeds vergunde) windturbines volgens de

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

31

nieuwe begrenzing op de rand van het beschermde weidevogelgebied, afhankelijk van de uiteindelijke positionering is er (naast bij de noordelijke windturbines) voor de zuidelijke ook sprake van ruimtebeslag (Figuur B3 in Bijlage 2). Volgens het nieuwe ontwerp is het betreffende weidevogelgebied ingedeeld in de categorie “kansrijk weidevogelgebied”. Namelijk weidevogelgebied met lagere dichtheden aan weidevogels maar waar wel potentie is. Ten opzichte van de huidige bescherming blijft het beschermingsniveau hetzelfde (zie kader in §1.2.1). Samenhang Het windinitiatief is gedeeltelijk gepositioneerd in het zuidelijke deel van het belangrijk weidevogelgebied en gedeeltelijk in het agrarisch gebied ten zuiden daarvan. Verder ten zuiden ligt de bebouwing van de plaats Gorinchem en is het toekomstige nieuwe bedrijventerrein Groote Haar voorzien. Van deze bebouwing gaat een zekere mate van verstoring uit. Het windinitiatief Zoeklocatie S ligt niet tussen (provinciaal beschermde) belangrijke weidevogelgebieden in. Zodoende zijn effecten op de samenhang van belangrijke weidevogelgebieden niet aan de orde. Dit geldt voor alle varianten. Het nieuwe ontwerp van de begrenzing van de provinciaal beschermde weidevogelgebieden (zie §1.2) veranderd niets aan deze beoordeling.

Kwaliteit De overdraai van de wieken van enkelen van de windturbines in de varianten hebben mogelijke verstoring tot gevolg, o.a. slagschaduw, geluids- en visuele (ver)storing. Deze verstoring reikt verder dan alleen de overdraaizone. Verstoringsafstanden en de mate waarin vogels de omgeving van de windturbines vermijden verschilt per soort, seizoen, locatie en functie van het gebied voor de vogels en is ook afhankelijk van de omvang en lay-out van het windpark. De verstoringsafstanden van weidevogelsoorten is over het algemeen in het broedseizoen (zeer) beperkt; maar voor grutto echter tot maximaal 200 m (zie §4.1). In de meeste gevallen verdwijnen niet alle vogels binnen de deze verstoringsafstand/-contour, maar worden de aantallen lager in vergelijking met soortgelijke gebieden zonder dezelfde verstoringsbron. Uitgaande van een verstoringscontour van 200 m voor weidevogels is er overlap met belangrijk weidevogelgebied (voor oppervlakten zie Tabel 6.1). Dit betreft de twee noordelijke windturbines in variant A en de noordelijke windturbine in variant B (zie Bijlage 1). Het valt zodoende niet op voorhand uit te sluiten dat de kwaliteit van het betreffende weidevogelgebied zal afnemen door de bouw en het gebruik van de windturbines op windlocatie S.

Dit is van toepassing op alle varianten en geldt ook onder het nieuwe ontwerp van de begrenzing van de weidevogelgebieden in de provincie ZuidHolland. Volgens het nieuwe ontwerp is het effect groter doordat de verstoringscontouren van ook de zuidelijke windturbines in variant A en de zuidelijke windturbines in variant B overlap hebben.

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

32

Kenmerken weidevogelgebied De kernwaarden van belangrijk weidevogelgebied zijn openheid, rust en voldoende hoog waterpeil. Grondwaterstanden zijn sterk bepalend voor de beschikbaarheid van voedsel en daarmee ook voor de vestiging van weidevogels. De grondwaterstanden worden in belangrijke mate gestuurd door slootpeilen. Een voldoende hoog grondwaterpeil is van belang omdat bij toenemende uitdroging van het bodemoppervlak regenwormen naar beneden migreren (Schekkerman 1997) en de bovenlaag moeilijk toegankelijk is voor weidevogels als grutto’s (Kleijn et al. 2009). Een hoger grondwaterpeil kan voorkomen dat de bodem uitdroogt en de bereikbaarheid van regenwormen vergroten. Plasdras kan een verhoogde beschikbaarheid van bodemfauna veroorzaken. Het uitgangspunt is dat voor de bouw van windlocatie S geen wateren gedempt hoeven te worden. Daarmee heeft het windinitiatief geen invloed op het grondwaterpeil en dus de geschiktheid van het gebied voor weidevogels, op dit aspect. Wel heeft het windinitiatief een effect op de openheid van het landschap en de rust in het gebied, doordat de windturbines opgaande objecten zijn welke geluidsverstoring veroorzaken (als verstoringsafstand van windturbines voor weidevogels wordt uitgegaan van maximaal 200 meter, zie H4). Voor de meeste weidevogels is openheid van het landschap vereist voor vestiging.

