Bijlage 1 Archeologisch bureauonderzoek
Tekst van het document
9701
booronderzoek
Bilan
Schotdeuren
2005
(nog) niet bekend
10309
booronderzoek
RAAP
diverse
1992
Betuwe route RAAP-rapport 76 20
17922
booronderzoek
Bilan
Haarweg 23
2006
geen arch. indicatoren aangetroffen 21
Deze onderzoeken hebben geen extra informatie opgeleverd ten aanziek van het onderzoeksgebied.
Verwachtingskaarten en cultuurhistorische kaarten
De archeologische verwachtingskaart IKAW geeft een gebiedsindeling in vier categorieën weer op basis van de verwachting van archeologische vondsten (gebieden met een zeer lage, lage, middelhoge, dan wel hoge archeologische verwachting). Deze kaart is onder andere gebaseerd op de relatie die er bestaat tussen de bodemsoort en de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Een punt van aandacht daarbij is dat de IKAW grotendeels is gebaseerd op kaarten met een schaal van 1 : 50.000. Op lokaal schaalniveau is de kaart daarom minder betrouwbaar. Daarbij komt dat de IKAW voornamelijk is gebaseerd op de aanwezigheid van nederzettingen en niet op bijvoorbeeld grafvelden of offerplaatsen. Een lage verwachting op het aantreffen van
20
Asmussen en Exaltus 1993.
21
De Vos 2006.
13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 20 van 27
Bureauonderzoek
archeologische waarden en resten wil echter niet zeggen dat er geen archeologische waarden of resten aanwezig kúnnen zijn. De kans daarop is echter wel kleiner. De IKAW geeft voor het grote noordwestelijk deel van het plangebied een lage verwachting aan, dit is het gebied met de drechtvaaggronden en de kalkloze poldervaagronden, de van oorsprong lagergelegen delen van het gebied. Voor de oostkant waar de Stroomgordel van Gorkum-Arkel in de ondergrond zit, geldt een middelhoge verwachting; In het zuidelijk deel geldt een hoge archeologische verwachting, dit vanwege de aanwezigheid daar van de Stroomgordel van Spijk. In aanvulling op de landelijke archeologische kaarten hebben veel provincies eigen cultuurhistorische kaarten vervaardigd, waarin veel lokale gebiedskennis is opgenomen. Het betreffen kaarten waarbij niet alleen de archeologie in beeld is gebracht (vaak is deze informatie voor een groot deel overgenomen uit Archis), maar waarop ook de historische geografische waarden van het landschap en het monumentale gebouwde erfgoed staan weergegeven. De CHS van ZuidHolland is ook digitaal beschikbaar. 22 De waardering voor het plangebied op de CHS komt overeen met die op de IKAW. Aan alle drie de disciplines zijn in de CHS steeds twee kaarten gewijd, één kenmerken- en één waardenkaart.
Een zevende kaart is een samenstelde kaart die een totaaloverzicht van de onderkende waarden geeft. - 1. Archeologie
Kaart 1a: Archeologie, kenmerken, toont in de noordoostelijk deel van het plangebied een stroomgordelrug onder het huidige oppervlak met (mogelijke) occupatie in de late prehistorie. Kaart 1b: Archeologie, waarden, hetzelfde systeem wordt genoemd bij de Verwachtingen als een Structuur met een zeer grote kans op archeologische sporen. - 2. Landschap
Kaart 2a: Landschap, kenmerken, Ruimtelijke systemen: aanwezigheid van een poldergrens langs de Hoogbloklandse Weg. Kaart 2b: Landschap, waarden, plangebied is als historisch-landschappelijk vlak van Redelijk Hoge Waarde. De historisch-landschappelijke lijn ter hoogte van de Haarweg wordt gezien als van Hoge waarde. - 3. Nederzettingen
Kaart 3a: Nederzettingen, kenmerken; de lijn ter hoogte van de Haarweg als een polderlint (periode tot 1850); het gaat van oorsprong om op enige afstand van elkaar gelegen boerderijen op de kop van de strookvormige kavels. In de loop van de tijd zijn er daar nogal wat woonhuizen tussen gebouwd, maar de karakteristiek is er nog steeds. Kaart 3b: Nederzettingen, waarden; niet specifiek gewaardeerd. - 4. Overzicht waarden
Kaart 4: Overzicht waarden; de Hoogbloklandse Weg wordt als een Historisch-landschappelijke lijn de Waarde redelijk hoog gegeven. De lijn ter hoogte van de Haarweg als een polderlint Historisch-landschappelijke lijn de Waarde hoog gegeven. Als landschappelijk vlak heeft het hele plangebied een redelijk hoge waarde.
