CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

3.3 Arkelsedijk Regels

Parallelsessie raadzaal 5 september 2024, gemeente GorinchemBij agendapunt: I&O Bestemmingsplan Arkelsedijk11.232 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Arkelsedijk Gorinchem

DATUM IMRO IDN

13-08-2024 NL.IMRO.0512.BP2021198-3001

PROJECT PROJECTLEIDER

20210413 M.M.W. Backx

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Gemeente Gorinchem 20210413

AUTEUR STATUS

M.M.W. Backx vastgesteld

Inhoudsopgave

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

6

Artikel 1

Begrippen

6

Artikel 2

Wijze van meten

11

Bestemmingsregels

12

Artikel 3

Detailhandel

12

Artikel 4

Gemengd

14

Artikel 5

Groen

15

Artikel 6

Verkeer

16

Artikel 7

Verkeer - Verblijfsgebied

17

Artikel 8

Water

18

Artikel 9

Wonen - 1

19

Artikel 10

Wonen - 2

22

Artikel 11

Leiding - Water

25

Artikel 12

Waarde - Archeologische verwachting hoog PM1

27

Artikel 13

Waarde - Archeologische verwachting laag AP

30

Artikel 14

Waarde - Archeologische verwachting middelmatig LMNT

33

Artikel 15

Waterstaat - Waterberging

36

Artikel 16

Waterstaat - Waterkering

38

Algemene regels

40

Artikel 17

Anti-dubbeltelregel

40

Artikel 18

Algemene bouwregels

41

Artikel 19

Algemene gebruiksregels

42

Artikel 20

Parkeerregels

43

Artikel 21

Algemene aanduidingsregels

44

Artikel 22

Algemene wijzigingsregels

45

Artikel 23

Algemene afwijkingsregels

46

Artikel 24

Overige regels

47

Overgangs- en slotregels

49

Artikel 25

Overgangsrecht

49

Artikel 26

Slotregel

50

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

3/50

5

4/50

Regels

5/50

Hoofdstuk 1

Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 bestemmingsplan de geometrische bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0512.BP2021198-3001; 1.2 plan het bestemmingsplan Arkelsedijk met identificatienummer NL.IMRO.0512.BP2021198-3001 van de gemeente Gorinchem; 1.3 de verbeelding de analoge en digitale voorstelling van de in het plan opgenomen digitale ruimtelijke informatie met identificatienummer NL.IMRO.0512.BP2021198-3001; 1.4 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5 aan huis verbonden beroep een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, ontwerptechnisch, kunstzinnig of hiermee gelijk te stellen gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.6 aan huis verbonden bedrijf het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q.

het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, dat niet krachtens een milieuwet vergunning-of meldingplichtig is, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.7 afwijken van de bouwregels en/of van de gebruiksregels een afwijking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening; 1.8 andere geluidsgevoelige gebouwen gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder; 1.9 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

6/50

1.10 bebouwingspercentage een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van (een deel van) het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald; 1.11 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; 1.12 bestaand a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van ter inzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van ter inzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van ter inzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald; 1.13 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.14

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.15 bijgebouw een op zich zelfstaand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.16 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.17 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw; 1.18 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.19 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel; 1.20 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

7/50

1.21 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.22 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps-of bedrijfsactiviteit; 1.23 eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond; 1.24 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw; 1.25 erker een uitbouw van het hoofdgebouw van een woning gelegen vóór het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw; 1.26

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.27 gebruiken gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven; 1.28 geluidsbelasting vanwege een industrieterrein de etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) op een bepaalde plaats, veroorzaakt door de gezamenlijke inrichtingen en toestellen, aanwezig op het industrieterrein, het geluid van niet tot de inrichtingen behorende motorvoertuigen op het terrein daaronder niet begrepen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder; 1.29 hogere grenswaarde een maximale waarde voor de geluidsbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder; 1.30 hoofdgebouw een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken; 1.31 horeca een bedrijf waar hoofdzakelijk dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin logies wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld een café, restaurant, hotel, pension, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;

8/50

1.32 kleinschalige bedrijfsruimte bedrijven tot en met categorie 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten behorende bij de regels, kantoren en ateliers; 1.33 maatschappelijke voorzieningen culturele, educatieve, medische, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening met uitzondering van een ziekenhuis, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen; 1.34 mantelzorg het bieden van zorg in een woning aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.35 nevenactiviteit een activiteit ondergeschikt aan de hoofdactiviteit in zowel omvang (m2), omzet (€) als de effecten op het woon-en leefklimaat; 1.36 omgevingsvergunning een vergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.37 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwerk zijnde, of werkzaamheden een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening; 1.38 ondergeschikte detailhandel detailhandel waarbij de detailhandelsactiviteit een directe relatie heeft met de hoofdactiviteit maar daaraan ondergeschikt is.

