3.1 Arkelsedijk Toelichting
Tekst van het document
De beoogde ontwikkeling voorziet in meer ruimte voor groen in het plangebied. Dit door gebruik te maken van groene binnenterreinen en langs de Linge een groene zone (het Oeverpark) aan te leggen. Voor de vegetatie zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van inheemse soorten. De toevoeging van groen in het plangebied en met name de groene zone langs de Linge kan een nieuwe verbinding gecreëerd worden met de bestaande groenstructuur rondom de historische vesting en de noordelijke landerijen en de groene gebieden. Ook bestaan er kansen op het gebied van natuurinclusief bouwen. Met de beoogde ontwikkeling worden naast daktuinen ook groene daken en groene gevels gerealiseerd. Dit draagt bij aan de ecologische kwaliteit van de ontwikkeling. Verder dragen de nestkasten, holtes en andere schuilgelegenheden voor gedefinieerde soorten bij aan de ecologische kwaliteit. Hemelwater en hittestress De groene daken hebben naast ecologische waarde ook waarde wat betreft de aspecten hemelwater en hittestress. Groene daken zorgen ervoor dat hemelwater wordt opgenomen en geleidelijk aan wordt afgevoerd. Dit wordt vervolgens opgevangen en kunstmatig beregend op daktuinen als dit nodig is in droge periodes. Daarnaast is de ambitie om hemelwater op te vangen en te filteren zodat het te gebruiken wordt voor het doorspoelen van toiletten of om kleding mee te wassen in de wasmachine.
Naast de voordelen van groene daken voor het aspect hemelwater, zorgen groene daken ook voor een verminderde kans op hittestress. Ditzelfde geldt voor groene gevels. Met de oriëntatie van de gebouwen wordt verder nog rekening gehouden met hittestress.
86/94
4.13 Stikstof 4.13.1 Toetsingskader Wet natuurbescherming verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; legt de rol van het bevoegd gezag voor verlening van vergunningen bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.
Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. I Als een plan ten opzichte van de referentiesituatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename voor de vaststelling van het plan te worden onderzocht. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie als referentiesituatie heeft te gelden. Daarvan is in dit geval ook uitgegaan.
Blijkt vervolgens dat significante gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten, dan kan volstaan worden met een voortoets. Is dat niet het geval, dan dient een passende beoordeling opgesteld te worden. Voortoets Bij de voortoets draait het om de vraag of sprake kan zijn van significante gevolgen. De significantie van de gevolgen voor een gebied als gevolg van een plan worden afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, die zijn neergelegd in het aanwijzingsbesluit en zijn
87/94
uitgewerkt in het beheerplan voor dat gebied. Wanneer een plan gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen daarvan niet in gevaar brengt, zijn significante gevolgen uitgesloten. Bij de voortoets wordt bekeken of het bestemmingsplan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben. In hoeverre stikstofdepositie voor significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden kan zorgen, wordt in eerste instantie bepaald door te bezien of de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt tot een toename van stikstofdepositie leiden ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Van een bestemmingsplan dat ten opzichte van de referentiesituatie geen toename van de stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden, waarvan de Kritische Depositie Waarde (KDW) wordt overschreden, zijn significante gevolgen met zekerheid uit te sluiten. In dat geval kan volstaan worden met een voortoets. En is een passende beoordeling derhalve niet nodig. 4.13.2 Onderzoek In bijlage 2 bij Bijlage 25 van dit bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar stikstofemissies en stikstofdepositie ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden ten gevolge van de realisatie van het plan Lingeoever aan de Arkelsedijk te Gorinchem.
Dit betreft enerzijds de stikstofemissies en stikstofdepositie vanwege (tijdelijke) aanleg- en bouwactiviteiten in de realisatiefase en anderzijds vanwege een gewijzigde verkeerssituatie en verkeersomvang alsmede wijzigingen in bedrijfsactiviteiten en gebouwverwarming in de (permanente) gebruiksfase. De AERIUS-berekeningen laten in de aanleg- en gebruiksfase een geringe toename zien van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-zuid. In de voortoets (Bijlage 25) wordt beoordeeld of deze depositietoename niet zal leiden tot negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Op grond van de Spoedwet aanpak stikstof is vanwege het ontbreken van significante effecten geen vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming benodigd voor het beoogde plan/project.
4.14 Luchtkwaliteit 4.14.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ Uurgemiddelde concentratie Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³
88/94
Fijn stof (PM2,5)
24-uurgemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg/m³
Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. 4.14.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van circa 500 woningen. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven.
Dit is gedaan aan de hand van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022 (https://www.cimlk.nl/kaart ). De dichtstbijzijnde maatgevende wegen zijn de Lingebrug, de W. de Vries Robbeweg en de Van Hoornestraat. Uit de kaart blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.14.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.15 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Wel zal in de uitwerking van het plan samengewerkt worden met Stedin hiermee kunnen meekoppelkansenworden benut op het gebied van kabels en leidingen en worden eventuele knelpunten voorkomen.
