Agendabundel
Tekst van het document
Bundel - Hamerraad van 8 mei 2024 1 2
2.a
2.b
3
Opening De voorzitter opent de vergadering en heet iedereen van harte welkom. Belangstellenden zijn van harte welkom de vergadering bij te wonen Hamerstukken Een hamerstuk is een te behandelen vergaderstuk, waarvan voorgesteld wordt (of vastgesteld is) dat het zonder discussie of stemming goedgekeurd kan worden. De voorzitter kan het dan "afhameren". Deze term verwijst naar een afhandeling waarbij ceremonieel met de voorzittershamer op tafel geslagen wordt, met woorden zoals: "Punt nummer ... van de agenda betreft het voorstel om ... Wenst iemand het woord of stemming? Zo niet dan is conform besloten." (tik), of informeler: (tik) "Hierbij is het stuk aangenomen". In informele vergaderingen wordt het ceremonieel vaak achterwege gelaten. Als tegenstelling tot hamerstuk wordt wel de term bespreekstuk gehanteerd. HAMERSTUK 2024-903607 Rvs Zienswijze wijziging GR Waardlanden De agendacommissie heeft ingestemd met een rechtstreekse agendering van het raadsvoorstel Zienswijze wijziging GR Waardlanden voor de raadsvergadering van 8 mei. Via een schriftelijke ronde is de raad gelegenheid geboden om eventuele technische vragen voorafgaand aan de behandeling van het raadsvoorstel in te dienen.
2024-903607 Rvs Zienswijze wijziging GR Waardlanden Brief aan colleges wijziging Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden Gewijzigde versie Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden Zienswijze wijziging GR Waardlanden HAMERSTUK 2024-912101 Rvs Zienswijze op Meerjarenbeleidsplan van de DG&J en uitvoeringsscenario's Leerplicht en Voortijdig Schoolverlaten De agendacommissie heeft ingestemd met een rechtstreekse agendering van het raadsvoorstel Zienswijze op MJP DG&J en uitvoeringsscenario's LVS voor de raadsvergadering van 8 mei Via een schriftelijke ronde is de raad gelegenheid geboden om eventuele technische vragen voorafgaand aan de behandeling van het raadsvoorstel in te dienen. 2024-912101 Rvs Zienswijze op Meerjarenbeleidsplan van DG&J en uitvoeringsscenario's Leerplicht en Voortijdig Schoolverlaten Adviesnota Voorstel uitvoeringsscenarios LVS ZHZ 2024 -2025 MJP DG&J 2024-2028 Zienswijze op Meerjarenbeleidsplan DG&J ZHZ 2024 – 2028 en uitvoeringsscenario’s LVS Sluiting Na de vergadering worden het audioverslag en de notulen op de site geplaatst
Raadsvoorstel: Z/24/766484/D-903607 Onderwerp: Zienswijze wijziging GR Waardlanden
Datum: 22 februari 2024 Portefeuillehouder: Mark de Boer I&O: nvt B&A / Raadsvergadering: 8 mei 2024 Opsteller: Sprong, Theo Geeft voorstel begrotingswijziging: Nee
Onderwerp: Zienswijze wijziging Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden Voorstel: Wij stellen u voor: 1. Met bijgevoegde zienswijze te reageren op het wijzigingsvoorstel tekst Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden; 2. Het college toestemming te verlenen tot het vaststellen van de gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden. Aanleiding: Waardlanden is een Gemeenschappelijke Regeling. Met ingang van 1 juli 2022 is de Wet Gemeenschappelijke Regelingen gewijzigd. Met de wijziging worden de mogelijkheden van volksvertegenwoordigers, zoals gemeenteraadsleden en statenleden om de eigen controlerende en kaderstellende rol bij gemeenschappelijke regelingen te versterken aangepast en uitgebreid. Een aantal wijzigingen is direct ingegaan, maar andere onderwerpen geldt een overgangstermijn van twee jaar om de gemeenschappelijke regeling aan te passen met als definitieve datum van 1 juli 2024. De wetswijziging biedt de mogelijkheid tot het instellen van een regionale adviescommissie. In het verlengde van eerdere besluitvorming zoals bij de GR DG&J en GR VRZHZ wordt u conform voorgesteld via ons college in te stemmen met het gewijzigd vaststellen van de GR Waardlanden en dus niet over te gaan tot het instellen van een dergelijke adviescommissie.
Mogelijk denken andere gemeenteraden hier anders over, maar in onze ogen kan worden volstaan met een toezegging vanuit Waardlanden om jaarlijks, voorafgaand aan het indienen van de begroting en jaarstukken, een avond te beleggen met raadsleden en hen bij te praten over de voortgang van het grondstoffenbeleid, tarieven, financiële stand van zaken, enzovoort. In het verleden zijn dit soort avonden ook al gehouden en staat er een zogenaamde radenbijeenkomst gepland op woensdag 17 april 2024. De GR Waardlanden is een collegeregeling. Het college zendt het ontwerp van de gemeenschappelijke regeling toe aan de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft vervolgens het recht om haar zienswijze te geven op het ontwerp. Door de wijziging in de Wet Gemeenschappelijke Regelingen heeft Waardlanden wijzigingen aangebracht in de Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden. De gemeenteraad wordt gevraagd om haar zienswijze op de wijzigingen te geven. De (concept)zienswijze is als bijlage bij dit raadsvoorstel opgenomen. Het college kan de wijzigingen in de Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden alleen vaststellen als zij daarvoor toestemming van de gemeenteraad heeft gekregen. Dit is wettelijk vastgelegd in de Wet Gemeenschappelijke Regelingen. Beoogd effect: Ervoor te zorgen dat de GR Waardlanden voldoet aan de wijziging van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen. Argumenten:
Stadhuisplein 1 Postbus 108 4200AC Gorinchem
T 140183 F 0183-630540
E gemeente@gorinchem.nl I www.gorinchem.nl
1.1 De GR Waardlanden aan de gewijzigde Wet Gemeenschappelijke Regelingen moet voldoen. Per 1 juli 2022 is de wijziging Wet Gemeenschappelijke Regelingen ingegaan. De Gemeenschappelijke Regelingen hebben tot uiterlijk 1 juli 2024 om hun teksten aan te passen. Doordat de GR Waardlanden de stukken tijdig heeft aangeleverd is voldoende ruimte aanwezig om de gemeenteraad om een zienswijze op de wijzigingen te vragen. 1.2 Door de zienswijze procedure te volgen wordt voldaan aan de kaderstellende en controlerende taak van de gemeenteraden. De wijziging Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden wordt voorgelegd aan de gemeenteraden via een zienswijzeprocedure. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke verplichting van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen. 2.1 De Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden is een collegeregeling. Omdat het een collegeregeling betreft en er geen raadsleden zitting hebben in het bestuur van de regeling, dient het college toestemming te krijgen om een (gewijzigde) regeling vast te stellen. Door toestemming te verlenen kan het college de gewijzigde regeling vaststellen.
2.2. Eerder heeft de raad aangegeven geen behoefte te hebben aan een regionale adviescommissie voor Waardlanden In 2023 heeft de gemeenteraad gesproken over de mogelijkheid die de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) biedt om een regionale adviescommissie in te stellen voor gemeenschappelijke regelingen. De raad heeft daarbij aangegeven dit te willen onderzoeken voor de regelingen Avres en de DG&J. In lijn met deze bespreking is in de zienswijze nu opgenomen dat de raad geen voorstander is van het instellen van een dergelijke adviescommissie voor Waardlanden. Daarnaast biedt de Wgr ook geen mogelijkheden om een adviescommissie in te stellen bij een GR met enkelvoudig bestuur, in plaats van een DB en AB. Zoals aangegeven in de zienswijze biedt Waardlanden ook andere mogelijkheden om als raad betrokken te blijven bij het werk van Waardlanden.