1.39 overkapping een bouwwerk op het erf van een gebouw of standplaats, dat strekt tot vergroting van het woongenot van het gebouw of de standplaats en dat, voor zover gebouwd vóór (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft en, voor zover gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, maximaal drie wanden heeft waarvan maximaal twee tot de constructie behoren; 1.40 peil a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan; c. indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land; 1.41 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

9/50

1.42 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.43 sociale huurwoning een huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens als bedoeld in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de huurtoeslag. 1.44 slopen het al dan niet geheel afbreken van gebouwen en andere bouwwerken; 1.45 uitbouw een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.46 uitvoeren uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven; 1.47 volumineuze goederen goederen die vanwege hun omvang een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling, zoals goederen in bouw-en doe-het-zelf producten, automobielen, motorfietsen., boten, caravans, e.d.; 1.48 voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te

worden aangemerkt; 1.49 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

10/50

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; de hoogte van een windturbine vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine; de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q.

de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; de horizontale diepte van een gebouw de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd; de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; de oppervlakte van een overkapping tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping. ondergeschikte bouwonderdelen Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

11/50

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Detailhandel

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt', een supermarkt en ondergeschikte detailhandel; b. gebouwde (ondergrondse) parkeervoorzieningen; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Bouwregels gebouwen a. Gebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: 1. gebouwd binnen het bouwvlak; 2. goot- en bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte; b. Parkeergarages voldoen aan de volgende kenmerken: 1. parkeergarages inclusief bijbehorende voorzieningen zoals in- en uitritten zijn zowel binnen- als buiten het bouwvlak toegestaan; 2. bouwhoogte maximaal 0,2 m; 3. verticale bouwdiepte beneden peil bedraagt maximaal 4,3 m. 3.2.2 Bouwregels bouwwerken geen gebouwen zijnde Bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal: a. lichtmasten 6 m; b. vlaggenmasten 6 m; c. overige bouwwerken geen gebouwen zijnde 3 m. 3.3 Specifieke gebruiksregels 3.3.1 Supermarkt a. binnen de aanduiding 'supermarkt' is maximaal één supermarkt toegestaan. b. het maximale BVO voor detailhandel in de vorm van een supermarkt bedraagt 2.000 m2; c.

het maximale BVO voor ondergeschikte detailhandel bedraagt 500 m2; 3.3.2 Voorwaardelijke verplichting Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden en bouwwerken conform de bestemming ‘Detailhandel’ is alleen toegestaan wanneer het gebruik van het perceel met kadastrale aanduiding GRC00-F-240 als supermarkt permanent is beëindigd.

12/50

3.3.3 Strijdig gebruik Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel in volumineuze goederen.

13/50

Artikel 4

Gemengd

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor Gemengd aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. kleinschalige bedrijfsruimtes en wijkondersteunende werkplekken; b. lichte horeca, zoals genoemd in de Staat van inrichtingen (horeca); met bijbehorende gebouwen, terrassen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding. 4.2

Bouwregels

4.2.1 Bouwregels gebouwen a. Gebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: 1. gebouwd binnen het bouwvlak; 2. goot- en bouwhoogte maximaal de ten tijde van de terinzagelegging van dit bestemmingsplan bestaande goot- en bouwhoogte; 3. het maximale BVO voor kleinschalige bedrijfsruimtes, wijkondersteunende werkplekken en horeca bedraagt 500 m2; b. Gebouwde (ondergrondse) parkeervoorzieningen voldoen aan de volgende kenmerken: 1. gebouwde (ondergrondse) parkeervoorzieningen inclusief bijbehorende voorzieningen zoals in- en uitritten en bovenop liggende (openbare) daktuinen zijn zowel binnen- als buiten het bouwvlak toegestaan; 2. bouwhoogte maximaal 1 m; 3. verticale bouwdiepte beneden peil bedraagt maximaal 3,5 m.

