CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4d Advies werkgroep M

Raadsvergadering 9 juli 2024, gemeente GorinchemBij agendapunt: Locaties windenergie RES Alblasserwaard31.498 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

24

Achtergronddocument windenergie - gevoeligheidskaart vogels

Figuur 4.4. Gevoeligheidskaart niet-broedvogels op basis van belangrijke verspreidingsgebieden en vliegbewegingen. Cumulatief kaartbeeld voor alle vogelsoorten uit de soortenmatrix, gewogen met de kwetsbaarheidsscore. Relatieve schaal van 1 (weinig risico voor aanwezigheid gevoelige soorten) tot 100 (hoog risico voor aanwezigheid gevoelige soorten).

25

Sovon-rapport 2021/09

Aanvullend is in één gezamenlijk kaartbeeld voor broedseizoen en niet-broedseizoen het cumulatieve beeld weergegeven (Figuur 4.5), waarbij steeds de maximale waarde uit een van beide seizoenen het

beeld bepaald. Bij de duiding van dit kaartbeeld zijn steeds de beide afzonderlijke kaartbeelden van broedseizoen en niet-broedseizoen te raadplegen.

Figuur 4.5. Gecombineerde gevoeligheidskaart broedvogels en niet-broedvogels op basis van belangrijke verspreidingsgebieden en vliegbewegingen. Cumulatief kaartbeeld voor alle vogelsoorten uit de soortenmatrix, gewogen met de kwetsbaarheidsscore. Relatieve schaal van 1 (weinig risico voor aanwezigheid gevoelige soorten) tot 100 (hoog risico voor aanwezigheid gevoelige soorten).

26

Achtergronddocument windenergie - gevoeligheidskaart vogels

4.2. Trekvogels

de interpolatie een onjuist beeld van de treksterkte aldaar. De handmatig aangepaste kaart levert een kaart op waarin de trekpatronen logischer zijn, maar ook de sterke invloed van een stuwingspunt zoals de noordkant van Flevoland wordt beperkt (figuur 4.7). Dit resulteert naast de stuwingslijn langs de kust, twee stuwingspunten in Flevoland en een stuwings­ punt bij de Eemshaven een beeld op met twee be­ langrijke trekstromen over Nederland met duidelijk hogere aantallen in onder meer het IJsselmeergebied en zuidoost-Nederland.

De met Nearest Neighbour geïnterpoleerde kaart met de treksterkte per telpost geeft al een goed beeld van de verschillen in treksterkte binnen Nederland (figuur 4.6). Deze kaart behoeft echter nog een aan­ tal handmatige aanpassingen. Zo vliegen de vogels vanzelfsprekend ook langs de kust bij Hoek van Holland, maar ligt daar geen telpost die dat heeft vastgelegd. Doordat op de punt van de Maasvlakte veel minder vogels worden geteld, ontstaat door

Figuur 4.6. Met nearest neighbour-interpolatie geïnterpoleerde kaart van de treksterkte (aantal waargenomen vogels per teluur) per telpost.

27

Sovon-rapport 2021/09

Figuur 4.7. Uiteindelijke kaart van de geïnterpoleerde, en daarna handmatig aangepaste, treksterkte over Nederland. 1: laagste treksterkte – 5: hoogste treksterkte (sterk gestuwde trek)

28

Achtergronddocument windenergie - gevoeligheidskaart vogels

Box 2: Hoe moet ik de kaarten lezen? De rol van de kaartschalen De kaarten geven in kleuren de mate weer waarin in een bepaald gebied vogelsoorten worden verwacht die gevoelig zijn voor de negatieve impacts van windturbines hetzij doordat er een reële kans of verwachting is op aanvaringen waardoor relevante sterfte optreedt, hetzij doordat er een reële kans is dat dusdanige verstoring optreedt dat effecten op populaties te zien zijn. Vanuit de optiek van vogels zijn deze kansen dus in feite risico’s, ze geven de kans aan dat negatieve gevolgen optreden. De uitdrukking ‘reële kans’ is belangrijk omdat zij aangeeft dat het om ingeschatte kansen/verwachting gaat en niet om zekerheden. In de roodtinten zijn gebieden weergegeven met hogere kansen, in de witte-blauwe tinten zijn de gebieden aangegeven met de lagere kansen. Het is belangrijk om te realiseren dat de kaartkleuren geen absolute en normatieve waarden geven voor de risico’s maar relatieve. Dat wordt duidelijk gemaakt in de voorbeeldkaartbeelden. De nationale kaart geeft het beeld voor geheel Nederland. Hierin zijn duidelijk de verschillen te zien tussen regio’s. Maar als we inzoomen op een bepaalde regio dan kunnen we opnieuw een kaart maken waarin we focussen op de verschillen. In feite gaan we de kaartlegenda opnieuw bepalen.

In het geval van een gebied dat gelegen is in een regio met relatief hoge waarden leidt dat tot een nieuwe legenda-indeling die meer differentiatie beoogt. Hetzelfde gebeurt als we gaan kijken naar een gebied waar op nationale schaal de lagere klassen overheersen (witte en blauwe kleuren). Ook op dit regionaal schaalniveau leidt een nieuwe legenda-indeling tot een duidelijker en meer genuanceerd beeld. Dat lijkt lastig te interpreteren. Maar het schakelen van landelijk naar regionaal is van belang. De landelijke kaart geeft met name risico’s aan op een schaal waarmee regio’s dienen te worden vergeleken. Om binnen een regio te kijken naar gebieden met relatief hoge en lage waarden zouden regionale kaartbeelden vervaardigd en gebruikt moeten worden.

Figuur Box. Voorbeeld van een gecombineerd kaartbeeld voor broedvogels op landelijke schaal (rechts) en met de focus op een bepaald gebied waarbij de legenda van de kaart opnieuw wordt bepaald (herschaling).

4.3. Disclaimer voor het gebruik van de kaartbeelden De gepresenteerde kaartbeelden zijn gemaakt op een zo goed mogelijke interpretatie van de beschikbare gegevens en kennis over de ecologie van soorten. Het is wel goed om te realiseren dat dit omgeven is door onzekerheden en beperkingen waar in het gebruik van de kaarten rekening mee moet worden gehou­ den. Tevens moet men bij het gebruik van de gege­ vens en de kaarten steeds de doelstelling van deze kaarten voor ogen houden. We benoemen hier de belangrijkste onzekerheden/beperkingen in relatie tot het gebruik van de kaarten: • Uitgangspunt voor de soortkeuze die aan de kaartbeelden ten grondslag ligt is dat een inschat­ ting wordt gemaakt of soorten gevoelig worden

geacht zijn voor sterfte en/of verstoring als gevolg van de aanleg en het gebruik van windturbines. Dat levert dus een generieke inschatting op per soort voor alle gebieden waar deze voorkomt. Of op die specifieke locaties ook daadwerkelijk statis­ tisch of juridisch significante effecten optreden is niet bepaald en dus niet uit de kaartbeelden af te leiden. • De gepresenteerde kaartbeelden bevatten geen inschattingen over werkelijke sterftekansen door aanvaringen en zijn ook geen vervanging daar­ van hetgeen betekent dat met de gepresenteerde informatie geen inschattingen kunnen worden gemaakt wat eventuele plaatsing van windturbi­ 29

Sovon-rapport 2021/09

nes betekent voor lokale, regionale of landelijke populaties van de gevoelige soorten. • Naast het ontbreken van locatie-afhankelijke en specifieke inschattingen zit er tevens een onzeker­ heid aan de inschattingen over de gebieden waar een soort daadwerkelijk voor komt. In sommige gevallen is het voorkomen redelijk tot goed voor­ spelbaar, bijvoorbeeld van soorten die in kolonies broeden, in andere gevallen is dit veel minder het geval en is bijvoorbeeld alleen sprake van een grote kans op voorkomen, geen zekerheid. Dat geldt onder meer voor meer dynamische bewegin­ gen die soorten maken in de trektijd en tijdens de overwintering. • Omdat per definitie de kaarten zijn opgebouwd uit informatie in het recente verleden hoeven ze niet per se de actuele stand van zaken met betrekking tot het voorkomen van vogels te weerspiegelen. Dit zal naar de toekomst toe waarschijnlijker wor­ den. Uiteraard is het mogelijk om dan de kaart­ beelden met recentere informatie te actualiseren.

tingen worden gevraagd bijvoorbeeld naar aanlei­ ding van aanvullend onderzoek (middels bijv. radar en zenderstudies), overeenkomstig de vereisten die voortvloeien uit de Wet natuurbescherming en an­ dere relevante regelgeving. Voor dergelijke inschattingen op gebiedsniveau is, naast de in dit rapport gepresenteerde kaartbeelden die aangeven waar zich concentraties van risicovolle soorten voorkomen, ook informatie nodig over de status van een gebied in relatie tot de natuurwet­ geving. Zo kennen Natura 2000-gebieden (Figuur 4.8) een streng beschermingsregime voor de soorten waarvoor de betreffende gebieden zijn aangewezen. Inschattingen van effecten kunnen niet los worden gezien van de doelstellingen die voor specifieke aangewezen soorten zijn bepaald. Dat kan dus be­ tekenen dat een gering aantal gevoelige soorten in een Natura 2000-gebied al bepaald of plaatsing van windturbines een probleem is. Iets dergelijks doet zich bijvoorbeeld voor op de Veluwe waarbij de plaatsing van windturbines dient te worden bekeken in het licht van de beschermingsdoelstellingen en de staat van instandhouding voor met name de wespen­ dief, een soort die als gevoelig te boek staat (Klop et al. 2020).