De ene soort is daarin kritischer dan de andere (Oosterveld & Altenburg 2005). Kieviten en scholeksters kruipen nog wel eens tussen opgaande begroeiingen, maar de meeste weidevogels worden daar niet aangetroffen. Met name de grutto en veldleeuwerik zijn storingsgevoelig met bebouwing, wegen, fietspaden, hoogspanningsleidingen en opgaande beplantingen (bosjes, singels, rietland en rietkragen) als verstorende elementen. Dit laatste, de opgaande begroeiing ontsluit het gebied namelijk voor predatoren. Weidevogels mijden ook locaties met veel menselijke activiteiten en geluid, vandaar dat de mate van verstoring een combinatie is van verstoring van de openheid, als menselijke verstoring. De windturbines zijn gedeeltelijk gepositioneerd in het zuidelijke deel van het belangrijk weidevogelgebied en gedeeltelijk in het agrarisch gebied ten zuiden daarvan. Verder ten zuiden ligt de bebouwing van de plaats Gorinchem en is het toekomstige nieuwe bedrijventerrein Groote Haar voorzien. Behoud van openheid blijft gewaarborgd in een groot deel van het weidevogelgebied. Wel wordt het zuidelijk deel, waar de windturbines zijn voorzien, minder geschikt voor weidevogels, zowel door het minder worden van de openheid van het landschap als door de verstoring die de windturbines kunnen veroorzaken.

Daarmee is niet uit te sluiten dat windlocatie S een negatief effect heeft op de kenmerken van het weidevogelgebied door afname van openheid en rust, hetzij in een beperkt gedeelte van het gebied. Dit is van toepassing op alle varianten. Wel is in variant A één windturbine meer voorzien in het belangrijk weidevogelgebied dan in alternatief B, dus is effect daarmee groter. Ook in het nieuwe ontwerp van de begrenzing van de weidevogelgebieden in de provincie Zuid-Holland is een negatief effect op de kenmerken van het weidevogelgebied niet uit te sluiten. Integendeel, dit is in het nieuwe ontwerp op een groter oppervlak van het gebied van toepassing, omdat, door uitbreiding van het weidevogelgebied naar het zuiden, een groter deel van het windinitiatief overlapt.

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

33

Conclusie: Het windinitiatief op windlocatie S heeft ruimtebeslag op belangrijk weidevogelgebied, ongeacht welke variant. De mate van overlap is de huidige situatie wel het grootst in variant A. Met de nieuwe begrenzing is dat mogelijk gelijk aan dat in variant B, afhankelijk van de positionering van de zuidelijke (reeds vergunde) windturbines in variant A ten opzichte van het kansrijke weidevogelgebied. Daarnaast zijn negatieve effecten van het windinitiatief op de kwaliteit en kenmerken van het weidevogelgebied niet uitgesloten door afname van openheid en rust en de verstoring die dat teweegbrengt. In de huidige situatie is de overlap van de verstoringscontour van de winturbines met het belangrijk weidevogelgebied het grootst in variant A. Volgens de nieuwe begrenzing is dit effect groter door meer overlap van het windinitiatief met het kansrijk weidevogelgebied. In deze situatie is de mate van overlap van de verstoringscontouren van de windturbines eveneens het grootst in variant A. Al deze effecten dienen op gelijkwaardige wijze tijdig gecompenseerd te worden. In H7 is nader uitgewerkt op welke wijze effecten gecompenseerd kunnen worden.

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

34

7 Mitigatie en compensatie van effecten Uit H5 en H0 zijn een aantal negatieve effecten van het windinitiatief Windlocatie S naar voren gekomen. Deze effecten kunnen worden beperkt door het nemen van mitigerende maatregelen en/of dienen te worden gecompenseerd. In onderstaand hoofdstuk wordt nader toegelicht welke mogelijkheden voor mitigatie en compensatie er zijn en hoe deze maatregelen toegepast kunnen worden. Ook zal worden ingegaan op de vraag of mitigatie en compensatie bij kan dragen aan het realiseren van de varianten.

7.1

Mitigatie Door middel van het nemen van mitigerende maatregelen kunnen de negatieve effecten van een windinitiatief (sterk) worden verminderd dan wel (gedeeltelijk worden) voorkomen. Deze maatregelen kunnen worden genomen vanuit het kader van de soortbescherming en gebiedsbescherming. Bouwfase Tijdens de werkzaamheden dient wezenlijke verstoring van broedende (weide)vogels en vernietiging van hun nesten en eieren te worden voorkomen. Dit kan door buiten het broedseizoen te werken. Het broedseizoen verschilt per soort. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Ow geen standaard periode gehanteerd. Globaal moet rekening worden gehouden met de periode half maart tot en met half augustus. Tijdens de werkzaamheden dient tevens voorkomen te worden dat het zuidelijk gelegen plasdrasgebied (in windlocatie S) verstoord wordt. Dit wordt in het vroege voorjaar (februari/maart) en aan het einde van het broedseizoen (juni/juli) gebruikt door weidevogels om te rusten, na of ter voorbereiding aan de trekperiode. Door niet te bouwen in de voornoemde perioden kunnen verstorende effecten op weidevogels in het plasdrasgebied voorkomen worden. Gebruiksfase Om aanvaringen van weidevogels, met name van grutto (zie §5.3), in de gebruiksfase te voorkomen is het stilzetten van de windturbines in de broedperiode een mogelijke oplossingsrichting.

Deze stilstandvoorziening moet voldoen aan de volgende voorwaarden om te verzekeren dat deze effectief is. • De stilstandsvoorziening dient uitgerust te zijn bij de turbines in het belangrijk weidevogelgebied, alsook degenen daarbuiten, omdat territoria van onder andere grutto nabij deze turbines zijn vastgesteld en vluchten in o.a. baltstijd in de gehele omgeving te verwachten zijn. • De stilstandvoorziening dient gedurende de daglichtperiode (tussen zonsopkomst en zonsondergang) in werking te zijn.