14/50

Artikel 5

Groen

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting; b. parken en plantsoenen; c. paden; d. speelvoorzieningen; e. water en voorzieningen voor de waterhuishouding; f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer – fietspad' tevens voor fietspaden; met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen en met inachtneming van de keur van het waterschap. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Bouwregels gebouwen Gebouwen mogen niet worden gebouwd. 5.2.2 Bouwregels bouwwerken geen gebouwen zijnde Bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal: a. lichtmasten 4,5 m; b. overige bouwwerken geen gebouwen zijnde 3 m. 5.3 Specifieke bouwregels In afwijking op artikel 5.2.1 is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bestaande bebouwing' het bouwen van een gebouw toegestaan. Hier dient bestaande bebouwing binnen het plangebied in enige vorm te worden gehandhaafd.

15/50

Artikel 6

Verkeer

6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen en straten, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op verblijf alsmede de afwikkeling van het doorgaande verkeer; b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen; c. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen; d. een onderdoorgang ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang'; met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Bouwregels gebouwen Gebouwen mogen niet worden gebouwd. 6.2.2 Bouwregels bouwwerken geen gebouwen zijnde Bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal: a. lichtmasten 6 m; b. bruggen 9 m; c. overige bouwwerken geen gebouwen zijnde 3 m.

16/50

Artikel 7

Verkeer - Verblijfsgebied

7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen en straten, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op verblijf alsmede de afwikkeling van het doorgaande verkeer; b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen; c. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen; d. ondergrondse containers; met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Bouwregels gebouwen Gebouwen mogen niet worden gebouwd. 7.2.2 Bouwregels bouwwerken geen gebouwen zijnde Bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal: a. lichtmasten 6 m; b. overige bouwwerken geen gebouwen zijnde 3 m. 7.3 Specifieke bouwregels In afwijking op artikel 7.2.1 is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bestaande bebouwing' het bouwen van een gebouw toegestaan. Hier dient bestaande bebouwing binnen het plangebied in enige vorm te worden gehandhaafd.

17/50

Artikel 8

Water

8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen; b. (bedrijfs)verkeer te water; c. taluds en natuurvriendelijke oevers; d. ter plaatse van de aanduiding 'brug' tevens voor een brug voor gemotoriseerd en langzaam verkeer; e. bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde waaronder steigers, dammen en/of duikers. 8.2 Bouwregels 8.2.1 Bouwregels gebouwen Gebouwen mogen niet worden gebouwd. 8.2.2 Bouwregels bouwwerken geen gebouwen zijnde a. Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal: 1. bruggen en viaducten 11 m boven waterpeil; 2. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 4 m; b. de minimaal doorvaarbare hoogte van een brug is 7,3 m boven waterpeil.

18/50

Artikel 9

Wonen - 1

9.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. gestapelde woningen; b. aan huis verbonden beroepen met dien verstande dat de oppervlakte maximaal 25% van de vloeroppervlakte van de woning bedraagt tot een maximum van 40 m2; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - maatschappelijk en dienstverlening', ook voor maatschappelijke voorzieningen en dienstverlening op de begane grond; d. gebouwde (ondergrondse) parkeervoorzieningen; e. water en voorzieningen voor de waterhuishouding; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden, (openbare) daktuinen en erven, bergingen, parkeerplaatsen en fietsenstallingen. 9.2 Bouwregels 9.2.1 Gebouwen a. Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: 1. gebouwd binnen het bouwvlak; 2. het maximaal aantal bouwlagen bedraagt maximaal het aantal bouwlagen genoemd ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bouwlagen'; 3. het aantal bouwlagen van geschakelde bebouwing, indien gelegen binnen hetzelfde bouwvlak, dient met ten minste één bouwlaag van elkaar te verschillen; 4. De maximale hoogte van de eerst bouwlaag (plint) bedraagt maximaal 4 meter; 5. De maximale hoogte per bouwlaag, vanaf de tweede bouwlaag, bedraagt 3,5 meter; 6.

