Bijlage C nota van zienswijzen def
Tekst van het document
Bijlage E
Nota van beantwoording zienswijzen
Omgevingsplan wijziging bodemregels Gemeente Gorinchem
Inhoud 1. Inleiding 2. Nota van beantwoording Thema Bodem 2.1. Zienswijze Waterschap Rivierenland 2.2. Zienswijze AKD / Heros Sluiskil
1. Inleiding In overeenstemming met artikel 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) en Artikel 16.30 van de Omgevingswet, heeft de 'Omgevingsplan wijziging bodemregels gemeente Gorinchem', na publicatie in het Gemeenteblad en de Stad Gorinchem van 9 juli 2025 tot en met 19 augustus 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen op https://officielebekendmakingen.nl en op het gemeentekantoor. In deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gekregen om een zienswijze in te dienen op de omgevingsplanwijziging. Omgevingsplan wijzigen bodemregels gemeente Gorinchem In de voornoemde periode zijn er 2 zienswijzen ingediend op het Omgevingsplan wijzigen bodemregels gemeente Gorinchem
1
Indiener zienswijze Waterschap Rivierenland
2
AKD / Heros Sluiskil B.V.
Adres De Blomboogerd 1, 4003 BX Tiel Wilheminakade 1, 3072 AP Rotterdam (AKD). Oostkade 5, 4541 HH Sluiskil (Heros Sluiskil)
Datum 12 augustus 2025 Ingekomen 15 augustus 2015 14 augustus 2025 Ingekomen 15 augustus 2015
In het volgende hoofdstuk is een samenvatting gegeven van de ontvangen zienswijzen en zijn de zienswijzen van gemeentelijk commentaar voorzien. Vervolgens is in een conclusie per zienswijze aangegeven of de zienswijze heeft geleidt tot aanpassingen van het ontwerp omgevingsplan. Ontvankelijkheid Alle zienswijzen zijn binnen de termijn door de gemeente ontvangen. De zienswijzen zijn ontvankelijk. Leeswijzer In hoofdstuk 2 zijn de zienwijzen toegelicht, samengevat en beantwoord.
2. Beantwoording zienswijzen Onderdelen van de ingediende zienswijzen die niet expliciet worden genoemd in de samenvatting zijn wel bij de beoordeling betrokken. De zienswijzen zijn dus in hun geheel beoordeeld.
2.1.
Zienswijze Waterschap Rivierenland
Het waterschap heeft op de volgende 7 Onderwerpen een zienswijze ingediend: 1. Onderwerp 1: Redelijkheid en billijkheid van toepassingsvereisten en saneringsopgave 2. Onderwerp 2: Onderscheid normen in toepassingsvereisten en terugsaneerwaarden PFAS 3. Onderwerp 3: Algemene kwaliteit wegbermen 4. Onderwerp 4: Zoutgehalte wegbermen in relatie tot gladheidbestrijding 5. Onderwerp 5: Bruikbaarheid bodemkwaliteitskaarten 6. Onderwerp 6: Baggerdepots 7. Onderwerp 7: Verwijzing naar normdocumenten Allereerst wordt de zienswijze samengevat en puntsgewijs weergegeven. Vervolgens wordt de zienswijze van een reactie voorzien. Onderwerp 1: Redelijkheid en billijkheid van toepassingsvereisten en saneringsopgave Samenvatting 1. 2.
3.
Reclamant stelt dat het over het algemeen niet verantwoordelijk is voor PFAS-verontreiniging, behalve in beperkte mate via zuiveringsinstallaties of specifieke puntbronnen. De meeste vervuiling komt door atmosferische depositie, waar Reclamant geen invloed op heeft. Door het aangescherpte bodembeleid is minder grond herbruikbaar in projecten van reclamant. Hierdoor moet meer grond worden afgevoerd en gereinigd, wat leidt tot hogere kosten (ca. €140 per m³). Dit gaat ten koste van duurzaamheidsdoelen, door extra transport, meer uitstoot en toenemend gebruik van primaire grondstoffen. Reclamant betwijfelt de redelijkheid van de gekozen terugsaneerwaarde van 2,3 µg/kgds voor PFOA in onder andere wegbermen en moestuinen, vooral omdat het zelf geen veroorzaker is. Door grootschalige grondwerkzaamheden wordt het onevenredig hard geraakt door de nieuwe regels. Reclamant plaatst vraagtekens bij de proportionaliteit van het beleid: de maatschappelijke kosten van uitvoering zijn hoog, terwijl andere milieueffecten (zoals herverontreiniging, uitstoot en grondstoffengebruik) onvoldoende lijken meegewogen.
Beantwoording 1.
2. 3.
Bij grond ontgraven en toepassen heeft het waterschap over het algemeen niet te maken met terugsaneerwaarden. Er is namelijk over het algemeen geen sprake van de milieubelastende activiteit '"saneren van de bodem". Er is sprake van de milieubelastende activiteit '"Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit", "Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit " of “Toepassen van grond of baggerspecie. Bij deze activiteiten gelden geen terugsaneerwaarden. Zie beantwoording punt 1. Reclamant heeft geen saneringsopgave. Bij toepassen van grond komt het waterschap wel in aanraking met de verscherpte normen voor toe te passen grond. Hier wordt hieronder door het waterschap verder op ingegaan.
Onderwerp 2: Onderscheid normen in toepassingsvereisten en terugsaneerwaarden PFAS Samenvatting 1.
2.
Reclamant stelt voor om de terugsaneerwaarde voor PFOA in wegbermen gelijk te stellen aan die van groenzones binnen woongebieden (bodemfunctie 'Wonen'), namelijk 7 µg/kgds in plaats van de voorgestelde 2,3 µg/kgds. Volgens reclamant sluit dit beter aan bij het feitelijke gebruik van wegbermen en beperkt dit de uitvoeringslasten en kosten. Reclamant verzoekt tevens om de toepassingscriteria voor grond in overeenstemming te brengen met de bovengenoemde wijziging in terugsaneerwaarden. Hoewel dit nog steeds een aanscherping is ten opzichte van de huidige toepassingsnorm (10 µg/kgds), acht men de gevolgen voor de uitvoerbaarheid aanmerkelijk minder zwaar.