Door gebruik te maken van kaartbeelden die over meerdere soorten gaan is een deel van de onzekerhe­ den met betrekking tot locatie en actueel voorkomen te verkleinen en zijn we in staat om betrouwbaar gebieden aan te geven waar meer of minder risico bestaat op negatieve effecten. In die zin kunnen de kaarten gebruikt worden als ‘zoekkaarten’ voor gebieden waar mogelijk weinig risico op negatieve effecten zijn of als risicokaarten voor gebieden waar een grote kans op negatieve effecten valt te verwach­ ten. Daarmee kunnen ze niet dienen ter vervanging van (meer gedetailleerde) studies die nodig zijn om mogelijke effecten van windturbine(parken) op specifieke planlocaties en soorten in te schatten. Daarvoor is het nodig dat naast zicht op aanwezig­ heid en vliegbewegingen van soorten ook inschattin­ gen worden gedaan over concrete aanvaringsrisico’s en eventuele impact op de lokale populaties. Dat kan betekenen dat er andere meer gedetailleerde inschat­

Figuur 4.8. Ligging van de Natura 2000-gebieden in Nederland op land, de binnenwateren en in de kustzone waarvoor specifieke vogeldoelen gelden die van belang zijn voor een beoordeling van de eventuele negatieve gevolgen van windturbines.

30

Achtergronddocument windenergie - gevoeligheidskaart vogels

Literatuur Bernotat D. & Dierschke V. 2016. Übergeordnete

analysis, ENFA and regression-kriging. Ecological Modelling.

Kriterien zur Bewertung der Mortalität wildlebender Tiere im Rahmen von Projekten und Eingriffen – 3. Fassung – Stand 20.09.2016. Bivand R.S., Pebesma E.J. & Gómez-Rubio V. 2013. Applied Spatial Data Analysis with R, 2e ed. Springer, New York.

Kampichler C., Wieland R., Calmé S., Weissen­ berger H. & Arriaga-Weiss S. 2010. Classification in conservation biology: A comparison of five machinelearning methods. Ecological Informatics 5:441-450. Kampichler C., Hallmann C. & Sierdsema H. 2020. SDMaps: an R package for the analysis of species abun­ dance and distribution data. Extended Manual. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

Boulesteix A.-L., Janitza S., Kruppa J. & König I.R. 2012. Overview of random forest methodology and practical guidance with emphasis on computational biology and bioinformatics. WIREs Data Mining and Knowledge Discovery 2:493-507. Breiman L. 2001. Random forests. Machine Learning Journal 45:5-32.

van Kleunen A., Foppen R. & van Turnhout C. 2017. Basisrapport voor de Rode Lijst Vogels 2016 volgens Nederlandse en IUCN-criteria. Sovon-rapport 2017/34. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

van Kleunen A., van Roomen M., van Winden E., Hornman M., Boele A., Kampichler C. Zoetebier D. Sierdsema H. & van Turnhout C.

Breiman L., Friedman J., Stone C.J. & Olshen R.A. 1984. Classification and Regression Trees. Taylor & Francis. 368 pp.

Buij R., Jongbloed R., Geelhoed S., van der Jeugd H., Klop E., Lagerveld S., Limpens H., Meeuwsen H., Ottburg F., Schippers P., Tamis J., Verboom J., van der Wal J.T., Wegman R., Winter E. & Schotman A. 2018. Kwetsbare soorten

2019. Vogelrichtlijnrapportage 2013-2018 van Neder­ land – status en trends van soorten. Sovon-rapport 2019/77. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen

Klop E., Stahl J., Sierdsema H., Alefs P. & Latour J. 2020. Windenergie op en rondom de Veluwe - Effecten op Wespendief en andere soor­ ten. Alten­burg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden.

voor energie-infrastructuur in Nederland; Overzicht van effecten van hernieuwbare energie-infrastructuur en hoogspanningslijnen op de kwetsbare soorten vo­ gels, vleermuizen, zeezoogdieren en vissen, en oplos­ singsrichtingen voor een natuurinclusieve energiestran­ sitie. Wageningen Environmental Research, Rapport 2883.

Länderarbeitsgemeinschaft Der Staatlichen Vogelschutzwarten In Deutschland Lag VSW. 2015. Abstandsempfehlungen für Windenergieanlagen zu bedeutsamen Vogellebensräumen sowie Brutplätzen ausgewählter Vogelarten. Concept vs. 15-04-2015. Pebesma E.J., Duin R.N.M. & Burrough P.A. 2005. Mapping sea bird densities over the North Sea: spa­ tially aggregated estimates and temporal changes. Environmetrics 16, 573-587. Pebesma E.J. & Wesseling C.G. 1998. Gstat: A pro­ gram for geostatistical modelling, prediction and simu­ lation. Computers & Geosciences 24, 17-31. Richarz K. 2014. Energiewende und Naturschutz. Windenergie im Lebensraum Wald. Deutsche Wildtierstifung, Hamburg. Sierdsema H., van Els P. & van Irsel J. 2019. Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines. Sovon-rapport 2019/89. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

Cutler D.R., Edwards T.C.JR ., Beard K.H., Cutler A., Hess K.T., Gibson J. & Lawler J.J. 2007. Random forests for classification in Ecology. Ecology 88:2783-2792.

Grünkorn T., Blew J., Coppack T., Krüger O., Nehls G., Potiek A., Reichenback M., von Rönn J., Timmermann H. & Weitkamp S. 2016. Ermittlung der Kollisionsraten von (Greif)Vögeln und Schaffung planungsbezogener Grundlagen für die Prognose und Bewertung des Kollisionsrisikos durch Windenergieanlagen (PROGRESS). Schlussbericht zum durch das Bundesministerium für Wirtschaft und Energie (BMWi) im Rahmen des 6. Energieforschungsprogrammes der Bundesregierung geförderten Verbundvorhaben PROGRESS, FKZ 0325300A-D. Guisan A. & Zimmerman N.E. 2000. Predictive habitat distribution models in ecology. Ecological Modelling 135: 147-186. Hengl T., Heuvelink G.B.M. & Rossiter D.G. 2007. About regression-kriging: From equations to case stu­ dies. Computers & Geosciences 33, 1301-1315.

Sierdsema H., van Kleunen A., van Swaay C., Sparrius L. 2005. Van losse meldingen en steekproef­ gegevens naar verspreidingskaarten. VOFF-rapport 2005/01, Vereniging Onderzoek Flora en Fauna, Nijmegen. Sierdsema H. & van Loon E.E. 2008. Filling the gaps: using count survey data to predict bird density distri­ bution patterns and estimate population sizes. Revista Catalana d’Ornitologia 24. Stahl J. & Epe M. (Eds) 2021. Gevoeligheid van vogels

Hengl T., Sierdsema H., Radovic A. & Dilo A. 2009. Spatial prediction of species’ distributions from occurrence-only records: combining point pattern 31

Sovon-rapport 2021/09

Foden W.B., O’Brien S. & Pearce-Higgins J.W.

en vleermuizen voor windturbines in de provincie Utrecht. Achtergronddocument bij de ruimtelijke mo­ dellering van verspreiding en vliegbewegingen. Sovonrapport 2021/18. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen, Rapport Zoogdiervereniging 2021.03, Zoogdiervereniging, Nijmegen. Sovon Vogelonderzoek Nederland. 2018. Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. Kosmos Uitgevers, Utrecht/ Antwerpen.