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

35

•

De stilstandvoorziening dient in werking te zijn gedurende de periode in het jaar dat veel baltsvluchten en andere risicovolle vluchten van de grutto op rotorhoogte plaatsvinden. Rekening houdend met variatie tussen broedseizoenen bedraagt deze periode half maart en half mei. Binnen deze periode vinden verreweg de meeste vluchten van grutto plaats (80% in WP Den Tol; Gyimesi et al. 2014) die bovendien voor een groter deel binnen het rotorbereik plaatsvinden dan voor en na deze periode (Gyimesi et al. 2014). De verwachting is dat met een dergelijke stilstand de sterfte van weidevogels, ook van grutto, sterk gereduceerd kan worden en dat de resterende (incidentele) sterfte onder de 1%-mortaliteitsnorm blijft. Bovenstaande voorwaarden gaan uit van een stilstandvoorziening op basis van vaste parameters (tijd van het jaar, tijd van de dag). Er bestaan ook mogelijkheden zoals stilstandsystemen die windturbines alleen stilzetten in geval een grutto nabij de windturbines vliegt (op basis van radar en/of camera). Een dergelijk systeem kan geschikt zijn als mitigerende maatregel mits de effectiviteit aangetoond kan worden. Dergelijke testresultaten zijn er voor weidevogels nog niet, maar worden wel in de komende jaren verwacht. Het toepassen van een dergelijke stilstandsvoorziening met soort-specifieke automatisch detectie kan de stilstand (op basis van vaste parameters) beperken.

Een andere mogelijkheid om de stilstandsvoorziening te beperken is door middels veldonderzoek naar vliegbewegingen van weidevogels in het gebied (tijdens de balts en in het broedseizoen) na te gaan of een stilstandsvoorziening voor alle windturbines noodzakelijk is, of dat op basis van de ligging van de territoria en waargenomen vliegbewegingen slechts enkele windturbines uitgerust dienen te worden met een stilstandsvoorziening in het broedseizoen. Kwaliteitsimpuls gebieden elders Een andere aanvullende potentiële oplossingsrichting is het verbeteren van de omvang en kwaliteit van broed- en/of foerageergebieden buiten het zoekgebied en in de directe omgeving van de broedlocatie, zodat netto de omvang en kwaliteit van het leefgebied van weidevogels niet achteruitgaat. Aangezien variant A één windturbine meer omvat dan variant B, is, bij een gelijke verstoringscontour en kwaliteit van het gebied, het beïnvloedde gebied en daarmee de benodigde kwaliteitsimpuls in variant A groter dan in variant B. Onder het verbeteren van de kwaliteit van het gebied elders kan ook verstaan worden het elders creëren van plasdrasgebied in plaats van het huidige zuidelijke plasdrasgebied. Dit plasdrasgebied is gelegen in windlocatie S. Daardoor zijn er risico’s op verstoring in de aanlegfase als ook vermijding van het plasdrasgebied in de gebruiksfase.

Door het huidige plasdrasgebied minder aantrekkelijk te maken voor weidevogels en elders geschikt plasdrasgebied te creëren kan worden voorkomen dat het windinitiatief op deze wijze een negatief effect heeft. Een dergelijke preventieve maatregel is echter niet eenvoudig uit te voeren en vraagt een omvangrijk (gebieds)proces. Zo is het bestaande plasdrasgebied met overheidssubsidie tot stand gekomen en is dit niet zomaar te ontmantelen en moet er elders geschikt gebied gevonden worden.

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

36

7.2

Compensatie Compensatie vanuit gebiedsbescherming Regels Omgevingsverordening In de Omgevingsverordening van Zuid-Holland (versie 1 juli 2025) is opgenomen dat verlies van waarden door ruimtelijke ontwikkelingen in belangrijke weidevogelgebieden gecompenseerd moeten worden. In de Beleidsregel compensatie natuur, recreatie en landschap Zuid-Holland 2013 is de volgende voorkeursladder voor compensatie opgenomen: a. fysieke compensatie van dezelfde natuurwaarden aansluitend aan of nabij het gebied van de ingreep b. indien de compensatie onder a redelijkerwijs niet mogelijk is dan moet de compensatie uitgevoerd worden met vergelijkbare waarden aan of nabij het gebied van de ingreep danwel fysieke compensatie elders c. financiële compensatie (alleen bij compensatieopgaven van kleiner dan 1 ha).

Op dit moment loopt een proces tot herziening van provinciale Omgevingsbeleid 1. In de voorgenomen herziening wordt het weidevogelgebied bij Windlocatie S opgenomen als kansrijk weidevogelgebied, vallend onder beschermingscategorie 2. Dit houdt in dat ontwikkelingen van het type 'inpassen' en van het type 'aanpassen' mogelijk zijn. Ontwikkelingen van het type 'transformeren' zijn uitgesloten. Ten opzichte van de huidige bescherming blijft het beschermingsniveau daarmee hetzelfde. Voor de weidevogelgebieden geldt (in ieder geval volgens het huidige beleid) een nee tenzij principe; nieuwe ontwikkelingen zijn niet toegestaan wanneer zij de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden significant aantasten, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële alternatieven voorhanden zijn (Artikel 2 Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap 2013). In dat geval moet schade zoveel mogelijk worden beperkt door mitigerende maatregelen en de resteren schade moet gecompenseerd worden. Compensatieplicht dient dan uitgevoerd te worden volgens de bovenstaande voorkeursladder (Artikel 5 Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap 2013).

