CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Quickscan flora en fauna

Raadsvergadering 30 mei 2024, gemeente GorinchemBij agendapunt: HAMERSTUK Bestemmingsplan Gildenweg 64-68 Gorinchem7.390 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Quickscan flora en fauna Gildenweg 66 - 68 te Gorinchem (2203/107/CW-01, versie 0)

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Quickscan flora en fauna

in opdracht van Gildenweg 68 Gorinchem C.V. T.a.v. de heer N.J.H. Dankers Postbus 5684 4801 EB BREDA betreffende locatie Gildenweg 66 - 68 Gorinchem documentkenmerk 2203/107/LB-01 versie 0 vestiging Nuenen datum 3 november 2022

opgesteld door:

gecontroleerd door:

L. Bouwmans BSc.

I. Kamps MSc

Projectleider ecologie

Projectleider ecologie

Op dit rapport is een disclaimer van toepassing; zie https://www.tritium.nl/disclaimer/29-04-2021/

Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid

Tritium Advies is gevestigd in:

T.

088 44 02 900

E.

info@tritium.nl

Arkel >> Neer >> Nuenen >>

I.

www.tritium.nl

Breda >> Rijkevoort

KvK-nr.

17108024

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Inhoudsopgave 1

Inleiding

1

1.1

Quickscan flora en fauna

1

1.2

Natuurbescherming

1

2

Plangebied

3

3

Gebiedsbescherming

6

3.1

Natura 2000

6

3.2

Natuurnetwerk Nederland

8

4

Houtopstanden

10

4.1

Definitie en wetgeving

10

4.2

Waarnemingen en analyse

10

4.3

Deelconclusie houtopstanden

11

5

Soortbescherming

12

5.1

Soortverspreiding

12

5.2

Veldbezoek

12

5.3

Flora

13

5.4

Vogels

13

5.5

Grondgebonden zoogdieren

17

5.6

Vleermuizen

20

5.7

Amfibieën, reptielen en vissen

23

5.8

Ongewervelden

26

5.9

Invasieve exoten

27

6

Conclusies

28

6.1

Beschermde gebieden en soorten

28

6.2

Aanvullend onderzoek

29

6.3

Zorgplicht

30

6.4

Eindconclusie

31

6.5

Advies

32

7

Literatuurlijst

33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

1 Inleiding 1.1 Quickscan flora en fauna 1.1.1 Doel van het onderzoek Een Quickscan flora en fauna is een verkennend onderzoek waarin de ecologische waarden van een plangebied worden nagegaan. Het doel ervan is te bepalen of de voorgenomen wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (BWBR0037552 – Nederland). Het is noodzakelijk om voorafgaand aan ruimtelijke inrichting en aan ruimtelijke ingrepen te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde leefgebieden, op beschermde planten en of op beschermde diersoorten. Dit onderzoek voorziet in deze toetsing.

1.1.2 Te verwachten resultaten Op basis van een Quickscan flora en fauna zal blijken of er een overtreding van de geldende natuurwetgeving te verwachten is. Hiermee kan worden voorkomen dat er in strijd met de Wet natuurbescherming wordt gehandeld. Het uitvoeren van een verkennend onderzoek kan voldoende zijn om aan te tonen of een planvoornemen uitgevoerd kan worden met of zonder enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Soms zijn er echter meer soortgegevens nodig en is aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk. Een Quickscan flora en fauna stelt dit vast.

1.2 Natuurbescherming In Nederland geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet geeft invulling aan de bescherming van natuurgebieden, van dieren en van planten en vloeit voort uit de Europees vastgelegde natuurwetgeving. De Nederlandse provincies bepalen het natuurbeleid voor hun gebied. Het onderstaande schema geeft een overzicht van het geldend wettelijk kader omtrent natuurbescherming in Nederland.

pagina 1 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Het onderzoek dat in dit document gerapporteerd wordt, behandelt de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden en komt dusdanig in aanraking met Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland en de lijst van in Nederland beschermde soorten.

pagina 2 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

2 Plangebied Onderstaande tabel 2.1 geeft de locatiegegevens van het plangebied en verduidelijkt het planvoornemen. Figuur 2.1 toont het plangebied in zijn huidige conditie en figuur 2.2 laat de locatie van het plangebied ten opzichte van de omgeving zien. Tabel 2.1: Kerngegevens van het plangebied en het planvoornemen Kerngegevens Opdrachtgever Adres Kadaster – perceelnummer(s) Kadaster – sectie(s) Kadaster - gemeente Oppervlakte Huidig gebruik Groenstructuren Geplande realisatie

Omgeving

De Bunte Vastgoed Zuid De heer N.J.H. Dankers Gildenweg 66 – 68 4801 EB BREDA 1549 E Gorinchem 2.241 m2 Het plangebied is in gebruik als autogarage. Tevens zijn er appartementen aanwezig op de eerste verdieping.. Rondom de bebouwing zijn parkeerplaatsen aanwezig. Het plangebied is omgeven door enkele hagen en struiken. Het voornemen bestaat om een appartementengebouw te realiseren van vier verdiepingen hoog. Hierbij zal de aanwezige bebouwing worden geamoveerd. Het plangebied bevindt zich aan de rand van Gorinchem, in de ‘Gildenwijk’. Rondom het plangebied zijn woonhuizen en appartementencomplexen aanwezig. Ten noorden van het plangebied bevindt zich het 'Gijs van Andelpark'.

Informatie opgehaald op 22 april 2022 (Perceelloep).

pagina 3 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Figuur 2.1: Huidige situatie van het plangebied: detailkaart.

Figuur 2.2: Huidige situatie van het plangebied: omgevingssituatie.

pagina 4 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Onderstaande foto’s, gemaakt op 6 april 2022, geven een beeld van de huidige situatie van het plangebied.

Foto A

Foto B

Foto C

Foto D

Foto E

Foto F

Figuur 2.3: Foto’s van de huidige situatie van het plangebied.

pagina 5 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

3 Gebiedsbescherming 3.1 Natura 2000 3.1.1 Bronnenonderzoek Ja

Nee X

Ligt het plangebied in een Natura 2000-gebied?