3.
Reclamant constateert dat in het omgevingsplan geen duidelijk beleid is opgenomen voor het tijdelijk uitnemen van met PFAS verontreinigde grond, dat wil zeggen het ontgraven en onder gelijke condities terugplaatsen van grond met concentraties boven de toepassingswaarden. Het verzoekt om hierover helderheid te verschaffen in het plan.
Beantwoording 1. Zoals eerder aangegeven zijn de terugsaneerwaarden niet van toepassing op graafwerkzaamheden en toepassen van grond. Bij toepassen van grond zijn wel lokale maximale waarden voor PFOA van toepassing. Deze zijn voor wegbermen die volgens de bodemfunctiekaart in de zone landbouw/natuur liggen 2,3 ug/kg ds. Maar zoals hierboven aangegeven gaat het volgens reclamant om hergebruik van grond binnen een project, zodat afvoer wordt voorkomen. Binnen een project is het op basis van rijksregels toegestaan om grond die niet sterk verontreinigd is her te gebruiken. Hiervoor heeft het rijk regels gesteld in artikel 4.1222a van het Bal (tijdelijke uitnemen). Deze regels worden verder uitgelegd door het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO): https://iplo.nl/thema/bodem/regelgeving/hergebruikbouwstoffen-grond-baggerspecie/tijdelijk-uitnemen-grond-baggerspecie/ Voor het eventueel niet onder dezelfde omstandigheden terugplaatsen van grond (dit is een afwijking op artikel 4.1222a Bal) kan een maatwerkbesluit met maatwerkvoorschriften worden aangevraagd. Dit maatwerk is gezien de situatie acceptabel: Het wijzigt de samenstelling van en emissie uit de bodem nauwelijks en leidt niet tot (extra) aantasting van de bodem. En er wordt zodoende zuinig omgaan met energie en grondstoffen. 2. Zie beantwoording punt 1. 3. Zoals bij het vorige punt aangegeven voorziet het rijksbeleid hierin.
Zie in het besluit activiteiten leefomgeving de regels voor de milieubelastende activiteit "Graven in bodem 8 met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit" (paragraaf 3.2.21 en paragraaf 4.119. En zie het IPLO: https://iplo.nl/thema/bodem/regelgeving/hergebruikbouwstoffen-grond-baggerspecie/tijdelijk-uitnemen-grond-baggerspecie/ Onderwerp 3: Algemene kwaliteit wegbermen Samenvatting 1. In de huidige decentrale beleidsregels wordt onderscheid gemaakt tussen wegbermen binnen en buiten de bebouwde kom. Voor bermen buiten de bebouwde kom geldt dat de bodemkwaliteit en toe te passen grond moeten voldoen aan de kwaliteitsklassen wonen of landbouw/natuur; voor bermen binnen de bebouwde kom ontbreekt een dergelijke bepaling. 2. Reclamant verzoekt dit onderscheid te laten vervallen, omdat de milieubeschermingsbehoefte in beide situaties niet wezenlijk verschilt. 3. Daarnaast pleit reclamant ervoor om, met het oog op mogelijke blootstelling, de toepassingswaarden voor toe te passen grond in wegbermen in het algemeen gelijk te stellen aan de bodemfunctieklasse wonen. 1.
2. 3.
Beantwoording Als we geen onderscheid maken, dan zou de kwaliteitseis uit het rijksbeleid (Bal, artikel 4.1272) gelden. Op basis daarvan mag in wegbermen buiten de bebouwde kom, met uitzondering van bermen bij enkele lintbebouwingen, alleen grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur worden toegepast. Bij sommige lintbebouwing mag volgens rijksbeleid de kwaliteitsklasse wonen worden toegepast. Zie ook de toepassingskaart op website OZHZ: https://geo.ozhz.nl/?@Bodeminformatie. Wegbermen binnen de bebouwde kom liggen volgens de bodemfunctiekaart veelal in de zone wonen of industrie. Voor wegbermen in deze zones geld het landelijke beleid, die aangeeft dat de toe te passen grond van de kwaliteitsklasse wonen of industrie of schoner moet zijn als de bodemkwaliteit in die zone volgens de bodemkwaliteitskaart schoner is. Dan geldt de kwaliteit van de bodemkwaliteitskaart voor de toe te passen grond. De noodzakelijke kwaliteit is te zien op de toepassingskaart op de website van OZHZ: https://geo.ozhz.nl/?@Bodeminformatie. In sommige gevallen betekent dat dat de grond van kwaliteitsklasse landbouw/natuur moet zijn en in andere gevallen klasse wonen of industrie. De gebieden waarin de kwaliteit landbouw/natuur geld dat deze zones die kwaliteit ook hebben. Een versnippering van de bodemkwaliteit is in deze zones niet wenselijk.
Ons lokale beleid is een versoepeling ten opzichte van het rijksbeleid en stelt dat in alle wegbermen buiten de bebouwde kom grond van de kwaliteitsklasse wonen (of schoner) mag worden toegepast. Beantwoording punt 1. Beantwoording punt 1.
Onderwerp 4: Zoutgehalte wegbermen in relatie tot gladheidbestrijding Samenvatting 1. 2.
Reclamant stelt dat het strooien van zout bij gladheidsbestrijding leidt tot chlorideverontreiniging in de bermen langs wegen, maar dat in de decentrale regels geen uitzonderingsbepaling is opgenomen voor deze vorm van verontreiniging. Reclamant verzoekt om een uitzonderingsbepaling op te nemen in het omgevingsplan voor chlorideverontreiniging die aantoonbaar het gevolg is van gladheidsbestrijding, om zo onnodige zorgplichten te voorkomen.
Beantwoording 1.
2.