Risico’s: Het instemmen met de wijzigingen van de GR Waardlanden brengt geen risico’s met zich mee. Financiën: Niet van toepassing. Participatie: Niet van toepassing. Communicatie: De definitieve zienswijze wordt namens de gemeenteraad aangeboden aan het bestuur van Waardlanden. Duurzaamheid: Niet van toepassing. Vervolgproces: Na uw raadsbesluit op 18 april 2024, wordt uw zienswijzen via een reactiebrief (zienswijze) aangeboden aan het bestuur van Waardlanden.
Bijlagen: 1. Brief aan colleges wijziging Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden (8 februari 2024, Join 766484); 2. Gewijzigde versie Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden (bijlage 4, D-901634); 3. Zienswijze wijziging GR Waardlanden (Z24766484 - D-903647)
Burgemeester en wethouders van Gorinchem, de secretaris, de burgemeester,
Raadsbesluit De gemeenteraad van Gorinchem, Gelet op het raadsvoorstel van het college d.d. 22 februari 2024 Gelet op de wettelijke bepalingen
Besluit: 1. Met bijgevoegde zienswijze te reageren op het wijzigingsvoorstel tekst Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden; 2. Het college toestemming te verlenen tot het vaststellen van de gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden. Aldus besloten in de raadsvergadering van 8 mei 2024.
Griffier,
Voorzitter,
Het college van Burgemeester en Wethouders Stadhuisplein 1 4205 AZ Gorinchem Gorinchem, 8 februari 2024
Betreft: Wijziging in de tekst van de Gemeenschappelijke regeling bedrijfsvoeringsorganisatie reinigingsdienst Waardlanden
Geacht college, Als gevolg, en voortvloeiend, uit wijzigingen in de wetgeving is de tekst van de GR Waardlanden aangepast. Ons bestuur heeft deze wijziging in haar vergadering van 15 december 2023 goedgekeurd, waardoor wij u nu verzoeken om uw goedkeuring van deze gewijzigde tekst. Dit houdt ook in dat u de tekst, na behandeling in uw college, voor zienswijze voor moet leggen aan uw gemeenteraad. Wij vertrouwen op uw medewerking in deze en op een spoedige, maar rekening houdend met de wettelijke termijnen, goedkeuring. Namens het bestuur van de GR Waardlanden,
De voorzitter:
J.A. Meerkerk
Bijlage 4
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING BEDRIJFSVOERINGSORGANISATIE REINIGINGSDIENST WAARDLANDEN
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Gorinchem, HardinxveldGiessendam, Molenlanden en Vijfheerenlanden, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn;
Overwegende dat: de Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Reinigingsdienst Waardlanden een samenwerkingsverband is van de gemeenten ten aanzien van uitvoeringstaken op het gebied van reiniging, inzameling en verwijdering van afval; op 1 juli 2022 een wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere wetten (o.a. de Gemeentewet) in werking is getreden; de wetswijziging ertoe strekt de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken; de Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Reinigingsdienst Waardlanden aanpassing behoeft ten gevolge van deze wetswijziging(en); het wenselijk is om naast de wettelijke wijzigingen ook direct andere wijzigingen (onder andere op het gebied van het stemmen en het kunnen handelen bij urgente voorstellen) aan te brengen in de Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Reinigingsdienst Waardlanden.
1
BESLUITEN:
De Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Reinigingsdienst Waardlanden te wijzigen.
HOOFDSTUK 1
Begripsbepalingen
Artikel 1 1. In deze regeling wordt verstaan onder: a. Gemeente: b. College / Colleges: c. Gedeputeerde Staten: d. Bestuur: e. Bestuurslid: f. Directeur: g. Organisatie: h. Ambtenaren: i. Huisaansluiting:
HOOFDSTUK 2
de aan de regeling deelnemende gemeenten; een college / de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten; het college van Gedeputeerde Staten van de provincie ZuidHolland; het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, zoals bedoeld in artikel 14a van de Wet gemeenschappelijke regelingen; het door het college aangewezen bestuurslid van de bedrijfsvoeringsorganisatie; de door het bestuur benoemde directeur van de bedrijfsvoeringsorganisatie; de bedrijfsvoeringsorganisatie Reinigingsdienst Waardlanden; ambtelijk personeel aangesteld bij de bedrijfsvoeringsorganisatie; met een huisaansluiting wordt gelijkgesteld elke gebruiker van een perceel die als belastingplichtige voor de gemeentelijke afvalstoffenheffing is of kan worden aangemerkt.
De bedrijfsvoeringsorganisatie
Artikel 2 1. Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie, genaamd 'Reinigingsdienst Waardlanden', handelend onder de naam "Reinigingsdienst Waardlanden" die is gevestigd te Gorinchem.
HOOFDSTUK 3
Belang, doelstelling, taken en bevoegdheden
Artikel 3 1. De bedrijfsvoeringsorganisatie behartigt de gemeenschappelijke en afzonderlijke uitvoeringstaken van de gemeenten op het gebied van reiniging, inzameling en verwijdering van afval en grondstoffen. Het draagt zorg voor een zo doelmatig mogelijke uitvoering van deze taken en uitoefening van bevoegdheden op deze terreinen. 2. In het kader van haar doelstelling heeft de bedrijfsvoeringsorganisatie tot taak het inzamelen, verwijderen of het collectief doen inzamelen of doen verwijderen van huishoudelijke afvalstoffen ter voldoening van de bij of krachtens de Wet Milieubeheer aan de gemeente opgelegde verplichting. Tot deze taak behoort in ieder geval het dagelijks onderhoud en beheer van opstallen, milieustraten en inzamelmiddelen en de zorg voor de verwerking van huishoudelijke afvalstoffen.
2
3. De bedrijfsvoeringsorganisatie draagt bij aan doelstellingen van de gemeenten op het gebied van circulaire economie. Hiervoor voert zij ook taken uit op het gebied van voorlichting, educatie en handhaving. 4. Het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie heeft voorts tot taak het op verzoek van een of meerdere gemeenten uitvoeren of doen uitvoeren van andere gemeentelijke uitvoeringstaken op het gebied van afvalstoffenverwijdering of reiniging, zoals bijvoorbeeld: zwerfafval, onkruidbeheersing en gladheidsbestrijding. 5. Het bestuur is bevoegd tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van de belangen van de bedrijfsuitvoeringsorganisatie. 6. Een besluit, zoals bedoeld in artikel 3 lid 5, wordt niet genomen dan nadat de raden van de gemeenten een ontwerpbesluit is toezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het bestuur te brengen.
HOOFDSTUK 4 Paragraaf 1
Het bestuur
De samenstelling van het bestuur
Artikel 4 1. Het bestuur bestaat uit evenveel leden als het aantal gemeenten dat aan de regeling deelneemt. 2. De leden van het bestuur worden door en uit de deelnemende colleges aangewezen. Ieder lid heeft een plaatsvervanger uit hetzelfde college. 3. Van elke aanwijzing tot lid of plaatsvervangend lid van het bestuur geeft het college van de betreffende gemeente binnen één week kennis aan het bestuur. Paragraaf 2
De voorzitter en de secretaris
Artikel 5 1. Het bestuur benoemt aan het begin van elke zittingsperiode van het college een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. Bij aanvang van elke zittingsperiode kan het bestuur besluiten om een rooster van aan- en aftreden voor te leggen, zodanig dat het voorzitterschap rouleert over de deelnemende gemeenten. 2. De directeur van de bedrijfsvoeringsorganisatie is tevens secretaris van het bestuur.