De regio Alblasserwaard/Vijfheerenlanden is vrijwel geheel als Topgebied cultureel erfgoed en tevens als Belvederegebied aangemerkt. Van bijzondere waarde zijn de verkavelingspatronen, de wegprofielen, de bebouwingsstroken, de beschermde gezichten van enkele plaatsen als Kinderdijk, Gorinchem et cetera, en waardevolle kernen als Groot-Ammers, Meerkerk en Lexmond. 22
Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS), regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden.
13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 21 van 27
Bureauonderzoek
Het molengezicht van Kinderdijk is op de Werelderfgoedlijst van de Unesco geplaatst. Bovendien staan de oostelijke Alblasserwaard en het gebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie op de tentatieve lijst van de Unesco. Deze waardevolle cultuurhistorische elementen dienen planologische bescherming te genieten. 2.8
Archeologische verwachting
Hoewel dus binnen het plangebied tot nu toe geen aanwijzingen en sporen van de beschreven cultuurcomplexen zoals bij Polderwijk en bij De Bruin zijn aangetoond, kan zeker niet worden uitgesloten dat deze niet aanwezig kunnen zijn. De huidige gegevens voor het plangebied met name de bodemkundige gegevens, berusten op grofmazige en oppervlakkige waarnemingen en op relatief lage hoeveelheden boringen. Bij ieder onderzoek naar archeologische en cultuurhistorisch waarden in het gebied van de Alblasserwaard blijkt de hoofdvraagstelling steeds neer te komen op de volgende drie punten: a. Zijn er donken in de ondergrond aanwezig? En zo ja, heeft er dan bewoning uit Mesolithicum en Neolithicum en de overgang naar de Vroege-Bronstijd op plaatsgevonden? b. Zijn er delen van fossiele stroomgordels in de ondergrond aanwezig? Dit kunnen immers plaatsen zijn waar vroege bewoning in het gebied kan voorkomen. c. Zijn er elementen aanwezig die samenhangen met de periode van de middeleeuwse ontginningen? We kunnen hierbij denken aan ontginningssystemen en de aanwezigheid van huisterpjes. Deze drie punten dienen dus ook in dit geval minimaal als leidraad te worden gebruikt bij verdere aanvullende archeologische inventarisaties.
Paleolithicum en Mesolithicum Vanwege de holocene ouderdom van het gebied zijn waarden die uit de alleroudste perioden van de menselijke geschiedenis stammen, niet te verwachten. Op donken die zich mogelijk in de ondergrond kunnen bevinden, kunnen sporen voorkomen vanaf de periode van het (Laat-)Mesolithicum. In deze periode was het gebied voldoende droog voor vestiging en bewoning. De resten kunnen bestaan uit haardkuilen, houtskool, bewerkt natuursteen (vuurstenen werktuigen) en afval van de vervaardiging daarvan, (fragmenten) vroeg aardewerk en archeobotanisch en archeozoöloogisch materiaal, fosfaat en andere nederzettingsresten et cetera. Dat er dergelijke donken in de ondergrond voor kunnen komen, is zeker niet uit te sluiten en de kans op het aantreffen van archeologische waarden en resten uit deze periode is middelhoog. Dergelijke resten kunnen juist voor komen in die delen van het plangebied die volgens de verwachtingskaarten een lage verwachting hebben. Neolithicum tot Romeinse Tijd Tijdens het Neolithicum trad op grote schaal veenvorming op in het gebied als gevolg van de verdergaande vernatting. Hierdoor werd het gebied minder geschikt voor bewoning. Toch zijn in de omgeving van het plangebied vondsten uit het begin van de periode van veenvorming bekend (Neolithicum en Bronstijd), zoals vuurstenen werktuigen en nederzettingssporen.