Met het opnemen van een uitzonderingsbepaling gaan we er vanuit dat u bedoeld of er mogelijkheden bestaan voor de gemeente om een maatwerkregel op te nemen voor een bodemverontreiniging als gevolg van de gladheidsbestrijding. Een maatwerkregel is een lokale uitwerking van een algemene regel van het Rijk of de provincie. Decentrale bestuursorganen kunnen alleen maatwerkregels stellen als ze daarvoor de bevoegdheid krijgen van een hoger bestuursorgaan. Allereerst merken we op dat u (zoals u zelf al stelt) als wegbeheerder op grond van de Omgevingswet een zorgplicht heeft om alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd te nemen om de nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen, dan wel zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Naast de algemene zorgplichten is er nog een specifieke zorgplicht op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Op grond van artikel 2.12 van het Bal kan een gemeente maatwerkregels opnemen in zijn Omgevingsplan. Het is echter niet mogelijk om met een maatwerkregel af te wijken van deze specifieke zorgplicht (deze mag niet versoepeld worden). Uitzonderingsbepalingen opnemen doormiddel van een maatwerkregel is dus niet mogelijk. Zie beantwoording punt 1.
Onderwerp 5: Bruikbaarheid bodemkwaliteitskaarten Samenvatting 1. Het omgevingsplan staat toepassing van grond op basis van alleen bodemkwaliteitskaarten niet toe, ongeacht de statistische betrouwbaarheid ervan. Een aanvullend bewijsmiddel zoals een verkennend bodemonderzoek of partijkeuring is verplicht. Tijdelijk uitnemen van grond zonder aanvullend onderzoek lijkt echter nog steeds mogelijk, hoewel dit niet expliciet is vermeld. 2. Wanneer tijdelijk uitnemen niet mogelijk of toereikend is, moet aanvullend onderzoek worden uitgevoerd. Dit brengt extra kosten met zich mee, omdat verkennend bodemonderzoek of partijkeuring noodzakelijk is voor specifieke partijen grond. 3. Er wordt gevraagd om in het omgevingsplan voldoende ruimte te bieden voor het tijdelijk uitnemen van grond (ontgraven en terugbrengen op of nabij dezelfde locatie onder dezelfde omstandigheden), ook als de concentraties hoger zijn dan de toepassingswaarde voor nieuw toe te passen grond. 4. Gezien de eisen aan de statistische onderbouwing van bodemkwaliteitskaarten, wordt verzocht om hergebruik van grond binnen het samenwerkingsverband van het beheergebied van Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid toe te staan zonder aanvullend bodemonderzoek. Beantwoording 1.
2.
Dat klopt. Dit valt onder de activiteit "graven" en niet onder de activiteit "toepassen van grond of baggerspecie". Bij het verrichten van de activiteit “Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit”, bedoeld in artikel 4.1219 10 Bal, moet worden voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Bal. Dat klopt, maar in het werkgebied van WSRL dat binnen de regio Zuid-Holland Zuid (met uitzondering van een deel van de Hoeksche Waard) valt, is de bodem verdacht op het voorkomen van PFOA. Daardoor is onderzoek vanuit de rijks onderzoeksprotocollen ook al verplicht. Zie hiervoor ook het Besluit activiteiten leefomgeving paragraaf 5.2.2 (voorafgaand bodemonderzoek) en de onderliggende NEN5725, NEN5740. En ook het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit met onderliggende BRL1000 SIKB protocol 1001. Daarnaast vinden wij de bodemkwaliteitskaart weinig betrouwbaar, aangezien deze de gemiddelde kwaliteit van grond in een gebied aan geeft en niet de daadwerkelijke kwaliteit van een partij toe te passen grond. Om die reden is tenminste een verkennend onderzoek verplicht gesteld.
3.
4.
In deze vraag staat een tegenstrijdigheid. Voor tijdelijk uitnemen zijn rijksregels geldig, hieraan moet u voldoen. Nieuw toe te passen grond valt niet onder tijdelijke uitnemen maar betreft de milieubelastende activiteit "Toepassen van grond of baggerspecie". Hiervoor zijn ook rijksregels van toepassing ten aanzien van onderzoek en daarbij de lokale regel die een minimum aan onderzoek verplicht. Voor concentraties PFOA boven de waarden behorende bij de kwaliteitsklasse kan een maatwerkbesluit met maatwerkvoorschriften worden aangevraagd. Voor de maatwerkmogelijkheden/ruimte word momenteel nieuw beleid geformuleerd. De statistische eisen aan de onderbouwing zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit. Deze gaan uit van een gemiddelde per zone. De kans is dus groot dat een partij grond niet aan de kwaliteit voldoet die in die zone is vastgesteld als (gemiddelde) bodemkwaliteit. Vanwege deze statistische onderbouwing en om de kwaliteit van de (buiten)gebieden te beschermen tegen verslechtering (schoon houden wat schoon is) gaan wij niet in op uw verzoek. Wij merken op dat voor PFOA geen bodemkwaliteitskaart is of wordt vastgesteld, dit omdat de gehalten binnen de zones heterogeen zijn en een gemiddelde weinig zegt.
Onderwerp 6: Baggerdepots Samenvatting 1. De activiteiten ‘verspreiden op de kant’ van baggerspecie en het inrichten van ‘weilandbaggerdepots’ worden niet specifiek genoemd in de wijziging van het omgevingsplan. Hoewel er algemene regels gelden voor opslag van grond en baggerspecie zonder verslechtering van gebiedskwaliteit, ontbreken specifieke bepalingen over fysieke afscherming voor baggerspecie. Dit suggereert dat het bestaande beleid op dit punt niet is gewijzigd. 2. Er wordt gevraagd om expliciet te bevestigen dat het vigerende beleid met betrekking tot het ‘verspreiden op de kant’ van baggerspecie en het inrichten van ‘weilandbaggerdepots’ ongewijzigd blijft in het aangepaste omgevingsplan. Beantwoording Dat klopt vrijwel geheel. Enige wijziging (artikel 21.11) die wij hebben aangebracht voor verspreiden van baggerspecie is het vaststellen van een norm voor chloride. Deze norm geldt niet als sprake is van verspreiding op een naastgelegen perceel. Onderwerp 7: Verwijzing naar normdocumenten Samenvatting 1. 2.