HOOFDSTUK 5 Paragraaf 1
De bevoegdheden van het bestuur
De bevoegdheden van het bestuur
Artikel 6 1. Het bestuur is bevoegd om een directiestatuut vast te stellen waarin regels worden gesteld omtrent de ambtelijke organisatie, werkwijze en mandatering. 2. Het bestuur kan zijn bevoegdheden, voor zover de aard ervan zich hier niet tegen verzet, bij directiestatuut verlenen aan de directeur van het de bedrijfsvoeringsorganisatie. 3. Het bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur en de controller. 4. Het bestuur is bevoegd tot het nemen van privaatrechtelijke rechtshandelingen van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 5. Het bestuur is bevoegd om namens de bedrijfsvoeringsorganisatie rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten. 6. Het bestuur is bevoegd tot het beheren van, en het houden van toezicht op, alles wat de bedrijfsvoeringsorganisatie betreft. 7. Het bestuur kan een of meer leden mandateren tot uitoefening van een of meer van zijn bevoegdheden, tenzij de aard van de bevoegdheid en/of de regeling waarop de bevoegdheid
3
steunt zich daartegen verzet. De hierop betrekking hebbende artikelen van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing. 8. Het bestuur stelt de (ontwerp)begroting en de (ontwerp)jaarrekening vast. 9. Over besluiten van het bestuur wordt aan de deelnemers geen zienswijze gevraagd, met uitzondering van een besluit waarvoor een wettelijke zienswijze-procedure geldt. Paragraaf 2
De bevoegdheden van de voorzitter en de secretaris
Artikel 7 1. Aan de voorzitter is de leiding van de vergaderingen van het bestuur. Bij diens afwezigheid vervangt de plaatsvervangend voorzitter de voorzitter. 2. De voorzitter en de secretaris tekenen alle stukken die van het bestuur uitgaan. Het bestuur kan het tekenen van bepaalde stukken opdragen aan de directeur van de bedrijfsvoeringsorganisatie. 3. De voorzitter vertegenwoordigt de bedrijfsvoeringsorganisatie in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aangewezen gemachtigde. Indien de voorzitter partij is, of als bestuurder is aangewezen door de gemeente die partij is, in het geding waarbij de bedrijfsvoeringsorganisatie betrokken is, wordt de bedrijfsvoeringsorganisatie door een ander, door het bestuur aan te wijzen lid van het bestuur vertegenwoordigd. Paragraaf 3
Informatie- en verantwoordingsplicht
Artikel 8 1. Het bestuur (of een lid van het bestuur) verstrekt aan de raden en colleges de door hen gevraagde inlichtingen of (ongevraagd) alle inlichtingen die voor hun taken benodigd zijn. 2. Het verstrekken van deze inlichtingen gebeurt mondeling op een door de raad of het college te bepalen wijze dan wel schriftelijk indien de raad of het college daartoe besluit. De verlangde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk door (het lid van) het bestuur verstrekt. Dit geldt eveneens voor de door één of meer leden van de gemeenteraad of het college van een deelnemer aan het (lid van het) bestuur verzochte inlichtingen. 3. De deelnemende gemeenten zijn verplicht aan het bestuur inlichtingen te verschaffen omtrent plannen en maatregelen die voor de Bedrijfsvoeringsorganisatie Reinigingsdienst Waardlanden van belang zijn. 4. Over al hetgeen de bedrijfsvoeringsorganisatie betreft dient het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het provinciebestuur desgevraagd van bericht. 5. Het bestuur doet mededeling van het verzoek en de inhoud daarvan aan de colleges van de aangesloten gemeenten. 6. Artikel 16 lid 5 van de Wet gemeenschappelijke regelingen is van toepassing op het gestelde onder lid 1. Artikel 9 1.
Een lid van het bestuur kan door het college dat dit lid heeft aangewezen ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid. 2. Artikel 16 lid 5 van de Wet gemeenschappelijke regeling is van toepassing op het gestelde onder lid 1.
4
HOOFDSTUK 6 Paragraaf 1
Bestuursvergaderingen
De werkwijze van de bestuursorganen
Artikel 10 1. Het bestuur vergadert ten minste twee maal per jaar. Voorts vergadert het bestuur zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of tenminste twee leden zulks schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, verzoeken. 2. De vergadering van het bestuur wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, of hun plaatsvervanger, tegenwoordig is. 3. De artikelen 53 en 54 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Voor een bestuurlijk besluit is een meerderheid vereist van het aantal stemmen. Ingeval er sprake is van een gelijk aantal stemmen, waardoor er geen sprake is van een meerderheid, zal er sprake zijn van het aantal gewogen stemmen zoals bepaald in artikel 12. 5. De voorzitter is bevoegd andere personen uit te nodigen aan de vergadering deel te nemen. Zij hebben daarin een adviserende stem. 6. De secretaris heeft in de vergaderingen een adviserende stem. Artikel 11 1. Het bestuur vergadert in het openbaar. De deuren worden gesloten wanneer tenminste twee van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. 2. In een besloten vergadering wordt niet beraadslaagd noch een besluit genomen over: a. het vaststellen of wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de jaarrekening. Artikel 12 1.
Ter bepaling van het totaal aantal stemmen en het aantal stemmen per deelnemende gemeenten in het bestuur wordt uitgegaan van: a. het totaal aantal huisaansluitingen van de gemeenten; b. het aantal huisaansluitingen per gemeente. 2. De stemverhoudingen worden voor een periode van vier jaar vastgesteld. Hierbij is bepalend het aantal huisaansluitingen met als peildatum 1 januari van het jaar waarin een nieuwe zittingsperiode van de gemeenteraad begint. 3. Bij toe- of uittreding van een deelnemer wordt de stemverhouding, indien relevant, bijgesteld met als peildatum 1 januari van het jaar van toetreding.
HOOFDSTUK 7
De directeur en de controller
Artikel 13 1. De directeur heeft de dagelijkse leiding over de bedrijfsvoeringsorganisatie en is bevoegd tot het in dienst nemen, schorsen, treffen van disciplinaire maatregelen en ontslaan van werknemers op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, alsook het aanstellen, schorsen en ontslaan van ambtenaren, met uitzondering van de controller. 2. De directeur is secretaris van het bestuur. 3. De directeur kan in zijn werkzaamheden worden bijgestaan door één of meer functionarissen. 4. De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op de Ondernemingsraden. 5. Bij of krachtens het directiestatuut worden op te dragen taken en bevoegdheden nader geregeld. Artikel 14 1. Het bestuur bepaalt of de controllerfunctie intern dan wel extern wordt vervuld. 2. De controller rapporteert, onverminderd zijn verantwoordelijkheid tot rapportage aan de directeur, rechtstreeks aan het bestuur in die gevallen waarin naar het oordeel van de controller de financiële
5
continuïteit van de onderneming in gevaar dreigt te komen dan wel de algemeen geldende beginselen van behoorlijk (financieel) beheer in ruime mate overschreden worden.
HOOFDSTUK 8
De rechtspositieregeling
Artikel 15 Medewerkers in dienst van deze bedrijfsvoeringsorganisatie hebben een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De cao SGO (Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties) geldt voor alle medewerkers in dienst bij deze bedrijfsvoeringsorganisatie.