2017. Bird and bat species’ global vulnerability to collision mortality at wind farms revealed through a trait-based assessment. Proc. R. Soc. B 284: 20170829. http://dx.doi.org/10.1098/rspb.2017.0829

Vogel R.L., Bouwma I., Koese B., Kranenbarg J., La Haye M., Odé B., Sierdsema H., Sparrius L., Verburg P. & Zollinger R. 2013. Het belang van Nederland buiten de Ecologische Hoofdstructuur voor soorten van de Vogelrichtlijn en van bijlage V van de Habitatrichtlijn. Sovon-rapport 2013.015. Sovon, Nijmegen.

Thaxter C.B., Buchanan G.M., Carr J., Butchart S.H.M., Newbold T., Green R.E., Tobias J.A.,

Bijlage Bijlage 1. Kaartbeelden van de Nederlandse RES regio’s Digitale bijlage 32

Sierdsema H. et al. Achtergronddocument windenergie gevoeligheidskaart vogels

In opdracht van:

Sovon Vogelonderzoek Nederland

E info@sovon.nl I www.sovon.nl

Sovon-rapport 2021/09

Postbus 6521 6503 GA Nijmegen Toernooiveld 1 6525 ED Nijmegen T (024) 7 410 410

Intern gebruik

Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land Een ruimtelijke analyse Eindrapportage

Over deze rapportage: Opstellers: Jaap Witte, Taco Kuijers Generation.Energy Opdrachtgever: Johannes van Steenis & Monica Kwakkelstein RVO

Den Haag, maart 2023

Intern gebruik

2 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

Inhoudsopgave

1.

SAMENVATTING

4

2.

OVER DEZE RAPPORTAGE

6

3.

AANPAK

7

4.

ONDERZOEKSMETHODIEK

9

5.

RESULTATEN

13

6.

BIJLAGEN

20

3 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

1. Samenvatting Sinds de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtsspraak van de Raad van State inzake windpark Delfzijl-Zuid Uitbreiding d.d. 30 juni 2021, zijn de landelijke normen voor windturbine parken niet meer van toepassing. Het Rijk werkt aan het vaststellen van algemene milieuregels voor windparken op basis van een PlanMER. Hierin worden ook opties voor afstandsnormen voor windmolens op land meegenomen. Dit onderzoek is één van velen ter input voor de PlanMER. In opdracht van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft Generation.Energy een technische analyse uitgevoerd om inzicht te krijgen in het effect van verschillende afstandsnormen 1 voor de plaatsingsmogelijkheden van windturbines op land in Nederland. Tevens is nagegaan wat de impact is van deze afstandsnormen op de ambities van de energieregio’s in de RES 1.0-plannen van juli 2021. Deze theoretische analyse is gedaan aan de hand van verschillende uitgangspunten en aannames. In dit onderzoek is gekeken naar een afstandsnorm van 2x, 3x of 4x de tiphoogte voor een 5 MWturbine met een tiphoogte van 235 m en een 8 MW-turbine met een tiphoogte van 280 m. Deze aannames sluiten aan bij de standaard-windturbines die in de Plan-m.e.r. worden onderzocht. Om het effect uit te drukken is gebruik gemaakt van een referentie-afstand.

De potenties voor windenergie zijn berekend met behulp van een ruimtelijk GIS-rekenmodel. Dit onderzoek levert een theoretisch wind opwekpotentieel op voor Nederland en per RES-regio. Door de gehanteerde uitgangspunten en aannames die zijn gedaan verschillen de onderzoeksuitkomsten met de situatie in de praktijk. Uiteindelijke besluitvorming of een windmolen(park) op een specifieke locatie kan worden gerealiseerd is maatwerk en het resultaat van een zorgvuldig proces waarbij allerlei factoren en belangen worden meegewogen door het bevoegd gezag. Deze lokale afwegingen zijn niet meegenomen in dit onderzoek. Daardoor is de werkelijke potentie voor windenergie in de praktijk veel lager dan het theoretisch opwekpotentieel zoals berekend in dit onderzoek. Dit onderzoeksresultaat geeft een beeld van de effecten op het theoretisch plaatsingspotentieel van windenergie bij een afstandsnorm ten opzichte van de situatie op basis van de regelgeving van vóór 30 juni 2021 (referentieafstand). De resultaten van dit onderzoek kunnen als volgt worden samengevat: -

-

-

1

Ten opzichte van de referentie-afstand neemt de technische potentie van windenergie op land met circa 23-65% af afhankelijk van de turbine (5 MW, 8 MW) en de afstandsnorm (2x, 3x of 4x de tiphoogte). Hierbij bestaan wel grote regionale verschillen. In de meeste RES-regio’s neemt het technisch plaatsingspotentieel voor windenergie sterk af bij een afstandsnorm van 3x en 4x tiphoogte ten opzichte van alle woningen; in sommige regio’s tot onder het niveau van de ambitie of zelfs tot bijna nul. Regionaal lopen de effecten van afstandsnormen op het theoretisch potentieel sterk uiteen. De impact is groter bij 8 MW windturbine dan bij een 5 MW windturbine. Het plaatsingspotentieel neemt meer af bij een 8 MW turbine.

Naast al bestaande normen voor externe veiligheid, geluid en hoogtebeperkingen luchtvaart.

4 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

-

Bij uitsluiting van Natura 2000-gebieden en radargebieden is er aanzienlijk minder plaatsingspotentieel van windenergie. Het effect van een afstandsnorm t.o.v. alle woningen is groter dan bij een afstandsnorm t.o.v. woonkernen. Het plaatsingspotentieel neemt aanzienlijk meer af bij een afstand t.o.v. alle woningen.

De besluitvorming over afstandsnormen maakt geen onderdeel uit van deze studie. Besluitvorming over nieuwe algemene milieuregels voor windparken vindt plaats in 2023. Het PlanMER zal, samen met het ontwerp van de nieuwe algemene milieuregels voor windparken, ter inzage worden voorgelegd met gelegenheid tot inspraak van iedereen of het publiek in Q2 2023

Aanbevelingen -

De resultaten van deze studie kunnen worden gebruikt bij de afwegingen en besluitvorming over de nieuwe algemene milieuregels voor windparken. Om een meer nauwkeurige inschatting te maken van het plaatsingspotentieel voor windturbines kan overwogen worden om deze analyse opnieuw uit te voeren als de zoekgebieden voor windenergie in de RES-regio’s nader zijn gedefinieerd of vastgesteld.

5 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

2. Over deze rapportage Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 30 juni 2021 over windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding mogen de algemene regels voor het in werking hebben van windturbines uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) en de Activiteitenregeling milieubeheer (Arm) niet langer worden toegepast. Voorafgaand aan het vaststellen van nieuwe algemene milieuregels voor windturbineparken moet een milieueffectrapportage (Plan-m.e.r.) worden uitgevoerd. Het Rijk is nieuwe algemene milieuregels voor windturbines aan het voorbereiden. In dat kader wordt een PlanMER voorbereid. In de PlanMER worden de meest recente wetenschappelijke inzichten over de hinderaspecten en overige milieuaspecten van windturbines meegenomen. Deze ruimtelijke analyse geeft inzicht in de effecten van verschillende afstandsnormen op plaatsingsmogelijkheden voor windturbines en de consequenties hiervan voor het doelbereik in de RES-regio’s. De discussie en besluitvorming ten aanzien van afstandsnormen en de informatie en afwegingen m.b.t. bijvoorbeeld gezondheid maken geen onderdeel uit van dit onderzoek. Dat gebeurt via andere onderzoeken en in andere trajecten. De resultaten van dit onderzoek kunnen wel als input dienen voor de besluitvorming over eventuele implementatie van afstandsnormen.

De effecten zijn inzichtelijk gemaakt ten opzichte van aaneengesloten woningen in woonkernen en ten opzichte van individuele woningen (buiten woonkernen). Het gaat hierbij om een globaal beeld op landelijk niveau en per RES-regio. Daarbij wordt antwoord gegeven op de volgende hoofdvraag en vier deelvragen: Wat is het effect van verschillende afstanden tussen windturbines en woningen op het potentieel van windenergie? A. Wat zijn hierbij de verschillen tussen een 5 MW- en een 8 MW-turbine? B. Wat is het effect voor het potentieel als ook Natura 2000-gebieden en radargebieden worden uitgesloten? C. Wat is het effect als je een afstandsnorm alleen toepast voor woonkernen in plaats van voor alle woningen? D. Globale indicatie van de effecten voor de RES-zoekgebieden. Wat betekent dit voor de ambities van de regio’s zoals geformuleerd in de RES 1.0? Opgemerkt wordt dat deze modelmatige analyse gedaan is aan de hand van verschillende uitgangspunten en aannames. Dit levert een theoretisch opwekpotentieel op voor Nederland en per RES-regio. Uiteindelijke besluitvorming of een windturbine of windpark op een specifieke locatie kan worden gerealiseerd is maatwerk en het resultaat van een zorgvuldig proces waarbij alle belangen worden meegewogen door het bevoegd gezag. Met de term potentieel wordt in deze rapportage steeds theoretisch potentieel bedoeld.