De kans op het aantreffen van archeologische resten uit deze periode is middelhoog, ondanks de vernatting die het gebied minder geschikt maakte voor bewoning. Het opkruipende veen heeft echter wel de neiging oudere vindplaatsen af te dekken, zodat deze feitelijk geconserveerd worden zodat sporen nog duidelijk aanwezig kunnen zijn. Dergelijke waarden en resten kunnen op de Stroomgordel van Gorkum-Arkel, in het oostelijk deel van het plangebied, aanwezig zijn. Op de Stroomgordel van Spijk zijn vondsten te verwachten daterend vanaf de periode van de Late IJzertijd en de Romeinse Tijd. Middeleeuwen tot Nieuwe Tijd De ligging aan de rand van het veengebied maakte het gebied vanaf de Middeleeuwen weer geschikt voor bewoning. Men ging over tot de ontginning en ontwatering van het veen. De kans
13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 22 van 27
Bureauonderzoek
op het aantreffen van archeologische resten uit deze perioden, zoals ontginningsresten (verkavelingspatronen) en nederzettingsresten (aardewerk, glas, puin) uit deze periode in de top van het veen en het dek is middelhoog. De aanwezige huisterpen zijn hier al een indicatie voor. Zie verder punt c hierboven genoemd. 2.9
Conclusie bureauonderzoek en aanbevelingen
Het onderzoeksgebied heeft volgens de verwachtingskaarten over het algemeen een lage archeologische verwachting gekregen, dit echter waarschijnlijk alleen op grond van de daar aanwezige bodemtypen. Alleen ter hoogte van de stroomgordels in de ondergrond is er sprake van een (middel)hoge trefkans. Verder is het mogelijk dat er ook nog donken in het gebied aanwezig zijn waarop bewoning uit de periode van het Laat-Mesolithicum tot het Vroeg-Neolithicum mogelijk is geweest. Dergelijke donken zouden met behulp van geofysische methoden goed op te sporen zijn. Afhankelijk van de diepteligging van de top van deze donken zouden deze daarna met behulp van boringen nader onderzocht kunnen worden. Gezien het bovenstaande is het noodzakelijk om voor aanvang van de grondwerkzaamheden in ieder geval een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO) uit te voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek. Hiermee kan duidelijkheid worden verkregen in de specifieke bodemopbouw van het plangebied. Daarnaast kunnen eventuele reeds aanwezige verstoringen van de bodem in kaart worden gebracht.
Het IVO wordt uitgevoerd om de verwachting die hiervoor is opgebouwd, in het veld te toetsen en om antwoord te kunnen geven op de volgende onderzoeksvragen: • is er binnen het plangebied sprake van een onverstoorde bodemopbouw? • is er binnen het plangebied sprake van het voorkomen van archeologische vindplaatsen? Daarnaast moeten de vragen zoals aan het begin van § 2.8 geformuleerd, en geldend voor de Alblasserwaard in zijn algemeenheid, beantwoord kunnen worden. Indien er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van archeologische waarden zijn de volgende vragen van toepassing: • op welke diepte bevinden zich de aangetroffen waarden? • wat is de verspreiding van de vindplaats(en)? • wat is de ouderdom van de aangetroffen archeologische waarden? • wat is de mate van conservering van de vindplaats? Het (verkennend) booronderzoek zou zich daarbij kunnen beperken tot de zones rond de stroomgordels als gelijktijdig bijvoorbeeld een grootschaliger geofysisch onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van donken of andere in de ondergrond gelegen zandlichamen wordt uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek kan daarna door het bevoegd gezag worden bepaald of er in het kader van de AMZ nog verder onderzoek moet plaatsvinden.
Conform de Wijziging Beleidsregels opgravingsbevoegdheid zal eerst een Programma van Eisen moeten worden opgesteld waarin onder andere de hier voorgenoemde onderzoeksvragen worden betrokken en verder uitgewerkt.