HOOFDSTUK 9 Paragraaf 1
Financiële bepalingen
Financieel beheer
Artikel 16 De geldmiddelen van de bedrijfsvoeringsorganisatie worden zelfstandig beheerd. Paragraaf 2
Boekjaar
Artikel 17 Het boekjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december. Paragraaf 3
De (ontwerp)begroting
Artikel 18 1. Het bestuur zendt de ontwerpbegroting, uiterlijk voor 30 april aan de raden. De raden kunnen hun zienswijze binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de ontwerpbegroting ter kennis brengen aan het bestuur. 2. Het bestuur stelt de ontwerpbegroting vast, die het op grond van het eerste lid aanbiedt aan de raden. Het bestuur weegt de zienswijzen bij het vaststellen van de begroting. 3. Het bestuur stelt de gemeenteraden voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het eerste lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 4. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor de in de wet gestelde datum van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de begroting dient naar Gedeputeerde Staten. 5. De bedrijfsvoeringsorganisatie is gehouden aan de relevante bepalingen en voorschriften uit de Gemeentewet, de Wet gemeenschappelijke regelingen en het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Artikel 19 1. Een wijziging van de begroting (bijv. een verschuiving van begrotingsposten) tot 1% van de jaarlijkse totale exploitatiekosten kan worden vastgesteld door het bestuur zonder dat de raden van de deelnemende gemeenten hun zienswijze hebben kunnen geven.
Van de vaststelling door het bestuur van een dergelijke begrotingswijziging worden de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten actief geïnformeerd door het bestuur (informatie behelst ook de toekomstige financiële gevolgen). 2. Ten aanzien van artikel 19 lid 1 gelden de volgende uitgangspunten c.q. regels: a. Geen automatisme om de zienswijzeprocedure niet toe te passen; b. Het is aan het bestuur om (bij de niet wettelijke verplichting tot zienswijze) een afweging te maken om wel of geen zienswijzeprocedure toe te passen; c. Bij het niet toepassen van de zienswijzeprocedure geeft het bestuur altijd geargumenteerd aan waarom is gekozen om deze niet toe te passen;
6
d. De financiële toekomstige gevolgen worden altijd opgenomen in de eerstvolgende financiële stukken (begrotingswijziging of jaarrekening); e. Bij de afweging van het bestuur om wel/niet de zienswijzeprocedure toe te passen houdt het bestuur rekening met het beleid van gemeenten, wensen van de raad etc. Paragraaf 4
De (ontwerp) jaarrekening
Artikel 20 1. Winsten of verliezen van de bedrijfsvoeringsorganisatie worden in beginsel conform het gestelde in de financiële verordening van Reinigingsdienst Waardlanden verrekend. 2. Het bestuur zendt de ontwerpjaarrekening vergezeld van een toelichting voor de in artikel 34b van de Wet gemeenschappelijke regelingen genoemde datum, aan de raden van de deelnemende gemeenten. 3. Het bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag definitief vast voor de in de wet gestelde datum van het jaar volgend op het verslagjaar. 4. Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor de in de wet gestelde datum van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan Gedeputeerde Staten. Paragraaf 5
Gemeentelijke bijdragen
Artikel 21 1. Iedere gemeente draagt jaarlijks bij in de kosten van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Deze bijdrage wordt berekend op basis van een door het bestuur vast te stellen verdeelsleutel. 2. In de begroting is opgenomen welke gemeentelijke bijdrage elke afzonderlijke gemeente verschuldigd is voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. 3. De gemeenten betalen voorschotbijdragen op grond van nadere afspraken hieromtrent. Artikel 22 Indien een partij anders dan een toegetreden gemeente gebruik wenst te maken van de diensten van de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt met deze partij een afzonderlijk contract afgesloten, waarbij de kosten van deze diensten bij deze partij in rekening worden gebracht. Paragraaf 6
Controle
Artikel 23 De controle op de administratie en het beheer van de vermogenswaarden van de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt opgedragen aan een door het bestuur aan te wijzen registeraccountant. Artikel 213 van de Gemeentewet is van toepassing. Paragraaf 7
Geldmiddelen
Artikel 24 De borgstelling van de gemeente met betrekking tot de voldoening van rente, aflossing en kosten van door de bedrijfsvoeringsorganisatie te sluiten vaste geldleningen alsmede van gelden die de bedrijfsvoeringsorganisatie in rekening-courant of bij wijze van geldlening zal opnemen, vind plaats naar evenredigheid van de stemverhouding zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 12.
7
HOOFDSTUK 10
Archief
Artikel 25 1. Het bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bedrijfsvoeringsorganisatie overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen regeling. 2. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden. 3. Bij opheffing van de regeling worden de archiefbescheiden geplaatst in het regionaal archief of een door het bestuur aan te wijzen archiefbewaarplaats. 4. De gemeentearchivaris van Gorinchem oefent naar de voor hem gestelde regelingen inspectie uit op het beheer van de archiefbescheiden, als bedoeld in de Archiefwet.
HOOFDSTUK 11
Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing
Artikel 26 1. Toetreding tot de regeling vindt plaats indien de colleges van ten minste drie vierde van de gemeenten daartoe, met instemming van de gemeenteraden, besluiten. Een voorstel daartoe kan worden gedaan door het bestuur of door de colleges van ten minste drie vierde van de deelnemende gemeenten. 2. Een besluit, zoals bedoeld in artikel 26 lid 1, wordt pas genomen nadat de raden van de gemeenten inclusief de raad van de aspirant-gemeente, het ontwerp van de gewijzigde regeling (incl. de hoogte van de toetredingsfee) voor de aanpassing van de gemeenschappelijke regeling in verband met de voorgenomen toetreding is toezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze binnen 8 weken na ontvangst van het ontwerp van de gewijzigde regeling ter kennis van bij de colleges en de burgemeesters te brengen. Indien de raden geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de colleges en de burgemeesters hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte. 3. Een zienswijze mogelijkheid voor raden, zoals bedoeld in artikel 26 lid 2 geldt ook bij het treffen van een regeling, het wijzigen van en het uittreden uit een regeling. Ook in die gevallen ontvangen de raden eerst een het ontwerp van de gewijzigde regeling en worden zij in de gelegenheid gesteld om zienswijze naar voren te brengen. 4. Bij toetreding tot de regeling betaalt de aspirant-gemeente een toetredingsfee.
Voor het bepalen van de hoogte van de toetredingsfee wijst het bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan. Deze deskundige brengt aan het bestuur advies uit over de hoogte van de toetredingsfee. Artikel 27 1. Elk college kan, met instemming van de gemeenteraad, bepalen dat de deelneming aan deze regeling wordt opgezegd door een daartoe strekkend besluit, binnen een maand nadat het is genomen, aan het bestuur - bij aangetekend schrijven - ter kennisneming toe te zenden. 2. De uittreding gaat in op 1 januari nadat er twee jaar zijn verstreken na ontvangst van het besluit waarin het besluit tot opzegging bij aangetekend schrijven aan het bestuur is bekend gemaakt (bijv. als het besluit tot opzegging per aangetekend schrijven op 31 december 2024 is ontvangen bij het bestuur, dan gaat de uittreding in op 1 januari 2027). Artikel 28 1. Het bestuur stelt, de deelnemers gehoord (met inachtneming van de zienswijze mogelijkheid, artikel 26 lid 2 en 3, binnen zes maanden na ontvangst van het besluit tot uittreding een uittredingsplan vast. Het uittredingsplan regelt de gevolgen van de uittreding. 2. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële -, juridische -, personele - en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 3.