het maximale BVO voor maatschappelijke voorzieningen en dienstverlening bedraagt 120 m2; b. Gebouwde (ondergrondse) parkeervoorzieningen voldoen aan de volgende kenmerken: 1. gebouwde (ondergrondse) parkeervoorzieningen inclusief bijbehorende voorzieningen zoals in- en uitritten en bovenop liggende (openbare) daktuinen zijn zowel binnen- als buiten het bouwvlak toegestaan; 2. bouwhoogte maximaal 1 m; 3. verticale bouwdiepte beneden peil bedraagt maximaal 3,5 m. 9.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd waarbij de maximale bouwhoogte 3 m bedraagt; 9.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2 m. 9.2.4 Aantal woningen a. Het maximum aantal woningen bedraagt 500; b. Van de binnen deze bestemming te realiseren woningen dient ten minste 10% als sociale huurwoning te

19/50

worden gebouwd. 9.3

Specifieke gebruiksregels

9.3.1 Voorwaardelijke verplichting geluidshinder Gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht en gebruikt ten behoeve van geluidsgevoelige functies indien: a. de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige functies als gevolg van het weg- en/ of industrielawaai niet meer bedraagt dan de voorkeurswaarden uit de Wet geluidhinder dan wel ten hoogste de hogere waarden zoals bedoeld in artikel 24; b. hierbij geldt dat de hogere waarden op gevels uitsluitend zijn toegestaan indien wordt voldaan aan het Geluidbeleid, vastgesteld op 22 juli 2008 of diens rechtsopvolger; c. In aanvulling op artikel 9.3.1 onder b geldt: 1. Om te bepalen of een gevel geluidluw is, mag zo nodig gebruik worden gemaakt van een afsluitbare loggia, een afgeschermd balkon of een andere geluiddempende voorziening. Bij de toepassing van afsluitbare loggia's of balkons wordt getoetst in gesloten toestand; 2. Indien sprake is van een geluidluwe buitenruimte in plaats van geluidluwe gevel wordt bij het bepalen of een buitenruimte geluidluw is, indien gebruik wordt gemaakt van een afsluitbare loggia of balkon als buitenruimte, uitgegaan van een loggia of balkon in geopende toestand. Als richtlijn voor de toetsing geldt dat bij een balkon met gesloten borstwering van 1,5 meter hoog en een absorberend plafond een reductie van 4 dB kan worden aangehouden voor de gevels grenzend aan het balkon; 3.

Indien woningen niet kunnen beschikken over een eigen geluidsluwe gevel of buitenruimte dient er voorzien te zijn in een gemeenschappelijke, geluidsluwe buitenruimte. 9.3.2 Voorwaardelijke verplichting - brug a. De woningen binnen deze bestemming mogen uitsluitend in gebruik worden genomen indien ter plaatse van de aanduiding 'brug' een brug voor gemotoriseerd en langzaam verkeer is gerealiseerd; b. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, mits: middels onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een onevenredige verslechtering van de verkeersafwikkeling op de wegen in de directe nabijheid van het plangebied. 9.4 Afwijken van de gebruiksregels 1. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9.1 voor het toestaan van een aan huis verbonden bedrijf, mits: a. de oppervlakte maximaal 25% van de vloeroppervlakte van de woning bedraagt tot een maximum van 40 m 2; b. er geen sprake is van een duurzame ontwrichting van de bestaande distributieve voorzieningen of een ernstige verstoring van de verzorgingsstructuur; c. het geen bedrijfsactiviteiten betreft die normaliter in een winkelcentrum of een winkelstraat worden uitgeoefend; d. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking; e.

er geen detailhandel plaatsvindt behalve als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf. 2. Omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden verleend, mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet

20/50

onevenredig worden geschaad; b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.

21/50

Artikel 10 Wonen - 2 10.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden woningen; b. aan huis verbonden beroepen met dien verstande dat de oppervlakte maximaal 25% van de vloeroppervlakte van de gebouwen bedraagt tot een maximum van 40 m²; c. water en voorzieningen voor de waterhuishouding; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, tuinen, erven en parkeerplaatsen. 10.2 Bouwregels 10.2.1 Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: a. gebouwd binnen het bouwvlak; b. bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'bouwhoogte' aangegeven bouwhoogte; 10.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de volgende kenmerken: a. gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, met dien verstande dat uitbouwen in de vorm van erkers tot vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, mits: 1. de horizontale diepte maximaal 1 m bedraagt; 2. de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2,5 m bedraagt; 3.