0 km

0 – 10 km

> 10 km

Wat is de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied?

2,8 km

Welk Natura 2000-gebied betreft het?

Lingegebied en Diefdijk Zuid

0 km

0 – 10 km

> 10 km

Wat is de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied?

4,1 km

Welk Natura 2000-gebied betreft het?

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

Figuur 3.1: Plangebied ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.

pagina 6 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Natura 2000- gebied – Lingegebied en Diefdijk Zuid Gebiedskenmerken: Het Natura 2000 gebied Zuider Lingedijk en Diefdijk-Zuid omvat de oeverlanden van de rivier de Linge, die een smal stroomgebied heeft dat tussen Rijn en Waal ligt ingekneld. Door zijn omvang, schaal en dynamiek neemt de Linge een bijzondere positie in het Nederlandse rivierenlandschap. Samenhangend met de geringere dynamiek, wordt het gebied gekenmerkt door interessante overgangen naar laagveen, wat tot uiting komt door een diversiteit aan verlandingslandschappen. Beschermde habitattypen: Er worden acht habitattypen beschermd: meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150), ruigten en zomen (H6430A), glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A en H6510B), kalkmoerassen (H7230) en vochtige alluviale bossen (H91E0A, H91E0B en H91E0C) Beschermde soorten: Er leven vijf soorten die beschermd zijn via de Habitatrichtlijn: bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, kamsalamander en bever. Natura 2000- gebied – Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem Gebiedskenmerken: Het Natura 2000 gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem bestaat uit drie aparte deelgebieden. Het deelgebied Loevestein ligt rond het gelijknamige slot en bestaat uit graslanden en moeras in de uiterwaarden van de Waal en de Afgedamde Maas. Het deelgebied Pompels omvat moeras, grienden, bosjes en vochtige graslanden.

Het is een kleine polder met eigen waterhuishouding, Ook de Kornsche Boezem is een kleine boezempolder, met veel grienden. Het Natura 2000 gebied heeft in zijn geheel een rijke visfauna. Beschermde habitattypen: Er worden zeven habitattypen beschermd: meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150), slikkige rivieroevers (H3270), stroomdalgraslanden (H6120), ruigten en zomen (H6430A), glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A) en vochtige alluviale bossen (H91E0A en H91E0C) Beschermde soorten: Er leven zes soorten die beschermd zijn via de Habitatrichtlijn: bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, kamsalamander en bever. Deze en verdere informatie over dit gebied is te vinden op de website van Natura 2000 in Nederland (Natura 2000)

pagina 7 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

3.1.2 Deelconclusie Natura 2000-gebieden

Met het meest nabije Natura 2000-gebied op minder dan 10 kilometer afstand valt een negatief effect van de geplande acties op Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten (Aanpak Stikstof). Door de korte afstand kan er mogelijk verspreiding van schadelijke stoffen via de lucht of het water naar Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Een stikstofberekening om eventuele stikstofdepositie ten gevolge van de geplande inrichtings-, sloop- en/of bouwwerkzaamheden (gebruikersfase) op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten is daarom noodzakelijk.

3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Bronnenonderzoek Ja Ligt het plangebied in een gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland?

0 km Wat is de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland?

Welk type natuurgebied is het?

Nee X

0 – 600 m

> 600 m 650 m

N14.03 Haagbeuken- en essenbos (BIJ12) N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland (BIJ12) N05.03 Veenmoeras (BIJ12)

pagina 8 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Figuur 3.2: Plangebied ten opzichte van de dichtstbijzijnde natuurgebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Ja Hanteert de provincie een externe werking wat betreft gebieden uit het Natuurnetwerk Nederland?

Nee X

Betekenis: Indirecte aantasting van natuurgebieden door werkzaamheden in de buurt van die gebieden moet niet in rekening gebracht worden.

3.2.2 Deelconclusie Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De provincie ZuidHolland hanteert geen externe werking als het gaat om het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijke aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van een natuurgebied door de geplande werkzaamheden moet niet worden onderzocht.

pagina 9 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

4 Houtopstanden 4.1 Definitie en wetgeving Volgens artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de gedeputeerde staten. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden.

4.2 Waarnemingen en analyse Ja Bevindt er zich een houtopstand binnen het plangebied?

Nee

X

Wat is het oppervlakte van de houtopstand?

100 m2

Beslaat het oppervlakte 1000 m2 of meer?

nee

Bestaat de houtopstand uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen?

nee

Figuur 4.1: Locatie van de houtopstand binnen het plangebied.

pagina 10 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

4.3 Deelconclusie houtopstanden De binnen dit planvoornemen te vellen houtopstand is kleiner dan 1000 m2 in oppervlakte en bestaat niet uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen bevat. Hierdoor bestaan er geen verplichtingen vanuit de Wet natuurbescherming. De houtopstanden vallen wel binnen de bebouwde kom. Soms zijn er vanuit gemeentelijk beleid toch verplichtingen zoals een meldingsplicht, een vergunningsplicht en/of herplantplicht. Dergelijke informatie is op te vragen bij het omgevingsloket van de gemeente.

pagina 11 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

5 Soortbescherming 5.1 Soortverspreiding Aan de hand van gepubliceerde datasets en literatuuronderzoek is bepaald welke soorten potentieel voorkomen in de directe omgeving van het plangebied. Van elk van deze soorten is dan de status van bescherming volgens de Wet natuurbescherming nagegaan. In de onderstaande paragrafen, die telkens één soortgroep behandelen, is eerst dit opzoekingswerk samenvat. In verspreidingsatlassen, zoals die van de Nederlandse Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), wordt gewerkt met atlasblokken (5 x 5 km) en kilometerhokken (1 x 1 km) om aan te geven welke soorten in de afgelopen jaren zijn waargenomen in het gebied. Een atlasblok bevat 25 kilometerhokken. Aangezien het plangebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhok en het atlasblok beslaat, is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied.

Code van het atlasblok waarin het plangebied ligt.

38-55 en 38-56

X-coördinaat van het kilometerhok waarin het plangebied ligt.