Het uittredingsplan bepaalt de systematiek voor berekening van de financiële gevolgen voortvloeiend uit de uittreding en de verplichtingen voor de uittredende deelnemer. 4. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt.
8
5. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door de bedrijfsvoeringsorganisatie die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 6. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door de bedrijfsvoeringsorganisatie die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 7. De bedrijfsvoeringsorganisatie brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom. 8. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 9. De in het derde lid bedoelde systematiek wordt gebaseerd op: a. relevante regelgeving; b. relevante jurisprudentie; c. feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding.
Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom. 10. De bedrijfsvoeringsorganisatie en de uittredende deelnemer zijn gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. 11. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het vierde lid wordt een risicoopslag van 10% toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding op te vangen. 12. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 13. Gedurende de periode tussen opzegging en effectuering daarvan is de opzeggende gemeente gehouden al haar verplichtingen na te komen. 14. Bij uittreding van een deelnemer vindt geen verrekening van het vermogen plaats. Artikel 29 1.
Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het bestuur het conceptuittredingsplan voorbereidt. De onafhankelijke deskundige kan, in overleg met het bestuur, voor specifieke onderdelen van het Uittredingsplan andere deskundigen inschakelen. 2. De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige en overige ingeschakelde deskundigen vallen onder de frictiekosten als bedoeld in artikel 28, lid 5. 3. Het bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het bestuur. Artikel 30 1. Ten minste 12 maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 28 en op de jaarrekening van de bedrijfsvoeringsorganisatie over het meest recent verstreken begrotingsjaar. 2. Uiterlijk 6 maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 28 en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. 3.
Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen
9
aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Als de uittredende deelnemer kiest voor betaling in termijnen kan het bestuur een rentevergoeding in rekening brengen.
Artikel 31 1.
2.
De uittredende deelnemer is gehouden zich in te spannen om de formatie van de bedrijfsvoeringsorganisatie die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt van de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van de bedrijfsvoeringsorganisatie die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.
Artikel 32 1. Wijziging of opheffing van de regeling vindt plaats indien de colleges van ten minste drie vierde van de gemeenten daartoe, met instemming van de gemeenteraden, besluiten. Een voorstel daartoe kan worden gedaan door het bestuur of door de colleges van ten minste drie vierde van de deelnemende gemeenten (met inachtneming van de zienswijze mogelijkheid, artikel 26 lid 2 en 3). In afwijking van artikel 10 lid 4 is voor wijziging of opheffing nodig dat ten minste drie vierde van het aantal colleges hiermee instemt. 2. In geval van opheffing van de regeling stelt het bestuur - na overleg met de deelnemers - een regeling vast met betrekking tot de gevolgen van de opheffing (o.a. financiële en personele gevolgen), daarbij rekening houdend met een minimale opheffingstermijn van 2 kalenderjaren volgend op het jaar waarin de beslissing is genomen. Deze regeling voorziet in elk geval in de verplichting van de gemeenten om alle rechten en verplichtingen van de bedrijfsvoeringsorganisatie over de deelnemers te verdelen op een in de regeling te bepalen wijze.
HOOFDSTUK 12
Evaluatie
Artikel 33 Een keer in de vier jaar draagt het bestuur zorg voor een evaluatie van de regeling. Bij deze evaluatie worden de gemeenten betrokken. De evaluatie wordt aan de gemeenten ter besluitvorming voorgelegd.
HOOFDSTUK 13
Participatie
Artikel 34 Er is geen mogelijkheid tot participatie inzake de voorbereiding en evaluatie van deze regeling. Indien het bestuur daartoe aanleiding ziet, kan zij inwoners en belanghebbenden betrekken (bijv. door het organiseren van inspraak) bij de uitvoering van het beleid.
HOOFDSTUK 14
Recht van onderzoek
Artikel 35 De gemeenteraad kan tezamen met de gemeenteraden van de andere deelnemende gemeenten aan de gemeenschappelijke regeling, op voorstel van een van de vertegenwoordigende organen van de deelnemers aan de betreffende regeling een onderzoek instellen naar de bestuursvoering van de gemeenschappelijke regeling.
10
HOOFDSTUK 15
Slotbepaling
Artikel 36 1. De gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Reinigingsdienst Waardlanden treedt in werking op 1 januari 2024. 2. Deze regeling dient ter vervanging van de voorgaande Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Reinigingsdienst Waardlanden. 3. Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de op grond van de voorgaande gemeenschappelijke regeling genomen besluiten op deze regeling 4. De regeling wordt aangehaald onder de titel 'Gemeenschappelijke Regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Reinigingsdienst Waardlanden’. 5. Burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem wordt aangewezen als gemeentebestuur belast met de verplichtingen zoals omschreven in artikel 26 Wet gemeenschappelijke regelingen.
Gorinchem, Burgemeester en wethouders van Gorinchem, de secretaris, de burgemeester,
Hardinxveld-Giessendam, Burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam, de secretaris, de burgemeester,
Molenlanden, Burgemeester en wethouders van Molenlanden, De secretaris, de burgemeester,
Vijfheerenlanden, Burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden, De secretaris, de burgemeester,
11
Reinigingsdienst Waardlanden Postbus 555 4200 AN GORINCHEM
*Z0752021E3A*
Uw brief van: 8 februari 2024
Ons kenmerk: D-903647
Gorinchem, 15 april 2024
Uw kenmerk:
Behandelaar: dhr. T. (Theo) Sprong Doorkiesnummer: 0183 659 312
Zaaknummer: Z/24/766484
Onderwerp: Zienswijze wijziging GR Waardlanden
Geacht bestuur, Op 8 februari 2024 ontvingen wij de wijziging Gemeenschappelijke Regeling Waardlanden (GR Waardlanden). U nodigt de gemeenteraad uit om een zienswijze te geven op de wijzigingen in de GR Waardlanden. In de vergadering van 8 mei 2024 heeft de gemeenteraad kennis genomen van de voorgestelde wijzigingen van de GR Waardlanden, die voortvloeien uit de algemene wetswijziging die geldt voor alle gemeenschappelijke regelingen. De wetswijziging biedt de mogelijkheid tot het instellen van een regionale adviescommissie. In het verlengde van eerdere besluitvorming door de gemeenteraad in 2023 zijn wij geen voorstander voor het instellen van een dergelijke adviescommissie. Overigens biedt de Wgr ook geen mogelijkheden om een adviescommissie in te stellen bij een GR met enkelvoudig bestuur, in plaats van een DB en AB. Mogelijk denken andere gemeenteraden hier anders over, maar in onze ogen kan worden volstaan met een toezegging vanuit Waardlanden om jaarlijks, voorafgaand aan het indienen van de begroting en jaarstukken, een avond te beleggen met raadsleden en hen bij te praten over de voortgang van het grondstoffenbeleid, tarieven, financiële stand van zaken, enzovoort. In het verleden en ook dit jaar op 17 april 2024 zijn dergelijke avonden gehouden.
Samenvattend kunnen wij ons vinden in de wijziging van de GR Waardlanden en verlenen dan ook toestemming aan het college tot het formeel vaststellen van de gewijzigde GR Waardlanden.