In het proces van herziening is ook vermeld dat er wordt gekeken of de invulling van compensatie geactualiseerd kan worden zodat er bij compensatieplicht gerichter gestuurd kan worden op kwaliteitscompensatie in kansrijke gebieden. Ook is vermeld dat de compensatie in een redelijke verhouding moet staan tot de verloren waarden. De compensatieopgave is nog niet geconcretiseerd. Deze dient in een later stadium te worden bepaald. Om de compensatiemogelijkheden te verkennen is wel inzicht vereist in de ordegrootte van de compensatieopgave, dit wordt onderstaand uiteengezet. Compensatieopgave belangrijke weidevogelgebied Het ruimtebeslag van enkele van de windturbines in de alternatieven op het belangrijk weidevogelgebied, alsmede het effect van de overdraai en verdere verstoring (zie H0) dient

1

https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/omgevingsbeleid/lopende-herzieningen-omgevingsbeleid

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

37

gecompenseerd te worden. Voor de benodigde compensatie is uitgegaan van een maximale verstoringsafstand van 200 m (op basis van grutto, zie §4.1). Deze verstoringsafstand is de maximale afstand, waarbinnen bij gelijkblijvend habitat sprake is van lagere dichtheden van broedende weidevogels in vergelijking met een situatie zonder verstoringsbron. In dit rapport zijn we uitgegaan van het ‘worst-case scenario’ en gaan we ervan uit dat de in de literatuur gemelde waardes strak afgebakend zijn en dat er geen weidevogels in de verstoringsafstanden bevinden en dat het habitat dus ongeschikt is. Het berekende verlies aan habitat is opgenomen in Tabel 6.1. In de berekening zijn een tweetal situaties uiteengezet, het verstoorde oppervlak aan weidevogelgebied, en het verstoorde oppervlak aan weidevogelgebied met inbegrip van al reeds aanwezige verstoring. Hierbij valt te denken aan verstoring als gevolg van wegen, bebouwing, opgaande beplanting/ bosschages (zie Bijlage 1). De gehanteerde verstoringsafstanden daarvoor zijn opgenomen in Tabel 7.1. Uit de berekeningen van de grootte van het verstoord oppervlak in beide varianten (zoals opgenomen in Tabel 6.1) volgt dat voor variant A meer gecompenseerd moet worden dan voor variant B. De compensatieopgave voor beide alternatieven bedraagt, met inbegrip van de al reeds aanwezige verstoring, respectievelijk 21 ha en 11 ha (zie Tabel 7.1).

De compensatieopgave wordt namelijk beschouwd als het deel van het areaal aan aangetast leefgebied (door ruimtebeslag en/of verstoring) dat niet al negatief wordt beïnvloed of ongeschikt is voor weidevogels als de grutto. Gezien de al aanwezige verstoring in het weidevogelgebied (zie Bijlage 1 en 2), de territoria die ondanks dat aanwezig zijn, en de algehele doelstelling voor weidevogels voor het gebied, valt er wat voor te zeggen om de compensatieopgave zonder de reeds al aanwezige verstoring te beschouwen. In dat geval betreft de compensatieopgave een gebied van respectievelijk van 23 ha en 13 ha voor alternatief A en alternatief B (zie Tabel 6.1). Hierin zijn uitsluitend de windturbinemasten en overdraai, en verstoringscontour in beschouwing genomen. Ruimtebeslag op het belangrijk weidevogelgebied door de bijkomende infrastructuur kan aan de orde zijn, zoals toegangswegen, maar dit is in deze fase nog niet bekend. Met de nieuwe begrenzing van het beschermd weidevogelgebied (in de ontwerpherziening omgevingsbeleid 2025) zal de compensatieopgave groter zijn door meer overlap met het windinitiatief. Tabel 7.1

Overzicht van de reeds aanwezige verstoringsbronnen in windlocatie S en omgeving en bijbehorende verstoringsafstanden, naar Bruinzeel & Schotman (2011).

Verstoringsbron Rijksweg Bebouwing Bestaande wegen en hoogspanningslijnen Opgaande begroeiing/kleine boscchages

Maximale verstoringsafstand (m) 200 250 100 100

Idealiter wordt deze compensatieopgave uitgevoerd nabij de ingreep (zie voorkeursladder bovenstaand). Het huidige belangrijk weidevogelgebied beslaat voor een groot deel al het poldergebied waarin het windinitiatief is gelegen. In het kader van de herziening Omgevingsverordening wordt dat ook nog wat verder uitgebreid zuidwaarts. Daarmee blijft niet veel oppervlakte (percelen) over die nog aan het belangrijk weidevogelgebied kunnen

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

38

worden toegevoegd. Ten zuiden van het gebied, (tegen Gorinchem aan), en ten noordoosten van het gebied (bij Arkel) zijn nog wel mogelijkheden. Hier zouden de aanwezige percelen voor weidevogels geschikt kunnen worden door de inrichting en het beheer om te vormen naar (mozaïek)beheer, uitgevoerd door het Collectief Ablasserwaard/ Vijfheerenlanden. Dit vraagt dus wel om aanpassing van de agrarische bedrijfsvoering op deze percelen. Als alternatief kan worden onderzocht worden of er mogelijkheden zijn om de kwaliteit van het huidige belangrijk weidevogelgebied te vergroten of elders oppervlakten te compenseren.

