230112 B&A Archeologie in Gorinchem en Molenlanden Gorinchem_Molenlanden_rapport_verwachtings-beleidskaart_incl_bijlagen_20211015.pdf
Tekst van het document
-
De nog watervoerende wielen, ontstaan bij dijkdoorbraken, zijn geïnvent ariseerd en aan de dataset met watergerelateerd erfgoed toegevoegd.
-
Er is contact opgenomen met de AWN-werkgroep LWAOW (contactpersoon Piet Deelen). De LWAOW heeft afgelopen decennia diverse duiken uitgevoerd in de diverse binnenwateren (Albas en Giessen) waarbij op meerdere locaties archeologisch vondstmateriaal (vooral aardewerken objecten) boven water is gehaald. Dhr. Deelen heeft aangegeven dat
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[21]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
voorafgaand aan een duik historische kaarten zijn bestudeerd en dat de duiksessies plaatsvonden in die delen van de rivieren waar historische boerderijen hebben gestaan. Vanuit deze boerderijen werd veelal kapot huisraad als afval in de rivier gegooid. Voorbeelden van locaties waar dergelijk afval is aangetroffen betreft meerdere locaties in Giessenburg, namelijk ter hoogte van Doetseweg 9, Dorpsstraat 2, Bovenkerkseweg 22 en 44. -
Martin Veen heeft voor een deel van de Merwede ter hoogte van Gorinchem enkele bestand en van multibeam-lodingen aangeleverd - waarop het reliëf van de waterbodem in beeld kan worden gebracht. Op deze bestanden waren twee locaties (Middelwaard en Wolfferen) zichtbaar die mogelijk archeologisch interessant zijn. Het betreft een ondiepte in de Middelwaard (nabij Buiten de Waterpoort waar De Linge uitmondt in de Merwede) en circa 1 km westelijker een structuur (figuur 2) die mogelijk verband houdt met een bericht uit 1920 waarin melding wordt gemaakt van opruimwerk (met behulp van springstof) van ‘eigenaardige steenbrokken, stukken oud eikenhout en fundeeringsstukken’. Het is niet onmogelijk dat deze resten afkomstig zouden kunnen zijn van een klein, middeleeuws kasteeltje dat bij Wolfferen heeft gelegen en waarbij Wolfferen in latere tijd verzwolgen is door de rivier.
Figuur 2. Binnen de zwartomlijnde rechthoek zijn enkele obstakels op de bodem van de Merwede zichtbaar. Deze obstakels steken tot 1 m boven de omliggende waterbodem uit (bewerking van multibeam -lodingen Rijkswaterstaat).
De archeologisch relevante resten bevinden zich hierbij in de waterbodem dan wel in de waterkant (in de vorm van beschoeiingen). De top van de waterbodem bestaat over het algemeen uit een sliblaag die tot enkele decennia oud kan zijn. De exacte ouderdom van deze recente sliblaag is te relateren aan het laatste moment dat het betreffende water gebaggerd is. Ook de dikte van deze recente sliblaag is
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[22]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
afhankelijk van het moment van baggeren en tevens van zaken als stroomsnelheid van het water, verbindingen met andere watergangen en de aan- of afwezigheid van bomen direct langs het water. Dergelijke zaken beïnvloeden de snelheid waarmee de sliblaag groeit. Bij werkzaamheden in zones met archeologisch interessant water dient derhalve altijd onderzocht te worden, bijvoorbeeld middels boringen, hoe dik de recente sliblaag is en hoe diep de top van het archeologisch relevante pakket zich bevindt. De watergangen die de grens vormen tussen percelen zijn buiten de inventarisatie gehouden. Dergelijke watergangen zijn dermate smal en worden veelal jaarlijks gebaggerd dat hier geen archeologische relevantie aan kan worden toegekend. Desalniettemin kunnen ook in d eze gangen archeologische resten worden aangetroffen in de vorm van beschoeiingen, funderingsresten van bruggetjes en dergelijke.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[23]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
3 Inventarisatie conflictarcheologie 3.1 Oorlogserfgoed 3.1.1
Vestingsteden, Oude en Nieuwe Hollandse Waterlinie
Gorinchem en Nieuwpoort worden reeds in de middeleeuwen tot vestingstad uitgebouwd, en daarbij dus voorzien van defensieve structuren zoals vestingwallen. Ook worden er in het gebied tussen de Merwede en de Lek in de late middeleeuwen diverse kastelen en schansen aange bracht, zoals het Huis te Langerak, Kasteel Liesveld en Kasteel Giessenburg. Tevens bevindt er zich een schans in de directe omgeving van (het huidige) Kinderdijk, Schans te Elshout. 19 Gorinchem en haar directe omgeving maakte later als vestingstad deel uit van zowel de Oude als de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Vanwege haar tactische positie kon, tezamen met de vestingstad Woudrichem, van hier uit de rivier de Waal en de toenaderingsroutes hiernaartoe gecontroleerd worden. In het rampjaar 1672 werd de stad ha ls over kop in de Oude Hollandse Waterlinie ingebouwd, om zodoende Franse troepen te blokkeren. Vanaf dat moment ontwikkelde de stad een sterk militair karakter, en werd de Hollandse Waterlinie tot een permanente staat van verdediging gebracht. In Gorinche m werd een garnizoen gelegerd, waardoor er veel primaire en secundaire militaire infrastructuur en ondersteunende gebouwen en kazernes moesten worden aangelegd. Hierbij werden onder andere schietbanen, munitieopslagplaatsen, artillerieloodsen en verdedigingswerken aangebracht.
Tevens werden er batterijopstellingen, forten en andere verdedigingswerken in de nabije omgeving van de stad aangebracht. Hieronder vielen ook inundatiewerken die bedoeld waren voor het inunderen van het gebied ten noorden van Gorinch em. Niet alleen Gorinchem werd uitgebouwd tot vestingstad, ook Nieuwpoort kreeg een belangrijke functie in het verdedigingssysteem. Zo was er te Nieuwpoort een belangrijke inundatiesluis gevestigd, en kon de stad in samenhang met Schoonhoven de toegang over de Lek ontzeggen. 20 Door Hamaland Advies is tevens een kroonwerk waargenomen op LiDAR-data. 21 Ook dit kroonwerk is opgenomen op de verwachtingskaart. Vanaf 1815 werd er onder koning Willem I begonnen met het herbewapenen en uitbouwen van de Hollandse Waterlinie. Deze uitbreiding zou later de Nieuwe Hollandse Waterlinie gaan heten, en omvatte nu ook de stad Utrecht. Ook in het nieuwe systeem zouden inundaties een centrale rol innemen. Het doel hiervan was om het gebied tussen verdedigingswerken onder water t e laten lopen, om zodoende aanvallende eenheden te vertragen en de toegang tot bepaalde delen van het gebied te ontzeggen. Richtlijn hiervoor was het onderhouden van een waterstand tussen 30 en 60 centimeter boven het reguliere maaiveld, waardoor het te diep was voor infanterie en te ondiep voor vaartuigen.
