Beantwoording Technische vraag B&A d.d. 8 juni - Treasurybeleid.docx
Tekst van het document
Vanuit het college komt er nog een schriftelijke toelichting op hoe de rekenrente werkt i.r.t. de marktrente, en hoe de risico’s hierbij worden afgedekt. De renterisiconorm heeft als doel de lening portefeuille van de gemeente te behoeden voor een onverantwoord grote gevoeligheid voor rentefluctuaties. Ze stelt dus een grens aan de structuur van de leningen, niet aan de hoogte. Door aflossingen van leningen in de tijd te spreiden, kan het renterisico verkleind worden. Het gaat bij de renterisiconorm om het renterisico bij het (her)financieren van leningen. Als de aflossingen niet goed gespreid worden en er op het zelfde moment of in een korte periode veel leningen moet worden (her)gefinancierd bestaat de kans dat er tegen een hoger rentepercentage geleend moet worden dan de huidige leningen. Om die reden is er landelijk bepaald dat het renterisico niet meer mag bedragen dan 20% van het begrotingstotaal. De rekenrente is het gemiddelde rentepercentage van de lopende leningen en een inschatting van de
rente over de verwachte financieringsbehoefte. Nieuw aan te trekken kapitaal begroten we dus tegen de marktrente. Voor de begroting 2023 is de rekenrente 1,2%, in de PPN wordt deze verhoogd naar 1,3%. De gemeente benadert haar financieringsvraagstuk integraal en maakt daarom gebruik van totaalfinanciering. Op het moment van financiering wordt de keuze gemaakt of we kort (<1 jaar) of lang financieren. In de financieringsbehoefte rekenen we met de actuele marktrente (en voor zover bekend met aangekondigde rentewijzigingen). Omdat het BBV voorschrijft dat we in de verdeelsystematiek een consequente lijn hanteren (rekenrente) betekent dit dus dat bij alle geraamde kapitaallasten de rentecomponent licht stijgt. In totaal is die stijging dus gelijk aan de rente over de nieuw kapitaalbehoefte.