13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 23 van 27
3
Evaluatie
3.1
Samenvatting en conclusie
De gemeente Gorinchem heeft aan Grontmij opdracht verstrekt tot het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek ten behoeve van de ontwikkeling van het ‘Bedrijventerrein Gorinchem-Noord’ en de wijziging van het bijbehorende bestemmingsplan in breder kader. In de ondergrond van het plangebied bevinden zich twee fossiele stroomgordels die mogelijk archeologische waarden kunnen herbergen. Deze hebben dan ook een (middel)hoge trefkans gekregen op de verwachtingskaarten. Voor de overige delen van het plangebied geldt op het eerste gezicht een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden en resten. Het plangebied ligt geologisch gezien echter in de zone waar eolische afzettingen van de Formatie van Kreftenheye in de ondergrond veelvuldig voorkomen. Mogelijk heeft op donken vroege menselijke bewoning plaatsgevonden, vergelijk hiertoe de behandelde vindplaatsen Polderweg en De Bruin (zie § 2.6). Binnen het plangebied is één terrein van archeologisch betekenis aanwezig, een huisterp uit de periode van de Late-Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd. Op twee vergelijkbare huisterpen zijn eerder waarnemingen gedaan van vondsten aardewerk uit de periode van de Late Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd. Het is dus goed mogelijk dat in het plangebied sporen van menselijke activiteiten vanaf het Mesolithicum in de bodem aanwezig kunnen zijn.
Aanwijzingen hiervoor zijn de bekende archeologische vindplaatsen in de nabijheid van het plangebied, alsmede de bodemopbouw in het plangebied zelf. Voor deze gebieden is nader onderzoek nodig voordat verdere aanbevelingen met betrekking tot het geheel van de AMZ gegeven kunnen worden. 3.2
Aanbeveling
Gezien het voorgaande wordt geadviseerd vervolgonderzoek te laten uitvoeren met als doel het controleren van de conclusies uit het bureauonderzoek. Naast het opsporen en het in kaart brengen van eventuele archeologische waarden binnen het plangebied, moet worden gelet op eventuele verstoringen van het bodemprofiel. Indien er sprake is van diepgaande verstoringen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden reeds vernietigd zijn. In de delen met een (middel)hoge archeologische verwachting wordt daarom geadviseerd een verkennend en/of karterend booronderzoek uit te laten voeren. Voor het opsporen en in kaart brengen van mogelijke donken wordt geofysisch onderzoek geadviseerd. Beide vormen van oudheidkundig bodemonderzoek zouden voor een groot deel te combineren zijn met elkaar en met andere vormen van terreinonderzoek, bijvoorbeeld het milieutechnisch onderzoek. De delen die buiten het feitelijke bedrijventerrein vallen, maar ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging in dit onderzoek zijn meegenomen, hoeven pas nader onderzocht te worden indien de noodzaak zich daartoe voordoet. Met betrekking tot de resultaten van dit onderzoek en de gegeven aanbevelingen, wordt verder geadviseerd ook contact op te nemen met het overkoepelend bevoegd gezag, de provinciaalarcheoloog van Zuid-Holland.
13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 24 van 27
Literatuur en bronnen
Literatuur Asmussen, P.S.G. en R.P. Exaltus, 1993, Archeologische begeleiding Betuweroute. Deel B: inventarisatie en Deel C (gedeeltelijk): Waardering. RAAP-rapport 76. Berendsen, H.J.A., 1982. De genese van het landschap in het zuiden van de provincie Utrecht, een fysisch-geografische studie. Utrechtse Geografische Studies 10. Berendsen, H.J.A., 1984. Problems of lithostratigraphic classification of Holocene deposits in the perimarine area of the Netherlands, in: Geologie en Mijnbouw 63, p. 351-354. Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001. Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, The Netherlands, Van Gorcum Assen, 2001. Dijkstra, Y., O. Brinkkemper en C.W. Koot, 1999. Archeologie in de Betuweroute: Papendrechtse Stroomrug . Rapportage Archeologische Monumentenzorg 80 (RAM 80). Amersfoort/Utrecht 1999. Harbers, P., 1981. Bodemkaart van Nederland schaal 1:50.00 Toelichting bij kaartblad 38 Oost Gorinchem. Stiboka Wageningen, 1981. Lanting, J.N. & J. van der Plicht, 1996. De C14-chronologie van de Nederlandse Pre- en Protohistorie, I: Laat-Paleolithicum. In: Palaeohistoria 37/38 (1995-1996), 71-125. Lanting, J.N. & J. van der Plicht, 2000. De C14-chronologie van de Nederlandse Pre- en Protohistorie, II: Mesolithicum. In: Palaeohistoria 39/40 (1997-1998), 99-162. Lanting, J.N. & J. van der Plicht, 2002.