89/94
4.16 Bezonning Toetsingskader Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. Voor de toetsing aan schaduwwerking worden de TNO-normen gehanteerd. De normen van TNO: een lichte norm, die minimaal twee uur zon per dag in de periode 19 februari tot en met 21 oktober voorschrijft, en een strenge norm, die drie uur zon per dag in de periode 21 januari tot en met 22 november voorschrijft. Onderzoek en conclusie Om de gevolgen van de schaduwwerking van het plan op het bestaande woningareaal in kaart te brengen, is een zogenaamde bezonningsstudie uitgevoerd, deze studie is toegevoegd aan Bijlage 34. In deze studie wordt de schaduwwerking van het huidige ontwerp beschouwd ten opzichte van de bestaande situatie. Ook zijn de maximale planologische ruimte van het bestemmingsplan onderzocht. Het huidige ontwerp voor de LingeOever voldoet overal aan de lichte en strenge TNO normen. Voor de maximale planmogelijkheden voldoet het plan voor een aantal gebouwen niet aan de strenge TNO normen, wel wordt voldaan aan de eisen van de lichte TNO norm. Hiermee wordt de schaduw hinder aanvaardbaar geacht. Het plan is uitvoerbaar in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Voor het effect van de 12 woningen op de Nettoramalocatie op bestaande omliggende woningen wordt nog een aanvullende analyse uitgevoerd.
90/94
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Voor de opbouw van een bestemmingsplan is door het Ministerie van I&M een standaard ontwikkeld, de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan wordt van deze standaarden gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). De hoofdstukindeling van de bestemmingsplanregels bestaat uit: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.
5.2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Detailhandel De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor een supermarkt met ondersteunende detailhandel. Het gebruik van een nieuwe supermarkt is pas toegestaan wanneer het gebruik van het perceel met kadastrale aanduiding GRC00-F-240 als supermarkt permanent is beëindigd. Artikel 4 Gemengd Deze bestemming voorziet in een gebouw voor diverse functies waaronder: kleinschalige bedrijfsruimtes, wijkondersteunende werkplekken en lichte horeca. Artikel 5 Groen Het in het plangebied voorkomende (openbaar) groen is als zodanig bestemd. Binnen deze bestemming zijn
91/94
geen gebouwen zijn toegestaan. Uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan met een bouwhoogte variërend van maximaal 3 tot 6 meter. Artikel 6 Verkeer De binnen het plangebied voorkomende wegen, waaronder de nieuwe verbinding Arkelsedijk-Spijksedijk, zijn als zodanig bestemd. Binnen deze bestemming is middels een aanduiding de onderdoorgang onder de Arkelsedijk geborgd. Artikel 7 Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming voorziet in wegen, straten en fiets- en wandelpaden voornamelijk gericht op verblijven. Daarnaast zijn hierbinnen parkeerplaatsen, groen- en speelvoorzieningen toegestaan. Artikel 8 Water Deze gronden zijn onder andere bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen en bedrijfsverkeer te water. De brug over de Linge is aangeduid op de verbeeling. Artikel 9 Wonen - 1 Binnen deze bestemming zijn 500 gestapelde woningen en een gebouwde (ondergrondse) parkeervoorziening toegestaan. Daarnaast is op een aantal plaatsen in de plint ruimte voor maatschappelijke voorzieningen en dienstverlening. Het maximaal aantal bouwlagen per blok is aangeduid op de verbeelding. Artikel 10 Wonen - 2 Binnen deze bestemming zijn 12 grongebonden woningen toegestaan. Artikel 12 tot en met 16 bevat diverse dubbelbestemmingen waarmee de bescherming van archeologische verwachtingswaarden, de waterkering en het winterbed van de Linge is geborgd.
5.3
92/94
Algemene regels
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Financiele uitvoerbaarheid
Woningbouw Arkelsedijk Het beoogde bouwplan betreft een particulier initiatief. Voor het kostenverhaal is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. In deze overeenkomst wordt geregeld op welke wijze de kosten verdeeld zijn en welke ten laste van de initiatiefnemer komen. Omdat het verhaal van de kosten via een anterieure overeenkomst wordt geregeld is een exploitatieplan niet nodig. Woningbouw locatie nettorama met bijbehorend parkeerterrein De huidige locatie van supermarkt 'Nettorama' en het bijbehorende parkeerterrein in de Lingewijk maken onderdeel uit van het ontwerp bestemmingsplan. De nu aanwezige detailhandel wordt op deze locatie beëindigd en wordt verplaatst naar de nieuwe woonwijk aan de Arkelsedijk. De vrijkomende locatie wordt getransformeerd naar woningbouw en voorziet in de realisatie van maximaal 12 woningen. De beoogde woningbouw is echter niet concreet genoeg om nu al een anterieure overeenkomst te sluiten. Op grond van artikel 7c lid 10 en 11 Besluit uitvoering CHW kan worden vooruitgelopen op de Omgevingswet. Het kostenverhaal (incl. planschade) wordt uitgesteld tot de daadwerkelijke realisatie van de bouwmogelijkheden op de locatie Nettorama, wanneer daarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. In het bestemmingsplan - via de planregels en verbeelding - is hiervoor een regeling opgenomen.
Brug Op donderdag 30 november 2023 heeft de gemeenteraad de benodigde investeringskredieten voor de aanleg van de brug en infrastructuur beschikbaar gesteld.
6.2
Participatietraject
Inleiding De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier doorlopen worden Op basis van eerdere afspraken wordt er geen voorontwerp bestemmingsplan toegepast. De inspraak wordt gebaseerd op de gevoerde participatiebijeenkomsten. Het totaalverslag is opgenomen in bijlage 28. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het concept ontwerpbestemmingsplan op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan de gebruikelijke overlegpartners van de gemeente Gorinchem. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de nota overlegreacties in bijlage 33. Ontwerp Het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende zes weken ter inzage. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro).
93/94
De binnengekomen zienswijzen zijn samengevat en van beantwoording voorzien in de nota van beantwoording zienswijzen (zie bijlage 36).
94/94