Antwoord op reactie Ouderplatform ZHZ - Antwoord op reactie Ouderplatform ZHZ
Tekst van het document
Reactie input Ouderplatform Zuid-Holland Zuid Op vrijdag 29 augustus 2025 heeft het Ouderplatform Zuid-Holland Zuid, zoals toegezegd tijdens de regionale bijeenkomst op 3 juli 2025, ook een schriftelijke reactie gestuurd op het concept raamwerk Verordening Jeugdhulp ZHZ. Zie bijlagen. We bedanken het Ouderplatform voor de inbreng en geven hieronder een reactie op de gestelde vragen c.q. constateringen van het Ouderplatform. Algemeen We constateren dat het Ouderplatform de bepalingen te strikt leest. Hierdoor worden er onjuiste conclusies getrokken. Zowel in de “reactie” als in de “kritische kanttekeningen” lijkt het Ouderplatform te suggereren dat de verordening in strijd is met verdragen en wetgeving. Maar de verordening bevat juist duidelijke waarborgen die de rechten van kinderen en ouders beschermen. Een zorgvuldige bestudering van de definitieve tekst maakt duidelijk dat de geuite kritiekpunten niet terecht zijn. Reactie per punt Artikel 10 legt nadruk op draagkracht en draaglast, maar stelt tegelijk dat het college hulp inzet zodra draagkracht tekortschiet. Het artikel noemt expliciet situaties van overbelasting, gebrek aan vaardigheden of beperkingen bij ouders. De suggestie dat ouders hun bestaanszekerheid moeten opgeven mist feitelijke grondslag. Het uitgangspunt blijft dat het college passende jeugdhulp inzet zodra de balans tussen draagkracht en draaglast ontbreekt.
We zijn van mening dat het kindperspectief juist een stevige plaats heeft in het raamwerk. Artikel 5 schrijft voor dat de jeugdige altijd in het onderzoek betrokken blijft, dat ook met het kind minimaal één keer persoonlijk contact is en dat het college nagaat of de uitkomsten begrepen zijn. Artikel 8 legt vast dat het college uitleg geeft in begrijpelijke taal. De bewering dat inspraak slechts een formaliteit is, is ongegrond. Cliëntondersteuning staat eveneens goed verankerd. Artikel 5 lid 2 verplicht het college om ouders en jeugdigen te wijzen op de mogelijkheid van een vertrouwenspersoon en gratis cliëntondersteuning. Daarmee hebben gezinnen toegang tot onafhankelijke ondersteuning. Het ouderplatform geeft aan dat deze ondersteuning onvoldoende geregeld is. Dit is onjuist. De zorgen over artikel 9 lid 3 en de verwijzing naar het NJi-document geven geen aanleiding om het raamwerk op dit punt aan te passen. Het NJi-document fungeert als hulpmiddel. Het college voert altijd een individuele beoordeling uit en levert maatwerk. De verordening geeft dus geen ruimte om kinderen met beginnende of lichte problemen buiten beeld te houden. De artikelen 16 tot en met 21 over het persoonsgebonden budget leggen strikte eisen vast aan pgbvaardigheid en kwaliteit. Artikel 19 bevat waarborgen voor deskundigheid, toezicht en veiligheid.
Artikel 21 sluit enkele kosten uit om misbruik tegen te gaan. Deze regels beschermen de jeugdige. Als ouders niet aan de pgb-voorwaarden voldoen, ontvangen zij hulp in natura. De toegang tot passende jeugdhulp, ook voor kwetsbare gezinnen, blijft daarmee verzekerd.
1
Artikel 28 lid 5 tot en met 7 verplicht het college om vanaf 16 jaar een perspectiefplan op te stellen en de continuïteit van zorg na 18 jaar te garanderen. Het raamwerk borgt de overgang naar volwassenenzorg sterker dan de reacties veronderstellen. Artikel 11 over vervoer sluit aan bij het subsidiariteitsbeginsel van de Jeugdwet. Ouders dragen in eerste instantie verantwoordelijkheid, maar het college zet vervoer in als medische noodzaak of gebrek aan zelfredzaamheid daartoe aanleiding geeft. Ook hier beoordeelt het college de balans tussen draagkracht en draaglast. Toegang tot hulp blijft daarmee gewaarborgd. Ten slotte raakt artikel 23 over niet-meewerken van ouders niet aan het recht van het kind op jeugdhulp. Het artikel legt de nadruk op samenwerking, maar het college behoudt de plicht om de belangen van het kind te wegen en passende hulp te realiseren. De interpretatie dat kinderen de dupe raken van het gedrag van ouders mist grondslag. Samengevat Samenvattend: het raamwerk voor de verordening legt expliciete en sterke waarborgen vast voor gelijke toegang, het belang van het kind, maatwerk, onafhankelijke ondersteuning, continuïteit van zorg en bescherming bij het gebruik van pgb’s. De kritiek uit beide reacties berust op een te enge of onjuiste lezing en geeft geen aanleiding om het raamwerk aan te passen.
2