voor zover de erker wordt gebouwd tegen de voorgevel van het hoofdgebouw de breedte maximaal 2/3 van de breedte van die gevel bedraagt; 4. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt dan wel de hoogte van de van het hoofdgebouw plus 0,25 m, of niet meer dan de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt; 5. een minimale afstand van 0,50 m tot de zijdelingse bouwperceelgrens wordt aangehouden b. gezamenlijke oppervlakte voor zover gebouwd buiten het bouwvlak per hoofdgebouw maximaal: 1. 40 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 250 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is; 2. 50 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte van 250 tot en met 500 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is; 3. 60 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte van 500 tot en met 1.000 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is; 4. 70 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 1.000 m², mits het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is; c. goothoogte en bouwhoogte maximaal 3 m dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw plus 0,25 m;

22/50

10.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal: a. erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 1 m; b. erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 2 m; c. overige bouwwerken geen gebouwen zijnde 2 m. 10.2.4 Aantal woningen Het maximum aantal woningen bedraagt 12. 10.3 Afwijken van de bouwregels 10.3.1 Afwijken van de bouwregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in: a. artikel 10.2.2 onder a voor het verkleinen van de afstand van een aan-of uitbouw, bijgebouw of overkapping tot (het verlengde van) de voorgevel van het hoofd-gebouw dan wel voor het bouwen van een aan-of uitbouw, bijgebouw of overkapping vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw; b. artikel 10.2.2 onder b voor het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van aan-en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot maximaal: 1. 55 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 250 m2; 2. 70 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte van 250 tot en met 500 m2; 3. 90 m² voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 500 m2; 4. artikel 10.2.2 onder b voor het vergroten van het bebouwingspercentage tot maximaal 70%; c.

artikel 10.2.2 onder b voor het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van aan en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot de oppervlakten genoemd onder b vermeerderd met 20 m2, uitsluitend in verband met het gebruik van genoemde bouwwerken als afhankelijke woonruimte, mits een dergelijk gebruik noodzakelijk is vanuit het oogpunt van mantelzorg; d. artikel 10.2.2 onder c voor het vergroten van de bouwhoogte tot maximaal 5 m. 10.3.2 Voorwaarden voor het afwijken Het afwijken als bedoeld in artikel 10.3.1 kan slechts worden verleend, mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. het straat-en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.

10.4 Specifieke gebruiksregels 10.4.1 Geluidshinder Gebouwen mogen uitsluitend gebruikt worden ten behoeve van geluidsgevoelige functies indien: a. de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige functies als gevolg van het weg- en/ of industrielawaai niet meer bedraagt dan de voorkeurswaarden uit de Wet geluidhinder dan wel ten hoogste de hogere waarden zoals bedoeld in artikel 17; b. Hierbij geldt dat de hogere waarden op gevels uitsluitend zijn toegestaan indien wordt voldaan aan het Geluidbeleid, vastgesteld op 22 juli 2008 of diens rechtsopvolger; c. In aanvulling op artikel 9.3.1 onder b geldt dat: 1. Om te bepalen of een gevel geluidluw is, mag zo nodig gebruik worden gemaakt van een afsluitbare

23/50

loggia, een afgeschermd balkon of een andere geluiddempende voorziening. Bij de toepassing van afsluitbare loggia's of balkons wordt getoetst in gesloten toestand; 2. Indien sprake is van een geluidluwe buitenruimte in plaats van geluidluwe gevel wordt bij het bepalen of een buitenruimte geluidluw is, indien gebruik wordt gemaakt van een afsluitbare loggia of balkon als buitenruimte, uitgegaan van een loggia of balkon in geopende toestand. Als richtlijn voor de toetsing geldt dat een balkon met gesloten borstwering van 1,5 meter hoog en een absorberend plafond een reductie van 4 dB kan worden aangehouden voor de gevels op het balkon; 3. Indien woningen niet kunnen beschikken over een eigen geluidsluwe gevel of buitenruimte dient er voorzien te zijn in een gemeenschappelijke, geluidsluwe buitenruimte. 10.5 Afwijken van de gebruiksregels 10.5.1 Afwijken van de gebruiksregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10.1 voor het toestaan van een aan huis verbonden bedrijf, mits: a. de oppervlakte maximaal 25% van de vloeroppervlakte van de gebouwen bedraagt tot een maximum van 40 m 2; b. er geen sprake is van een duurzame ontwrichting van de bestaande distributieve voorzieningen of een ernstige verstoring van de verzorgingsstructuur; c.

het geen bedrijfsactiviteiten betreft die normaliter in een winkelcentrum of een winkelstraat worden uitgeoefend; d. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking; e. er geen detailhandel plaatsvindt behalve als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf. 10.5.2 Voorwaarden voor het afwijken De omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden verleend, mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.