Hoogachtend, de gemeenteraad van Gorinchem de griffier, de voorzitter,
Stadhuisplein 1 Postbus 108 / 4200 AC Gorinchem
Telefoon: 14 0183 gemeente@gorinchem.nl
Raadsvoorstel: Z/24/765465/D-912101 Onderwerp: Zienswijze Meerjarenbeleidsplan (MJP) van de DG&J en uitvoeringsscenario's Leerplicht en Voortijdig Schoolverlaten (LVS)
Datum: 28 maart 2024 Portefeuillehouder: Eva Dansen I&O: B&A / Raadsvergadering: 8 mei 2024 Opsteller: Braanker, Theo den Geeft voorstel begrotingswijziging: Ja/Nee
Onderwerp: Zienswijze op het Meerjarenbeleidsplan (MJP) 2024 -2028 van de DG&J en uitvoeringsscenario’s Leerplicht en Voortijdig Schoolverlaten (LVS) Voorstel: 1. Wij stellen u voor om met bijgevoegde zienswijze (nummer Z/24/765465 D-902131) te reageren op het MJP 2024-2028 van de DG&J en uitvoeringscenario’s LVS. Aanleiding: Van de Dienst Gezondheid & Jeugd (DG&J) heeft u een tweetal documenten ontvangen waarvoor de dienst een zienswijze van u vraagt. De documenten betreffen het Meerjarenbeleidsplan (MJP) van de DG&J en de uitvoeringsscenario's Leerplicht en Voortijdig Schoolverlaten (LVS). Beoogd effect: Het MJP is met nadruk een koersdocument, met een duidelijke stip aan de horizon en gezamenlijke uitgangspunten. Het MJP bevat leidende principes, ambities en bestuurlijke uitgangspunten voor het uitvoeren van de hoofdopgave van de DG&J: verminderen van gezondheidsachterstanden en vergroten van ontwikkelingskansen. Daarnaast heeft het Algemeen Bestuur van de DG&J een voorgenomen besluit genomen over de Uitvoeringsscenario’s Leerplicht Voortijdig Schoolverlaten ZHZ (LVS), waarin tevens is betrokken de omvang van de capaciteit van LVS. Het beoogd effect van uw zienswijzebrief is dat de diensten van de DG&J aansluiten bij wat Gorinchem en haar inwoners nodig hebben.
Tevens roept u met uw zienswijzebrief op tot realistische plannen in relatie tot de financiële ontwikkelingen van de gemeente de komende jaren. Argumenten: 1.1 de DG&J heeft (onze) input zo veel mogelijk al meegenomen in het MJP Gemeenten zijn zowel ambtelijk als bestuurlijk op verschillende momenten betrokken geweest in het proces van totstandkoming van het MJP. Daarnaast is de feedback verwerkt die raadsleden hebben gegeven tijdens de regionale bijeenkomst over de hoofdlijn van het MJP op 24 januari en 20 maart 2024. 1.2 u stelt de DG&J in staat rekening te houden met uw inbreng en deze een plek te geven in het MJP U bent d.d. 11 maart 2024 in de gelegenheid gesteld om schriftelijk (per e-mail) uw zienswijze te geven op het betreffende documenten. Hier heeft één fractie gebruik van gemaakt. In de voor u opgestelde concept zienwijze brief is deze input grotendeels meegenomen, zoals het maken van eigen keuzes en het kijken naar alternatieve vormen van zorg. Een deel echter heeft betrekking op het inzetten van meer jongerenwerkers en jongerencoaches op de scholen en in de wijken. Dat heeft weliswaar raakvlakken met het MJP van de DG&J, maar raakt meer aan het eigen gemeentelijk beleid. Risico’s: Gorinchem is een van de tien deelnemende regiogemeenten die een zienswijze mag geven. Uiteraard is hierdoor de mate van beïnvloeding op het MJP conform de stemverhouding.
Stadhuisplein 1 Postbus 108 4200AC Gorinchem
T 140183 F 0183-630540
E gemeente@gorinchem.nl I www.gorinchem.nl
Financiën: De financiële uitwerking volgt in een op te stellen meerjarenbegroting, in relatie tot de vast te stellen uitvoeringsplannen. De DG&J werkt binnen een bestuursopdracht "Verkenning naar een bijdrage van de GR DG&J aan het verminderen van de financiële problematiek van deelnemende gemeenten". Ten behoeve van de dekking van de incidentele extra uitgaven 2024 die in het kader van de uitvoeringsscenario’s LVS worden gedaan is een begrotingswijziging nodig, die via de P&C-cyclus in de eerste Bestuursrapportage 2024 (Burap) van de DG&J zal worden opgenomen. Participatie: n.v.t. Communicatie: n.v.t. Duurzaamheid: n.v.t. Vervolgproces: Uw zienswijze op het voorgenomen besluit zal aan het algemeen bestuur worden aangeboden. De dienst heeft gevraagd om de zienswijzen uiterlijk 23 april 2024 te mogen ontvangen. Na overweging van de ontvangen zienswijzen, stelt het algemeen bestuur van de DG&J het MJP definitief vast in haar vergadering op 6 juni 2024. Vervolgens zal op basis van het MJP nog in 2024 een uitvoeringsprogramma worden opgesteld. Ook het uitvoeringsprogramma zal de DG&J aan de gemeenteraden aanbieden voor het geven van een zienswijze. Bijlagen: 1. MJP DG&J 2024-2028 2. Adviesnota voorstel uitvoeringsscenario’s LVS ZHZ 2024-2025
Burgemeester en wethouders van Gorinchem, de secretaris, de burgemeester,
Raadsbesluit De gemeenteraad van Gorinchem, Gelet op het raadsvoorstel van het college d.d. 2 april 2024 Gelet op de wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr);
Besluit: met bijgevoegde zienswijze (nummer Z/24/765465 D-902131) te reageren op het MJP 20242028 van de DG&J en uitvoeringscenario’s LVS.
Aldus besloten in de raadsvergadering van 8 mei 2024
Griffier,
Voorzitter,
ADVIES NOTA Ontwerpbesluit Het Dagelijks Bestuur wordt gevraagd de onderstaande besluiten opgenomen in deze adviesnota ter besluitvorming voor te leggen aan het Algemeen Bestuur. 1.
2. 3.
Het Algemeen Bestuur wordt gevraagd te besluiten over de omvang van de capaciteit van Leerplicht Voortijdig Schoolverlaten (LVS) voor de periode 2024 - 2025. De capaciteitsvraag is gekoppeld aan een viertal uitvoeringscenario’s op basis van verschillende dienstverleningsniveaus; Het Algemeen Bestuur wordt gevraagd om een keuze te maken voor een van de uitvoeringsscenario’s (scenario 1, 2, 3 of 4) en de daarvoor benodigde financiële middelen beschikbaar te stellen; Het Algemeen Bestuur wordt gevraagd een keuze te maken voor een opdracht aan het NetwerkMT gericht op verbetering van de aanpak voor het voorkomen en oplossen van schoolverzuim en schooluitval, waarin de gesignaleerde knelpunten in de keten worden opgelost in een nog op te stellen regionaal verbeterprogramma: (a) een opdracht gericht op verbeteren van de ketensamenwerking gebaseerd op de huidige curatieve aanpak (uitvoeringscenario 3); (b) een opdracht gericht op een fundamentele herbezinning van de schoolverzuimaanpak naar preventie, normalisering en vroegsignalering (uitvoeringsscenario 4).