124 en 125

Y-coördinaat van het kilometerhok waarin het plangebied ligt.

427

5.2 Veldbezoek Tijdens een bezoek aan het plangebied is zoveel mogelijk informatie verzameld over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Hierbij zijn waarnemingen, zowel visueel als auditief, en sporenonderzoek cruciaal. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Daarnaast is op basis van terreinkenmerken beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Een Quickscan flora en fauna is een momentopname en geen veldinventarisatie omdat veldinventarisaties meerdere seizoensgebonden opnamerondes inhouden die volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. Het kan dus voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek. Hierdoor kan slechts in beperkte mate uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van soorten. Aan de hand van expert judgement (beoordeling door experten) en bekende ecologische principes is daarom een inschatting gemaakt over het kunnen voorkomen van beschermde plant- en diersoorten in het plangebied.

Datum van het veldbezoek

6 april 2022

Dagdeel van het veldbezoek

ochtend

Temperatuur tijdens het veldbezoek

8 ˚C

pagina 12 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Weersomstandigheden tijdens het veldbezoek

bewolkt en droog

Windkracht tijdens het veldbezoek

0 Bft

5.3 Flora 5.3.1 Soortverspreiding In Nederland groeien ca. 80 plantensoorten die een beschermde status hebben op Europese en/of nationale schaal. Deze soorten komen veelal voor in gebieden die beschermd zijn via de Europese habitatrichtlijn maar enkele soorten, zoals bijvoorbeeld de schubvaren, komen ook voor in het stedelijk gebied. Tijdens het veldbezoek is nagegaan of het plangebied geschikt is voor beschermde planten. Ook is de eventuele aanwezigheid van invasieve exoten – planten van elders die een bedreiging vormen voor de inheemse soorten – vastgesteld.

5.3.2 Waarnemingen en analyse Het veldbezoek vond plaats in de lente, wanneer slechts een deel van de aanwezige planten zichtbaar zijn. Tijdens het veldbezoek zijn er binnen het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Ze zijn er ook niet te verwachten door de voedselrijke omstandigheden en de verstedelijking van de omgeving. Beschermde soorten komen vooral voor op voedselarme, kalkhoudende grond en in ecologisch omstandigheden die plantendiversiteit stimuleren.

5.3.3 Deelconclusie

Er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot de flora.

5.4 Vogels 5.4.1 Soortverspreiding Alle niet-exotische, in het wild levende vogels die in Nederland broeden, te gast zijn of doortrekken, in totaal zo’n 290 soorten, zijn beschermd via de Vogelrichtlijn (Brochure MEZ). In de onderstaande tabel zijn de vogelsoorten opgenoemd waarvan de nestplaatsen jaarrond beschermd zijn in de provincie van het plangebied. Het betreft vogels die gebonden zijn aan vaste broedlocaties en daardoor niet kunnen uitwijken naar andere mogelijk geschikte locaties in de omgeving van het plangebied. Omdat het vernietigen of verstoren van hun broedplaatsen in strijd is met de Wet natuurbescherming, is tijdens het veldbezoek nagegaan of deze soorten in het plangebied voorkomen en broeden. Hierbij zijn de verspreidingskaarten opgesteld door het Sovon,

pagina 13 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

geraadpleegd om na te gaan of de soort in de buurt van het plangebied voorkomt (SOVON). Tabel 5.4.1: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in de provincie Zuid-Holland Categorie 1 2 3 4

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Jaarrond gebruikte nesten

steenuil

Koloniebroeders – honkvast of gebouwafhankelijk Niet koloniebroeders – honkvast of gebouwafhankelijk Jaarlijkse terugkeer naar nest

gierzwaluw, huismus, roek grote gele kwikstaart, kerkuil, oehoe, ooievaar, slechtvalk boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief, zwarte wouw

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten bij ecologisch zwaarwegende redenen blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, draaihals, eidereend, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, 5

Honkvast maar flexibel

hop, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, kleine vliegenvanger, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, ruigpootuil, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte roodstaart, zwarte specht

5.4.2 Waarnemingen en analyse Tijdens het veldbezoek zijn de onderstaande soorten waargenomen binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Het plangebied is dus voor deze soorten geschikt als onderdeel van het leefgebied. Tabel 5.4.2: Lijst van de tijdens het veldbezoek waargenomen vogelsoorten Vogelsoort

Latijnse naam

Aantal

Type waarneming

Nest

aalscholver

Phalacrocorax carbo

3

visueel

nee

ekster

Pica pica

1

visueel

ja

gaai

Garrulus glandarius

1

visueel

nee

huismus

Passer domesticus

1

auditief

nee

kauw

Corvus monedula

4

visueel

nee

koolmees

Parus major

2

visueel

nee

merel

Turdus merula

1

visueel

nee

scholekster

Haematopus ostralegus

3

visueel

nee

zilvermeeuw

Larus argentatus

7

visueel

nee

zwarte kraai

Corvus corone

1

visueel

nee

Tabel 5.4.3: Details van de tijdens het veldbezoek aangetroffen vogelsporen Vogelsoort of soortgroep merel

Beschrijving van de sporen twee (oude) nesten

Locatie van de sporen Haagbeuk aan de oostelijke rand van het plangebied

pagina 14 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Boom ten zuiden van het ekster

nest (in gebruik)

plangebied, aan de overzijde van de Gildenweg Boom in het plantsoen ten

ekster

nest (niet in gebruik)

oosten van het plangebied (buiten het plangebied)

Foerageer- en leefgebied Uit de bovenstaande waarnemingen en de observaties ter plekke blijkt dat het plangebied geschikt is als foerageergebied voor stadsvogels en tuinvogels. Voor akkervogels, bosvogels, moerasvogels, roofvogels, struweelvogels, watervogels en weidevogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Het plangebied is echter geen essentieel foerageergebied voor de voorkomende soorten omdat er in de buurt van het plangebied alternatief foerageergebied aanwezig is. Voorbeelden zijn de plantsoenen in de omgeving en het ‘Gijs van Andelpark’. Weidevogels Binnen het plangebied is geen geschikt leefgebied voor akker- en weidevogels zoals de grutto, de scholekster en de patrijs aanwezig. Deze soorten worden niet verwacht binnen het plangebied, waardoor een negatief effect valt uit te sluiten. Natuurgebonden nesten De binnen het plangebied aanwezige bomen en struiken kunnen dienen als broedgelegenheid. Er zijn echter geen nesten of potentiële nestmogelijkheden waargenomen van of voor soorten met jaarrond beschermde nesten. Wel werd er een nest aangetroffen die niet jaarrond beschermd is (zie bovenstaande tabel). De ekster is een categorie 5 soort die enkel bij ecologisch zwaarwegende redenen jaarrond beschermd is. Categorie 5 soorten keren vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan.