Het te inunderen gebied was hiervoor onderverdeeld in verschillende deelgebieden, voorzien van sluizen, dijken en andere structuren ten behoeve van een gereguleerde waterhuishouding. In totaal zijn er drie inundaties uitgevoerd binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie, te weten tijdens de Frans -Duitse Oorlog, de Eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog. Op locaties waar het niet mogelijk was voldoende te inunderen, bij sluizen en bij toenaderingswegen e n diepere wateren, werden forten aangelegd. Deze moesten zorgen voor een totale afsluiting van het achterland. 22 De hoofdinlaten en
19
Van der Kuijl 2018, 14 en MvC 2005. W ill 2008, forten.info. Van der Kuijl 2018, 14 en AHN 3. 22 Van der Kuijl 2018, 14 en AHN 3. 20 21
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[24]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
afwateringssluizen van de inundatievelden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn opgenomen op de verwachtingskaart. Na de herbewapening van de Hollandse Waterlinie werden de werken diverse malen gemoderniseerd en aangepast aan technologische ontwikkelingen in de krijgsmacht. Zo werden er aanpassingen gedaan aan borstweringen en defensieve structuren, onder andere naar aanleidin g van de uitvinding van de brisantgranaat en de toenemende draagwijdte van geschut. De laatste aanpassingen aan de linie werden gedaan tijdens de algehele mobilisatie van de Nederlandse krijgsmacht in 1939 en 1940. In deze fase werden er betonkazematten en groepsschuilplaatsen aangelegd in het kader van de toenemende dreiging vanuit Duitsland. 23
3.1.2
Veldslagen en belegeringen
Zowel Gorinchem als Nieuwpoort kregen door hun functie als vestingstad en tactische posities langs doorgaande waterwegen regelmatig te maken met krijgshandelingen . Op diverse momenten vonden er belegeringen plaats van beide steden, en werd er in de omgeving gevochten. Tijdens deze belegeringen en veldslagen werden er in de omgeving offensieve en defensieve structuren aangebracht, zowel door de aanvallende als verdedigende partijen. In 1402 werden bijvoorbeeld Nieuwpoort en Gorinchem reeds belegerd door de troepen van respectievelijk de Graaf van Holland en Jan van Arkel. Voorafgaand aan deze periode vonden er over en weer plunderingen plaats, waarbij ook lokaal gevochten werd. Deze belegeringen, die de eerste echte wapenfeiten vormden tussen Arkel en Holland, mondden uiteindelijk uit in de Arkelse Oorlogen, die uitgevochten werden tussen 1401 en 1412. Tijdens deze oorlogen werd een conflict over complexe geopolitieke twisten uitgevochten tussen de Heren van Arkel en het Hertogdom Gelre, en het Graafschap Holland en Gorinchem. Op 21 november 1417 werd Gorinchem ingenomen door de Kabeljauwen onder Wil lem van Arkel. Enkele dagen later, op 23/24 november, begon een nieuw beleg van Gorinchem. Op 1 december 1417 werd Gorinchem ingenomen door Walraven I van Brederode, waarbij de stad definitief bij Holland werd ingelijfd.
24 Tijdens de Napoleontische Oorlogen ziet Gorinchem opnieuw strijd. Na de inval van geallieerde troepen (Britten, Pruissen en Russen) in Nederland tijdens de Zesde Coalitieoorlog, brengen Napoleontische troepen een deel van de Nederlandse vestingsteden in staat van paraatheid, waaronder Gori nchem. De stad lag op een strategisch en relatief goed te verdedigen punt langs de weg van Amsterdam naar Parijs. Op 18 november 1813 werd de stad in staat van beleg verklaard, en de geallieerden begonnen op 22 januari 1814 met het beschieten van de stadskern. Na enkele hevige gevechtsacties en zware beschietingen gaven de Napoleontische troepen zich op 5 februari over, waarna op 20 februari de stad officieel aan de geallieerden werd overgedragen. 25 Door de complexe en diverse aard van de gevechtshandelingen rond de vestingplaatsen zijn deze op de kaart als buffer van 1.500 meter rond de vestingen ingetekend. Waar bekend zijn specifieke locaties van offensieve en defensieve structuren en slagen opgenomen.
23 24 25
Van der Kuijl 2018, 14 en AHN 3. Gorkumsmuseum.nl, geschiedenisvanzuidholland.nl (geraadpleegd 18 maart 2020). Gorkumsmuseum.nl, geschiedenisvanzuidholland.nl (geraadpleegd 18 maart 2020).
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[25]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
3.1.3
Tweede Wereldoorlog algemeen
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben zich binnen de huidige gemeente Molenlanden en Gorinchem beperkte oorlogshandelingen voorgedaan. Het gaat hierbij om het vuurbereid maken van Nederlandse artilleriestellingen die onderdeel uitmaakte van de Groep Merwede in het Oostfront van de Vesting Holland. Deze eenheden hebben zich echter teruggetrokken voordat Duitse troepen het gebied konden bereiken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vinden er diverse vliegtuigcrashes plaats in het gebied, waarbij een deel een mogelijke archeologische weerslag heeft. In 1944 en 1945 zijn er door de Duitse bezetter voorbereide stellingen aangelegd langs de Merwede en de Linge. Deze stellingen waren ingericht als opvangstellingen ten behoeve van het afslaan van doorgebroken geallieerde eenheden, en bestonden hoofdzakelijk uit aarden veldstellingen. Al deze fasen hebben hun sporen nagelaten in het landschap en het bodemarchief.
3.1.4
Mobilisatie en de eerste oorlogsdagen in 1940
Mobilisatie Enkele dagen voor de Duitse inval in Polen wordt het evident dat Duitsland zi ch ook opmaakt voor een militair ingrijpen in West-Europa. Nederland kan op dat moment niet meer om het oorlogsgevaar heen en kondigt op 24 augustus 1939 de voormobilisatie aan, waarbij 50.000 man onder de wapenen geroepen worden. Enkele dagen later, op 28 augustus, volgt de algehele mobilisatie. Binnen enkele dagen zijn er 280.000 man in actieve dienst. Omdat Nederland het neutraliteitsprincipe hanteert vinden er in de eerste maanden nauwelijks schietoefeningen plaats. In plaats daarvan wordt er begonnen m et de aanleg en uitbreiding van verdedigingsstellingen die een dreiging vanuit het oosten moeten tegengaan. De verdediging wordt ingericht in een aantal successieve linies, waaronder de Maaslinie, de Peel-Raamstelling, de IJssellinie en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Deze laatste wordt in de mobilisatieperiode uitgebreid en herbewapend. In de directe omgeving van het grondgebied van de huidige gemeenten Molenlanden en Gorinchem worden verdedigingsstellingen aangelegd onder de zogenaamde Groep Merwede van het Oostfront van Vesting Holland. Deze verdedigingssystemen bevinden zich ten oosten van Gorinchem. Ten noorden en westen van de stad worden artilleriestellingen en opvanglinies aangelegd. Voorts vindt er inkwartiering plaats in de militaire gebouwen in de stad. 26
26
NIMH, toeg.nr. 409, inv.nr. 492014 t/m 538003.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[26]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
Figuur 3. Vuurplan van de Groep Merwede, waarop ook vuurstellingen van 1-13 R.A. te zien zijn ten noorden van Gorinchem. Bron kaartmateriaal: NIMH, inv.nr. 409, toeg,nr 493027.
Meidagen 1940 De Tweede Wereldoorlog begint voor Nederland in de vroege ochtend van 10 mei 1940. Tijdens het zorgvuldig voorbereide Fall Gelb overschrijden Duitse troepen de landsgrens en landen parachutisten rond diverse high profile doelen, waaronder vliegveld Waalhaven bij Rotterdam en bij de Moerdijk. Op diverse plekken in het land houden de zwaar onderbewapende en vaak slecht getrainde Nederlandse troepen tijdelijk stand. Als de Duitse opmars bij Rotterdam lijkt te stagneren, besluit de Duitse legerleiding om de stad te bombarderen. Uit vrees voor meer bombardementen gaat de Nederlandse opperbevelhebber, Henri Winkelman, op 15 mei over tot capitulatie. 27 Het gebied tussen de Linge en de Biesbosch was reeds eerder geïnundeerd om een vijandelijke toegang tot het gebied ten westen hiervan te ontzeggen. 28 Tijdens de Duitse inval bevinden zich ten noorden van Gorinchem voorbereide stellingen van de Ie Afdeling van het 13 e Regiment Artillerie (13 R.A.), terwijl er in Gorinchem troepen gelegerd zijn van het 23 e Regiment Infanterie (23 R.I.) en diverse andere artillerie- pantserafweer- en artillerie-eenheden. Ook in Schelluinen, Streefkerk, Brandwijk, Bleskensgraaf, Molenaarsgraaf, Ottoland, Goudriaan, Hoornaar, Noordeloos, Hoogblokland, Arkel, Nieuw-Lekkerland en Oud-Alblas bevinden zich Nederlandse eenheden.