De C14-chronologie van de Nederlandse Pre- en Protohistorie, III: Neolithicum. In: Palaeohistoria 41/42 (1999-2000), 1 -110. Louwe Kooijmans, L.P. (ed.), 2001a. Archeologie in de Betuweroute. Hardinxveld-Giessendam Polderweg. Een mesolithisch jachtkamp in het rivierengebied (5500-5000 v.Chr.). Rapportage Archeologische Monumentenzorg 83 (RAM 83). Amersfoort/Utrecht 2001. Louwe Kooijmans, L.P. (ed.), 2001b. Archeologie in de Betuweroute. Hardinxveld-Giessendam De Bruin. Een kampplaats uit het Laat-Mesolithicum en het begin van de Swifterbantcultuur (5500-4450 v.Chr.). RAM 88. Amersfoort/Utrecht 2001. Verbraeck, A. 1970. Toelichting bij de geologische kaart van Nederland. Blad Gorinchem (Gorkum) Oost (38O). Rijks Geologische Dienst, Haarlem. De Vos, S. Gorinchem (ZH), Haarweg 23 - Archeologisch vooronderzoek. Rapportnr. 2006/97. Bilan Tilburg, 2006. Weerts, H.J.T. 2003. Beschrijving lithostratigrafische eenheid. Naaldwijk. NITG/TNO, Utrecht.
13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 25 van 27
Literatuur en bronnen
Bronnen Archeologisch informatiesysteem Archis2, Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM), Amersfoort. Archeologische Monumentenkaart (AMK), Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM), Amersfoort. Bodemkaart van Nederland, Blad 38 Oost Gorinchem. Schaal 1:50.000, Stiboka, Wageningen 1981. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland, regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. Provincie Zuid-Holland Den Haag, 1999. http://chs.zuid-holland.nl - december 2006. Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) via Archis2. Geologische Kaart van Nederland, Gorinchem Oost (38O). Schaal 1:50.000, Rijks Geologische Dienst, Haarlem 1970. Topografische kaart van Nederland - blad 38 G Gorinchem. Schaal 1:25.000. Topografische Dienst Kadaster - Dienst voor het Kadaster en openbare registers, Apeldoorn 2004.
Voor de Alblasserwaard in het algemeen: internetsite van de vereniging Den Hâneker http://www.denhaneker.nl - mrt. 2003 / dec. 2006.
13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 26 van 27
Verklarende woordenlijst & gebruikte afkortingen
Verklarende woordenlijst Voor bodemkundige begrippen wordt verwezen naar: H. de Bakker en J. Schelling: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland – De hogere niveaus. Stiboka/Pudoc, Wageningen 1966. afzettingen
onderverdeling van een formatie, ook wel laagpakket genoemd
eolisch
afzettingsmilieu waarbij sediment wordt afgezet onder invloed van de wind
fluviatiel
proces waarbij de vorming van een landschap wordt bepaald door de werking van rivieren
Formatie
fundamentele eenheid in de lithostratigrafische classificatie gebaseerd op gesteentekenmerken
Holoceen
jongste geologische tijdvak (10.000 BP - heden)
hydromorf
nat tot zeer nat, met betrekking tot bodems
Pleistoceen
geologisch tijdperk met sterke klimaatswisselingen van gematigd warm tot zeer koud (ca. 2,3 miljoen jaar BP - 10.000 BP)
Saalien
voorlaatste grote ijstijd (200.000 BP - 130.000 BP)
Weichselien
de laatste fase van het Laat-Pleistoceen, de laatste grote ijstijd (110.000 BP 10.000 BP)
Gebruikte afkortingen BP
before present (voor heden); C14 jaren; het nulpunt ‘heden’ is hierbij volgens internationale afspraak gesteld op 1950 (n.Chr.); de werkelijke kalender- of zonnejaren (gecalibreerde C14-jaren) zijn weergeven in jaren v.Chr. en n.Chr.