In de RESregio’s zijn bijvoorbeeld de afgelopen jaren diverse andere overwegingen meegenomen in de zoektocht naar zoekgebieden, waardoor potenties in de RES’en al kleiner zijn dan het “theoretisch potentieel”. “Aaneengesloten woningen in woonkernen” is afgekort tot “woonkernen”. “Individuele woningen buiten woonkernen” is afgekort tot “individuele woningen”.

6 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

3. Aanpak Dit onderzoek beoogt inzicht te geven in de effecten van drie verschillende afstandsnormen op de plaatsingsmogelijkheden van windturbines en gevolgen binnen de zoekgebieden in de RES-plannen. Het doel is gevoel te krijgen bij de ruimtelijke consequenties van verschillende afstandsnormen2. In dit onderzoek wordt gekeken naar een afstandsnorm van 2x, 3x of 4x de tiphoogte voor een 5 MW-turbine met een tiphoogte van 235 m en een 8 MW-turbine met een tiphoogte van 280 m. Hiermee wordt aangesloten bij de bandbreedte voor turbines die in het PlanMER worden onderzocht. Om het effect uit te drukken is gebruik gemaakt van een referentie-afstand die is gebaseerd op de situatie van voor 30 juni 2021. Bij de referentie-afstand is een vuistregel voor geluid maatgevend voor de afstand ten opzichte van woningen. In het model wordt voor deze referentie-afstand de vuistregel aangehouden die in de ‘Analysekaarten’ en het onderzoek naar ‘Ruimtelijke effecten van een strengere geluidsnorm voor windturbines’ ook is gehanteerd. Het gaat hierbij om een afstand ten opzichte van individuele woningen in het buitengebied (300 meter) én een afstand tot aaneengesloten woonbebouwing in woonkernen (500 meter). Deze afstanden zijn gebaseerd op de praktijksituatie en zijn niet 1 op 1 gekoppeld aan een geluidscontour. Deze vuistregel is in deze analyse toegepast voor de referentie-afstand3.

Generation.Energy beschikt over een GIS-rekenmodel waarmee ruimtelijke potentie voor windenergie kan worden berekend. Dit model gaat uit van een berekening van de plaatsingsbeperkingen voor windenergie in veiligheids- en geluidszones rondom specifieke objecten. Deze rekenmethodiek is ontwikkeld voor de Analysekaarten van het NP RES en is eerder gebruikt in het rapport “Ruimtelijke effecten van een strengere geluidsnorm voor windturbines” (januari 2021). Met dit ruimtelijk GIS-model is het mogelijk om voor verschillende afstandsnormen de ruimtelijk-energetische potentie4 te berekenen en deze op een feitelijke manier met elkaar te kunnen vergelijken. Hiermee kan een indicatie worden verkregen van de te verwachten effecten van een mogelijke afstandsnorm.

2

De geluidsbelasting op de gevel van een woning is van vele factoren afhankelijk (o.a. type turbine, bodemgesteldheid, bebouwing/ obstakels/begroeiing in de omgeving, weersomstandigheden, etc). Daarom is de afstand van de geluidscontour tot de windturbine per situatie verschillend en kan de geluidsbelasting op de gevel niet 1 op 1 vertaald worden naar een vaste afstand. 3

In theorie zou voor individuele woningen dezelfde afstand aangehouden moeten worden als voor een woonkern het geval is. In de praktijk zijn er echter meer mogelijkheden bij individuele woningen. Het betreft dan vaak (mede) initiatiefnemers of molenaarswoningen, waarvoor maatwerkafspraken gemaakt kunnen worden. 4

Ruimtelijke potentie voor windturbines en de daarbij horende hoeveelheid energie die potentieel kan worden opgewekt

7 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

Figuur1: Voorbeeld van de rekenstappen in van het GIS-model in deel van Flevoland. Links: alle zones waar plaatsingsbeperkingen gelden voor windenergie (paars geluidsbeperkingen rondom woningen en zwart overige beperkingen). Rechts: ruimte die dan overblijft voor windenergie (Blauw is ruimte in de meren, geel is het landdeel). (Methodiek wordt in hoofdstuk 4 en bijlagen 7-9 nader toegelicht)

8 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

4. Onderzoeksmethodiek Methodologie GIS-rekenmodel Hieronder volgt een beknopte uitleg over de methodiek en welke stappen zijn doorlopen in de berekeningen. In bijlage 7 t/m 9 is een uitgebreidere uitleg gegeven van de uitgangspunten in het rekenmodel. Een uitgebreide onderbouwing van het GIS-model is terug te vinden in het verantwoordingsdocument dat is opgesteld voor de Analysekaarten van het Nationaal Programma Regionale Energiestrategieën (december 2020).

Beknopte uitleg analysemethode, uitgangspunten en definities Voor de berekening van de ruimtelijke energiepotentie van de voor dit onderzoek gekozen windturbines (5 MW en 8 MW) worden een aantal analysestappen achter elkaar gevolgd. Eerst worden de beperkingszones berekend die voortvloeien uit normering voor externe veiligheid en hoogtebeperkingen. Deze beperkingszones zijn o.a. tot stand gekomen op basis van de rekenregels die gegeven zijn in de Handreiking risicozonering windenergie uit 2020 (HRW2020). In deze handreiking zijn vuistregels voor de afstanden bepaald op basis van de afmetingen van een turbine. Wat betreft geluid is onderscheid gemaakt tussen (woningen binnen) woonkernen enerzijds en individuele woningen (buiten woonkernen) anderzijds. Het rekenmodel maakt hier onderscheid in: standaard is gerekend met een geluidscontour van 500 meter rondom woonkernen en 300 meter rond woningen buiten woonkernen. Dit onderscheid vindt zijn oorsprong niet in normering (die is voor beide situaties gelijk) maar in de praktijk. In het kader van het opstellen van de eerste versie van de Analysekaarten voor het NPRES is in overleg met NWEA en windenergie-experts gekomen tot uitgangspunten voor potentieberekeningen. Niet alleen voor het type windturbine en het aantal vollasturen maar ook voor de vertaling van de geluidsnormering naar geluidscontouren.

Voor woonkernen (aaneengesloten bebouwing) is uitgegaan van een afstand van 500 meter als vuistregel. Voor individuele woningen buiten woonkernen geldt in beginsel dezelfde afstand, maar uit ervaring is gebleken dat er in de praktijk meer mogelijkheden zijn bij individuele woningen om die afstand te verkorten tot (vuistregel) 300 meter5. Vervolgens zijn de verschillende afstandsnormen (2x, 3x en 4x tiphoogte) ten opzichte van individuele woningen en woonkernen berekend. Hierna is steeds de overgebleven ruimte geselecteerd die in potentie geschikt is voor plaatsing van windturbines. Om een maximaal potentieel te kunnen bepalen zijn binnen deze gebieden d.m.v. een GIS-rekenmodel zoveel mogelijk turbines geplaatst en is daarvan de potentiële opbrengst berekend. Het betreft hier een theoretische potentie. In de praktijk wordt per situatie op lokaal niveau een afweging gemaakt van belangen en kunnen veel meer aspecten een rol spelen waarvoor een gebied uiteindelijk wel of niet geschikt is voor windenergie. Dit gebeurt bijvoorbeeld in de RES-regio’s voor het vaststellen van zoekgebieden voor windenergie. 5

Het betreft dan vaak (mede) initiatiefnemers of molenaarswoningen, waarvoor maatwerkafspraken gemaakt kunnen worden. Daarom is bij individuele woningen in het buitengebied een minimale afstand van 300 meter gehanteerd.

9 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

Naast de verschillende afstandsnormen tot individuele woningen en woonkernen worden restricties zoals voor externe veiligheid en geluid in alle onderzochte (deel)vragen meegenomen in het model: •

Beperkingen rondom veiligheid op basis van HRW2020: beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen, spoorwegen, wegen, risico-inrichtingen, hoogspanningsleidingen, buisleidingen en primaire waterkeringen.

•

Hoogtebeperkingen: contouren rondom civiele en militaire luchthavens en laagvliegroute.