Rond 4.40 op 10 mei 1940 werd er alarm geslagen en begaf de afdeling zich halsoverkop naar de vuurstellingen. Telkens kwamen er meldingen van parachutisten binnen, waarna defensieve stellingen bij de Haarbrug
27 28
NIMH, toeg.nr. 418, inv.nr. 28 t/m 115. NIMH, inv.nr. 409, toeg.nr. 493026.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[27]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
verdedigingsbereid werden gemaakt. Gedurende de dag werden de veldbeddingen voor het geschut van 13 R.A. in staat van gereedheid gebracht. De commandopost van de afdeling werd verplaatst naar een pand aan de Mollenburgseweg 55, boerderij Eijkelenboom. Ook de 27 e Afdeling Artillerie werd hier gevestigd. Op de laagvliegende Duitse toestellen werd herhaaldelijk vuur uitgebracht door de mitrailleur van de afdeling. Hierdoor wordt op 11 mei een Duits toestel neergehaald, dat vlak bij de commandopost neerstort. In de avond van 11 mei krijgt de eenheid bericht dat het moet terugtrekken richting Sleewijk, na verbranding van enkele geheime stukken. De omgeving van Gorinchem bevindt zich op dat moment in de hoogste staat van paraatheid, aangezien er behalve grondtroepen ook landingen van Duitse watervliegtuigen verwacht worden. Deze landingen blijven echter uit, net als een verwachte stellingswissel naar Hoogblokland. In de middag van 13 mei worden de oude stellingen ten noorden van Gorinchem weer bemand. In de middag van 14 mei wor den er duikbombardementen uitgevoerd op de batterijen, die met mitrailleurvuur werden beantwoord. Ook eenheden van de Luchtverdedigingsgroep Gorinchem brengen vuur uit op Duitse toestellen. Deze batterijen staan onder andere opgesteld op de sportvelden van Unitas in de stad.
Later in de avond van 15 mei bereikt het bericht van de capitulatie de Nederlandse troepen rond Gorinchem. 29 Afgezien van het uitbrengen van vuur op vliegtuigen en bombardementen vinden er op het grondgebied van beide huidige gemeenten geen grondgebonden gevechtshandelingen plaats.
3.1.5
Bezetting
Schuilgelegenheden en luchtbescherming Direct na de Duitse inval was er een sterkte toename in geallieerde luchtactiviteit boven het bezette Nederland. Zo vonden er bombardementsvluchten plaats op doelen in Duitsland, en militaire en industriële doelen in Nederland. Daarbij kwamen er met grote regelmaat bommen terecht op Nederlands grondgebied. Derhalve werden de activiteiten van de civiele Luchtbeschermingsdienst (LBD) sterk uitgebreid. In het kader daarvan werden er ook binnen de grenzen van de huidige gemeenten Molenlanden en Gorinchem schuilgelegenheden aangelegd. Zo werden er op het terrein van de fabrieken van staalconstructiebedrijf Vries-Robbé schuilbunkers ingegraven, waarin het personeel van de fabrieken kon schuilen in het geval van een luchtaanval. Voorts bevonden zich in het centrum van Gorinchem diverse grotere civiele schuilgelegenheden. 30
Vliegtuigcrashes Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het luchtruim boven Nederland internsief gebr uikt door overvliegende toestellen van diverse nationaliteiten. In de meidagen van 1940 vonden er diverse luchtgevechten plaats boven Nederland, werden er grote aantallen Duitse toestellen neergehaald door Nederlands afweergeschut en vonden er met grote regelmaat bombardementsvluchten plaats naar diverse doelen, zoals vliegvelden, Nederlandse verdedigingswerken en infrastructuur. Direct na de Duitse inval begonnen de Britten met het uitvoeren van luchtaanvallen op Duitse doelen in Nederland en Duitsland, waarbij de vliegroutes veelal over Nederlands grondgebied lagen. Derhalve is er onder deze vliegroutes een luchtverdedigingssysteem aangebracht ter bestrijding van deze bommenwerpervloten, met name bestaande uit FLAK-batterijen (Flieger Abwehr Kanonen,
29 30
NIMH, inv.nr. 409, toeg.nr. 480040a, 493001, 493016, 446118(a). Brievb.wordpress.com, archeologiegorinchem.com, NA, inv.nr. 409, toeg.nr. 493016.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[28]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
luchtdoelgeschut) en een gordel waarin Duitse jachttoestellen actief waren (zowel tijdens dag - en nachtjacht). Mede als gevolg hiervan zijn er op Nederlands grondgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog duizenden toestellen neergestort. Een deel hiervan is binnen de grenzen van de huidige gemeenten Molenlanden en Gorinchem neergekomen. Op de verwachtingskaart zijn uitsluitend vliegtuigcrashes opgenomen waarvan de locatie van neerstorten met zekerheid kon worden vastgesteld, 31en waarbij verwacht kan worden dat deze c rashes een duidelijke archeologische neerslag kunnen hebben. Zo zijn noodlandingen en toestellen die zijn ontploft in de lucht niet op de verwachtingskaart opgenomen. Hieronder zijn de crashes vermeld die opgenomen zijn op de kaart. 32 datum
type
eenheid
nummer
locatie
11 mei 1940
Heinkel He 111
3. Staffel, Kampfgeschwader 54
3356
Arkel
13 mei 1940
Fokker G-1
4-II 1 e Luchtvaartregiment
315
Nieuw-Lekkerland
27/28 mei 1943
Mosquito B.IV
No. 109 Squadron
DZ432
Bleskensgraaf/Hofwegen 33
11/12 juni 1943
Halifax Mk. II
No. 35 Squadron
JB785
Giessenburg
13/14 juli 1943
Halifax Mk. II
No. 78 Squadron
JB801
Giessenburg
28 juli 1943
Boeing B 17
407 Bomb Squadron
42-3116
Schelluinen 34
21/22 mei 1944
Avro Lancaster Mk III
No. 166 Squadron
ND956
Goudriaan
23 augustus 1944
Messerschmitt Bf 109
9./JG 26
20442
Hoornaar
Tabel 5. Overzicht van op de kaart opgenomen vliegtuigcrashes (waarvan de locatie met zekerheid
vastgesteld kon worden). Een deel van de crashlocaties binnen de huidige gemeentegrenzen zijn voorzien van monumenten of informatiepanelen. Ook werd er in 2015 te Giessenburg een monument onthuld ter nagedachtenis aan alle tijdens de Tweede Wereldoorlog binnen de destijds geldende gemeentegrenzen van Giessenlanden omgekomen bemanningsleden. In totaal worden er middels dit monument veertien omgekomen bemanningsleden herdacht. 35
Luchtdoelartillerie Tijdens de Duitse bezetting worden er rond belangrijke doelen en onder aanvliegroutes naar doelen in Duitsland en Nederland op diverse plekken maatregelen genomen tegen vliegtuigen, waaronder het aanleggen van grote hoeveelheden FLAK-stellingen. Ook in de directe omgeving van Gorinchem worden luchtdoelbatterijen opgesteld, bestaande uit luchtdoelgeschut in het kaliber 2 cm. Deze FLAK werd ingezet tegen laagvliegende toestellen en werden vaak dicht bij potentiele doelwitten geplaatst. In het geval van de luchtdoelartillerie bij Gorinchem gaat het hier zeer waarschijnlijk om de haven en de industrie rond de stad. 36
31
Er is getracht contact op te nemen met diverse lokale locatiedeskundigen, in zoverre mogelijk is deze informatie meegenomen in de afbakening. 32 SGLO crashdatabase, via verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl, crash40 -45.nl, knoxetal.com, stichting-vliegeniesmonumentgiessenlanden-wo2.nl, regionaalarchiefgorinchem.nl, tracesofwar.nl. 33 De crashlocatie van dit toestel is gemarkeerd met een monument. 34 De brokstukken van dit toestel zijn over een groot gebied verspreid. Er is gekozen om de locaties op te nemen waar aantoonbaar aanzienlijke delen zijn neergekomen, namelijk een ball turret en het staartstuk. 35 Stichting-vliegeniesmonument-giessenlanden-wo2.nl (geraadpleegd januari 2021). 36 NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 286.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[29]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