Advies van het MT DG&J: Uitvoeringsscenario 4 sluit goed aan bij de ambities gericht op meer preventie uit het komende Meerjarenbeleidsplan (MJP). Vanuit dit oogpunt zou uitvoeringsscenario 4 het meest wenselijke scenario zijn. De beoogde regionale preventie-infrastructuur staat echter nog in de kinderschoenen en zal over een langere periode met partners moeten worden opgebouwd. Op basis van deze inschatting is uitvoeringsscenario 3 voor de korte termijn een realistisch alternatief waar, naar verwachting, snel concrete verbeteringen kunnen worden bereikt met een positief resultaat op het schoolverzuim. Kern van de zaak Kinderen vallen niet zomaar uit van school en komen ook niet zomaar thuis te zitten. Uit onderzoek blijkt dat zorgwekkend schoolverzuim vaak een combinatie is van schoolziekteverzuim en ongeoorloofd schoolverzuim. Het overgrote deel van kinderen die verzuimen van school hebben meerdere problemen tegelijk. Problemen kunnen liggen in het onderwijs, de (thuis)omgeving of het kind zelf. Er zijn verschillende organisaties betrokken bij het signaleren, voeren van regie en bieden van de juiste hulp. En wanneer de samenwerking in de keten hapert dan heeft dat invloed op het werk van LVS of van andere ketenpartners. Het terugdringen van schoolverzuim en schooluitval is een gezamenlijke inspanning van de keten in de regio Zuid-Holland Zuid.
In de basis is deze ketensamenwerking – gestoeld op het heersende curatieve paradigma- op orde, maar vraagt op onderdelen om aanpassing en verbetering. Het curatieve paradigma heeft geleid tot een overwegend reactieve werkwijze in de keten die gericht is op herstel.
1
De problemen van leerlingen worden aanpakt als de problemen zich daadwerkelijk voordoen (dit in tegenstelling tot een preventieve aanpak). Onderwijs, gemeenten, sociale teams, jeugdgezondheidszorg, jeugdhulp, de samenwerkingsverbanden passend onderwijs en leerplicht en voortijdig schoolverlaten (LVS) werken nauw samen en zetten in op maatwerk voor de vaak stevige multi-problematiek van leerlingen. Echter door verschillende ketenpartners is geconstateerd, dat een efficiënte en gerichte inzet van capaciteit wordt bemoeilijkt door een aantal specifieke knelpunten in de keten. Het betreft 'hobbels' in de ketensamenwerking tussen organisaties en professionals, die in principe oplosbaar zouden moeten zijn door aangescherpte afspraken te maken over ieders rol en inzet in de keten. Dit kan betekenen, dat er verschuivingen gaan optreden in de opdracht aan ketenpartners ten aanzien van de inzet en capaciteit in de keten en daarmee ook wijzingen in de financiering van ketenpartners. De ketenpartners hebben een eerste analyse van de knelpunten in de keten gemaakt. Deze knelpunten analyse helpt om de benodigde inzet en capaciteit van de verschillende ketenpartners, in het bijzonder LVS, beter te sturen.
Vanuit het perspectief van LVS is dit cruciaal, omdat inefficiëntie in de keten, door de specifieke opdracht aan LVS, zich direct vertaalt naar noodzakelijke extra inzet en dus een extra beroep doet op de beschikbare capaciteit vanuit LVS. Inefficiëntie in de keten leidt ertoe dat de problematiek van leerlingen stapelt en verergert, dit heeft als gevolg dat de aard en ernst van het verzuim toeneemt, waardoor LVS geconformeerd wordt met een groeiend aantal (ernstige) verzuimmeldingen. Dit leidt tot verhoogde werklast en werkdruk bij LVS. In 2023 is o.a. om deze reden tijdelijk extra LVS capaciteit toegevoegd. Bij de uitvoering van het primaire proces is er sprake van een verhoogde werklast en werkdruk bij LVS. Het betreft hier met name de uitvoering van de basistaken: inzet op gemeld relatief verzuim, inzet op luxe verzuim, inzet op absoluut verzuim, beoordelen van beroepen op vrijstelling, rapporteren en preventieve inzet. Er is sprake van een forse autonome groei van het totale aantal verzuimmeldingen. De vergelijking van de totaal verzuimcijfers van schooljaar 2021/2022 en schooljaar 2022/2023 laat een stijging zien van 21%. Het zogenaamde overige verzuim (waaronder de verzuim categorieën ‘recidive’ en ‘bijkomende zorgen’) groeit zelfs met 52% (van 944 naar 1435 verzuimmeldingen). Ook het aantal toegewezen beroepen op vrijstelling van onderwijs neemt toe (16%).
Het betreft hier een landelijke trend, die op basis van signalen uit het veld wordt bevestigd. In de bijlage wordt een nadere specificatie gegeven van de basistaken en aanvullende taken van LVS. Het voorliggende voorstel is erop gericht bij het Algemeen Bestuur de opdracht op te halen die richting geeft aan het oplossen van de gesignaleerde knelpunten en verbetering van de ketensamenwerking. De verbetering van de aanpak schoolverzuim/schooluitval zal vervolgens worden opgenomen in een nog op te stellen regionaal verbeterprogramma schooluitval/schoolverzuim. In de context van dit voorstel, hechten wij eraan te vermelden, dat wij ons bewust zijn van de beperkte financiële ruimte die gemeenten hebben in hun begrotingen voor de komende jaren. Knelpunten analyse Ketenpartners hebben gezamenlijk overleg gehad om de knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen te inventariseren. Op basis van deze gezamenlijke analyse zijn de volgende knelpunten benoemd. Deze zijn in diverse ambtelijke overleggen gedeeld met de gemeenten en konden daar rekenen op herkenning: • Rolneming en taken: overlap in taken, onvoldoende effectief benutten van de handhavende bevoegdheden van LVS door ketenpartners, rolonduidelijkheid met onder andere de zorginfrastructuur in het onderwijs, jeugdteams en jongerenwerk; • Proces: het ontbreken van een eenduidige casusregie en doorzettingsmacht op casusniveau;
2
• •
Organisatie: beperkte capaciteit van LVS in relatie tot het stijgend aantal verzuimmeldingen en de gevraagde inzet in de keten; Governance: onduidelijke sturing en prioritering in de ketensamenwerking.
De aanpak van de bovengenoemde knelpunten is opgenomen in de uitvoeringscenario’s 3 en 4 en krijgt vorm in het nog op te stellen regionaal verbeterprogramma schoolverzuim/schooluitval. Voorstel met scenario keuze Dit voorstel beschrijft een aantal uitvoeringsscenario’s op basis waarvan de gesignaleerde knelpunten (deels) kunnen worden opgelost en kan worden bepaald welke inzet en capaciteit vanuit LVS (en vanuit de andere ketenpartners) daarbij de komende tijd nodig is, om een effectievere en efficiëntere ketensamenwerking voor schoolverzuim en schooluitval te organiseren. Daarbij moet worden aangetekend, dat het bij de uitvoeringsscenario's 1, 2 en 3 gaat om inzet op basis van het geldende curatieve paradigma (gericht op aanpakken van de problemen als ze zich voordoen) en dat uitvoeringscenario 4 uitgaat van een fundamentele herbezinning gericht op vroegsignalering, preventie en normalisatie om de onderwijsdeelname in onze regio te bevorderen. Normatieve capaciteitsberekening Voldoende beschikbare capaciteit van LVS in relatie tot de gevraagde inzet is een cruciale factor voor een succesvolle ketensamenwerking. De LVS formatie was tot nu gebaseerd op een minimale basisinzet voor Leerplicht taken. De (terechte) vragen vanuit de keten voor de inzet vanuit LVS overstijgen op dit moment de mogelijkheden die LVS met deze minimale basisformatie heeft.