Wel beschikken zij over voldoende capaciteit om, als de verblijfplaats verloren gaat of wordt verstoord, zich elders te vestigen. In de omgeving zijn voldoende alternatieve locaties voor nestplaatsen aanwezig, zoals de bomenrij aan de Bataafsekade en de bomen in het ‘Gijs van Andelpark’. Broedende vogels zijn erg gevoelig voor verstoring door werkzaamheden. Door de algemene beschermingsstatus van vogels in Nederland kunnen sloop-, bouw- of inrichtingswerkzaamheden alleen plaatsvinden als er geen broedende vogels aanwezig zijn op of in de directe omgeving van het plangebied. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode, tussen begin oktober en half februari, worden geen nadelige effecten verwacht voor broedende vogels.

pagina 15 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Figuur 5.4.1: Kaart met locaties van de aangetroffen nesten binnen het plangebied

Foto B

Foto A Figuur 5.4.2: Foto’s van het aangetroffen eksternest (foto A) en een merelnest (foto B) Gebouwgebonden nesten Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig die geschikt is voor gebouwbewonende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest, zoals de huismus of gierzwaluw. De autogarage beschikt over een plat dak, waaronder geen ruimte is voor vogels om nesten te bouwen. Daarnaast bestaan de gevels voornamelijk uit panelen.

pagina 16 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

In deze gevels zijn geschikte openingen aanwezig die toegang kunnen bieden aan gebouwbewonende vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste verblijfplaats.

5.4.3 Deelconclusie vogels

Een aantal vogelsoorten benut het plangebied als foerageer- en broedgebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten en het gebied kan bovendien als foerageergebied in gebruik blijven. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Er kunnen geen verstorende werkzaamheden zoals sloop- en bouwwerkzaamheden of verwijdering van beplanting plaatsvinden wanneer er broedende vogels aanwezig zijn in de nabije omgeving. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden tussen begin oktober en half februari worden er eveneens geen nadelige effecten verwacht voor vogels.

5.5 Grondgebonden zoogdieren 5.5.1 Soortverspreiding Onderstaande tabel geeft een overzicht van de in het wild levende grondgebonden zoogdieren di e zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied sinds het jaar 2000 (NDFF). Zeezoogdieren, huisdieren, vee en exoten zijn niet opgenomen in de lijst en vleermuizen worden in het volgende deelhoofdstuk behandeld. Er is voor elke soort aangegeven of die op Europese (EU) of nationale (NL) schaal bescherming geniet, of er zorgplicht geldt voor de soort (ZORG) en of de soort vrijgesteld is van bescherming (VRIJ) in de provincie van het plangebied. De laatste kolom (plangebied) vat samen welke beschermde soorten relevant zijn voor het plangebied (***). Deze soorten worden behandeld in de volgende paragrafen. Tabel 5.5.1: Lijst van grondgebonden zoogdieren die voorkomen in de omgeving van het plangebied Nederlandse

Latijnse

soortnaam

soortnaam

aardmuis

Microtus agrestis

bever

Castor fiber

bosmuis

Diergroep knaagdierenwoelmuizen knaagdierenoverige

Apodemus

knaagdieren-ware

sylvaticus

muizen

bruine rat

Rattus norvegicus

bunzing

Mustela putorius

EU

X

NL

ZORG

VRIJ

X

X

X

X

X

X

X

knaagdieren-ware

marterachtigen

*** X

X

muizen roofdieren-

plangebied

X

X

X

pagina 17 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Nederlandse

Latijnse

soortnaam

soortnaam

das

Meles meles

dwergmuis

Micromys minutus

dwergspitsmuis

Sorex minutus

egel gewone bosspitsmuis haas

muizen insectenetersspitsmuizen

europaeus

overige

Sorex araneus Lepus europaeus

huismuis

Mus musculus

huisspitsmuis

Crocidura russula

ree

knaagdieren-ware

insecteneters-

Mustela erminea

mol

roofdierenmarterachtigen

Erinaceus

hermelijn

konijn

Diergroep

Oryctolagus

insectenetersspitsmuizen haasachtigen roofdierenmarterachtigen

Capreolus

Myodes glareolus

veldmuis

Microtus arvalis

vos

Vulpes vulpes

wezel

Mustela nivalis

woelrat

Arvicola amphibius

ZORG

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

insectenetersspitsmuizen haasachtigen

X

X

X

X

X

woelmuizen knaagdierenwoelmuizen roofdierenhondachtigen roofdierenmarterachtigen knaagdierenwoelmuizen

***

X

overige

knaagdieren-

plangebied ***

X

insectenetersevenhoevigen

VRIJ

X

muizen

capreolus

rosse woelmuis

NL

knaagdieren-ware

cuniculus Talpa europaea

EU

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Diergroepen zijn volgens het soortenoverzicht van de Zoogdiervereniging van Nederland ().

5.5.2 Waarnemingen en analyse Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren of voortplantings- en/of verblijfplaatsen van soorten aangetroffen die zijn beschermd volgens de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Op de volgende pagina wordt de functie van het plangebied voor elke soort die de laatste twintig jaar in de buurt van het plangebied is waargenomen verduidelijkt.

pagina 18 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Bever Leefgebied

Bevers leven in het overgangsgebied tussen land en water zoals in moerassen, langs beken en bij rivieren en meren. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste voor de bever, waarbij open of rotsige oevers worden gemeden.