Verdedigingswerken Halverwege de Tweede Wereldoorlog wordt er door de Duitse bezettingsautoriteiten een verdedigingslinie aangelegd die grofweg het traject volgt van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Deze linie, de Hintere Wasserstellung, dient om eventueel vijandelijke doorbraken vanuit het oosten door een successie van andere linies op te vangen. De linie wordt uitgebouwd doormiddel van aarden struct uren, zoals loopgraven, posities voor machinegeweren en geschutstellingen. Wegens een gebrek aan mankracht, materieel en werktuigen is een groot gedeelte van deze linie nooit tot stand gekomen. De verdediging was sterk afhankelijk van het inunderen van geb ieden, vaak volgens het inundatieschema dat voor de oorlog reeds van kracht was. Vanzelfsprekend heeft de linie geen gevechtshandelingen gekend. 37
3.1.6
Frontperiode
Verdedigingswerken langs de Merwede Na de rampzalige terugtocht van Duitse troepen uit Frankrijk wordt er in augustus en september 1944 in allerijl begonnen met de organisatie van de verdediging van Nederland en Duits grondgebied. Halsoverkop worden er eenheden gemobiliseerd in Duitsland, die gaten in de verdediging moeten opvullen langs de grens met België. Tegelijkertijd wordt er begonnen met de aanleg van enkele ad -hoc verdedigings- en opvanglinies in Nederland, met name langs de grote waterwegen. Veel van deze verdedigingslinies kunnen gezien worden als een uitbreiding van de Westwall, langs de we stgrens van Duitsland. Deze linie is gebouwd in de jaren ’30 en 1940, en was in 1944 dermate verouderd dat deze in de diepte moest worden uitgebreid en herbewapend moest worden. Deze herbewapening werd uitgevoerd door Duitse eenheden, dwangarbeiders, Reichsarbeitsdienst, Organisation Todt en Hitler Jugend. Duitse eenheden die aan deze stellingen werkten waren vaak ingericht als Kampfgruppe, wat betekende dat ze behalve een genierol ook een gevechtsrol konden vervullen. Zo kon het voorkomen dat eenheden die stellingen aan het aanleggen waren, tegelijk ingezet werden in gevechtssituaties. Ook ten noorden van de Merwede wordt vanaf 3 september 1944 begonnen met het aanbrengen van veldstellingen en het inrichten van panden als defensieve stelling.
Onder andere d e dijk langs de Merwerde wordt ingebouwd in de zogenaamde Waal-Stellung, die grofweg liep tussen de Moerdijkbruggen en Nijmegen. Het doel hiervan was het ten alle kosten afweren van een vijandelijke aanvalsbeweging vanuit het zuiden. Ten zuiden van Gorinch em werd een bruggenhoofd uitgebouwd. De bouw en bemanning van deze verdedigingswerken tussen het westelijk deel van Gorinchem en Nijmegen viel onder de verantwoordelijkheid van de Führungs- und Ausbildungsstab in die Niederlanden (onder General der Infanterie Hans von Tettau) van de Wehrmachtsbefehlshaber Niederlande, terwijl het gebied ten westen hiervan onder de verantwoordelijkheid viel van Stab zur besonderen Verwendung (Stab z.b.V.) 20. Tijdens de aanleg van de linie waren de verantwoordelijke eenheden, waaronder SS-Unterführerschule Arnheim, tegelijkertijd verantwoordelijk voor het opvangen van eenheden die terugtrokken uit het zuiden, en het houden van toezicht op de uit de burgerbevolking afkomstige dwangarbeiders. Behalve de Waal-Stellung lijkt er in deze periode langs de huidige A27 ook een haakse op de hoofdverdediging liggende verdedigingslinie aangebracht te zijn, een zogenaamde
37
Atlantikwallplatform.eu, Van der Valk 2010.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[30]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
Riegelstellung. In het gebied ten westen van deze Riegelstellung lijken zich enkele antitankversperringen te bevinden, zoals een korte tankgracht die met antit ankwapens gedekt kon worden vanuit achterliggende schuttersputten. Ten zuidwesten van Gorinchem werden op de zuidoever Gefechtsvorposten aangebracht, die vrijwel meteen door Duitse troepen bezet werden, evenals een bruggenhoofd aan de zuidzijde van de rivier ter hoogte van Gorinchem. 38
Figuur 4. ‘Ausfertigung’ van het Generalkommando LXXXVIII A.K betreffende de bezetting van de Waal -Stellung, d.d. 3 september 1944. Bron: Kriegstagebuch LXXXVIII Armeekorps, 1a: Kriegstagebuch Anlagen September 1944, National Archives Washington, 63289/3, roll 1667. .
Inslaglocaties van V-wapens Tijdens de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog zijn er vanaf Nederland en Duitsland grote hoeveelheden V-wapens gelanceerd op stedelijke doelen in België en het Verenigd Koninkrijk. Veel van deze V-wapens haalde vanwege technische mankementen of problemen met de brandstof hun einddoel niet. Derhalve zijn er langs de routes die de wapens af moesten leggen zo’n 2.200 locaties waar V wapens vroegtijdig neergekomen zijn, en vaak tot ontploffing zijn gekomen. Ook binnen de huidige gemeenten Molenlanden en Gorinchem stortten gedurende de laatste oorlogsmaanden drie V1’s neer. 39
3.1.7
Koude Oorlog
Koude Oorlog algemeen Na de val van Nazi-Duitsland vond er een machtsverschuiving plaats binnen Europa, waardoor Rusland en de Verenigde Staten lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. Deze geopolitieke strijd woedde reeds vanaf de jaren ’20 van de 19 e eeuw, maar met het wegvallen van Duitsland als geopolitieke
38
Kriegstagebuch LXXXVIII Armeekorps, 1a: Kriegstagebuch Anlagen September 1944, National Archives W ashington, 63289/3, roll 1667, NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 214, Gerritsen 2018, Kershaw 2008. 39 Vergeltungswaffen.nl.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[31]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
grootmacht en een herverdeling van de invloedssfeer van de Verenigde Staten en Rusland in Europa begon een nieuwe episode. De Sovjet-Unie vergrootte het grondgebied al snel na het einde van de Tweede Wereldoorlog door de Baltische staten en delen van Finland, Polen, Duitsland, Roemenië en Tsjecho-Slowakije bezet te houden en steun te leveren aan de (veelal door hen geïnstalleerde) communistische regimes. Met deze expansie ontstond er in Oost -Europa een zeer sterke grootmacht die een nieuwe dreiging vormde voor West-Europa. De West-Europese landen kwamen veelal in de directe invloedssfeer van de Verenigde Staten te liggen. Deze landen waren nog volop bezig met de wederopbouw en waren hierdoor verdeeld, kwetsbaar en deels afhankelijk van steun van buiten. Er ontstond de noodzaak om passend op deze wederzijdse expansiedrift te reageren. Deze reactie kwam er in de vorm van verschillende (defensie)verdragen en pacten, waaronder de Noord -Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). De verschillende verdragen zorgden er op hun beurt voor dat ook de verschillende communistische regimes een gelijkend pact sloten, het Warschaupact. Er was hiermee een tweedeling in Europa ontstaan die als gevolg van het fundamenteel verschil in ideologie voor een machtsstrijd en onoverkoombaar verschillen tussen beide kampen zou zorgen. De Koude Oorlog was hiermee ingeluid.