Compensatie vanuit soortbescherming Naast een compensatieopgave voor beschermd weidevogelgebied is er ook een compensatieopgave vanuit soortbescherming (zie §5.2). Dit heeft betrekking op het verlies van leefgebied (broedhabitat) voor de grutto en tureluur. Veel van de waargenomen territoria in 2024 (zie Figuur 3.3) liggen in het beschermd weidevogelgebied. Waar nodig, wordt een compensatie van dit leefgebied al meegenomen in de compensatie van het beschermd weidevogelgebied. Echter, wanneer territoria buiten beschermd weidevogelgebied zijn gelegen en verstoring op deze broedgevallen niet uit te sluiten is, is mogelijk aanvullende compensatie nodig. Deze compensatieopgave is wel veel beperkter dan die voor het beschermd weidevogelgebied. Op basis van de data van 2024 lijkt dit alleen van toepassing voor de grutto (zie Figuur 3.3). Echter, om een gedegen analyse te kunnen doen van het areaal aan aangetast leefgebied is (idealiter) meerdere jaren aan territoria data benodigd. Een doorberekening van de compensatieopgave is in deze fase (daarom) nog niet uitgevoerd.

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

39

8 Conclusie en aanbevelingen Op basis van deze verkennende studie naar aanwezigheid van weidevogels in het zoekgebied, effecten op weidevogels in het gebied en de mogelijkheden tot mitigatie en compensatie van de effecten, geven wij in dit hoofdstuk een synthese/conclusie van de verschillende onderdelen. Daarnaast doen wij een aantal aanbevelingen.

8.1

Synthese en conclusies

8.1.1

Beschermde soorten In de bouwfase kunnen broedende weidevogels in de omgeving van het initiatief verstoord worden wanneer gewerkt wordt in het broedseizoen. Ook kunnen nesten en/of eieren vernietigd worden. Er wordt dan ook aanbevolen om de werkzaamheden buiten deze periode te plannen. Buiten de broedperiode kunnen weidevogels tijdelijk verstoord worden van het gebied van de ingreep, dit betreft veelal geen maatgevende verstoring. Er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden in de omgeving en het zoekgebied biedt geen uitzonderlijk aandeel hierin. Wel kan mogelijk verstoring plaatsvinden van steltlopers in plasdrasgebieden, afhankelijk van de ligging van de windturbines ten opzichte van het plasdrasgebied. Wanneer gewerkt wordt in de periode dat steltlopers van deze plasdrasgebieden gebruik maken (vroege voorjaar en na het broedseizoen), zijn significante effecten op deze soorten niet op voorhand uit te sluiten. Dit geldt voor alle varianten, maar zijn naar verwachting het grootst in variant A omdat deze variant de meeste windturbines nabij het plasdrasgebied heeft. In de gebruiksfase kan de aanwezigheid van windturbines leiden tot vermijding van leefgebied door weidevogels vanwege geluid, beweging of aantasting van de openheid van het landschap en verhoogde menselijke activiteit nabij de windturbines door bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden.

In alle varianten overlapt de overdraai en/of verstoringscontour van de beoogde windturbines (in) in zekere mate met de broedlocaties van weidevogels in het gebied. Dit leidt tot verlies van leefgebied (door ruimtebeslag en verstoring). Het verlies aan leefgebied kan voor grutto leiden tot een aantasting van de Gunstige Staat van Instandhouding (GSI). Dit betekent dat een verlies aan leefgebied opgevat moet worden als een aantasting van de GSI. Alle varianten kunnen zodoende leiden tot overtreding van verbodsbepalingen van artikel 11.37 Bal. Compensatie van het volledige verlies aan leefgebied is nodig om overtreding van deze verbodsbepalingen te voorkomen. Voor andere soorten weidevogels is de mate van verstoring dermate beperkt dat effecten op de (lokale) populaties en de GSI van de soort kan worden uitgesloten. Ook buiten de broedtijd kan vermijding optreden. Er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden voor niet-broedende weidevogels in de omgeving en het zoekgebied biedt geen uitzonderlijk

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

40

aandeel hierin. Wel kan mogelijke vermijding van het zuidelijk gelegen plasdrasgebied door steltlopers plaatsen, afhankelijk van de ligging van de windturbines ten opzichte van het plasdrasgebied. Significante effecten op deze soorten zijn op voorhand niet uit te sluiten. Dit geldt voor alle varianten, maar zijn naar verwachting het grootst in variant A omdat deze variant een windturbine het dichtst bij het plasdrasgebied heeft. Naast vermijding kan het windinitiatief ook leiden tot sterfte onder lokale weidevogels. Op basis van een deskundigenoordeel wordt tussen de varianten geen verschil voorzien in de ordegrootte van sterfte. De varianten zijn hierin dus niet onderscheidend. Omdat het in alle varianten gaat om voorzienbare sterfte, is sprake van schadelijke handelingen in het kader van de Ow en is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig en/of dienen maatregelen genomen te worden om dit te voorkomen. Een effect van barrièrewerking van de windturbines in de gebruiksfase is voor dit windinitiatief niet voorzien.