•

Geluidsafstand: individuele woningen en woningen in woonkernen6. Hiervoor geldt dat voor afstanden ten opzichte van woonkernen een vuistregel van 500 meter is genomen en ten opzichte van individuele woningen een vuistregel van 300 meter (Deze afstanden zijn voor de Analysekaarten van 2020 overeengekomen).

•

Ruimtelijke beperkingen die niet tot bovenstaande normen behoren, maar waar geen plaatsing van windturbines op land mogelijk is: kassencomplexen en bestaande windturbines.

•

In dit onderzoek is de zee ook niet meegenomen. Delen die binnen de gemeentelijke grenzen behoren maar behoren tot de zee inclusief de Waddenzee en de monding van de Westerschelde zijn uitgesloten.

Potentieberekening: •

De turbines worden geplaatst op basis van een maximale vulling van de beschikbare ruimte, waarbij uitgegaan is van een minimale onderlinge afstand van 4x de rotordiameter.

•

Op basis van het vermogen van de turbine (5 MW-8 MW) en de windsnelheid met bijbehorende aantal vollasturen in het gebied7 kan de potentie worden bepaald.

•

Een deel van de mogelijk plaatsbare windturbines in dit onderzoek staat in open (zoet) water, een deel op land. In de aanpak van het rekenmodel wordt voor wind op land rekening gehouden met regeneratie van wind en onderlinge beïnvloeding van turbines. Hiervoor houden wij een correctiefactor van -50% aan op het aantal plaatsbare turbines. Omdat dit effect minder groot is op meren is bij grote meren geen correctiefactor toegepast.

Zoekgebieden RES 1.0: •

•

Voor de potentieberekening in de zoekgebieden is uitgegaan van de RES 1.0. De dataset stamt uit januari 2021, waardoor gepresenteerde resultaten in dit onderzoek af kunnen wijken van de laatste stand van zaken van de zoekgebieden binnen de RES-regio’s. De vergelijking van de berekende potenties tussen de RES-regio’s is niet goed mogelijk doordat het detailniveau van de zoekgebieden niet op dezelfde manier is gespecificeerd. In

Definitie woonkernen: In onze methodiek maken we een onderscheid tussen individuele woningen en woonkernen. Het onderscheid tussen deze twee gebieden is gebaseerd op de beschrijving die in het PlanMER Structuurvisie Windenergie op land (RHDHV, 2013) is opgenomen. Hierin wordt het onderscheid gemaakt tussen ‘aaneengesloten woonbebouwing’ (woonkernen) en ‘verspreide woonbebouwing’ (individuele woningen). In het PlanMER staat beschreven dat met ‘aaneengesloten woonbebouwing’ wordt bedoeld woonbebouwing in steden, dorpen, gehuchten, clusters van bebouwing en bebouwing op lange linten. In de rekenmethodiek is gebruikt gemaakt van een kaartlaag die is opgenomen in de basisregistratie Top10NL. Hierin is een kaartlaag met buurtschappen, gehuchten en woonkernen opgenomen die ruimtelijk overeenkomen met de definitie die is gegeven in het PlanMER. Deze laag is in het onderzoek gebruikt om het onderscheid te maken tussen woonkernen en individuele woningen. 7 Lensink, S. & K. Schoots (red.) (2022), Eindadvies basisbedragen SDE++ 2022, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving 6

10 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

• •

• •

sommige regio’s zijn geen zoekgebieden voor wind gedefinieerd, terwijl in andere RESregio’s al specifieke windlocaties zijn aangewezen. De gebruikte RES-data waren nog niet gestandaardiseerd. Indien nodig zijn aannames gedaan om de vergelijking per regio te kunnen maken. Wanneer er in een regio of specifiek zoekgebied één ambitie voor wind- en zonne-energie gezamenlijk geldt, is voor dit onderzoek aangenomen dat de helft van deze ambitie voor windenergie is bestemd en is het winddeel als ambitie weergegeven. Gezien de bovenstaande aannames kunnen de berekende potenties in deze analyse (veel) hoger uitvallen dan het werkelijke plaatsingspotentieel. De analyses die zijn gedaan voor de RES-zoekgebieden zijn daarom indicatief.

Onderzochte variabelen en uitsneden Afstandsnormen: •

Het effect van afstandsnormen is berekend ten opzichte van alle woningen (woonkernen en individuele woningen). Hierbij wordt uitgegaan van een afstand van 2x, 3x en 4x de tiphoogte. Voor een 5 MW-turbine gaat het om de volgende afstanden: 470 m (2x tiphoogte), 705 m (3x tiphoogte) en 940 m (4x tiphoogte) voor de 8 MW: 560 m (2x tiphoogte) 840 m (3x tiphoogte) en 1.120 m (4x tiphoogte)

Uitsneden (deelvraag B,C en D): Ter verdieping zijn drie uitsneden gemaakt om meer inzicht te krijgen op het effect wanneer je bijvoorbeeld ook rekening houdt met andere mogelijke beperkingen. Ook is een globale analyse uitgevoerd naar de effecten in RES-zoekgebieden en een analyse waarbij de afstandsnorm niet is toegepast bij individuele woningen. B. Extra beperkingen: Natura 2000-gebieden en Radar 300 voet en 500 voet-zones zijn gebieden die groot zijn in omvang en waar de kans op realisatie kleiner is, vanwege een strengere afweging die gedaan moet worden. C. Wat is het effect wanneer je een afstandsnorm enkel toepast op woonkernen. Onderscheid in individuele woningen en woonkernen. D. Globale analyse zoekgebieden RES: In het huidige lokale beleid zijn de RES-zoekgebieden bestuurlijk vastgesteld met als horizon 2030 voor realisatie van de ambitie. Binnen de contouren van de zoekgebieden wordt gekeken naar het effect van de eventuele afstandsnormen op de potentie en hoe deze potentie zich verhoudt tot de ambitie zoals geformuleerd in de RES 1.0.

11 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

Soorten Resultaten: landelijk beeld, regionale verschillen en RES-zoekgebieden Met de berekeningen is een landelijk beeld geschetst, maar ook een beeld per regio en daarmee verschillen tussen de regio’s. Het effect van een afstandsnorm wordt tevens weergegeven als een relatieve potentie ten opzichte van de potentie bij de referentie-afstand (300 meter tot individuele woningen en 500 meter tot woonkernen). Dat wil zeggen: het percentage dat van de potentie bij referentie-afstand overblijft bij toepassing van de afstandsnorm. Per RES-regio wordt de potentie bij de verschillende afstandsnormen vergeleken met de ambitie voor windenergie zoals die is opgenomen in de RES 1.0. Hierbij wordt duidelijk in hoeverre de ambitie zoals geformuleerd haalbaar is voor verschillende afstandsnormen. Hier moet wel met enige voorzichtigheid worden omgegaan, vanwege de alweer verouderde data waar mee gewerkt is, en de aannames die zorgen voor afwijking van deze technische analyse met de situatie in de praktijk. Het gaat hier echt om een indicatie: grotere afstandsnorm heeft meer effect. Mogelijke wijzigingen in zoekgebieden of een andere aanname over de verhouding wind/zon in gebieden waar nog geen keuze is gemaakt zijn hierin niet meegenomen.

12 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

5. Resultaten Voor iedere onderzochte vraag worden in dit hoofdstuk de resultaten nader toegelicht, waarbij wordt ingegaan op het landelijk beeld en daarnaast de regionale verschillen. In bijlage 1 zijn als voorbeeld enkele kaarten opgenomen die een ruimtelijk beeld geven van het effect van de onderzochte afstanden voor de 5 MW- en 8 MW- turbine. De kaarten helpen om de ruimtelijke gevolgen beter te duiden. In de bijlage 2 t/m 6 zijn de tabellen opgenomen waarin het potentieel in GWh/jaar en het vermogen in MW is uitgedrukt per RES-regio en het potentieel bij een afstandsnorm als extra beperking. Dit is uitgedrukt in een percentage van het potentieel bij de referentie-afstand. Tevens staan daar kaarten (kaarten 6 t/m 11) die een overzicht geven van de effecten op alle 30 RES-regio’s.

5.1 Potentieel en het effect van een afstandsnorm t.o.v. alle woningen (GWh/jaar) 5.1.1 Landelijk beeld bij afstandsnormen voor alle woningen -

-

De gebieden die potentieel geschikt zijn voor windenergie worden steeds kleiner bij grotere afstanden. Kleinere zoekgebieden vallen af naarmate de afstandsnorm groter wordt. Dit effect is sterker bij de 8 MW-turbine dan bij de 5 MW-turbine. (zie ook kaartjes in bijlage 1) Het effect van een afstandsnorm bij alle woningen zorgt voor een grote afname van het windenergie plaatsingspotentieel ten opzichte van de referentie-afstand. Bij de 5 MWturbine loopt dit bij 4x tiphoogte terug tot 40% van de potentie bij de referentie-afstand. Voor de 8 MW-turbine is dit 35% bij 4x tiphoogte (zie tabel 1 en bijlage 2).