Plangebied

Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor de bever door de afwezigheid van geschikt oppervlaktewater en natuurlijke schuilplaatsen.

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Nee

Das Leefgebied

De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen, zijn geschikte leefgebieden. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed een burcht kunnen graven.

Plangebied

Het plangebied is ongeschikt als leefgebied door de afwezigheid van geschikt leefgebied en natuurlijke schuilplaatsen. Ook door het stedelijke karakter van het terrein is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor deze soort.

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Nee

In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van plantsoenen en een park om als foerageergebied te dienen voor algemeen voorkomende soorten. Het plangebied zal beschikbaar blijven als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren.

5.5.3 Deelconclusie grondgebonden zoogdieren

Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er daarom geen negatieve effecten te verwachten voor grondgebonden zoogdieren.

pagina 19 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

5.6 Vleermuizen 5.6.1 Soortverspreiding Alle in Nederland voorkomende vleermuizen hebben een beschermde status. Het is verboden hun verblijfplaatsen aan te tasten, hun essentieel foerageergebied te vernietigen of hun vliegroutes te verstoren. Vleermuizen huizen in grotten, in boomholten of in spouwen of zolders van huizen. Ze maken gebruik van vliegroutes om zich te verplaatsen van verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Hiervoor worden lange, aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige landschapsstructuren zoals heggen en houtwallen gebruikt. Tijdens het veldbezoek is nagegaan (i) of er op het plangebied locaties zijn die kunnen dienen als winter-, kraam-, paar-, zomer- en/of jaarrondverblijfplaats voor vleermuizen, (ii) of het plangebied geschikt is als foerageergebied voor vleermuizen en zo ja, (iii) of het essentieel foerageergebied is en (iv) of er essentiële vliegroutes door het plangebied lopen. Onderstaande tabel duidt voor elke in Nederland voorkomende vleermuissoort aan of de soort is waargenomen in de omgeving van het plangebied sinds het jaar 2000 (NDFF) (Tabel 5.6.1 – omgeving plangebied). Tabel 5.6.1: Lijst van in Nederland voorkomende vleermuizen met aanduiding van hun type verblijfplaatsen en hun voorkomen in de omgeving van het plangebied Nederlandse soortnaam

Latijnse soortnaam

Baardvleermuis

Myotis mystacinus

Bechsteins vleerrmuis

Myotis bechsteinii

Bosvleermuis

Nyctalus leisleri

Verblijfplaatsen zomer: gebouwen, bomen winter: groeven, bunkers, kelders zomer: bomen winter: grotten gebouwen, bomen zomer: gebouwen

Omgeving plangebied nee nee nee

Brandt’s vleermuis

Myotis brandtii

Bruine grootoorvleermuis

Plecotus auritus

Franjestaart

Myotis nattereri

gebouwen, bomen

nee

Gewone dwergvleermuis

Pipistrellus pipistrellus

gebouwen

ja

Grijze grootoorvleermuis

Plecotus austriacus

gebouwen

nee

Grote rosse vleermuis

Nyctalus lasiopterus

bomen, rotsspleten

nee

Ingekorven vleermuis

Myotis emarginatus

winter: groeven, grotten, bunkers zomer: gebouwen, bomen winter: ondergrondse ruimten

zomer: gebouwen winter: gebouwen, groeven

Rhinolophus

zomer: zolders, grotten

ferrumequinum

winter: grotten

Laatvlieger

Eptesicus serotinus

gebouwen

Meervleermuis

Myotis dasycneme

Mopsvleermuis

Barbastella barbastellus

Rosse vleermuis

Nyctalus noctula

Grote hoefijzerneus

zomer: gebouwen winter: bunkers, groeven zomer: gebouwen, bomen winter: grotten, bunkers, kelders bomen

nee ja

nee nee ja ja nee nee

pagina 20 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Nederlandse soortnaam

Latijnse soortnaam

Ruige dwergvleermuis

Pipistrellus nathusii

Tweekleurige vleermuis

Vespertillo murinus

Vale vleermuis

Myotis myotis

Watervleermuis

Myotis daubentoni

Omgeving

Verblijfplaatsen

plangebied

zomer: gebouwen

ja

winter: gebouwen, bomen zomer: gebouwen

nee

winter: grotten, kelders, gebouwen zomer: gebouwen, bomen

nee

winter: grotten, groeven, kelders zomer: bomen, zolders, bunkers

nee

winter: ondergrondse ruimten

Informatie via Vleermuis.net (Vleermuiswerkgroep Nederland (VLEN)).

5.6.2 Waarnemingen en analyse Verblijfplaatsen Gebouwbewonende vleermuissoorten De bebouwing die aanwezig is binnen het plangebied is gedeeltelijk geschikt als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Er zijn toegangen en ruimten aanwezig die geschikt zijn als vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen. Daarom dient er aanvullend onderzoek te worden gedaan naar deze soortgroep. In de onderstaande tabel en figuur zijn de details van de mogelijke locaties weergegeven. Tabel 5.6.2: Lijst van aangetroffen potentiële vaste verblijfplaatsen van vleermuizen Locatie binnen het plangebied 1

zuidoostelijke gevel van de woning aan de Vleeshouwerstraat

Beschrijving van de locatie open stootvoegen

zuidelijke, westelijke, noordelijke 2

en oostelijke gevels van de

bruine openingen tussen de gevelpanelen

autogarage 3

dakrand

4.

garagedeur

Geschikt voor

grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis,

ruimte tussen de dakrand en de

laatvlieger, ruige

gevels

dwergvleermuis

ruimte tussen garagedeur en bakstenen gevel

pagina 21 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Foto A

Foto B

Foto C

Foto D

Figuur 5.6.1: Foto’s van mogelijk geschikte vleermuisverblijfplaatsen binnen het plangebied. Boombewonende vleermuissoorten In de bomen binnen het plangebied zijn geen holtes of scheuren gevonden die dienst kunnen doen als vaste verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Er zijn geen sporen zoals ontlasting of vraatsporen in de vorm van vlindervleugels gevonden. Foerageergebied Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn, zoals het ‘Gijs van Andelpark’ en tuinen van omliggende woningen. Vliegroutes Binnen het plangebied zijn geen lange, aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige landschapsstructuren zoals hoge heggen en houtwallen aanwezig die dienst kunnen doen als vliegroutes voor vleermuizen. De bomenrijen aan de Gildenweg en Bataafsekade kunnen wel dienst

pagina 22 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

doen als vliegroute voor vleermuizen. Deze landschapsstructuren zullen naar aanleiding van het planvoornemen echter niet worden aangetast en kan dus dienst blijven doen als vliegroute voor vleermuizen.