8.1.2

Provinciaal beleid Binnen het zoekgebied is Provinciaal beschermd weidevogelgebied gelegen. Realisatie van windturbines binnen weidevogelgebied is beleidsmatig niet uitgesloten. Wanneer ontwikkelingen in het gebied een de oppervlakte of kwaliteit van het gebied significant aantasten, moet deze aantasting gecompenseerd worden. Effecten op de functionaliteit (zowel verstoring als sterfte) van de weidevogelgebieden kunnen niet worden uitgesloten. Aanbevolen wordt om windturbines op ten minste 200 m afstand (maximaal voorziene verstoringscontour) van de weidevogelgebieden te realiseren. In de overwogen alternatieven (A en B) is dit niet aan orde, maar is er overlap (in ruimtebeslag, overdraai en verstoringscontour) met het beschermde weidevogelgebied. Compensatie is zodoende noodzakelijk. Daarnaast wordt aanbevolen om mitigerende maatregelen te nemen (zie H7).

8.2

Mitigatie- en compensatiemogelijkheden Gezien het ruimtebeslag van enkele van de windturbines in de alternatieven op het belangrijk weidevogelgebied, de overdraai en verdere verstoring, is sprake van een compensatieverplichting voor het verloren gaande provinciaal beschermde belangrijk weidevogelgebied. Dit is ook het geval wanneer gekeken wordt naar het kansrijk weidevogelgebied, volgens de ontwerpherziening omgevingsbeleid 2025. Idealiter wordt deze compensatieopgave uitgevoerd nabij de ingreep. In het huidige poldergebied zijn daar nog enkele mogelijkheden voor, hetzij beperkt. Ook kan worden bekeken of er mogelijkheden zijn om de kwaliteit van het huidige al ruimtelijk beschermd weidevogelgebied te vergroten of elders oppervlakten te compenseren. Ook vanuit soortbescherming is er mogelijk een aanvullende compensatieopgave voor leefgebied van de tureluur en de grutto. De omvang van deze compensatie dient nader bepaald te worden. Daarnaast wordt aanbevolen om mitigerende maatregelen te nemen, om negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken, zowel vanuit het kader van de soortbescherming als gebiedsbescherming. Denk hierbij, in de bouwfase aan het werken buiten de broedperiode en de periode waarin plasdrasgebied van belang is voor weidevogels. In de gebruiksfase zijn mogelijke maatregelen het toepassen van stilstand in de kritische (broed) periode (mogelijk

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

41

aangestuurd door detectiesystemen) en het optimaliseren van het gebied elders. De alternatieven zijn hierin niet onderscheidend.

8.3

Aanbevelingen In een eventueel vervolgtraject (ruimtelijke procedure, omgevingsvergunningentraject) zal een natuurtoets moeten worden uitgevoerd, o.a. ten behoeve van de onderbouwing voor de noodzakelijke omgevingsvergunning(en) in het kader van de Omgevingswet. Om de effecten op beschermde natuurwaarden goed te kunnen bepalen en beoordelen is met name extra informatie nodig over het gebiedsgebruik van vogels en vleermuizen. Het wordt aanbevolen om aanvullend broedvogel-, wintervogel- en vleermuisonderzoek uit te voeren. Tevens wordt aanbevolen om tijdens het broedseizoen, in de kritische periode voor weidevogels (baltsperiode), aanvullend onderzoek naar vliegbewegingen in het gebied te doen. En in de periode voorafgaand en na het broedseizoen het gebruik van het plasdrasgebied in kaart te brengen. Ook het uitvoeren van nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van vogels, verblijfplaatsen van kleine marterachtigen, verblijfplaatsen van vleermuizen en overige beschermde soorten kan aan de orde zijn, afhankelijk van de exacte windturbineposities. Tenslotte dient een mitigatie- en compensatieplan opgesteld te worden.

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

42

Literatuur Baptist, H., 2005. Vogelslachtofferonderzoek Roggenplaat, rapportage 2004-2005. Rapport 2005/3. Ecologisch Adviesbureau Henk Baptist, Kruisland. Beuker, D., W. Lengkeek, R.C. Fijn & H.A.M. Prinsen, 2009. Duikeenden nabij Windpark Lely, Medemblik. Beknopt veldonderzoek naar gedrag en voedsel- beschikbaarheid. Rapport 09142. Bureau Waardenburg, Culemborg. Beuker, D. & R. Lensink, 2010. Monitoring windpark windturbines Echteld. Onderzoek naar aanvaringsslachtoffers onder lokale en trekkende vogels. Rapport 10-033. Bureau Waardenburg, Culemborg. BirdLife Europe, 2011. Meeting Europe’s renewable energy targets in harmony with nature. RSPB, Sandy, UK. Brenninkmeijer, A. & C. van der Weyde, 2011. Monitoring vogelaanvaringen Windpark Delfzijl-Zuid 2006-2011. A&W-rapport 1656. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Collectief Alblasserwaard/Vijfheerenlanden, 2016. Compensatieplan weidevogels bedrijventerrein Groote Haar. Desholm, M., A.D. Fox, P.D.L. Beasley & J. Kahlert, 2006. Remote techniques for counting and estimating the number of bird-wind turbine collisions at sea: a review. Ibis 148: 76-89. Devereux, C.L., M.J.H. Denny & M.J. Whittingham, 2008. Minimal effects of wind turbines on the distribution of wintering farmland birds. J. Appl. Ecol. 45: 1689-1694. Eglington, S.M., M. Bolton, M. A. Smart, W. J. Sutherland, A. R. Watkinson & J. A. Gill, 2010.