In het omgevingsplan wordt niet altijd verwezen naar de meest recente normdocumenten, wat strijdigheid veroorzaakt. We verzoeken om verwijzingen naar de normdocumenten niet in het decentrale omgevingsplan op te nemen, maar daarvoor het landelijke juridische kader als verwoord in de Regeling bodemkwaliteit 2022 te hanteren.
Beantwoording In bijlage 1 staan geen normdocumenten genoemd. Wel staat bij de begripsbepaling voor een bodemonderzoek (Bodemonderzoek: onderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving). In de regels wordt met een bodemonderzoek bedoelt een onderzoek zoals aangegeven in de begripsbepaling. Indien hiermee een ander bodemonderzoek wordt bedoelt dan staat dit aangegeven in de regel waarin het bodemonderzoek genoemd staat. De Regeling bodemkwaliteit is van toepassing voor bij de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie. In de artikel 21.12 lid 2, 21.17, 21.18 lid2a en 21.18 lid2b die gaan over deze milieubelastende activiteit staat ook een bodemonderzoek genoemd. Alleen in artikel 21.19 lid 2b wordt naar een bodemonderzoek gerefereerd als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit. Conclusie: De ingediende zienswijze leidt niet tot aanpassing van de bodemregels.
2.2.
Zienswijze AKD / Heros Sluiskil
Allereerst wordt de zienswijze verkort weergegeven en vervolgens wordt de zienswijze van een reactie voorzien. Deze zienswijze bestaat uit 9 onderwerpen en heeft betrekking op paragraaf 21.1.3 van het omgevingsplan, specifiek artikel 21.20 (Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken). Onderwerp 1 Samenvatting Reclamant geeft aan een verwerker te zijn van bodemassen afkomstig van afvalverbrandingsinstallaties. Deze bodemassen worden verwerkt tot circulaire bouwstoffen en worden toegepast in de grond-, weg- en waterbouw. Daarnaast produceert reclamant uit de bodemassen secundaire grondstoffen voor de toepassing in beton en betonproducten. Deze toepassing als bouwstof is voorgeschreven in landelijk beleid. Er geldt bovendien een verbod op het storten van bodemas. Als gevolg van het Ontwerp zal de toepassing van AVI-bodemassen binnen de gemeente Gorinchem ernstig worden belemmerd. Deze belemmering is onwenselijk in meerdere opzichten en in strijd met 12 het evenredigheidsbeginsel. Reclamant verwerkt al vele jaren AVIbodemassen tot bouwstoffen. Daarbij is veel onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de bouwstoffen en daarmee is steeds gebleken dat een verantwoorde toepassing mogelijk is. Er is geen aanleiding voor een vergunningplicht. Reclamant geeft aan dit verder toe te lichten. Beantwoording Wij begrijpen deze zorgen.
In de verdere beantwoording van deze zienswijze wordt ingegaan op deze belemmeringen en strijdigheden. Daarbij nemen wij in acht wat de gevolgen zijn voor het bedrijf van reclamant en dat zonder verbod ook een verantwoorde toepassing mogelijk is. Onderwerp 2 Samenvatting Reclamant wijst erop dat besluitvorming van het bestuursorganen moet voldoen aan het evenredigheidsbeginsel. Uit vaste rechtspraak volgt dat de bestuursrechter toetst of een bestreden besluit geschikt is om het doel te bereiken, of het een noodzakelijke maatregel is of dat met een minder vergaande maatregel kan worden volstaan, en of de maatregel in het concrete geval evenwichtig is. Reclamant geeft aan dat niet aan de eis van noodzakelijkheid en evenwichtigheid wordt voldaan. Beantwoording In onze ogen is de binnenplanse vergunninplicht geschikt om het doel te bereiken. Lees hiervoor de aangepaste motivering bij de regeling. Daar wordt duidelijk dat wij met een binnenplanse vergunningplicht kunnen aangeven wanneer meegewerkt wordt aan een toepassing van deze bouwstoffen. In onze ogen laat de praktijk zien dat zorgvuldige toepassing nodig is om mee te kunnen werken. Wij beroepen ons hiermee op het voorzorgbeginsel. In onze ogen wordt met de motivering bij de regeling voldaan aan de eis van noodzakelijkheid en evenwichtigheid.
Onderwerp 3 Samenvatting Reclamant geeft aan dat er sprake zou zijn van bouwstoffen die in opspraak zijn en bij onzorgvuldige toepassing milieuschade veroorzaken. In de motivering staat dat uit rapportages en publicaties van RIVM en ILT zou blijken dat de wetgeving niet of onvoldoende toereikend zou zijn om aandachtsbouwstoffen veilig voor mens en milieu te kunnen gebruiken. Volgens reclamant is deze onderbouwing volstrekt onvoldoende, zeker voor een ingrijpend verbod. Ten onrechte wordt geen enkele uitleg gegeven waaruit de opspraak zou bestaan, noch wordt geduid op welke rapportages en publicaties van RIVM en ILT en welke ontwikkelingen in de sector wordt gedoeld. Niet is onderbouwd waarom een verbod op de toepassing van AVI-bodemassen nodig zou zijn. Daarbij geeft reclamant aan dat ten onrechte allerlei verschillende bouwstoffen als "aandachtsbouwstoffen" over een kam worden geschoren. Dat klopt volgens reclamant niet, omdat de eigenschappen van bodemassen in vergelijking met bijvoorbeeld staalslakken of
grondstabilisatie anders zijn. Een RIVM-rapport over LD-staalslakken kan niet dragend zijn voor een verbod op bodemassen. Voor elke bouwstof afzonderlijk had nader beoordeeld en onderbouwd moeten worden of regelgeving in aanvulling op landelijke regelgeving überhaupt evenredig is en zo ja, welke vorm van regulering dan passend en proportioneel zou zijn. Ook ontbreken volgens reclamant: • een analyse van de geschetste materie en een onderbouwing van de aanpak die daarvoor nodig en evenredig is. • een onderbouwing ten aanzien van de 20% gewichtsprocenten als bovengrens voor het gehalte AVI-bodemassen in bouwstoffen en voor de "maatregelen ter voorkoming van milieuschade" zoals in de toelichting opgenomen. • onduidelijk is waarom de bouwstof alleen onder een gesloten verharding zou mogen worden toegepast, en waarom de bouwstoffen een oppervlakte van minimaal 1.000 m2 zouden moeten beslaan. Aldus wordt niet voldaan aan het motiveringsbeginsel volgens reclamant. Beantwoording In de motivering wordt stilgestaan bij de beweegredenen voor een regeling voor deze specifieke bouwstoffen. In de motivering wordt uitleg gegeven over de risico’s van deze bouwstoffen, onderbouwd met voorbeelden, en worden rapportages van onderzoeken duidelijker aangehaald (inclusief bronvermelding). Op deze manier wordt duidelijker gemotiveerd waarom deze bouwstoffen in opspraak zijn.