24/50

Artikel 11 Leiding - Water 11.1 Bestemmingsomschrijving De voor Leiding - Water aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: een ondergrondse waterleiding ter plaatse van de aanduiding hartlijn leiding - water; het beheer en onderhoud van de leiding; de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding; met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde. 11.2 Bouwregels 11.2.1 Bouwregels gebouwen Gebouwen mogen niet worden gebouwd. 11.2.2 Bouwregels bouwwerken geen gebouwen zijnde Bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal 3 m. 11.3 Afwijjken van de bouwregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits advies is verkregen van de leidingbeheerder. 11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 11.4.1 Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 11.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; c.

het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen; d. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen; e. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en straatmeubilair; f. het permanent opslaan van goederen. 11.4.2 Weigeringsgrond Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.4.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid van een adequaat beheer of de veiligheid van de ondergrondse leidingen en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.

25/50

11.4.3 Advies leidingbeheerder Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.4.1 wordt niet eerder verleend dan nadat advies is verkregen van de leidingbeheerder. 11.4.4 Uitzonderingen vergunningplicht Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.4.1 is nodig voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud en beheer betreffen; b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.

26/50

Artikel 12 Waarde - Archeologische verwachting hoog PM1 12.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologische verwachting hoog PM1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming, het behoud en het veiligstellen van de archeologische waarden van deze gronden. 12.2

Bouwregels

12.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen a. voor bouwwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 250 m2 en waarvoor (grond)werkzaamheden dieper dan 30 cm noodzakelijk zijn, moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. b. indien uit het in artikel 12.2.1 onder a. genoemd rapport of uit de in artikel 12.2.1 onder c. bedoelde informatie blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. c. het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 12.2.1 onder a. en derhalve geen archeologisch rapport verplicht te stellen indien: 1.

de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld of; 2. op basis van archeologisch onderzoek voldoende is aangetoond dat in de betrokken gronden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; 3. de bodemverstoring uitsluitend wordt veroorzaakt door het aanbrengen van (hei)palen en de verstoring hierdoor beperkt blijft tot minder dan 1% van de oppervlakte van het te bebouwen gebied. 12.2.2 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 12.2.1 onder a. winnen zij advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 12.2.1 onder b. dienen te worden verbonden aan de omgevingsvergunning. 12.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische waarden of resten aanwezig zijn en in de grond behouden moeten worden.

27/50

12.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

12.4.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 39.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van drainage; d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplanting, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd; f. het scheuren van grasland; g. overige werkzaamheden, waaronder sloopwerkzaamheden, waarbij de grond wordt geroerd. 12.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.4.1 is nodig voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden met een oppervlakte kleiner dan 250 m2 of waarvoor de gronden niet dieper dan 30 cm worden geroerd; b.

werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen; c. ondergeschikte bodemingrepen, waaronder wordt verstaan: 1. het uitvoeren van grondboringen van enigerlei aard (booronderzoek, sonderingen); 2. het plaatsen van peilbuizen; 3. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers, verkeersborden en ander straatmeubilair; 4. naar de aard daarmee vergelijkbare bodemverstoringen van ondergeschikt belang; d. de aanleg van kabels, rioleringen en/of leidingen waarbij geheel binnen de breedte én diepte van al bestaande leidingsleuven of vergraven wegcunetten wordt gewerkt; e. de aanleg van kabels en/of leidingen mits de sleufdiepte beperkt blijft tot maximaal 60 cm en de sleufbreedte tot maximaal 50 cm; f. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning. 12.4.3 Voorwaarden aan omgevingsvergunning a. voor het uitvoeren of uit laten voeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. b.

indien uit het in artikel 12.4.3onder a. genoemde rapport of uit de in artikel 12.4.3 onder c. bedoelde

28/50

informatie blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. c. het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 39.4.3 onder a. en derhalve geen archeologisch rapport verplicht te stellen indien: 1. de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld of; 2. op basis van archeologisch onderzoek voldoende is aangetoond dat in de betrokken gronden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

12.4.4 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 12.4.1 winnen zij advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 12.4.3 onder b. dienen te worden verbonden aan de omgevingsvergunning.