Het fragiele machtsevenwicht in Europa werd met name in stand gehouden omdat er sprake was van mutual assured destruction, waarbij zowel NAVO-landen als het Warschaupact beschikte over nucleaire wapensystemen die de vijand zouden kunnen uitschakelen nadat het eigen land getroffen was door een atoomwapen (hetgeen de drempel voor het inzetten van atoomwapens aanzienlijk verhoogd). Ter bestrijding van een eventuele Russische in val werd er door het Nederlandse defensieapparaat ingezet op een grote parate troepenmacht. Het erfgoed van de Koude Oorlog in Nederland kenmerkt zich dan ook door een uitgesproken nadruk op bescherming tegen de uitwerking van atoomwapens en infrastructuur waarin het materieel, materiaal en manschappen van de parate troepenmacht ondergebracht konden worden. 40 Koude Oorlog Molenlanden en Gorinchem Ook in Gorinchem en Molenlanden heeft de Koude Oorlog zijn sporen nagelaten, en vindt met name neerslag in de vestiging van diverse troepenonderkomens en logistieke infrastructuur. Zo bevindt zicht aan de noordoostelijke zijde van de stad Gorinchem een pand dat dienst heeft gedaan als legering voor, onder andere, het 105 e Verbindingsverkenningsbataljon, en als interceptiepost voor het aftappen van radiozenders van het Rode Leger en het peilen van troepenbewegingen aan de andere zijde van de IJzeren Gordijn.
Deze eenheid is ook actief geweest op tal van andere locaties in de stad, zoals op de zolder van de Willemskazerne. 41 Verder worden er aan weerszijde van de Merwede ter hoogte van het huidige Avelingen Oost betonnen pijlers met bijbehorende infrastructuur aangebracht. Daaroverheen wordt een brug aangelegd doormiddel van Baileybrugdelen. Deze brug, die ook civiel word t gebruikt, verliest in 1961 betekenis, maar de brug blijft gehandhaafd voor gebruik in een eventuele militaire noodsituatie. Door middel van deze brug kan een gedegen verbinding tussen de noord - en zuidoever van de Merwede gegarandeerd worden, hetgeen snelle troepenverplaatsingen zou faciliteren. 42
40 41 42
Beekmans & Schilt 1998. Forten.info, wiv2017.nl, 898vbdbat.nl. W ilhelminasluis.nl
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[32]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
4 De landschappelijke ondergrond en het verwachtingsmodel 4.1 Inleiding De bronnenkaart (kaartbijlage 1) geeft een goed beeld van de locaties van de binnen de gemeenten bekende archeologische vindplaatsen. Een dergelijke kaart toont naast vlakken (zoals historische dorpskernen) vooral slechts puntlocaties. Dergelijke puntlocaties geven niet vlakdekkend uitspraken over de te verwachten archeologische waarden op die delen waar (nog) geen archeologische resten zijn waargenomen. Dit is echter wel noodzakelijk om nog onontdekte archeologische vindplaatsen te kunnen beschermen. Hét instrument om de nog niet ontdekte archeologie binnen de gemeenten Gorinchem en Molenlanden niet verloren te laten gaan, is een archeologische ve rwachtingskaart, gekoppeld aan beleid. Een dergelijke kaart geeft door middel van vlakken (verwachtingszones, archeologische monumenten) en symbolen (vindplaatsen) een vlakdekkend beeld van de bekende en de verwachte archeologische waarden binnen beide gem eenten. Voor de totstandkoming van een dergelijke verwachtingskaart is gebruik gemaakt van een verwachtingsmodel. Er bestaan drie typen modellen. Een model dat is gebaseerd op kwantitatieve gegevens wordt een inductief model genoemd. Er bestaan ook modelle n waarbij gebruik gemaakt wordt van een hypothetische benadering (een zogenaamd deductief model). Het derde type model betreft het hybride-model.
Een dergelijk model maakt gebruik van zowel inductieve als deductieve data. In de praktijk wordt bij veel archeologische verwachtingsmodellen gebruik gemaakt van een hybride -model. Zo ook het model waarop de verwachtingskaart voor de gemeenten Gorinchem en Molenlanden is gebaseerd. In dit hoofdstuk zullen de verschillende landschappelijke eenheden worden besproke n. Tevens zal het gebruikte model worden behandeld. Tot slot zal het eindresultaat, namelijk de verwachtingskaart, kort worden besproken. Ook wordt ingegaan op de beperkingen van een archeologische verwachtingskaart.
4.2 Landschappelijke achtergrond Het natuurlijke landschap van de gemeenten wordt gekenmerkt door een complex stelsel van voormalige actieve rivierlopen van de Rijn die hier gedurende duizenden jaren actief zijn geweest. Al tienduizenden jaren stroomt deze rivier door het landschap van de gemeenten. De grote hoeveelheden klei en zand die de Rijn gedurende deze honderden eeuwen meenam en hier heeft achtergelaten hebben het landschap danig veranderd en opgehoogd. In de laatste ijstijd, 75.000-15.000 jaar geleden, bracht stromende water eerst grof zand en grind. Daarna, tot rond 8000 jaar geleden, volgden de rivieren diep ingesleten dalen omgeven door oude terrassen. In deze dalen werden door de Rijn dikke pakketten zand en klei achtergelaten. Toen het tegen het einde van de ijstijd warmer werd smolten de reusachtige ijsmassa’s. De enorme hoeveelheid smeltwater deed de zeespiegel stijgen, waardoor de Noordzeekust steeds verder landinwaarts werd gedrongen. Mede hierdoor raakten de oude rivierdalen langzaam opgevuld met klei en zand.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[33]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
Figuur 5. Geomorfologie van een meanderende rivier. Bij hoog water legt de rivier dunne laagjes zand en klei op het omringende landschap neer die mettertijd lage ruggetjes of oeverwallen vormen. Op de oeverwallen aan de buitenbochten (oe ver-op-kom) ontstaan bij hoogwater doorbraakgeulen en doorbraakwaaiers (crevassen). De crevassen voeren het water de lager gelegen kom in en kunnen zich ontwikkelen tot miniatuur-rivieren, die hun eigen oeverwalletjes vormen. Door de hoeveelheid water in de rivierbedding, de stroomsnelheid en de meegevoerde zand - en kleideeltjes gaan rivieren soms kronkelen (meanderen). Door erosie van de uitenbochtoever en het neerleggen van zand in de binnenbocht, verplaatsen de meanderbochten zich buitenwaarts en stroomafwaarts. Zo ontstaan kronkelwaarden (met kronkelwaardruggen en kronkelwaardgeulen). Het kronkelen gaat net zolang door totdat de rivier de eigen bocht kan afsnijden. De geulen van de afgesneden bochten worden daarna geleidelijk opgevuld met klei (verlanden ) en worden restgeulen genoemd. In de restgeulen kunnen meren met stilstaand water en veen ontstaan (hoefijzermeren). Dit vanuit de rivier gevormde landschap wordt door geologen aangeduid met het verzamelbegrip stroomgordel (of stroomrug).