Een verbod is naar onze mening te ingrijpend en daarom is volstaan met een binnenplanse vergunningplicht. Daarbij maakt het bevoegd gezag duidelijk onder welke voorwaarden wel meegewerkt kan worden (middels beoordelingsregels) en dus de vergunning wordt verleend. Het uitgangspunt hierbij is een zorgvuldige toepassing. In de motivering is onderbouwd waarom een binnenplanse vergunningplicht noodzakelijk is, en andere instrumenten zoals een informatie- of meldplicht niet kunnen volstaan. Daarin komt terug waarom dit instrument passend is, en proportioneel ten opzichte van de praktijk. Om de volgende reden is voor een grens van 20% gekozen: De grens van 20% wordt vaker gehanteerd in wet- en regelgeving, bijvoorbeeld bij bodemvreemd materiaal bij grond of baggerspecie. Bij grond waarbij minder dan 20% AVIbodemas in een bouwstof valt, geldt geen vergunningplicht voor het toepassen. In deze gevallen achten wij dit niet nodig omdat mogelijke nadelige effecten op de fysieke leefomgeving bij toepassing ervan naar verwachting niet significant zijn. Verdere verduidelijking is ook opgenomen in de artikelsgewijze toelichting bij de binnenplanse vergunningplicht. Onderwerp 4 Samenvatting Reclamant geeft aan dat een verbod op de toepassing van AVI-bodemassen zal leiden tot een afname van de afzet van bodemas.
De bodemassen die door reclamant worden geproduceerd worden afgenomen door aannemers. Reclamant legt uit dat deze aannemers veelal opdrachten moeten binnenhalen via aanbestedingen. Als ten tijde van de inschrijving voor een aanbesteding onzeker is of een omgevingsvergunning wordt verkregen voor de toepassing van AVI-bodemassen, zal een aannemer in zijn aanbieding kiezen voor de toepassing van andere bouwstoffen. Want als een omgevingsvergunning niet wordt verleend, heeft dat grote gevolgen voor prijs en planning van het project. Reclamant geeft aan dat een Reclamant geeft aan dat een verbod op de toepassing van AVIbodemassen zal leiden tot een afname van de afzet van bodemas. De bodemassen die door reclamant worden geproduceerd worden afgenomen door aannemers. Reclamant legt uit dat deze aannemers veelal opdrachten moeten binnenhalen via aanbestedingen. Als ten tijde van de inschrijving voor een aanbesteding onzeker is of een omgevingsvergunning wordt verkregen voor de toepassing van AVI-bodemassen, zal een aannemer in zijn aanbieding kiezen voor de toepassing van andere bouwstoffen. Want als een omgevingsvergunning niet wordt verleend, heeft dat grote gevolgen voor prijs en planning van het project. Reclamant geeft aan dat een aannemer dit risico zal willen vermijden. Ook omdat het onzeker is of en onder welke voorwaarden een Bopa wordt verleend.
Gezien de eisen in de toelichting is het onhaalbaar. Reclamant verklaart daarom dat feitelijk het verbod tot gevolg heeft dat geen AVI-bodemassen meer in Gorinchem zullen kunnen worden toegepast, in strijd is met het landelijk beleid. Het gevolg van een verbod zal zijn dat juist minder secundaire bouwstoffen worden gebruikt, terwijl rijksbeleid juist is gericht op een toename van het gebruik van secundaire bouwstoffen in het kader van de
doelstelling om in 2050 volledig circulair te zijn. Hierbij verwijst reclamant naar een Kamerbrief van 1 juli 2024. Het effect van het verbod/vergunningplicht is juist dat het belang van het milieu wordt geschaad, doordat de circulaire doelstellingen niet kunnen worden gehaald. Dat geldt voor de landelijke doelstellingen, maar ook voor de gemeentelijke circulaire doelstellingen. Gemeentelijke projecten zullen voorts duurder worden omdat primaire bouwstoffen in de regel duurder zijn dan secundaire bouwstoffen. Tegelijk wordt ook het bedrijfsbelang van reclamant onevenredig geschaad. De verwerking van bodemassen is het belangrijkste onderdeel van haar bedrijf. Als bodemassen in Nederland niet langer kunnen worden toegepast als bouwstoffen, bedreigt dat de continuïteit van reclamant. Als sprake is geweest van een enkel incident met de toepassing van AVI-bodemas, dan is dat nog geen reden om de toepassing geheel te verbieden. Dat kan wellicht reden zijn voor specifieke maatregelen zoals extra toezicht, of een concrete aanvullende voorwaarde in het omgevingsplan ter voorkoming van herhaling. Met een verbod is het middel erger dan de kwaal. Voor deze nadelige gevolgen is geen rechtvaardiging, omdat het belang van mens en milieu niet noopt tot de instelling van een verbod. Reclamant licht dit in de volgende onderwerpen verder toe.