29/50

Artikel 13 Waarde - Archeologische verwachting laag AP 13.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologische verwachting laag AP aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming, het behoud en het veiligstellen van de archeologische waarden van deze gronden. 13.2

Bouwregels

13.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen a. voor bouwwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 10.000 m2 en waarvoor (grond)werkzaamheden dieper dan 30 cm noodzakelijk zijn, moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. b. indien uit het in artikel 13.2.1 onder a. genoemde rapport of uit de in artikel 13.2.1 onder c. bedoelde informatie blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. c. het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 13.2.1 onder a. en derhalve geen archeologisch rapport verplicht te stellen indien: 1.

de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld of; 2. op basis van archeologisch onderzoek voldoende is aangetoond dat in de betrokken gronden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; 3. de bodemverstoring uitsluitend wordt veroorzaakt door het aanbrengen van (hei)palen en de verstoring hierdoor beperkt blijft tot minder dan 1% van de oppervlakte van het te bebouwen gebied. 13.2.2 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 13.2.1 onder a. winnen zij advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 13.2.1 onder b. dienen te worden verbonden aan de omgevingsvergunning. 13.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische waarden of resten aanwezig zijn en in de grond behouden moeten worden.

30/50

13.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

13.4.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 13.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van drainage; d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplanting, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd; f. het scheuren van grasland; g. overige werkzaamheden, waaronder sloopwerkzaamheden, waarbij de grond wordt geroerd. 13.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.4.1 is nodig voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden met een oppervlakte kleiner dan 10.000 m2 of waarvoor de gronden niet dieper dan 30 cm worden geroerd; b.

werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen; c. ondergeschikte bodemingrepen, waaronder wordt verstaan: 1. het uitvoeren van grondboringen van enigerlei aard (booronderzoek, sonderingen); 2. het plaatsen van peilbuizen; 3. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers, verkeersborden en ander straatmeubilair; 4. naar de aard daarmee vergelijkbare bodemverstoringen van ondergeschikt belang; d. de aanleg van kabels, rioleringen en/of leidingen waarbij geheel binnen de breedte én diepte van al bestaande leidingsleuven of vergraven wegcunetten wordt gewerkt; e. de aanleg van kabels en/of leidingen mits de sleufdiepte beperkt blijft tot maximaal 60 cm en de sleufbreedte tot maximaal 50 cm; f. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning. 13.4.3 Voorwaarden aan omgevingsvergunning a. voor het uitvoeren of uit laten voeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. b.

indien uit het in artikel 13.4.3 onder a. genoemde rapport of uit de in artikel 13.4.3 onder c. bedoelde

31/50

informatie blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. c. het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 13.4.3 onder a. en derhalve geen archeologisch rapport verplicht te stellen indien: 1. de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld of; 2. op basis van archeologisch onderzoek voldoende is aangetoond dat in de betrokken gronden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

13.4.4 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 13.4.1 winnen zij advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 13.4.3 onder b. dienen te worden verbonden aan de omgevingsvergunning.

32/50

Artikel 14 Waarde - Archeologische verwachting middelmatig LMNT 14.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologische verwachting middelmatig LMNT aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming, het behoud en het veiligstellen van de archeologische waarden van deze gronden. 14.2

Bouwregels

14.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen a. voor bouwwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 100 m2 en waarvoor (grond)werkzaamheden dieper dan 30 cm noodzakelijk zijn, moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. b. indien uit het in artikel onder a. genoemde rapport of uit de in artikel 14.2.1 onder c. bedoelde informatie blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. c. het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 14.2.1 onder a. en derhalve geen archeologisch rapport verplicht te stellen indien: 1.