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[34]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
Na 8000 jaar geleden was van het oude terrassenlandschap niet veel meer zichtbaar. Er restte een door klei en veen uitgevlakt landschap waar de rivieren frank en vrij doorheen konden stromen. Bij elk hoog water lieten ze dunne laagjes zand en klei op hun oevers achter. U it al die opgestapelde laagjes ontstonden langgerekte en hoger gelegen ruggen in het verder natte en moerassige rivierenlandschap (figuur 5). Deze hoger gelegen gronden waren gewilde locaties om te wonen. Er kwamen weinig overstromingen voor en de zandige kleibodems waren goed te bewerken en zeer vruchtbaar. De rivieren zelf boden voedsel in de vorm van vis en gevogelte, en vormden bevaarbare routes door het grotendeels ontoegankelijke moeras. Elke zoveel eeuwen verlegden de rivieren hun loop, en zo is er op verschillende diepten een hele kluwen aan oude verlaten rivierlopen in de bodem achtergebleven ( figuur 6). Ze zijn te herkennen aan lange linten met rivierzand (de zandbanen) en zandige klei in de ondergrond en worden stroomgordels genoemd. Van de meesten is vrij precies bekend wanneer ze bestond en en wanneer ze in onbruik raakten. Als vuistregel geldt: hoe dieper ze in de ondergrond worden teruggevonden, hoe ouder ze zijn.
Figuur 6. Schematische lithogenetische doorsnede door het centrale rivierengebied met enkele ge hanteerde begrippen, de relatieve fasering van afzettingen (A t/m E) en een indicatie van potentiële archeologische niveaus. Riviersysteem C heeft tevens crevassegeulen gevormd. Riviersysteem D heeft alleen oeverafzettingen (oeverwal) achtergelaten.
De Alblasserwaard en Vijfheerenlanden kenmerken zich daarnaast door de aanwezigheid van donken en betreffen laatpleistocene rivierduinen. Hoewel in de loop van het Holoceen meters sediment zijn afgezet en de lagere rivierduinen inmiddels geheel zijn afgedekt doo r deze holocene afzettingen,
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[35]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
steken op diverse plaatsen in het gebied tot op de dag van vandaag enkele rivierduinen boven het omliggende landschap uit. Deze opduikingen worden donken genoemd. Diverse dorpen zoals Hoornaar zijn ontstaan op de donken, maar gezien de hogere ligging waren deze donken al millennia lang zeer geschikte locaties voor bewoning. Het landschap van de gemeenten laat dus niet alleen in het platte vlak een wirwar van oude rivierlopen zien. Ook in de diepte stapelen de opeenvolgende rivi erlandschappen zich op. In al die bodemlagen is de ontstaansgeschiedenis van het gebied als het ware vastgelegd. Ook de resten van huizen, stallen, begravingen en huisraad van de vroegere bewoners zijn in die lagen bewaard gebleven. Zodoende bezitten de gemeenten een rijk en zeer divers bodemarchief.
4.3 De landschappelijke eenhedenkaart De gemeenten Gorinchem en Molenlanden behoren op basis van geogenese, geomorfologie en bodemgesteldheid tot het zogenaamde rivierenlandschap. Dit landschap heeft haar eigen ka rakter en ontstaansgeschiedenis. Het landschap is vervolgens opgedeeld in verschillende landschappelijke eenheden. In totaal zijn zo 22 landschappelijke eenheden onderscheiden. In de nu volgende paragraaf zullen de landschappen kort worden besproken. De bewoningsgeschiedenis binnen het grondgebied van de gemeenten Gorinchem en Molenlanden is in hoge mate gerelateerd aan de landschapsgenese van de ondergrond binnen de onderzoeksregio. 43 De regio maakt deel uit van het westelijke deel van het rivierengebied. D it gebied wordt ook wel aangeduid als perimarien gebied. De afzettingen binnen het gebied zijn echter overwegend van fluviatiele origine. De landschapsgenese is sterk beïnvloed door de stijgende zeespiegel, hetgeen resulteerde in een tot 10 meter dik sedimentpakket daterend in het Holoceen. Kenmerkend zijn de grote komgebieden en dikke veenpakketten. 44 Het gebied is een uitgestrekt reliëfarm komgebied dat in het noorden begrensd wordt door de rivier de Lek en in het zuiden door de Beneden-Merwede. De bovengrond bestaat voornamelijk uit veen afgedekt door een dunne kleilaag.
Om die reden wordt de grondwaterspiegel kunstmatig hoog gehouden om de toenemende mate van klink te beperken. Het voornamelijk vlakke landschap kent enkele hogere geomorfologische eenhede n. Lokaal zijn binnen het landschap geïsoleerd liggende, enkele meter hoge heuvels zichtbaar. Deze verhogingen in het landschap, de zogenaamde donken, zijn de toppen van de aan het einde van de laatste ijstijd (circa 11.000 jaar geleden) gevormde rivierduinen. De donken zijn slechts ten dele afgedekt door jongere afzettingen. Dieper in de ondergrond binnen de regio komen rivierduinen voor die volledig afgedekt zijn met meters dikke jongere afzettingen en die dus niet als zodanig in het hedendaagse landschap zijn te herkennen. Naast de rivierduinen hebben de stroomruggen en de bijbehorende oeverwallen een belangrijke rol gespeeld in de occupatiegeschiedenis van de onderzoeksregio. Deze stroomruggen, voormalige rivierlopen, zijn opgebouwd uit zand en zavel. Hu n relatief hogere ligging (enige decimeters tot één meter hoger dan omliggende delen) in het landschap is het gevolg van inklinking van klei en veen in de
43
Dit geldt met name voor de vroegste bewoningsfasen. Vanaf de bedijking in de middeleeuwen gaan door de mens gecreëerde woonomstandigheden gelden (Koorevaar 2000). 44 Mol 2001a & b.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[36]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
omringende komgebieden, terwijl de zandige ruggen niet inklonken. Evenals de rivierduinen vormden zij door hun hogere en drogere ligging aantrekkelijke occupatieplaatsen. Al met al zijn binnen de grenzen van beide gemeenten de volgende eenheden onderscheiden; •
donk (dagzomend)
•
donk (dieper gelegen)
•
stroomgordel op (dieper gelegen) donk
•
stroomgordel (oeverzone) op (dieper gelegen) donk
•
crevasse op stroomgordel op (dieper gelegen) donk
•
crevasse op stroomgordel (oeverzone) op (dieper gelegen) donk
•
crevasse op (dieper gelegen) donk
•
veenstroom op (dieper gelegen) donk
•
veenstroom (oeverzone) op (dieper gelegen) donk
•
crevasse op veenstroom op (dieper gelegen) donk
•
crevasse op veenstroom (oeverzone) op (dieper gelegen) donk
•
stroomgordel
•
stroomgordel (oeverzone)
•
crevasse op stroomgordel
•
crevasse op stroomgordel (oeverzone)
•
veenstroom
•
veenstroom (oeverzone)
•
crevasse op veenstroom
•
crevasse op veenstroom (oeverzone)
•
crevasse
•
komgebied
•
water
4.4 Aanpassing geomorfogenetische grenzen Door het invoegen van de GIS-gegevens behorende bij de vernieuwde paleogeografische kaart van het Nederlandse rivierengebied (Cohen e.a. 2012) is op verschillende plaatsen de grens van landschappelijke eenheden aangepast. Met name de begrenzing van een aantal meandergordels (de zandbanen/het beddingzand van fossiele rivierlopen, zie tabel 6. Naam, nummer en begin- en eindfasedatering van fossiele riviersystemen die binnen de gemeenten actief zijn geweest (bron: Cohen e.a. 2012).) is al dan niet ingrijpend gewijzigd.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[37]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
begin ID
stroomgordelnaam
datering (14C BP)
begin
eind datering
eind
periode
(14C BP)
periode
5
Alblas
1700
ROMLA
700
LMEB
20
Bleskensgraaf
5350±50
NEOVB
4082
NEOLA
52
Gorkum-Arkel
6515±50
MESOL
5590±70
NEOVB
89
Langerak
5345±45
NEOVB
4082±36
NEOLA
91
Lek
1950±30
IJZL
1050 n.Chr.
LMEA
96
Liesveld
4870±40
NEOMA
4500
NEOMB
97
Linge
2160±60
IJZM
1307 n.Chr.
LMEA
97
oever Linge
2160±60
IJZM
1307 n.Chr.