Beantwoording Wij onderschrijven dat een verbod een ingrijpend en zwaar instrument is en daarmee niet in het omgevingsplan vastgelegd kan worden onder welke voorwaarden bouwstoffen wel toegepast kunnen worden. Daarom is een binnenplanse vergunningplicht opgenomen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt gemaakt wanneer meegewerkt kan worden met een toepassing van bouwstoffen. Wij houden daarmee voldoende beoordelingsruimte en kunnen daarmee onze doelen uitoefenen. Het probleem bij deze bouwstoffen is dat als voldaan wordt aan het Besluit activiteiten leefomgeving en de Regeling Bodemkwaliteit deze stoffen vrij toepasbaar zijn. Ondanks deze regels vinden in de praktijk incidenten plaats die verontreiniging veroorzaken van de bodem, grondwater en/of oppervlaktewater. En verschillende onderzoeksrapporten schetsen een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid en de geldende regels die tekort schieten. In de motivering bij de regeling wordt uitgebreid ingegaan op deze zorgelijke signalen. Het probleem bij deze bouwstoffen is dat als voldaan wordt aan het Besluit activiteiten leelfomgeving en de Regeling Bodemkwaliteit deze stoffen vrij toepasbaar zijn. Ondanks deze regels vinden in de praktijk incidenten plaats die verontreiniging veroorzaken van de bodem, grondwater en/of oppervlaktewater.
En verschillende onderzoeksrapporten schetsen een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid en de geldende regels die tekort schieten. In de motivering bij de regeling wordt uitgebreid ingegaan op deze zorgelijke signalen. De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming in onze ogen. Daarmee beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel en nemen een binnenplanse vergunningplicht op. Wij zijn van mening dat een binnenplanse vergunningplicht het meest geschikte instrument is om grip te krijgen op deze problematiek. In de motivering zijn de verschillende instrumenten afgewogen. Daarin wordt duidelijk dat een informatieplicht of meldplicht onvoldoende is. Wij begrijpen de zorgen over een afname van de afzet en begrijpen dat aannemers deze weg mogelijk vermijden. Tot nu toe met het voorbereidingsbesluit is dit nog niet onze ervaring en hebben wij een aantal BOPA’s in behandeling. Toch komen wij de praktijk tegemoet want via de beoordelingsregels wordt duidelijk voor de buitenwereld wanneer de vergunning wordt verleend. We hebben in relatie tot dit bezwaar ook de eisen/voorwaarden herzien en anders geformuleerd in de beoordelingsregels t.o.v. het verbod. Naar onze mening is er geen sprake van strijd met het landelijke beleid. Het rijk, de wetgever, heeft gekozen voor decentrale afwegingsruimte en (nog) geen nationale aanpak.
Het Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld door het rijk dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten, waaronder bouwstoffen. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Wat wel landelijk geregeld is, is de basis. Op het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit is geen maatwerk mogelijk door gemeenten.
Daarbovenop zijn ook onze circulaire doelstellingen van toepassing op deze bouwstoffen. In artikel 21.1 (oogmerken) is na te lezen dat de regels zijn gesteld met oog op duurzaam bodembeheer. In de artikelsgewijze toelichting leggen wij uit dat dit gaat over hergebruik. Andere regels in het omgevingsplan dragen hieraan bij. Wat betreft de incidenten en rechtvaardiging van deze regeling, verwijzen wij naar de motivering waarin hierop wordt ingegaan. Onderwerp 5 Samenvatting Reclamant geeft aan dat er geen noodzaak is voor een generiek verbod op het toepassen van AVIbodemas en bouwstoffen die bestaan uit AVI-bodemas. Volgens reclamant is het niet nodig om ter bescherming van de kwaliteit van de bodem de toepassing van AVI-bodemas te verbieden. Het staat ook haaks op landelijk beleid. Het gaat dan specifiek om de Green Deal, ontwerp Circulair Materialenplan (opvolger Landelijk Afvalstromenplan 3) en nu opgewerkte bodemas die voldoen aan de kwaliteitseisen vanuit de Regeling bodemkwaliteit 2022. In het CMP is toepassing van AVIbodemas als bouwstof dat voldoet aan de kwaliteitseisen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022, als minimumstandaard voorgeschreven.
Reclamant geeft aan dat de wetgever nadrukkelijk niet heeft gekozen voor een verbod en/of een vergunningplicht voor de toepassing van deze bouwstoffen, omdat met de specifieke regeling het belang van mens en milieu voldoende beschermd is, zoals ook te lezen in de toelichting van het Besluit activiteiten leefomgeving. Een informatieverplichting voor AVI- bodemassen en immobilisaten wordt als adequaat instrument gezien om toe te kunnen zien op de kwaliteit van de AVI-bodemas en de locatie van toepassing. Bovendien ziet reclamant niet welke specifieke situatie binnen de gemeente Gorinchem aan de orde zou zijn die een verbod alsnog nodig maakt. Geen specifieke situatie wordt benoemd. De enkele verwijzing niet nader genoemde rapporten en publicaties van RVIM en ILT, volstaat daartoe niet volgens reclamant. Enkele incidenten kunnen niet een algeheel verbod rechtvaardigen. Daarbij beschrijft reclamant dat AVI-bodemassen verantwoord kunnen worden toegepast. De noodzaak om de toepassing van AVI-bodemas te verbieden, is kortom niet aangetoond. Voor zover er zorgen zijn omtrent de kwaliteit van de bouwstoffen die worden toegepast, voorziet het Besluit activiteiten leefomgeving erin dat tijdig informatie wordt aangeleverd, zodat de toezichthouder kan vaststellen of inderdaad bouwstoffen worden toegepast binnen de kaders van de wet.
De gemeente heeft hier een toezichthoudende taak die binnen het huidige kader adequaat kan worden uitgevoerd. De invoering van een vergunningplicht voegt daar niets aan toe. Beantwoording Zoals aangegeven bij onderwerp 4 hiervoor, zien wij als gemeente wel een noodzaak voor een regeling voor bouwstoffen. De noodzaak hiervoor is aangetoond en opgenomen in de motivering. De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming. In de praktijk vinden incidenten plaats die leiden tot verontreiniging van de bodem, grondwater en/of oppervlaktewater. Verschillende onderzoeksrapporten schetsen een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid. Naar onze mening is er geen sprake van strijd met het landelijke beleid. Het rijk, de wetgever, heeft gekozen voor decentrale afwegingsruimte en (nog) geen nationale aanpak. Het Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld door het rijk dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten, waaronder bouwstoffen. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Zoals hiervoor aangegeven zijn voorbeelden van incidenten beschreven in de motivering, eveneens de noodzaak.