Eenheid GWh GWh

Gebied Nederland Nederland

Type turbine 5 MW 8 MW

referentieafstand 100% potentieel 100% potentieel

2x tiphoogte 77% potentieel 65% potentieel

3x tiphoogte 51% potentieel 44% potentieel

4x tiphoogte 40% potentieel 35% potentieel

Tabel 1: Potentieel (GWh/jaar) bij verschillende afstandsnormen (2, 3 en 4x tiphoogte ten opzichte van alle woningen) uitgedrukt in percentages van de potentie bij de referentie-afstand.

13 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

5.1.2 Regionale verschillen bij afstandsnormen voor alle woningen (tabel bijlage 2) -

-

-

Regionaal lopen de effecten van afstandsnormen op het theoretisch potentieel sterk uiteen. Voor de 5 MW-turbine geldt dat het effect bij een aantal regio’s zo groot is dat er nauwelijks (15% of minder) potentieel overblijft bij 4x tiphoogte. Voor de 8 MW-turbine is dit effect nog sterker dan voor 5 MW-turbine (bijlage 2 en figuur 2). Het minste effect is in de regio Flevoland gevolgd door de regio’s Friesland, Groningen, Zeeland, Goeree Overflakkee en de Noord-Hollandse regio’s. Een van de ruimtelijke oorzaken hiervoor is dat grote wateren onderdeel zijn van deze regio’s en het effect van een afstandsnorm daar logischerwijs beperkt is omdat in de grote wateren geen woningen staan. Het plaatsingspotentieel in deze regio’s wordt bij 3x of 4x tiphoogte voor 65 tot 95% bepaald door het potentieel in open wateren (o.a. IJsselmeer, zie hiervoor ook bijlage 7)

Figuur 2: Weergave van het resterende potentieel ten opzichte van de referentie-afstand per regio, bij een afstandsnorm van 4x de tiphoogte

Type

2x tiphoogte

3x tiphoogte

4x tiphoogte

# RES-regio’s < 10% potentieel t.o.v. referentieafstand # RES-regio’s < 20% potentieel t.o.v. referentieafstand # RES-regio’s < 50% potentieel t.o.v. referentieafstand

5 MW 5 MW 5 MW

2

1 4 22

8 16 27

# RES-regio’s < 10% potentieel t.o.v. referentieafstand # RES-regio’s < 20% potentieel t.o.v. referentieafstand # RES-regio’s < 50% potentieel t.o.v. referentieafstand

8 MW 8 MW 8 MW

1 9

2 10 25

13 19 28

Tabel 2: Aantal regio’s bij verschillende afstandsnormen (2, 3 en 4x tiphoogte ten opzichte van alle woningen) met een potentieel kleiner dan 10, 20 en 50% ten opzichte van de potentie bij de referentie-afstand.

14 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

5.2 Uitsnede B: Potentieel en het effect van een afstandsnorm t.o.v. alle woningen na aftrek van Natura 2000- en Radar 300 en 500 voet-gebieden (GWh/jaar) 5.2.1 Landelijk beeld na aftrek Natura 2000- en Radar 300 en 500 voet-gebieden -

-

-

Het berekende potentieel bij de referentie-afstand komt neer op 161 TWh/jaar voor de 5 MW-turbine en 207 TWh/jaar voor de 8 MW-turbine. Het landelijk potentieel in deze uitsnede is 50-60% van het potentieel berekend in 5.18. Het effect op het potentieel van een afstandsnorm bij alle woningen en deze extra uitsluiting zorgt voor een zeer sterke afname in windenergiepotentieel. Voor de 5 MW-turbine is het resterend potentieel bij 2x tiphoogte 61% ten opzichte van de referentie-afstand en bij 4x tiphoogte resteert slechts 8% van het potentieel. Voor de 8 MW-turbine is dit effect nog groter. (zie tabel 3 en bijlage 3) De gebieden die bij deze uitsnede worden uitgesloten zijn met name de grote wateren, duingebieden, grote aaneengesloten natuurgebieden. Dit heeft een groot effect op de potentie. Daarnaast zijn zones uitgesloten rondom militaire luchthavens in Noord-Brabant, Leeuwarden, Veluwe en Den Helder (zie ook bijlage 9).

Eenheid GWh GWh

Gebied Nederland Nederland

Type turbine 5 MW 8 MW

referentieafstand 100% potentieel 100% potentieel

2x tiphoogte 61% potentieel 41% potentieel

3x tiphoogte 22% potentieel 12% potentieel

4x tiphoogte 8% potentieel 5% potentieel

Tabel 3: Potentieel (GWh/jaar) bij verschillende afstandsnormen (2, 3 en 4x tiphoogte ten opzichte van alle woningen) met extra aftrek van Natura 2000-gebieden en Radargebieden uitgedrukt in percentages van de potentie bij de referentie-afstand.

5.2.2 Regionale verschillen na aftrek Natura 2000- en Radar 300 en 500 voet-gebieden (Bijlage 3) -

Bij deze uitsnede zijn de regionale verschillen nog steeds zichtbaar, maar zijn de onderlinge verschillen t.o.v. de referentieafstand kleiner dan in 5.1.2. Voor een aantal regio’s geldt dat er nauwelijks of geen potentieel over blijft bij 4x tiphoogte. De regio’s waar het effect het grootst is, zijn: Drechtsteden, Twente, Achterhoek, Rivierenland (Fruitdelta), Stedendriehoek/Cleantech en Zuid-Limburg. Het effect voor de 8 MW-turbine is veel groter dan bij de 5 MW-turbine. (Bijlage 3 en figuur 3)

De hier genoemde getallen betreffen opnieuw een theoretisch potentieel. In de RES-regio’s zijn de afgelopen jaren in samenspraak met stakeholders en de bevolking diverse andere aspecten ook in de afwegingen meegenomen, waardoor het theoretisch potentieel daar lager uitkomt. 8

15 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

Figuur 3: Weergave van het resterende potentieel ten opzichte van de referentie-afstand per regio, bij een afstandsnorm van 4x de tiphoogte met uitsluiting van Natura 2000- en Radar-gebieden.

5.3 Uitsnede C: Potentieel en het effect van een afstandsnorm t.o.v. woonkernen (GWh/jaar) In deze uitsnede worden de afstandsnormen enkel toegepast op (woningen binnen) woonkernen. Voor individuele woningen (buiten de woonkernen) geldt de referentieafstand van 300 meter (vuistregel)9. 5.3.1 Landelijk beeld bij afstandsnormen voor woonkernen -

-

9

Het effect op het potentieel is bij 2x tiphoogte bijna gelijk aan het potentieel bij de referentie-afstand. Bij 4x tiphoogte is de potentie 79 % ten opzichte van de referentieafstand voor een 5 MW-turbine. Voor de 8 MW-turbine is het effect groter: bij 4x tiphoogte: resteert 71%. (tabel 4) Het effect is minder groot ten opzichte van het effect voor alle individuele woningen. Dit beeld ontstaat doordat de aanvullende norm in deze uitsnede niet wordt toegepast op individuele woningen die doorgaans in het buitengebied, nabij de potentiële windgebieden liggen.

Deze aanname is gedaan omdat met individuele bewoners van 1 of 2 woningen op kortere afstand vaak

maatwerkafspraken gemaakt kunnen worden. Dit zijn vaak eigenaren of initiatiefnemers van het windpark of molenaarswoningen.

16 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

Eenheid

Gebied

Type turbine

referentieafstand

2x tiphoogte 101%

3x tiphoogte

4x tiphoogte

GWh GWh

Nederland Nederland

5 MW 8 MW

100% potentieel 100% potentieel

potentieel10

90% potentieel 84% potentieel

79% potentieel 71% potentieel

97% potentieel

Tabel 3: Potentieel (GWh/jaar) bij verschillende afstandsnormen (2, 3 en 4x tiphoogte t.o.v. woonkernen) uitgedrukt in percentages van de potentie bij de referentie-afstand. Voor individuele woningen geldt de vuistregel van 300m.