5.6.3 Deelconclusie vleermuizen

Er zijn binnen het plangebied locaties aangetroffen die mogelijk geschikt zijn als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Aanvullend onderzoek naar deze soortgroep is daarom noodzakelijk. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de geplande werkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten.

5.7 Amfibieën, reptielen en vissen 5.7.1 Soortverspreiding Amfibieën en reptielen Onderstaande tabellen geven een overzicht van de in het wild levende amfibieën en reptielen die zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied sinds het jaar 2000 (NDFF). Exoten zijn niet opgenomen in de lijst. In de laatste kolom (plangebied) worden de relevante, beschermde soorten die in de volgende paragrafen behandeld worden, aangeduid met ***. Tabel 5.7.1: Lijst van amfibieën die voorkomen in de omgeving van het plangebied Nederlandse soortnaam

Latijnse soortnaam

NL

ZORG

alpenwatersalamander

Ichthyosaura alpestris

X

X

Pelophylax kl. esculentus

X

X

X

bruine kikker

Rana temporaria

X

X

X

gewone pad

Bufo bufo

X

X

X

bastaardkikker of middelste groene kikker

EU

VRIJ

plangebied ***

heikikker

Rana arvalis

X

X

X

***

kamsalamander

Triturus crisatus

X

X

X

***

kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

X

X

X

meerkikker

Pelophylax ridibundus

X

X

X

poelkikker

Pelophylax lessonae

X

X

X

***

rugstreeppad

Epidalea calamita

X

X

X

***

pagina 23 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Tabel 5.7.2: Lijst van reptielen die voorkomen in de omgeving van het plangebied Nederlandse soortnaam

Latijnse soortnaam

ringslag

Natrix natrix

EU

NL

ZORG

X

X

VRIJ

plangebied ***

EU = op Europese schaal beschermd; NL = op nationale schaal beschermd; ZORG = zorgplicht van toepassing; VRIJ = vrijgesteld van bescherming in de provincie van het plangebied

Vissen Van de in Nederland voorkomende vissoorten zijn er twee soorten Europees en acht soorten nationaal beschermd. Deze soorten zijn veelal afhankelijk van zuiver water en speciale omgevingscondities. Tijdens het veldwerk is nagegaan of er in het plangebied geschikt oppervlaktewater aanwezig is voor deze soorten.

5.7.2 Waarnemingen en analyse Amfibieën Hieronder wordt de functie van het plangebied voor elke soort die de laatste twintig jaar in de buurt van het plangebied is waargenomen verduidelijkt. Alpenwatersalamander Leefgebied

De alpenwatersalamander leeft in niet snel stromend water dat niet te rijk is aan vis. Alpenwatersalamanders komen vaak voor in de buurt van bos en/of houtwallen en hebben een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen.

Plangebied

Door de afwezigheid van geschikt voortplantingswater binnen het plangebied en in de directe omgeving hiervan is het plangebied ongeschikt als voortplantingsbiotoop van deze soort. Tevens zijn er beperkte natuurlijke schuilmogelijkheden aanwezig die als landhabitat kunnen dienen.

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Nee

Heikikker Leefgebied Plangebied

Heikikkers zijn gebonden aan heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. Door de afwezigheid van deze landschapstypen vormt het plangebied geen geschikte leefomgeving voor deze soort. In de omgeving van het plangebied is er eventueel geschikt voortplantingswater en leefgebied rondom golfclub ‘The Dutch’.

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Nee

Kamsalamander Leefgebied

De kamsalamander komt voor op zandgronden en in beekdalen en geeft de voorkeur aan een bosrijk

pagina 24 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

landschap met houtwallen en struwelen. De soort leeft in poelen, vijvers, matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten. Plangebied

Het onderzoeksterrein is ongeschikt voor deze soort vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied en vanwege de aanwezige bebouwing op het perceel.

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Nee

Poelkikker Leefgebied

Het leefgebied van de poelkikker bestaat uit vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden.

Plangebied

Door de afwezigheid van deze landschapstypen, vormt het plangebied geen geschikte leefomgeving. In de omgeving van het plangebied is er eventueel geschikt voortplantingswater en leefgebied rondom golfclub ‘The Dutch’.

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Nee

Rugstreeppad Leefgebied

De rugstreeppad is een typische pionier-soort, die voorkomt in terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek. De soort kan snel geschikte locaties bezetten. Naast natuurlijke wateren in duinen en uiterwaarden zijn dit ook bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen

Plangebied

Het onderzoeksterrein is ongeschikt voor deze soort vanwege het ontbreken van geschikt oppervlaktewater en landhabitat. Ook vanwege de aanwezige bebouwing en bestrating is het plangebied ongeschikt voor deze soort.

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Nee

Reptielen Hieronder wordt de functie van het plangebied voor elke soort die de laatste twintig jaar in de buurt van het plangebied is waargenomen verduidelijkt. Ringslang Leefgebied

De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden gemeden. Ringslangen zonnen vaak op dijkjes in de buurt van water.

pagina 25 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

Plangebied

Door het ontbreken van geschikt habitat binnen het plangebied is de aanwezigheid van de ringslang binnen het plangebied redelijkerwijs uit te sluiten.

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Nee

Vissen Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid van (beschermde) vissen kan derhalve worden uitgesloten.

5.7.3 Deelconclusie amfibieën, reptielen en vissen

Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten, zoals bijvoorbeeld de gewone pad en de bruine kikker, zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor deze soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen.