Om dit te illustreren nemen we als uitgangspunt de normberekening van organisatieadviesbureau Berenschot. In opdracht van brancheorganisatie Ingrado heeft Berenschot de ‘formatietool Leerplicht’ ontwikkeld, als een objectieve norm voor de capaciteit voor de uitvoering van Leerplicht taken in Nederland. Deze berekening laat zien, dat LVS ZHZ ruim onder deze formatienorm haar Leerplicht taken uitvoert. Berenschot hanteert het uitgangspunt, dat met een formatienorm moet worden gerekend van 1 fte op 2.700 leerlingen. Voor LVS ZHZ betekent het hanteren van deze norm een benodigde basisformatie van ruim 25 fte (totaal volume in de regio ZHZ is 68.222 leerlingen o.b.v. jaarverslag 2021-22). De huidige basisformatie van LVS bedraagt 12,9 fte. Tellen we daarbij de tijdelijk beschikbare extra capaciteit (inhuur) van 4,6 fte bij op, dan leidt dat tot een totale capaciteit van 17,5 fte. Dit is 69% van de Berenschot norm. Een benchmark onderzoek van Ingrado uit 2020 (Terugrapportage formatie uitvoering leerplicht, Ingrado, 2020) toonde al aan dat LVS ZHZ met de huidige capaciteit voor leerplichttaken (12,9 fte) onder het landelijk gemiddelde zit in vergelijking met andere gemeenten en regio’s.
LVS heeft lange tijd uit de voeten gekund met de basiscapaciteit van 12,9 fte, maar in 2022 liep LVS, door de forse groei in het aantal verzuimmeldingen, tegen de grenzen van haar mogelijkheden op om de aan haar gedelegeerde taken naar behoren uit voeren. Op dat moment heeft LVS het bestuur van DG&J daarover geïnformeerd. Eerder genomen besluiten In december 2022 informeerde LVS de gemeenten en scholen in Zuid-Holland Zuid, dat de disbalans tussen de gevraagde inzet van LVS en de beschikbare capaciteit niet langer houdbaar was. Om uitval van consulenten te voorkomen en binnen de beschikbare budgetten te blijven, zag LVS zich genoodzaakt om tot een tijdelijke inperking of afschaling van haar werkzaamheden te komen.
3
Het Algemeen Bestuur DG&J stemde in april 2023 in met een tijdelijke uitbreiding van de capaciteit LVS met 4,6 fte inhuur tot 31 december 2023. Aanvullend op dit besluit heeft het Algemeen Bestuur gevraagd om in het najaar op basis van diverse scenario's een voorstel te doen over de rol en inzet van LVS met bijbehorende benodigde formatie en budgetten. Argumenten: beschrijving uitvoeringsscenario’s Welke uitvoeringsscenario’s zijn denkbaar? In de onderstaande beschrijvingen wordt kort een aantal hoofdkarakteristieken gegeven van een viertal uitvoeringsscenario’s. Hierin is onderscheid gemaakt tussen een minimaal scenario, twee tussen scenario’s en een maximaal scenario. Uitgangspunt voor de vier scenario’s is, dat de omvang van het dienstverleningsniveau is gekoppeld aan de daarbij behorende capaciteit. De insteek van verschillende uitvoeringsscenario’s is met gemeenten en ketenpartners gedeeld. De volgende uitvoeringsscenario’s zullen in dit voorstel worden uitgewerkt: • • • •
Scenario 1: Terug naar de minimale basisformatie Scenario 2: Naar een toereikende basisformatie vanuit de Leerplichtwet Scenario 3: Gezamenlijk toewerken naar een passende basisformatie voor ZHZ Scenario 4: Fundamentele herbezinning van de werkwijze in de keten
De sturende rol van de gemeenten in het verder brengen van deze uitvoeringsscenario’s is van groot belang. Het vraagt van gemeenten (i.c. het NetwerkMT) een voortrekkersrol, waarbij duidelijk positie wordt genomen en stevig wordt gestuurd op de aanscherpingen van de ketenafspraken en het doorontwikkelen van de ketensamenwerking. Scenario 1: Terug naar de minimale basisformatie In dit scenario wordt uit gegaan van de oorspronkelijke basisformatie van 12,9 fte. Op basis van deze capaciteit wordt voorzien in een minimaal dienstverleningsniveau, dat wordt ingekaderd op grond van wet- en regelgeving voor de uitvoering van Leerplicht taken. Vroegtijdige ondersteuning van onderwijs, jongeren en hun ouders volgens de Methodische Aanpak Schoolverzuim kan met deze capaciteit niet worden geleverd. Dit uitvoeringsscenario hanteert strikte prioritering en risico gestuurd werken als instrumenten, om zo veel als mogelijk de basistaken uit te voeren binnen de beschikbare capaciteit. Een scenario van hele scherpe keuzes aan de voorkant maken en onmiddellijk bijsturen als het werk over de schoenen loopt. De uitvoeringspraktijk van 2022 en een deel van 2023 heeft laten zien, dat door piekbelasting in het leerling volume, regelmatig afschaling of fasering van werkzaamheden aan de orde zal zijn.
Uitvoeringsscenario 1 heeft een sterk negatieve impact op de uitvoering van de basistaken conform de Leerplichtwet. Kwaliteit en kwantiteit staan onder druk en de werkzaamheden kunnen niet het hele jaar door op het gewenste niveau worden uitgevoerd. Ook vanuit het perspectief van de ketensamenwerking tussen gemeenten, ketenpartners en LVS moet dit scenario worden beschouwd als ontoereikend. De mogelijkheden voor samenwerking in de keten zijn niet helemaal verdwenen, maar zullen, in het geval van herprioritering van werkzaamheden, moeten worden afgewogen tegen de eisen die de Leerplichtwet stelt. De uitvoering van deze wettelijke taken heeft dan voorrang op de overige taken. Daarnaast zijn ook de negatieve effecten van de piekbelasting op de LVS professionals, zoals een te hoge werkdruk, vanuit het perspectief van de werkgever een zwaarwegende contra-indicatie. Scenario 2: Naar een toereikende, structurele basisformatie vanuit de Leerplichtwet Gezien het ontoereikende karakter van de basisformatie van 12,9 Fte bij de taakuitvoering door LVS, ziet uitvoeringscenario 2 toe op het stapsgewijs verhogen van de basisformatie conform de Berenschot normberekening. De eerste stap hierin is het structureel verhogen van de basisformatie van 12,9 Fte naar 17,5 Fte.
4
De verhoogde capaciteit voor LVS legt een stevig fundament onder de adequate uitvoering van de basistaken conform de Leerplicht wet en biedt meer ruimte voor de gevraagde inzet in de ketensamenwerking. Scenario 3: Gezamenlijk toewerken naar een passende basisformatie voor ZuidHolland Zuid Uitvoeringsscenario 3 richt zich op het aanscherpen van de huidige afspraken in de ketensamenwerking om zodoende de efficiëntie en effectiviteit in de aanpak van schoolverzuim te bevorderen. Er zal een regionaal verbeterprogramma schoolverzuim/schooluitval worden opgesteld, met een concrete aanpak van de bovengenoemde knelpunten in de ketensamenwerking. Scenario 3 voorziet in een programmatische aanpak, onder ambtelijke regie van het Netwerk MT, waarbij proefondervindelijk en al-werkende-weg verbeteringen in de ketensamenwerking worden aangebracht. Daarbij wordt de samenwerking in de keten als totaal bekeken, worden rollen en taken verhelderd en afgebakend, processen en werkwijzen geoptimaliseerd en de sturing op de keten verbeterd. De normberekening van Berenschot wordt benut als richtlijn voor de benodigde LVS capaciteit. In samenwerking tussen ketenpartners en onder regie van de gemeenten, worden bepaald wat de benodigde inzet en capaciteit van LVS en andere ketenpartners zou moeten zijn, om de onderwijsdeelname van leerlingen duurzaam te borgen.