5.3.2 Regionale verschillen bij afstandsnormen voor woonkernen -

-

Bij deze uitsnede, waarbij de afstandsnormen alleen ten opzichte van woonkernen worden meegenomen, is de afname in potentieel het grootst voor Zuid-Limburg en het kleinst in Flevoland. Voor een aantal regio’s met een stedelijk karakter geldt dat het effect bij 4x tiphoogte groter is dan het landelijk beeld. Het gaat daarbij om Arnhem/Nijmegen, Rivierenland (Fruitdelta), U10/U16, Rotterdam-Den Haag, Holland-Rijnland, Midden-Holland en Drechtsteden. (bijlage 4 en figuur 4)

Figuur 4: Weergave van het resterende potentieel ten opzichte van de referentie-afstand per regio, bij een afstandsnorm van 4x de tiphoogte t.o.v. woonkernen.

10

Het potentieel is hier hoger dan bij de referentie-afstand. Dit komt doordat de afstandsnorm van 2x tiphoogte bij een 5

MW-turbine kleiner is dan de referentie-afstand van 500 meter en er zodoende meer ruimte beschikbaar is voor windenergie.

17 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

5.4 Uitsnede D: Deelonderzoek naar RES-zoekgebieden Bij deze uitsnede is gekeken welk potentieel er binnen de zoekgebieden uit de RES 1.0 kan worden gerealiseerd bij toepassing van verschillende afstandsnormen. De vergelijking is gemaakt op het niveau van de RES-regio. De uitkomsten zijn een optelling van alle zoekgebieden binnen een regio en gaan niet in op de individuele zoekgebieden binnen de regio’s. Daarnaast is gekeken naar de opgetelde ambitie die gesteld is per RES-regio om te kunnen beoordelen of deze haalbaar is wanneer een afstandsnorm van 2x, 3x, of 4x de tiphoogte is gehanteerd ten opzichte van alle woningen. Binnen de zoekgebieden is er een onderscheid te maken tussen specifieke zoekgebieden en globale zoekgebieden. Sommige regio’s hebben specifieke gebieden aangewezen (specifieke zoekgebieden), andere regio’s hebben de locaties nog open gehouden, maar wel een ambitie gegeven voor bijvoorbeeld de regio of gemeente (globale zoekgebieden) in de RES 1.0. Op dit moment vindt de herijking van de RES plaats, en worden overal specifieke zoekgebieden bepaald. De tabellen zijn in bijlage 5a en 5b opgenomen. 5.4.1 Landelijk beeld binnen de bestaande zoekgebieden waarbij de onderzochte afstandsnormen als extra beperking zijn toegepast op alle woningen (GWh/jaar) In deze uitsnede is gekeken wat het potentieel is binnen de bestaande/huidige zoekgebieden in de RES-regio’s.

De conclusies zijn dus gebaseerd op de RES 1.0 en de in het rapport geformuleerde aannames (zoals verhouding wind/zon in gebieden waar nog geen techniekkeuze is gemaakt). Mogelijke wijzigingen in zoekgebieden of een andere aanname over de verhouding wind/zon in gebieden waar nog geen keuze is gemaakt zijn hierin niet meer meegenomen. Vervolgens is gekeken wat het effect is op het potentieel wanneer er met 2x, 3x en 4x tiphoogte wordt gerekend ten opzichte van alle woningen. Deze verschillende potenties zijn vervolgens vergeleken met de ambitie die de regio’s hebben gesteld11. -

-

-

11

De regio’s Midden-Holland en Goeree-Overflakkee hebben (nog) geen zoekgebieden voor windenergie in de RES 1.0. Hiervoor is dus geen ambitie opgesteld. Voor tien regio’s geldt dat het berekende windenergie potentieel onvoldoende is om de ambitie van de RES-regio te realiseren (binnen de zoekgebieden)12 als uitgegaan wordt van een 5 MW-turbine en de referentie-afstanden (300 meter tot individuele woningen / 500 meter tot woonkernen). Bij nog eens zeven regio’s is het berekende windenergiepotentieel bij 4x tiphoogte en een 5 MW-turbine onvoldoende om de RES ambities te realiseren. Bij drie regio’s geldt dat bij 3x tiphoogte er geen mogelijkheden meer zijn voor windenergie binnen de zoekgebieden en voor zeven regio’s geldt dat bij 4x tiphoogte. Bij de 5 MWturbine zijn dit Achterhoek, Alblasserwaard, Arnhem-Nijmegen, Drechtsteden, NoordHolland Noord en Noord-Holland Zuid en Holland Rijnland. Bij de 8 MW-turbine geldt dit voor elf regio’s (zie bijlage 5a).

De analyses die zijn gedaan voor de RES-zoekgebieden zijn indicatief. De berekende potenties in de RES-regio’s zijn

onderling niet goed vergelijkbaar door de verschillende definities en uitgangspunten die zijn gehanteerd in de RES-regio’s. De berekende theoretische potenties in deze analyse kunnen hierdoor hoger uitvallen dan het werkelijke plaatsingspotentieel. Wanneer er één ambitie voor wind- en zonne-energie gezamenlijk geldt, is voor dit onderzoek aangenomen dat de helft van deze ambitie voor windenergie is bestemd en is het winddeel als ambitie weergegeven. Daarnaast kan het zo zijn dat een regio, anders dan in dit onderzoek, niet rekent met een 50% correctiefactor i.v.m. regeneratie windsnelheid. 12

18 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

-

Bij ongeveer 80% van de regio’s blijft bij 3x tiphoogte en een 5 MW-turbine een potentie van minder dan 50% over binnen de zoekgebieden. Bij 4x tiphoogte gaat de potentie voor circa 80% van de regio’s naar < 25%. Voor de 8 MW-turbine komen bij 4x tiphoogte 21 regio’s op minder dan 20% potentie uit.

5.4.2 Landelijk beeld binnen de bestaande zoekgebieden waarbij de onderzochte afstandsnormen als extra beperking zijn toegepast op woonkernen (GWh/jaar) Deze uitsnede is gelijk aan die van 5.4.1. met het verschil dat de afstandsnormen hier alleen zijn toegepast op woonkernen (i.p.v. alle woningen). De effecten voor de regio’s zijn dan veel minder groot dan bij een afstandsnorm ten opzichte van alle woningen. -

-

-

De regio’s Midden-Holland en Goeree-Overflakkee hebben nog geen zoekgebieden voor windenergie in de RES 1.0. Hiervoor is dus geen ambitie opgesteld. Voor tien regio’s geldt dat het berekende potentieel onvoldoende is om de ambitie van de RES-regio te realiseren (binnen de zoekgebieden)13 als uitgegaan wordt van een 5 MWturbine en de referentie-afstanden (300 meter tot individuele woningen / 500 meter tot woonkernen). Bij nog eens twee regio’s is het berekende potentieel bij 4x tiphoogte en een 5 MW-turbine onvoldoende om de ambities te realiseren. Bij één regio geldt dat bij 4x tiphoogte er geen mogelijkheden meer zijn voor windenergie binnen de zoekgebieden. Bij de 5 MW-turbine is dit Drechtsteden. Bij de 8 MW-turbine geldt dit voor drie regio’s (zie bijlage 5b). Bij meer dan 80% van de regio’s blijft bij een afstandsnorm van 4x tiphoogte ten opzichte van alleen woonkernen en een 5 MW-turbine een potentie van meer dan 50% over binnen de zoekgebieden.

Conclusies en aanbevelingen -

-

Het technisch plaatsingspotentieel van windenergie op land neemt aanzienlijk af bij de invoering van een afstandsnorm van 3x of 4x de tiphoogte. In de meeste RES-regio’s neemt het technisch plaatsingspotentieel voor windenergie sterk af bij een afstandsnorm van 3x en 4x tiphoogte; in sommige regio’s tot onder het niveau van de ambitie of zelfs tot bijna nul. Om een meer nauwkeurige inschatting te maken van het plaatsingspotentieel voor windturbines kan overwogen worden om deze analyse opnieuw uit te voeren als de zoekgebieden voor windenergie in de RES-regio’s nader zijn gedefinieerd of vastgesteld.

