5 Voorstel tot wijziging van de verordening Individuele Inkomenstoeslag Avres 2016.pdf
Tekst van het document
Voorstel tot wijziging van de Verordening Individuele Inkomenstoeslag Avres 2016 Bijgaand treft u een voorstel aan tot wijziging van de Verordening individuele inkomenstoeslag. Dit wijzigingsvoorstel omvat twee onderdelen die zijn ingegeven vanuit de uitvoeringspraktijk. Achtergrond Verordening individuele inkomenstoeslag. Aan de bijstandsverlening ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand (WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen, een toeslag die de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen kan verbeteren. Per 1 januari 2015, bij de invoering van de Participatiewet, vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Het dagelijks bestuur van Avres kan een individuele inkomenstoeslag verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Op grond van bepalingen in de Participatiewet moeten bij verordening regels worden vastgesteld over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag.
De individuele inkomenstoeslag wordt jaarlijks eenmalig toegekend, waarbij een huishouden minstens 3 jaar over een laag inkomen dient te beschikken. De uit te keren toeslagen bedragen: € 350 euro per jaar voor een alleenstaande; € 450 euro per jaar voor een alleenstaande ouder; en € 500 euro per jaar voor gehuwden/samenwonenden. Wijzigingsvoorstel Vanuit de uitvoeringspraktijk is geconstateerd dat aanpassing van de verordening op twee onderdelen wenselijk is, om op deze wijze: a. meer duidelijkheid met betrekking tot een van de uitsluitingscriteria te krijgen; b. tot een meer redelijke uitvoering van de individuele inkomenstoeslag te komen. Ad a. Meer duidelijkheid met betrekking tot een van de uitsluitingsgronden. In de huidige verordening luidt artikel 3 als volgt: Artikel 3 Voorwaarden verlening tegemoetkoming. Het dagelijks bestuur kan op verzoek een individuele inkomenstoeslag toekennen als een persoon: 1. Een langdurig laag inkomen heeft en; 2. Geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet en het in de eigen woning gelegen vermogen blijft buiten beschouwing; 3. Gelet op zijn omstandigheden geen uitzicht heeft op inkomensverbetering Het tweede lid van artikel 3, kan tot misverstanden leiden. Daarin staat in het tweede gedeelte van het tweede lid geformuleerd dat het in de eigen woning gelegen vermogen buiten beschouwing blijft.
Door deze huidige formulering kan gelezen worden dat het hier het gehele vermogen van een woning betreft en dat er dus geen sprake is van een vermogensgrens met betrekking tot de woning, waarboven een inwoner/huishouden niet in aanmerking komt voor een individuele inkomenstoeslag. In de systematiek van de Participatiewet is in artikel 34, lid 2, onder d, een dergelijke grens met betrekking tot het vermogen in de eigen woning echter wel uitdrukkelijk gesteld. Deze grens bedraagt per 1 juli 2021 € 53.100,--. Hoewel in de uitvoeringspraktijk deze grens ook wordt gehanteerd, kan de huidige formulering tot onduidelijkheden leiden. Daarom wordt voorgesteld om de formulering van het tweede lid
enigszins aan te passen, waardoor meer direct aansluiting wordt gevonden bij de van toepassing zijnde vermogensgrens in de eigen woning zoals bedoeld in de Participatiewet. De herformulering van het tweede lid luidt dan: 2.
“ Geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet waarbij het in de eigen woning gelegen vermogen, voor zover dit minder bedraagt dan het toegestane wettelijke bedrag, buiten beschouwing blijft (Participatiewet artikel 34-2d).”
Ad b. Een meer redelijke uitvoering van de individuele inkomenstoeslag. In de huidige verordening luidt artikel 4: Artikel 4 Langdurig laag inkomen Een belanghebbende heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. Bij de uitvoering onder de huidige verordening wordt het inkomen beoordeeld per kalendermaand. Dit blijkt in een aantal gevallen soms onredelijk uit te pakken. Hierdoor is het bijvoorbeeld mogelijk dat als iemand één keer een fulltime maand werkte, er vervolgens drie jaar lang geen recht bestond op een individuele inkomenstoeslag. Het voorstel van wijziging is daarom om voortaan uit te gaan van een gemiddeld inkomen in de totale referteperiode (= 36 maanden). Het hergeformuleerde artikel 4 komt op grond van het bovenstaande dan te luiden: Artikel 4 Langdurig laag inkomen Een belanghebbende heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. Uitgangspunt is dat de periode van 36 maanden onafgebroken moet zijn. Wel betreft de 120% grens een gemiddelde over de referteperiode.
Wisselende inkomsten boven en onder de norm leiden daarmee niet meteen tot uitsluiting. Procedure: In artikel 11, tweede lid, onder b van de Gemeenschappelijke regeling Avres, is bepaald dat het algemeen bestuur van Avres verordeningen eerst kan vaststellen (inclusief wijzigen) nadat er een zienswijzeprocedure bij de raden van de deelnemende gemeenten is doorlopen. Deze voorgestelde wijziging van de Verordening Individuele inkomenstoeslag Avres is derhalve ook zienswijzeplichtig. Na ontvangst van de ingebrachte zienswijzen zal de verordening ter vaststelling aan het algemeen bestuur van Avres worden voorgelegd. Over dit wijzigingsvoorstel zal ook een advies worden gevraagd aan de cliëntenraad van Avres.
Concept-Verordening tot wijziging van de verordening Individuele inkomenstoeslag. Het algemeen bestuur van Avres, in openbare vergadering bijeen op..-..-2021; Gelet op artikel 8, eerste lid, onder b van de Participatiewet; Gelet op artikel 11, tweede lid, onder b van de Gemeenschappelijke regeling Avres; Gelezen de ontvangen zienswijzen van de raden van de gemeenten Gorinchem, Molenlanden en Vijfheerenlanden; Gelezen het advies van de cliëntenraad; Besluit de volgende verordening tot wijziging van de verordening individuele inkomenstoeslag Avres 2016 vast te stellen: Artikel I. Het tweede lid van artikel 3, luidende: “Geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet en het in de eigen woning gelegen vermogen blijft buiten beschouwing;” Komt te vervallen en wordt vervangen door een nieuw tweede lid, luidende: “ Geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet waarbij het in de eigen woning gelegen vermogen, voor zover dit minder bedraagt dan het toegestane wettelijke bedrag, buiten beschouwing blijft (Participatiewet artikel 34-2d).” Artikel II.
Artikel 4, luidende: Artikel 4 Langdurig laag inkomen Een belanghebbende heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. Komt te vervallen en wordt vervangen door een nieuw artikel 4, luidende: Artikel 4 Langdurig laag inkomen Een belanghebbende heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. Uitgangspunt is dat de periode van 36 maanden onafgebroken moet zijn. Wel betreft de 120% grens een gemiddelde over de referteperiode. Wisselende inkomsten boven en onder de norm leiden daarmee niet meteen tot uitsluiting.
Artikel III. Deze verordening treedt in werking de dag na publicatie in het blad gemeenschappelijke regeling en werkt terug tot en met 1 januari 2021.
Aldus besloten te Meerkerk in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Avres op ..-..-2021
E.A. Lanser, Voorzitter
P. Van Uitert, Secretaris