de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld of; 2. op basis van archeologisch onderzoek voldoende is aangetoond dat in de betrokken gronden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of; 3. de bodemverstoring uitsluitend wordt veroorzaakt door het aanbrengen van (hei)palen en de verstoring hierdoor beperkt blijft tot minder dan 1% van de oppervlakte van het te bebouwen gebied. 14.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken en de inrichting van gronden, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische waarden of resten aanwezig zijn en in de grond behouden moeten worden. 14.4

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

14.4.1 Vergunningplichtige werkenen werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 14.4.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

33/50

a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van drainage; d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplanting, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd; f. het scheuren van grasland; g. overige werkzaamheden, waaronder sloopwerkzaamheden, waarbij de grond wordt geroerd. 14.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.4.1 is nodig voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden met een oppervlakte kleiner dan 100 m2 of waarvoor de gronden niet dieper dan 30 cm worden geroerd; b. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen; c. ondergeschikte bodemingrepen, waaronder wordt verstaan: 1. het uitvoeren van grondboringen van enigerlei aard (booronderzoek, sonderingen); 2. het plaatsen van peilbuizen; 3.

het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers, verkeersborden en ander straatmeubilair; 4. naar de aard daarmee vergelijkbare bodemverstoringen van ondergeschikt belang; d. de aanleg van kabels, rioleringen en/of leidingen waarbij geheel binnen de breedte én diepte van al bestaande leidingsleuven of vergraven wegcunetten wordt gewerkt; e. de aanleg van kabels en/of leidingen mits de sleufdiepte beperkt blijft tot maximaal 60 cm en de sleufbreedte tot maximaal 50 cm; f. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning. 14.4.3 Voorwaarden aan omgevingsvergunning a. voor het uitvoeren of uit laten voeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden moet alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen of kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. b. indien uit het in artikel 14.4.3 onder a. genoemde rapport of uit de in artikel 14.4.3 onder c.

bedoelde informatie blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;

34/50

3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. c. het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 14.4.3 onder a. en derhalve geen archeologisch rapport verplicht te stellen indien: 1. de archeologische waarden van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld of; 2. op basis van archeologisch onderzoek voldoende is aangetoond dat in de betrokken gronden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. 14.4.4 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in artikel 14.4.1 winnen zij advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 14.4.3 onder b. dienen te worden verbonden aan de omgevingsvergunning.

35/50

Artikel 15 Waterstaat - Waterberging 15.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterberging' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor de waterberging en de waterhuishouding van de rivier De Linge. 15.2 Bouwregels op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 15.1 genoemde bestemming uitsluitend; a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de waterbergingscapaciteit gelijk blijft. 15.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan in afwijking van lid 15.2 onder c beslissen - middels een omgevingsvergunning - met inachtneming van het volgende: a. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels worden in acht genomen; b. de waterbergingscapaciteit wordt niet onevenredig geschaad en vooraf wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de betreffende waterbeheerder. 15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 15.4.1 Vergunningplicht a.

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 15.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren: 1. het ophogen van gronden; 2. het dempen van watergangen. b. het verbod van sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend zoals in lid 36.3 is bedoeld; 2. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan. c. De werken en werkzaamheden, zoals bedoeld in sub a, zijn slechts toelaatbaar, indien de waterbergingscapaciteit gelijk blijft en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betreffende waterbeheerder, in geval werkzaamheden worden uitgevoerd onder +3 m NAP. 15.4.2 Advies beheerder waterkering Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.4.1 wordt niet eerder verleend dan nadat schriftelijk advies is verkregen van de beheerder van de waterkering.

36/50

15.4.3 Uitzonderingen vergunningplicht Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.4.1 is nodig voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.

37/50

Artikel 16 Waterstaat - Waterkering 16.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming, het onderhoud en de verbetering van de waterkering, met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals duikers, keerwanden en merktekens. 16.2 Bouwregels 16.2.1 Bouwregels in relatie tot andere bestemmingen In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (artikelen 3 tot en met 10) mag alleen ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd. 16.2.2 Bouwregels gebouwen Gebouwen mogen niet worden gebouwd. 16.2.3 Bouwregels bouwwerken geen gebouwen zijnde Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 m. 16.3 Afwijken van de bouwregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 16.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits schriftelijk advies is verkregen van de beheerder van de waterkering. 16.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=6d861c25-27d3-48a8-a883-bb1b794c83dc