Managing water levels on wet grasslands to improve foraging conditions for breeding northern lapwing Vanellus vanellus. Journal of Applied Ecology 47: 451-458. Erickson, W.P., M.M. Wolfe, K.J. Bay, D.H. Johnson & J.L. Gehring, 2014. A comprehensive analysis of small-passerine fatalities from collision with turbines at wind energy facilities. PLoS One 9(9). Everaert, J., 2008. Effecten van windturbines op de fauna in Vlaanderen. Onderzoeksresultaten, discussie en aanbevelingen. Rapport INBO.R.2008.44. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Everaert, J., 2014. Collision risk and micro-avoidance rates of birds with wind turbines in Flanders. Bird Study 61: 220-230. Fijn, R.C., K.L. Krijgsveld, W. Tijsen, H.A.M. Prinsen & S. Dirksen, 2012. Habitat use, disturbance and collision risks for Bewick’s Swans Cygnus columbianus wintering near a wind farm in the Netherlands. Wildfowl 62: 97-116. Fijn, R.C., K.L. Krijgsveld, H.A.M. Prinsen, W. Tijsen & S. Dirksen, 2007. Effecten op zwanen en ganzen van het ECN windturbines testpark in de Wieringermeer. Aanvaringsrisico’s en verstoring van foeragerende vogels. Rapport 07-094. Bureau Waardenburg, Culemborg. Gove, B., R. Langston, A. McCluskie, J. D. Pullan & I. Scrase, 2013. Windfarms and birds: an updated analysis of the effect of wind farm on birds, and best practice guidance on integrated planning and impact assessment.

BirdLife International on behalf of the Bern Convention, Strasbourg, 89. Van Groen, F.M., 2024. Weidevogels in de Alblasserwaard. Vlakdekkende inventarisatie 2023 en 2024. G&G-rapport 2024-28. Van der Goes en Groot. Grünkorn, T., J. Blew, T. Coppack, O. Krüger, G. Nehls, A. Potiek, M. Reichenbach, J. von Rönn, H. Timmermann & S. Weitekamp, 2016. Ermittlung der Kollisionsraten von (Greif)Vögeln

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

43

und Schaffung planungsbezogener Grundlagen für die Prognose und Bewertung des Kollisionsrisikos durch Windenergieanlagen (PROGRESS). Schlussbericht zum durch das Bundesministerium für Wirtschaft und Energie (BMWi) im Rahmen des 6. Energieforschungsprogrammes der Bundesregierung geförderten Verbundvorhaben PROGRESS, FKZ 0325300A-D. Gyimesi, A.,W. Van Battum & C. Heunks, 2014. Vlieggedrag van grutto’s in plangebied windpark Den Tol. Onderzoek in het kader van de m.e.r.. Rapport 14-177. Bureau Waardenburg, Culemborg. Gyimesi, A., J.C. Hartman, D. Beuker, L.S.A. Anema & H.A.M. Prinsen, 2013. Vliegbewegingen van kolonievogels bij (toekomstige) windparken op de Eerste en Tweede Maasvlakte. Veldonderzoek naar flux, vlieghoogtes en aanvaringsslachtoffers. Rapport 12-194. Bureau Waardenburg, Culemborg. Hötker, H., 2017. Birds: displacement. In: M.R. Perrrow (Ed.), Wildlife and wind farms, conflicts and solutions. Volume 1: Onshore: Potential Effects. Pelagic Publishing, Exeter, UK. Hötker, H., K.-M. Thomsen & H. Köster, 2006. Impacts on biodiversity of exploitation of renewable energy sources: the example of birds and bats. Facts, gaps in knowledge, demands for further research, and ornithological guidelines for the development of renewable energy exploitation. Michael-Otto-Institut im NABU, Bergenhusen. Jeninga, S.K., 2018. De invloed van windturbines op het vlieggedrag van vogels.

Onderzoek naar uitwijkingsgedrag, met aandacht voor de kleine mantelmeeuw. Afstudeerscriptie. WUR, Wageningen. Jonge Poerink, B., J.J.A. Dekker, J.M. Van der Ende, J. Loonstra & E. Oosterveld, 2021. Monitoring pilot project beheer steenmarters 12 beheergebieden provincie Fryslân – 2021. Ecosensys / Jasja Dekker Dierecologie / Altenburg & Wymenga, Zuurdijk / Arnhem / Veenwouden. Kleijn, D., Dimmers, W., van Kats, R., & Melman, D. (2009). Het belang van hoog waterpeil en bemesting voor de Grutto: I. de vestigingsfase. De Levende Natuur, 110(4), 180-183. Klop, E. & A. Brenninkmeijer, 2014. Monitoring aanvaringsslachtoffers Windpark Eemshaven 20092014, Eindrapportage vijf jaar monitoring. A&W-rapport 1975. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Krijgsveld, K.L. & D. Beuker, 2009. Vogelslachtoffers bij windpark Anna Vosdijk op Tholen. Onderzoek naar aanvaringen onder trekkende steltlopers en overwinterende smienten. Rapport 09-072. Bureau Waardenburg, Culemborg. Krijgsveld, K.L., K. Akershoek, F. Schenk, F. Dijk, H. Schekkerman & S. Dirksen, 2009. Collision risk of birds with modern large wind turbines: reduced risk compared to smaller turbines. Ardea 97: 357-366. Langgemach, T. & T. Dürr, 2025. Informationen über Einflüsse der Windenergienutzung auf Vögel. Landesamt für Umwelt Brandenburg, Nennhausen. Marques, A.T., C.D. Santos, F. Hanssen, A. Muñoz, A. Onrubia, M.