Wanneer er één ambitie voor wind- en zonne-energie gezamenlijk geldt, is voor dit onderzoek aangenomen dat de helft van deze ambitie voor windenergie is bestemd en is het winddeel als ambitie weergegeven. Daarnaast kan het zo zijn dat een regio, anders dan in dit onderzoek, niet rekent met een 50% correctiefactor i.v.m. regeneratie windsnelheid. 13

19 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

6. Bijlagen

Bijlage 1: Kaarten ruimtelijke effecten verschillende afstandsnormen en uitsneden Bijlage 2: Potentie windenergie per RES-regio bij verschillende afstandsnormen voor alle woningen (GWh/jaar) Bijlage 3: Potentie windenergie bij verschillende afstandsnormen voor alle woningen na aftrek radar 300vt-500vt- en Natura 2000-gebieden (GWh/jaar) Bijlage 4: Potentie windenergie bij verschillende afstandsnormen alleen voor woonkernen (GWh/jaar) Bijlage 5a: Potentie windenergie in RES-zoekgebieden bij verschillende afstandsnormen voor alle woningen (GWh/jaar) Bijlage 5b: Potentie windenergie in RES zoekgebieden bij verschillende afstandsnormen voor woonkernen (GWh/jaar) Bijlage 6: Resultaten in opgesteld vermogen (MW) Bijlage 7: Aandeel windenergie potentieel in meren bij verschillende afstandsnormen voor alle woningen, ten opzichte van het totale windenergie potentieel (%) Bijlage 8: Uitgangspunten voor de technische analyse en zoekgebieden Bijlage 9: Uitgangspunten RES-Zoekgebieden Bijlage 10: Kaarten Radargebieden en Natura 2000-gebieden

20 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

Bijlage 1: Kaarten ruimtelijke effecten verschillende afstandsnormen en uitsneden

Hieronder een voorbeeld van een kaart als verbeelding van de geanalyseerde resultaten voor het gebied ten zuiden van Utrecht, op de grens van de regio’s U10/U16, Rivierenland (Fruitdelta), Alblasserwaard en Midden-Holland. De volgende kaartbeelden zijn opgenomen: 1) 8 MW i.c.m. een afstandsnorm tot alle woningen, 2) 5 MW i.c.m. een afstandsnorm tot alle woningen, 3) 5 MW i.c.m. een afstandsnorm tot alle woningen ic.m. uitsluiting Natura 2000-gebieden en 4) 5 MW i.c.m. een afstandsnorm tot alleen woonkernen.

Kaart 1: Potentie voor windenergie na toepassing van een afstandsnorm t.o.v. alle woningen 8 MW-turbine.

21 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

Kaart 2: Potentie voor windenergie na toepassing van een afstandsnorm t.o.v. alle woningen 5 MW-turbine.

22 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

Kaart 3: Potentie voor windenergie na toepassing van een afstandsnorm t.o.v. alle woningen 5 MW-turbine met het effect van extra aftrek van Natura 2000-gebieden.

23 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

Kaart 4: Potentie voor windenergie na toepassing van een afstandsnorm t.o.v. woonkernen 5 MW-turbine. (Referentie-afstand is groter dan 2x tiphoogte en niet weergegeven in de kaart).).

24 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

Bijlage 2: Potentie windenergie per RES-regio bij verschillende afstandsnormen voor alle woningen (GWh/jaar) Potentie windenergie (5 MW) bij verschillende afstandsnormen voor alle woningen

Regio

turbine

Potentie referentie-afstand (GWh/jr)

2x tiphoogte (%)

3x tiphoogte (%)

4x tiphoogte (%)

ES01

Groningen

5 MW

27.095

81%

54%

44%

ES02

Friesland

5 MW

44.630

78%

53%

44%

ES03

Drenthe

5 MW

19.844

77%

38%

20%

ES04

Twente

5 MW

5.984

42%

14%

7%

ES05

West-Overijssel

5 MW

12.291

58%

24%

11%

ES06

Flevoland

5 MW

48.240

95%

85%

77%

ES07

Achterhoek

5 MW

5.079

29%

6%

2%

ES08

Arnhem/Nijmegen

5 MW

4.226

68%

28%

15%

ES09

Foodvalley

5 MW

3.007

68%

45%

32%

ES10

Noord-Veluwe

5 MW

5.135

53%

17%

6%

ES11

Rivierenland (Fruitdelta)

5 MW

4.309

51%

12%

2%

ES12

Stedendriehoek/Cleantech

5 MW

5.446

66%

44%

31%

ES13

Amersfoort

5 MW

1.792

72%

42%

24%

ES14

U10/U16

5 MW

7.228

65%

24%

8%

ES15

Noord-Holland Noord

5 MW

3.952

87%

60%

43%

ES16

Noord-Holland Zuid

5 MW

26.342

84%

65%

57%

ES17

Alblasserwaard

5 MW

1.715

69%

22%

6%

ES18

Drechtsteden

5 MW

829

82%

45%

27%

ES19

Goeree-Overflakkee

5 MW

5.357

87%

66%

55%

ES20

Hoeksewaard

5 MW

2.314

70%

30%

15%

ES21

Holland Rijnland

5 MW

2.703

68%

28%

11%

ES22

Midden-Holland

5 MW

2.481

72%

35%

14%

ES23

Rotterdam/Den Haag

5 MW

3.409

72%

39%

26%

ES24

Zeeland

5 MW

28.055

80%

55%

46%

ES25

Hart van Brabant

5 MW

2.572

70%

33%

15%

ES26

Metropoolregio Eindhoven

5 MW

6.645

63%

29%

15%

ES27

Noordoost-Brabant

5 MW

10.604

87%

61%

47%

ES28

West-Brabant

5 MW

9.931

63%

27%

15%

ES29

Noord- en Midden-Limburg

5 MW

7.460

61%

24%

8%

ES30

Zuid-Limburg

5 MW

1.841

79%

29%

6%

NL

Nederland

5 MW

310.516

77%

51%

40%

Top 5 kleinste relatieve afname ten opzichte van de referentie-afstand in % Top 5 grootste relatieve afname ten opzichte van de referentie-afstand in %

25 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

Potentie windenergie (8 MW) bij verschillende afstandsnormen voor alle woningen

Regio

turbine

Potentie referentie-afstand (GWh/jr)

2x tiphoogte (%)

3x tiphoogte (%)

4x tiphoogte (%)

ES01

Groningen

8 MW

31.380

69%

47%

40%

ES02

Friesland

8 MW

51.834

68%

48%

42%

ES03

Drenthe

8 MW

23.395

63%

27%

12%

ES04

Twente

8 MW

7.326

26%

10%

5%

ES05

West-Overijssel

8 MW

14.233

43%

17%

6%

ES06

Flevoland

8 MW

55.749

90%

80%

74%

ES07

Achterhoek

8 MW

6.322

16%

3%

1%

ES08

Arnhem/Nijmegen

8 MW

5.060

52%

20%

12%

ES09

Foodvalley

8 MW

3.740

54%

35%

24%

ES10

Noord-Veluwe

8 MW

6.083

35%

10%

3%

ES11

Rivierenland (Fruitdelta)

8 MW

4.971

37%

5%

1%

ES12

Stedendriehoek/Cleantech

8 MW

6.413

56%

35%

24%

ES13

Amersfoort

8 MW

2.078

60%

33%

18%

ES14

U10/U16

8 MW

8.486

49%

14%

4%

ES15

Noord-Holland Noord

8 MW

4.853

71%

51%

31%

ES16

Noord-Holland Zuid

8 MW

30.583

75%

60%

53%

ES17

Alblasserwaard

8 MW

2.008

50%

12%

3%

ES18

Drechtsteden

8 MW

991

57%

31%

19%

ES19

Goeree-Overflakkee

8 MW

6.332

79%

61%

48%

ES20

Hoeksewaard

8 MW

2.756

57%

24%

13%

ES21

Holland Rijnland

8 MW

3.121

56%

18%

6%

ES22

Midden-Holland

8 MW

2.980

58%

25%

7%

ES23

Rotterdam/Den Haag

8 MW

4.128

56%

31%

23%

ES24

Zeeland

8 MW

32.513

70%

49%

41%

ES25

Hart van Brabant

8 MW

3.057

57%

21%

8%

ES26

Metropoolregio Eindhoven

8 MW

8.024

47%

21%

11%

ES27

Noordoost-Brabant

8 MW

12.244

79%

54%

39%

ES28

West-Brabant

8 MW

11.386

49%

21%

9%

ES29

Noord- en Midden-Limburg

8 MW

8.872

46%

15%

4%

ES30

Zuid-Limburg

8 MW

2.202

62%

13%

1%

NL

Nederland

8 MW

363.120

65%

44%

35%

Top 5 kleinste relatieve afname ten opzichte van de referentie-afstand in % Top 5 grootste relatieve afname ten opzichte van de referentie-afstand in %

26 Effecten van verschillende afstandsnormen voor windturbines op land - Generation.Energy

Kaart 6 en 7: Weergave van de regionale verschillen van het resterende potentieel ten opzichte van de referentie-afstand, bij een afstandsnorm van 4x de tiphoogte en een 5 MW- en een 8 MW-turbine.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=af7709bf-0cdf-4911-a87c-83bbfa9df4fc