5.8 Ongewervelden 5.8.1 Soortverspreiding Meer dan vijftig soorten insecten, onder andere vlinders, libellen en kevers, zijn wettelijk beschermd in Nederland. Daarnaast genieten sommige weekdieren, zoals mossels, ook bescherming. Veelal stellen deze soorten bijzondere eisen aan hun habitat en komen ze dus voor op specifieke plaatsen, zoals bijvoorbeeld poelen met helder water of graslanden met bloemrijke vegetatie. Tijdens het veldbezoek is nagegaan of het plangebied geschikt is voor beschermde ongewervelden.

5.8.2 Waarnemingen en analyse Beschermde soorten ongewervelden zijn niet waargenomen en ook niet te verwachten binnen het plangebied. Aan de specifieke eisen die deze soorten stellen aan hun leefgebied is binnen het plangebied niet voldaan. Door de afwezigheid van oppervlaktewater en de aanwezige bestrating en beplanting is het plangebied voor veel soorten niet geschikt.

pagina 26 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

5.8.3 Deelconclusie ongewervelden

Er zijn geen negatieve effecten te verwachten van dit planvoornemen met betrekking tot ongewervelde fauna.

5.9 Invasieve exoten 5.9.1 Soortverspreiding Exoten zijn uitheemse dier- en plantensoorten die na het jaar 1500 door toedoen van de mens terecht gekomen zijn in Nederland terwijl ze er oorspronkelijk niet voorkwamen. Sommige van deze exotische soorten vormen een bedreiging voor de Nederlandse inheemse soorten. Deze exotische soorten worden invasieve exoten genoemd. Ze hebben weinig tot geen natuurlijke vijanden in Nederland en zijn veelal moeilijk te bestrijden. Er zijn in Nederland meer dan 2000 exotische soorten waarvan er een 150 als invasieve exoot negatieve effecten hebben op de biodiversiteit, de ecosystemen en zelfs de economie van Nederland. Op Europese schaal werd een lijst opgesteld van 68 soorten schadelijke exotische dieren en planten waarvoor de lidstaten verplicht zijn populaties op te sporen, te beheren en te verwijderen. Tijdens het veldbezoek is nagegaan of er binnen of in de directe omgeving van het plangebied invasieve exoten voorkomen.

5.9.2 Waarnemingen en analyse Er werden geen soorten waargenomen binnen het plangebied waarvoor de Europees exotenverordening geldt. Verder zijn er ook geen soorten waargenomen die in Nederland actief bestreden moeten worden.

5.9.3 Deelconclusie invasieve exoten

Binnen het planvoornemen zijn er geen verplichtingen aangaande invasieve exoten.

pagina 27 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

6 Conclusies 6.1 Beschermde gebieden en soorten Onderstaande tabel bundelt de conclusies in verband met gebiedsbescherming en

Natuurnetwerk Nederland

Houtopstanden

Planten

Vogels

Grondgebonden zoogdieren

Vleermuizen

Amfibieën

Reptielen

Vissen

Ongewervelden

Invasieve exoten

Zorgplicht

Natura 2000

soortbescherming uit de hoofdstukken 3, 4 en 5.

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

Aanvullende maatregelen / aanpassingen Overtreding wet natuurbescherming Aanvullend onderzoek

X

X

X

X

Advies

X

X

X

Legenda: X

Wettelijk verplicht Niet te verwachten

X

Te verwachten

X

Noodzakelijk

X

Relevant Niet relevant

pagina 28 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

6.2 Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek inzake gebiedsbescherming bestaat uit een AERIUS-berekening. Hiermee wordt bepaald of de voorgenomen plannen bijdrage aan een toename in stikstofdepositie op de omliggende Natura-2000 gebieden. Onderstaande tabel geeft per soort een overzicht van de periode waarin de aanvullende onderzoeken gespreid gepland moeten worden en van het aantal veldbezoeken en waarnemers (per bezoek) dat noodzakelijk is. De procedures voor deze onderzoeken liggen vast in soortinventarisatieprotocollen (Netwerk Groene Bureaus) en kennisdocumenten (BIJ12). Periode Soort

J

F

M

A

vleermuizen

M

J

J

A

S

O

N

D

# 5x

3

Waar donker geel de optimale onderzoeksperiodes aanduidt, geeft lichtgeel de periodes aan waarin slechts een bepaald deel van het onderzoek kan gebeuren.

pagina 29 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

6.3 Zorgplicht 6.3.1 Definitie zorgplicht Voor alle in het wild levende plant- en diersoorten en voor hun directe leefomgeving geldt een zorgplicht (Wet Natuurbescherming – artikel 1.11). Met deze zorgplicht worden naast de nationaal en Europees aangewezen beschermde soorten en gebieden ook algemenere overige inheemse soorten beschermd. De zorgplicht houdt in dat men handelingen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten; -

achterwege laat;

-

indien achterwege laten niet passend is, maatregelen neemt om nadelige gevolgen te voorkomen;

-

indien die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Het is wettelijk verplicht invulling te geven aan deze zorgplicht

6.3.2 Negatieve effecten voorkomen – algemene maatregelen Bij de uitvoering van sloop- en bouwprojecten kunnen werkzaamheden veelal niet achterwege gelaten worden. Het is daarbij verplicht om maatregelen te nemen en daarmee de nadelige gevolgen op inheemse plant- en diersoorten te beperken of te voorkomen. Nadelige gevolgen kunnen veelal voorkomen worden door te werken in de minst-kwetsbare periode, zoals buiten de winterslaap, voortplantingstijd en periode van afhankelijkheid van jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle soortgroepen gelijk. In het algemeen geldt de periode van half oktober tot eind november als ‘veilige’ periode voor alle diergroepen. Dit is de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn en de mogelijkheid hebben om zich te verplaatsen. Bovendien zijn de jongen uit het laatste legsel van late broeders zoals de houtduif dan ook uitgevlogen (Vogelbescherming Nederland). Daarnaast kunnen negatieve gevolgen op algemeen voorkomende soorten beperkt worden door tijdens de werkzaamheden zodanig te werken dat dieren het plangebied kunnen verlaten zodat verwonding of doding van individuen wordt voorkomen.