Wikelski, F. Moreira, J.M. Palmeirim & J.P. Silva, 2019. Wind turbines cause functional habitat loss for migratory soaring birds. J. Anim. Ecol. 89: 93-103. Morinha, F., P. Travassos, F. Seixas, A. Martins, R. Bastos, D. Carvalho, P. Magalhães, M. Santos, E. Bastos & J.A. Cabral, 2014. Differential mortality of birds killed at wind farms in Northern Portugal. Bird Study 61: 255-259. Musters, C.J.M., M.A.W. Noordervliet & W.J.T. Keurs, 1996. Bird casualties caused by a wind energy project in an estuary. Bird Study 43: 124-126.

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

44

Oosterveld, E.B. & W. Altenburg, 2005. Kwaliteitscriteria voor weidevogelgebieden, met toetslijst (tweede druk). A&W-rapport 412. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv, Veenwouden. Oosterveld, E.B., L.W. Bruinzeel & E. Wymenga, 2014. Ecologie van weidevogels: Kennisbundeling voor bescherming en beheer. A&W-rapport 1831. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Pearce-Higgins, J.W., L. Stephen, A. Douse & R.H.W. Langston, 2012. Greater impacts of wind farms on bird populations during construction than subsequent operation: results of a multisite and multi-species analysis. J. Appl. Ecol. 49: 386-394. Reichenbach, M., 2015. Gefährdung von Vögeln durch Windkraftanlagen. UVP-Report 29: 179-184. Schaut, C., K. Aper & C. Derde, 2008. Aanvaring van vogels met MW-windturbines in de haven van Antwerpen. Rapport 2008-CS1. Fortech Studie bvba, Vrasene. Schekkerman, H., 1997. Granslandbeheer en groeimogelijkheden voor weidevogelkuikens. Dienst Landelijk Gebied, Utrecht/IBN-DLO, Wageningen. Smallwood, K.S. & B. Karas, 2009. Avian and bat fatality rates at old-generation and repowered wind turbines in California. J. Wildl. Manage. 73: 1062-1070. Steinborn, H. & P. Steinmann, 2014. 13 Jahre später - wie entwickeln sich die Wiesenvogelbestände im Windpark Hinrichsfehn? Positionen 06/2014. Arsu GmbH, Oldenburg. Steinborn, H., M. Reichenbach & H. Timmermann, 2011.

Windkraft - Vögel - Lebensräume. Ergebnisse einer siebenjährigen Studie zum Einfluss von Windkraftanlagen und Habitatparametern auf Wiesenvögel. Arsu GmbH, Oldenburg. Teunissen, W. A., H. Schekkerman, & F. Willems, 2005. Predatie bij weidevogels. Op zoek naar de mogelijke effecten van predatie op de weidevogelstand. SOVON-onderzoeksrapport, 11. Thaxter, C.B., G.M. Buchanan, J. Carr, S.H.M. Butchart, T. Newbold, R.E. Green, J.A. Tobias, W.B. Foden, S. O’Brien & J.W. Piearce-Higgins, 2017. Bird and bat species’ global vulnerability to collision mortality at wind farms revealed through trait-based assessment. Proc. Royal Soc. B: Biol. Sciences 284: 20170829. Verbeek, R.G., D. Beuker, J.C. Hartman & K.L. Krijgsveld, 2012. Monitoring vogels Windpark Sabinapolder. Onderzoek naar aanvaringsslachtoffers. Rapport 11-189. Bureau Waardenburg, Culemborg. Whalen, C.E., 2015. Effects of wind turbine noise on male Greater Prairie-Chicken vocalizations and chorus. M.Sc. thesis, University of Nebraska-Lincoln, Lincoln, NE, USA. Winkelman, J.E., 1989. Vogels en het windpark nabij Urk (NOP): aanvaringsslachtoffers en verstoring van pleisterende eenden ganzen en zwanen. RIN-rapport 89/15. RIN, Arnhem. Winkelman, J.E., 1992. De invloed van de Sep-proefwindcentrale te Oosterbierum (Fr.) op vogels. 1. Aanvaringsslachtoffers. RIN-rapport 92/2. IBN-DLO, Arnhem. Winkelman, J.E., F.H. Kistenkas & M.J.

Epe, 2008. Ecologische en natuurbeschermingsrechtelijke aspecten van windturbines op land. Alterra, Wageningen. Zwart, M.C., J.C. Dunn, P.J.K. McGowan & M.J. Whittingham, 2016. Wind farm noise suppresses territorial defense behavior in a songbird. Behav. Ecol. 27: 101-108.

ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WEIDEVOGELS IN WINDZOEKLOCATIE S VAN RES ALBLASSERWAARD ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=ea33f643-2d62-44da-bf4c-81b14aac301e