Op rijksniveau is een informatieplicht als basis voldoende geacht, maar dat vinden wij niet voldoende en daarom pakken wij de ruimte om hier maatwerkregels te stellen. De informatieplicht (eveneens een meldplicht) bieden onder andere geen ruimte om de toepassing en de risico’s ervan te beoordelen. Het bevoegd gezag kan alleen aanschrijven op gegevens die missen. De toepassing willen wij op de locatie kunnen afwegen. Ook een maatwerkvoorschrift, dat
achteraf wordt opgelegd, biedt geen ruimte om deze zorgvuldigheid te toetsen en/of voorwaarden aan te verbinden. Onderwerp 6 Samenvatting Volgens reclamant is ten onrechte gekozen voor het meest vergaande middel en reclamant stelt alternatieven voor die minder vergaand zijn. Volgens reclamant kan ook via een intensivering van het toezicht de gemeente erop toezien dat toepassingen van AVI-bodemassen voldoen aan de wettelijke eisen, ter voorkoming van een onverhoopt incident. Reclamant verwijst naar de brief van de Minister en het Ontwerp CMP waarin ook op alternatieven wordt gewezen waarmee de zorgen van de gemeenten die een vergunningplicht overwegen kunnen worden ondervangen. Reclamant meent dat de gemeente Gorinchem deze herijking van de rijksregels ten onrechte doorkruist met de invoering van een verbod. Ook wordt gewezen op het opzetten van een ketenaanpak door de Minister. Reclamant wijst erop het gesprek dat de minister zal aangaan met gemeenten om te zien wat zij nodig hebben voor een verantwoorde toepassing van secundaire bouwstoffen in het algemeen, af te wachten. Dan kan pas beoordeeld worden of nadere regels op gemeentelijk niveau voor één of meer stoffen opportuun zijn.
En als die nadere regels dan toch opportuun worden bevonden, dan hoeft dat niet met een verbod maar kan dat ook worden vormgegeven door het stellen van nadere eisen in het Omgevingsplan, naar evenredigheid toegespitst op de betreffende stoffen. Beantwoording In lijn met de voorgaande antwoorden op de onderwerpen, zijn de alternatieven voor instrumenten afgewogen door de gemeente. Dit is terug te lezen in de motivering. Daaruit blijken een informatie- of meldplicht onvoldoende. Ons doel is preventie en het beoordelen van een zorgvuldige toepassing. Bij toezicht kan alleen ingegrepen worden als de toepassing al heeft plaatsgevonden. Dat sluit niet aan op ons beleid. Het is wel zo dat is gekozen voor een iets minder vergaand instrument dan een verbod, namelijk een binnenplanse vergunningplicht, waarmee duidelijk wordt wanneer het bevoegd gezag een vergunning verleend voor de toepassing van deze bouwstoffen. Reclamant wijst op de landelijke ontwikkelingen. Op dit moment heeft de wetgever het toegestaan om decentraal maatwerkregels te stellen op de regeling voor bodem in het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor alle toepassingen geldt dat er voldoende waarborgen moeten zijn om verontreiniging van bodem, grondwater en/of oppervlaktewater te voorkomen. Wij zijn van mening dat de rijksregels op dit punt op dit moment tekort schieten.
Zolang dit de situatie is willen wij met aanvullende regels en de voorgestelde binnenplanse vergunningplicht grip houden op het toepassen van de betreffende bouwstoffen in onze gemeente. De zorgelijke signalen die wij door krijgen zijn reden om ons te beroepen op het voorzorgbeginsel en een binnenplanse vergunningplicht door te voeren. Dit biedt volgens ons voldoende bescherming tot er mogelijk landelijk een alternatief wordt doorgevoerd in de landelijke wetgeving. Onderwerp 7 Samenvatting Reclamant maakt onderstaande opmerkingen tegen een aantal maatregelen: •
De voorwaarde dat de bouwstof onder gesloten verharding moet worden toegepast is niet aanvaardbaar. De AVI-bodemas die voldoet aan de kwaliteitscriteria in de Regeling bodemkwaliteit mag vrij worden toegepast. Een deel van die toepassing ligt niet onder een gesloten verharding, maar vormt bijvoorbeeld zelf de verharding. AVIbodemassen worden toegepast in waterpasserende systemen. Er is geen onderbouwing waarom die bewezen toepassing in Sliedrecht wordt uitgesloten.
• •
De maatregel dat de bouwstof boven de grondwaterstand moet worden toegepast is onduidelijk omdat het begrip grondwaterstand niet is gedefinieerd. De grens van 1.000 m2 is verder volstrekt willekeurig. Deze maatregelen kunnen net zo goed als maatwerkregel in het omgevingsplan worden opgenomen, wat minder verstrekkend is dan een verbod.
Beantwoording Wij hebben geen verbod opgenomen maar een binnenplanse vergunningplicht. Dit betekent dat de maatregelen die reclamant aanhaalt terugkomen als beoordelingsregels bij deze binnenplanse vergunningplicht. Als hieraan wordt voldaan, wordt de omgevingsvergunning verleend. De noodzaak voor deze maatregelen (beoordelingsregels) volgt in de motivering. De beoordelingsregels maken zo goed als mogelijk vooraf duidelijk op welke punten een aanvraag wordt beoordeeld. Vanwege de naar onze mening verouderde en onvolledige uitlogingsnormen is in de beoordelingsregels opgenomen dat de bouwstoffen nu en in de toekomst niet in contact mogen komen met het grondwater en ook niet met hemelwater. Daarnaast moet het project onder meer voldoende schaalgrootte hebben en moet ook bij de aanleg uitloging of verontreiniging van de onderliggende bodem, het grondwater of het oppervlaktewater voorkomen worden. De grondwaterstand wordt gedefinieerd als gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Dit is, naar aanleiding van de opmerking van reclamant hierover, opgenomen in de toelichting van de aanvraagvereisten. Naar aanleiding van de opmerking van reclamant over de grens van 1.000 m2 is deze vervangen door de eis dat ‘de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte’. Voldoende schaalgrootte is flexibeler en nader toegelicht in de toelichting bij de beoordelingsregel.