C14
koolstof 14, isotoop van het normale koolstof 12; radioactief element dat voor dateringsmethoden gebruikt wordt
v.Chr. n.Chr.
(jaren) voor Christus (jaren) na Christus
KNA
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (v. 3.1 oktober 2006)
RACM
Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, fusie van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ), september 2006
RGD
Rijks Geologische Dienst (tegenwoordig onderdeel van TNO-NITG Bodem)
Stiboka
Stichting Bodemkartering (tegenwoordig onderdeel van Alterra Wageningen)
13/GAR60/vdR, revisie C2 Pagina 27 van 27
Bijlage 1
Ligging plangebied op topografische ondergrond
13/GAR60/vdR, revisie C2
Bijlage 2
Ligging plangebied op paleogeografische kaart
13/GAR60/vdR, revisie C2
Bijlage 2
Ligging plangebied op paleogeografische kaart
Plangebied in rood aangegeven, met de Stroomgordel van Spijk (nr 158, oranje) en de Stroomgordel van Gorkum-Arkel (nr. 52, donkergroen). In het uiterste noordwesten van het plangebied komen nog uitlopers van een crevasse voor. Ondergrond: uitsnede Addendum 1 bij Berendsen & Stouthamer 2001. Zonder schaal.
13/GAR60/vdR, revisie C2
Bijlage 3
Bodemkaart
13/GAR60/vdR, revisie C2
Bedrijventerrein Gorinchem-Noord
03-01-2007
Bodemkaart (gegevens Alterra) - overzicht
128633 10440/ 431478
J. v/d Roest - Grontmij Nederland bv
|f10436 TERP
|h BEBOUW 10441 Rn44C
Legenda WAARNEMINGEN HUIZEN
kVb
6917 |h BEBOUW
6162
TOP10 ((c)TDN)
MONUMENTEN archeologische betekenis
Rv01C
archeologische waarde hoge archeologische waarde
15902
zeer hoge archeologische waarde
|g WATER
zeer hoge arch waarde, beschermd
6659 ONDERZOEKSMELDINGEN
13476
Rn67C
BODEM ((c)Alterra) Rn67C |g MOERAS
Associaties Brikgronden Bebouwing
Rn44C
Rn95A
Rn95A
Fluviatiele afz ouder pleistoceen
6793 7508 8019
Groeve, gegraven, mijnstort
Rn95A
Kalksteenverweringsgronden Oude rivierkleigronden
Rn95A
9701
Rn47C
13251
13255
13254
20513
Dikke eerdgronden
pRn59
15314
Rn47C
17922
Dijk, bovenlandstrook
Rn47C
Overige oude kleigronden
5230 4024
Rn44C
Rn44C
Ondiepe keileemgronden
|g WATER
Leemgronden Zeekleigronden
10460 5464 Rn47C
Mariene afz ouder pleistoceen Niet-gerijpte minerale gronden
6577
Oude bewoningsplaatsen
Rn44C
Rivierkleigronden Kalkh lutumarme gronden
Rv01C
Veengronden
|g WATER
Moerige gronden
6269
Water, moeras
Rv01C
Podzolgronden
7164 7337 |h BEBOUW
3883 20166 4077 6491
0
1 km
|g WATER
N Rn52A
123298 / 426976
127986265 2142|g WATER6270 9494
RACM Archis2
Bijlage 4
Archeologische basiskaart (ABK)
13/GAR60/vdR, revisie C2
Bedrijventerrein Gorinchem-Noord
03-01-2007
Archeologische basiskaart (ABK) - detail
127182 / 430256
J. v/d Roest - Grontmij Nederland bv
Legenda WAARNEMINGEN
24772
ONDERZOEKSMELDINGEN
26067
HUIZEN TOP10 ((c)TDN)
MONUMENTEN archeologische betekenis archeologische waarde hoge archeologische waarde zeer hoge archeologische waarde zeer hoge arch waarde, beschermd
IKAW zeer lage trefkans lage trefkans middelhoge trefkans hoge trefkans lage trefkans (water) middelhoge trefkans (water) hoge trefkans (water)
13254
water
20513
niet gekarteerd
29741 36693
17922 36694
9701 52304024
6577
0
500 m N
RACM Archis2
124773 / 428224