LMEA
120
Nieuwland
7370±100
MESOL
6060±80
NEOVB
130
Oud-Alblas
2200
IJZM
1700
ROMLB
140
Papendrecht
2500
IJZV
1700
ROMLB
142
Pinkenveer
7370±100
MESOL
6060±80
NEOVB
150
Schaik
5285±50
NEOVB
4240±50
NEOLA
151
Schoonhoven
4920±35
NEOMA
3920±60
NEOLB
152
Schoonrewoerd
4520±60
NEOMB
3700±60
BRONSV
158
Spijk
2510±50
IJZV
2200
IJZL
171
Vuilendam
7370±100
MESOL
6270±85
NEOVA
172
Vuren
5788±50
NEOVB
5360±120
NEOMA
186
Wijngaarden
6515
MESOL
5590±70
NEOVB
301
Lek uiterwaarden
1950±30
IJZL
nu nog actief
NTC
303
Waal-Merwede uiterwaarden
1625
ROMLB
nu nog actief
NTC
307
(oer) Waal
2071±44
IJZL
nu nog actief
NTC
407
Giessen
2258
IJZM
890
LMEA
411
Kromme Giessen
2258
IJZM
890
LMEA
422
Zederik
2105
IJZL
850
LMEA
Tabel 6. Naam, nummer en begin- en eindfasedatering van fossiele riviersystemen die binnen de gemeenten actief zijn geweest (bron: Cohen e.a. 2012).
4.5 Het verwachtingsmodel Voor het verwachtingsmodel is gebruik gemaakt van algemeen geaccepteerde aannamen met betrekking tot locatiekeuzefactoren binnen het rivierengebied van Nederland. Deze kennis over (pre)historische locatiekeuze factoren is deductief. Daarnaast is echter ook gebruik gemaakt van analyses van de bekende waarnemingen binnen het grondgebied van de gemeenten Gorinchem en Molenlanden in relatie tot de landschappelijke ligging van deze waarnemingen. Dit betreft inductieve informatie. In het geval van de gemeenten Gorinchem en Molenlande n is het inductieve model goed toepasbaar, aangezien er 1047 vindplaatsen zijn geïdentificeerd (zie paragraaf 2.4.1). De statistische onderbouwing is derhalve goed. Toch kleven er bezwaren aan deze laatste methode. Zo kan worden afgevraagd of de huidige verspreiding van de waarnemingen daadwerkelijk representatief is voor de werkelijke verspreiding. Veel van de vondsten binnen beide gemeenten zijn namelijk op of vlak onder
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[38]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
het maaiveld aangetroffen (bijvoorbeeld op geploegde akkers). Geploegde akker zijn de locaties voor amateurarcheologen om een oppervlaktekartering uit te voeren. Veel van het (prehistorische) archeologische erfgoed binnen beide gemeenten bevindt zich op wat grotere diepten. Dergelijke vindplaatsen zullen alleen bij gravend onderzoek worden aangetroffen, wat het voor amateurarcheologen al veel moeilijker maakt dergelijke oudere vindplaatsen te lokaliseren. Het lokaliseren van dergelijke prehistorische vindplaatsen is dan ook afhankelijk van professioneel onderzoek, waarbij de bodem dan ook nog eens tot grotere diepte onderzocht dient te worden. 45 Dit betekent dat het aantal tot op heden bekende prehistorische vindplaatsen zeer waarschijnlijk ondervertegenwoordigd is. Zoals in paragraaf 4.3 is beschreven, is het landschap binnen de gemeenten Gorinchem en Molenlanden onder te verdelen in 22 landschappelijke eenheden. Er is bij de analyse gekeken naar de verdeling van de waarnemingen over deze verschillende eenheden. Om vervolgens tot een verwachting te kunnen komen, is een model gebruikt waarin het percentage waarnemingen in ee n bepaalde landschappelijke eenheid is vergeleken met het percentage van die eenheid binnen het onderzoeksgebied.
Het uitgangspunt hierbij is dat een bepaalde landschappelijke eenheid een hoge waardering krijgt wanneer er meer waarnemingen in die eenheid a anwezig zijn dan op basis van een evenredige verdeling over de verschillende landschappelijke eenheden verwacht mag worden. Indien er minder waarnemingen aanwezig zijn, scoort de eenheid laag. De richtlijn hierbij is dat wanneer het verschil in percentages (waarneming-oppervlakte landschappelijke eenheid) kleiner is dan 0, de betreffende eenheid een lage waardering krijgt. Indien de waarde tussen 0 – 5 ligt, scoort de eenheid middelhoog en bij een waarde groter dan 5 heeft de landschappelijke eenheid een ho ge waardering. Naast deze inductieve waardering is op basis van regionale kennis tevens een deductieve waardering aan de landschappelijke eenheden toegekend. Uiteindelijk is op basis van de inductieve en deductieve gegevens een uiteindelijke verwachting uitgesproken. In tabel 7 is een voorbeeld weergegeven van deze werkwijze voor het neolithicum. Op bovenstaande wijze zijn analyses uitgevoerd voor het totale aantal waarnemingen en voor de waarnemingen per periode. Het beeld dat hieruit naar voren komt, toont een vestigingsvoorkeur voor verschillende landschappelijke eenheden door de tijd heen.
In tabel 8 zijn de uitkomsten van alle analyses met betrekking tot de relatie waarneminglandschappelijke eenheden uiteengezet. Door de verschillende toegekende waarden per landschappelijke eenheid door de tijd heen naast elkaar te zetten is gekomen tot een uiteindelijke waardering per landschappelijke eenheid. Deze is naast de inductieve data ook op deductieve informatie gebaseerd.