Het doel van de schaalgrootte is dat de toepassing herkenbaar en beheersbaar is. In de artikelsgewijze toelichting bij de beoordelingsregels en aanvraagvereisten is extra toelichting toegevoegd over deze maatregelen, in lijn met het verzoek van reclamant. Als reclamant meent dat een toepassing die niet past binnen onze beoordelingsregels wel zou moeten worden toegestaan, kan hiervoor alsnog een verzoek via een buitenplanse omgevingsvergunning worden aangevraagd. Onderwerp 8 Samenvatting Volgens reclamant is het mogelijk een sluitende regeling op te nemen in het omgevingsplan die recht doet aan de wens om het belang van mens en milieu bij de toepassing van AVI-bodemassen zonder dat een verbod nodig is. Zo verwijst reclamant naar informatie die is aangeleverd in het kader van een Woo-verzoek. Daaruit blijkt dat voor een verbod is gekozen omdat dit de regels simpeler maakt. Reclamant geeft aan dat hiermee een verdere uitwerking in de regels niet onmogelijk werd bevonden. Daarnaast vindt reclamant het argument simpeler onbegrijpelijk. Want het vormt een aanzienlijke belemmering voor de toepassing van secundaire bouwstoffen en de transitie naar circulariteit, terwijl met goed doordachte regels het belang van mens en milieu evengoed gediend kan worden.
Reclamant geeft aan dat wanneer een initiatiefnemer vooraf kan inschatten of aan de geldende toetsingscriteria kan voldaan, dit rechtszekerheid geeft en secundaire bouwstoffen zullen worden gekozen waar dat ook volgens de gemeente aanvaardbaar wordt gevonden. Reclamant merkt het volgende op ten aanzien van de gevraagde informatie in de artikelsgewijze toelichting: • Onduidelijk welke concrete informatie overlegd moet worden en wat daarvan de waarde is voor verdere beoordeling. • Waarborging van de eisen van het productcertificaat is nodig, indien een milieuhygiënische verklaring een productcertificaat is. Reclamant begrijpt dit niet, omdat dit toch juist met het productcertificaat wordt geborgd. • Kritische aspecten zoals grondwater en oppervlaktewater in de nabijheid worden beschreven. Het is volgens reclamant onduidelijk wanneer sprake is van "nabijheid"? Verder is de opsomming niet uitputtend, zodat onduidelijk is wat de gemeente als kritische aspecten beschouwt. Dat is rechtsonzeker. • De "grondwaterstand" is niet gedefinieerd, zodat niet goed kan worden aangegeven wat de toepassingshoogte is ten opzichte van de grondwaterstand.
•
Informatie over de zetting voor de komende 100 jaar moet worden gegeven. Dit snapt reclamant niet. Dat is in de eerste plaats een overdreven lange periode en vergt een onnodig onderzoeksinspanning. Verder blijkt niet wat de relevantie hiervan is.
Reclamant meent dat deze aanvullende informatie op het Bal niet gevraagd hoeft te worden. De noodzaak is ook niet beschreven en zal alleen maar leiden tot onnodige onderzoeksverplichtingen en belemmeringen. Deze verplichting kan eenvoudig in het omgevingsplan opgenomen worden en daarom is geen vergunningplicht nodig. Kortom, de eisen van noodzakelijkheid en rechtszekerheid staan in de weg aan een vergunningplicht voor de toepassing van AVI-bodemas. Voor zover aanvullende lokale eisen nodig zouden zijn, gebiedt de evenredigheid dat hooguit een eenduidige maatwerkregel wordt opgenomen in het omgevingsplan met lokale aanvullende eisen waaronder AVI-bodemas, als alternatief voor een vergunningplicht. Beantwoording Aangezien een absoluut verbod een ingrijpend en zwaar instrument is, hebben wij een binnenplanse vergunningplicht opgenomen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt wanneer meegewerkt wordt met een toepassing door de gemeente. Wij houden daarmee voldoende beoordelingsruimte en kunnen daarmee onze doelen uitoefenen. Bij een binnenplanse vergunningplicht vormt het beoordelingskader de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Op deze manier kan vooraf beter ingeschat worden of aan de toetsingscriteria in de beoordelingsregels voldaan kan worden. Wanneer hier sprake van is, wordt de omgevingsvergunning verleend door het bevoegd gezag.
Een binnenplanse vergunningplicht geeft meer rechtszekerheid dan een verbod. Onderwerp 9 Samenvatting Tot slot wijst reclamant erop dat de invoering van een verbod geen geschikte maatregel is, omdat daarmee niet op een coherente wijze uitvoering wordt gegeven aan het Nederlandse bouwstoffenbeleid. Reclamant verwijst naar de eerdere onderwerpen: • Rijksbeleid richt zich op toepassing van secundaire bouwstoffen ten aanzien van circulariteit en voorziet in toepassingsmogelijkheden, haaks op de gemeentelijke regelgeving. • Daarmee dreigt een lappendeken van verschillende regels voor de toepassing van bouwstoffen, of vergelijkbare regels met procedures. Dat alles levert tegenstrijdigheden op, is niet coherent en daarmee ook om die reden in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Reclamant verzoekt daarom af te zien van de vaststelling van paragraaf 21.1.3 en in de plaats maatwerkregels op te stellen waarmee het belang van mens en milieu ook op adequate wijze kan worden behartigd. Beantwoording In onze ogen is onderbouwd waarom een regeling voor bouwstoffen noodzakelijk en evenredig is. De binnenplanse vergunningplicht biedt rechtszekerheid naar de buitenwereld en voldoende beoordelingsruimte voor het bevoegd gezag om op basis van het voorzorgbeginsel haar preventieve taken uit te voeren.
Op deze manier worden mens en milieu beschermd en wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit verslechterd. Conclusie: De ingediende zienswijze leidt niet tot aanpassing van de bodemregels.