Voorbeelden zijn: de werkzaamheden in de richting van een vluchtgebied uitvoeren, de werkzaamheden langzaam opstarten en/of langzaam werken zodat dieren de tijd hebben om het plangebied te ontvluchten, voorafgaand aan de start van werkzaamheden verstoring creëren zodat dieren uit het plangebied vluchten. Een voorbeeld om negatieve gevolgen op de aanwezige vegetatie te voorkomen is het beschermen van bomen om zo beschadiging van de stammen te voorkomen. Verder worden negatieve gevolgen op inheemse fauna beperkt door werkzaamheden zo veel mogelijk overdag uit te voeren. Bij gebruik van verlichting dient deze zo geplaatst te worden dat enkel de werkzaamheden gericht verlicht worden. Lichtverstrooiing kan vermeden worden door het gebruik van kappen.

pagina 30 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

6.3.3 Negatieve effecten voorkomen – soortgerichte maatregelen Zorgplicht algemene broedvogels Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen het broedseizoen van algemeen voorkomende broedvogels (globaal van 15 maart tot 15 juli) dan is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat het gebied vóórafgaand aan het broedseizoen, en zonder de verstoring van andere soorten, ongeschikt is gemaakt als broedlocatie. Door het plangebied ongeschikt te maken kan worden voorkomen dat vogels zich binnen het plangebied vestigen. Broedgevallen die tijdens of vlak voor de werkzaamheden ontstaan in en direct grenzend aan het plangebied, zijn immers ook onderhevig aan de zorgplicht. Het ongeschikt maken van het plangebied voor algemene broedvogels dient te gebeuren door de aanwezige struiken en bomen kort te snoeien vóór aanvang van het broedseizoen en deze ook kort te houden gedurende het broedseizoen. Indien werken binnen het broedseizoen noodzakelijk is, dient men voorafgaand aan de start van de werkzaamheden een broedvogelcheck te laten uitvoeren door een bevoegd ecoloog. Bij aanwezigheid van broedgevallen binnen de verstoringszone van de geplande werkzaamheden dienen aanvullende maatregelen genomen te worden of kunnen werkzaamheden geen doorgang vinden. Beschermde pioniersoorten Het plangebied bevindt zich binnen het verspreidingsgebied van de rugstreeppad.

De rugstreeppad is een beschermde amfibiesoort die zich voortplant in ondiepe (vaak tijdelijk) oppervlaktewater dat snel opwarmt (RAVON). Om vestiging van rugstreeppadden binnen het plangebied te voorkomen, dient het ontstaan van poeltjes of plassen binnen het plangebied in het voortplantingsseizoen (april-september) van de rugstreeppad te worden voorkomen. Een andere optie is (wanneer het plangebied in de huidige situatie nog niet geschikt was) het afzetten van het plangebied met een amfibieënscherm.

6.3.4 Acties bij aantreffen beschermde soorten Indien er tijdens de werkzaamheden, ondanks voorgenomen maatregelen, toch beschermde soorten of broedgevallen binnen het plangebied zijn gevestigd dienen de werkzaamheden te worden stilgelegd en dient een ecologisch deskundige te worden ingeschakeld. Hiermee kan schade en verstoring van deze individuen zo veel mogelijk worden voorkomen en wordt er geen overtreding op de Wet natuurbescherming gemaakt.

6.4 Eindconclusie •

Om eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten dient een stikstofberekening te worden gemaakt.

•

Nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk.

•

Uit de aanvullende onderzoeken moet blijken of eventuele ontheffing en mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn.

•

De omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen.

•

Om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd.

pagina 31 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

•

Het plangebied dient voorafgaand aan het broedseizoen (globaal vanaf 15 maart) ongeschikt te worden gemaakt als broedlocatie voor algemene broedvogels.

•

Om vestiging van rugstreeppadden binnen het plangebied te voorkomen, dient het ontstaan van poeltjes of plassen binnen het plangebied in het voortplantingsseizoen (april - september) van de rugstreeppad te worden voorkomen.

•

Voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.

6.5 Advies 6.5.1 Erfbeplanting Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente.

6.5.2 Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van de Checklist Groen Bouwen opgesteld door Vogelbescherming Nederland en de Zoogdiervereniging (Checklist Groen Bouwen). Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over.

pagina 32 van 33

documentkenmerk: 2203/107/CW-01, versie 0

7 Literatuurlijst Aanpak Stikstof. Nederland (Rijksoverheid Nederland, Den Haag, Nederland). [Online] aanpakstikstof.nl. BIJ12. Natuur en Landschap (BIJ12, Utrecht, Nederland). [Online] bij12.nl. Brochure MEZ. Ministerie van Economische Zaken - Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen versie 1.3 (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag, Nederland). [Online] Checklist Groen Bouwen. (Vogelbescherming Nederland en Zoogdiervereniging Nederland, Zeist en Nijmegen, Nederland). [Online] checklistgroenbouwen.nl. Natura 2000. Natura 2000 in Nederland (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag, Nederland). [Online] natura2000.nl. NDFF. Nationale Databank Floa en Fauna (NDFF) - Verspreidingsatlas (Nijmegen, Nederland). [Online] verspreidingsatlas.nl. Netwerk Groene Bureaus. Brancheorganisatie voor kwaliteitsbevoerdering en belangenbehartiging (NGB, Odijk, Nederland). [Online] netwerkgroenebureaus.nl/. Perceelloep. Kadasterkaart Nederland (Geoloep, Groningen, Nederland). [Online] perceeloep.nl. RAVON. Soorten (Nijmegen en Amsterdam, Nederland). [Online] ravon.nl. SOVON. Vogelinfo. Informatie per soort. (Nijmegen, Nederland). [Online] sovon.nl. Vleermuiswerkgroep Nederland (VLEN). Vleermuis.net. [Online] vleermuis.net. Vogelbescherming Nederland. Vogelgids (Zeist, Nederland). [Online] vogelbescherming.nl. Zoogdiervereniging.

Zoogdiersoorten (Zoogdiervereniging Nederland, Nijmegen, Nederland). [Online] zoogdiervereniging.nl.

pagina 33 van 33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=e90f531d-e51e-411c-aed0-090a252e24f5