45
Dit is afhankelijk van de verstoringsdiepte. De verstoringsdiepte is vaak minder groot dan het niveau waarop prehistorische vindplaatsen aanwezig kunnen zijn.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[39]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
aantal
% vindplaatsen
% landschappelijke eenheid
verschil
verwachting inductief
verwachting deductief
verwachting
vindplaatsen
veenstroom op (dieper gelegen) donk
1
1,8
0,9
0,9
M
M
M
veenstroom (oeverzone) op (dieper gelegen) donk
0
0,0
0,3
-0,3
L
M
M
veenstroom (oeverzone)
1
1,8
0,4
1,4
M
M
M
veenstroom
0
0,0
0,9
-0,9
L
M
M
stroomgordel
20
36,4
15,6
20,8
H
H
H
stroomgordel (oeverzone)
6
10,9
7,7
3,2
M
M
M
stroomgordel (oeverzone) op (dieper gelegen) donk
1
1,8
1,3
0,5
M
M
M
stroomgordel op (dieper gelegen) donk
0
0,0
2,0
-2,0
L
H
H
komgebied
7
12,7
43,8
-31,1
L
L
L
donk (dagzomend)
8
14,6
1,5
13,1
H
H
H
donk (dieper gelegen)
7
12,7
10,4
2,3
M
M
M
crevasse op veenstroom op (dieper gelegen) donk
0
0,0
0,1
-0,1
L
M
M
crevasse op veenstroom (oeverzone) op (dieper gelegen) donk
0
0,0
0,02
-0,02
L
M
M
crevasse op veenstroom (oeverzone)
0
0,0
0,1
-0,1
L
M
M
crevasse op veenstroom
0
0,0
0,02
-0,02
L
M
M
crevasse op stroomgordel op (dieper gelegen) donk
0
0,0
0,6
-0,6
L
M
M
crevasse op stroomgordel (oeverzone) op (dieper gelegen) donk
0
0,0
0,02
-0,02
L
M
M
crevasse op stroomgordel
0
0,0
1,0
-1,0
L
M
M
crevasse op stroomgordel (oeverzone)
0
0,0
1,2
-1,2
L
M
M
crevasse op (dieper gelegen) donk
3
5,6
2,8
2,8
M
M
M
crevasse
1
1,8
6,4
-4,6
L
M
M
water
0
0,0
3,1
-3,1
L
L
L
Landschappelijke eenheid
Tabel 7. Verwachting per landschappelijke eenheid. H = hoog, M = middelhoog, L = laag
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[40]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
paleolithicum
mesolithicum
neolithicum
bronstijd
ijzertijd
Romeinse tijd
middeleeuwen
nieuwe tijd
alle waarnemingen
toegekende verwachting 46
veenstroom op (dieper gelegen) donk
L
L
M
M
M
M
H
H
H
H
veenstroom (oeverzone) op (dieper gelegen) donk
L
L
M
M
M
M
H
H
H
H
veenstroom (oeverzone)
L
L
M
M
M
M
H
H
H
H
veenstroom
L
L
M
M
M
M
H
H
H
H
stroomgordel
L
M
H
H
H
H
H
H
H
H
stroomgordel (oeverzone)
L
M
M
H
H
M
H
H
H
H
stroomgordel (oeverzone) op (dieper gelegen) donk
L
M
M
H
H
M
H
H
H
H
stroomgordel op (dieper gelegen) donk
L
M
H
H
H
H
H
H
H
H
komgebied
L
L
L
L
L
L
L
L
L
L
donk (dagzomend)
H
H
H
H
H
M
M
M
M
H
donk (dieper gelegen)
H
H
M
M
L
L
L
L
L
H
crevasse op veenstroom op (dieper gelegen) donk
L
L
M
M
M
M
M
M
M
M
crevasse op veenstroom (oeverzone) op (dieper gelegen) donk
L
L
M
M
M
M
M
M
M
M
crevasse op veenstroom (oeverzone)
L
L
M
M
M
M
M
M
M
M
crevasse op veenstroom
L
L
M
M
M
M
M
M
M
M
crevasse op stroomgordel op (dieper gelegen) donk
L
M
M
M
M
M
M
M
M
M
crevasse op stroomgordel (oeverzone) op (dieper gelegen) donk
L
M
M
M
M
M
M
M
M
M
crevasse op stroomgordel
L
M
M
M
M
M
M
M
M
M
crevasse op stroomgordel (oeverzone)
L
M
M
M
M
M
M
M
M
M
crevasse op (dieper gelegen) donk
L
M
M
M
M
M
M
M
M
M
crevasse
L
M
M
M
M
M
M
M
M
M
water
L
L
L
L
L
L
L
L
L
L
landschappelijke eenheid
Tabel 8. Verwachting per landschappelijke eenheid per archeologische periode. H = hoog, M = middelhoog, L = laag..
46 Gebaseerd op zowel inductieve als deductieve informatie.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[41]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
4.6 De gaafheid van vindplaatsen Er zijn verschillende factoren die van invloed zijn op de conditie waarin een eventuele vindplaats zich bevindt. Het betreft de aard van de archeologische resten, de verwering van archeologische resten en de aanwezigheid van bebouwing.
De aard van archeologische resten Bij archeologische vindplaatsen kan onderscheid gemaakt worden tussen vindplaatsen waar tevens grondsporen zijn aangetroffen en vindplaatsen waarbij alleen vondsten (mobilia) zijn aangetroffen. De laatste groep betreft voornamelijk vuursteen-vindplaatsen van rondtrekkende jagers/verzamelaars uit de steentijden. Vindplaatsen uit deze groep zijn gevoelig voor verstoringen, aangezien de archeologische indicatoren vrij makkelijk kunnen worden verplaatst door ploegwerkzaamheden. Wanneer dat gebeurt, verdwijnt informatie over de interne structuur van de vindplaats en is de informatieve waarde van de vindplaats afgenomen. Binnen het grondgebied van de gemeenten Gorinchem en Molenlanden is kans op dergelijke waardevermindering overigens minde r groot. De stroomgordels waarop dergelijke oude vindplaatsen aanwezig kunnen zijn, bevinden zich veelal op wat grotere diepte omdat ze zijn afgedekt met jongere sedimenten. Dit geldt overigens n iet voor de dagzomende donken. In het geval van een vindplaats waar tevens grondsporen zijn aangetroffen, betreft het voornamelijk resten van de meer plaatsgebonden (landbouwende) culturen vanaf het neolithicum. Dergelijke vindplaatsen zijn minder gevoelig voor verstoringen, aangezien naast mobilia ook nog grondspor en aanwezig zijn. Hierbij is de diepte van de grondsporen uiteraard wel van belang.
De grondsporen van de vroege landbouwers (neolithicum – ijzertijd) zijn over het algemeen minder diep en daarmee gevoeliger voor erosie/verstoring dan grondsporen uit later e tijden, aangezien de funderingen en (afval)kuilen in die perioden veelal dieper werden ingegraven.
Verwering Sommige archeologische vindplaatsen zijn gevoeliger voor erosie dan andere. Dit hangt niet alleen samen met de aard van de archeologische resten en de diepte van de grondsporen, maar ook met de verweringsgevoeligheid van het materiaal waaruit de vondsten bestaan. Van organisch materiaal blijft in die delen van het landschap die boven de grondwatersp iegel gelegen zijn niets over. Steenbouw is veel beter bestand tegen erosie dan bijvoorbeeld leembouw of een verspreiding van vuurstenen artefacten. Vuurstenen artefacten zijn op hun beurt echter weer beter bestand tegen verwering dan zacht gebakken aardewerk en andere sterk vergankelijke materialen. Zur e regen, landbouwactiviteiten en vorst kunnen dergelijk materiaal aantasten en zelfs volledig opruimen. Prehistorisch aardewerk is over het algemeen zacht gebakken. Dit kan een oorzaak zijn van het feit dat binnen de gemeente relatief weinig prehistorisch aardewerk is aangetroffen. Voor de steentijdvindplaatsen vormt dit in mindere mate een belemmering dan voor vindplaatsen uit de bronstijd en de ijzertijd. Er werd immers veel gebruik gemaakt van vuursteen. Het gebruik van vuursteen nam in de metaaltijden e chter sterk af.
Het kan derhalve voorkomen dat mobilia behorende tot vindplaatsen uit de metaaltijden geheel zijn verdwenen, waardoor een dergelijke vindplaats zo goed als onvindbaar is geworden (grondsporen worden bij oppervlaktekarteringen en/of booronderzoeken niet of nauwelijks aangetroffen). Ook van metaal gemaakte artefacten zijn gevoelig voor verwering. Zo is het gebruik van drijfmest (gier) vanwege de hoge zuurgraad zeer schadelijk voor metalen voorwerpen.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[42]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
Bebouwing Ook de huidige bebouwing binnen de gemeenten Gorinchem en Molenlanden is van invloed op de gaafheid van eventuele archeologische vindplaatsen. Bebouwing kan namelijk zowel verstorend als beschermend werken. Bij moderne bouwwerkzaamheden 47 is het gebruikelijk om het gehele oppervlak van de nieuwbouw te funderen. Hierbij wordt veelal de toplaag van de bodem afgegraven. Indien op een dergelijke nieuwbouwlocatie geen moderne ophooglaag is aangebracht, dan is het goed mogelijk dat indien zich ter plaatse een archeologische vindplaats bevindt, d eze zal worden verstoord. Zeker indien ook kelders zijn aangelegd. Bebouwing kan echter ook een beschermende werking hebben. Zo werden bij ‘nieuwbouw’ daterend uit de periode voor 1950 veelal alleen de muren gefundeerd. Verstoring van eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen onder dergelijke bebouwing is minimaal (tenzij ook hier sprake is van de aanleg van kelders). Het is derhalve niet zo dat gebieden waar bebouwing aanwezig is per definitie een lage trefkans op archeologie hebben. Binnen de historische kernen kunnen in potentie juist veel vindplaatsen aanwezig zijn, grotendeels onder bestaande bebouwing.
4.7 De verwachtingskaart De archeologische verwachtingskaart (kaartbijlage 4) is het resultaat van het samenvoegen van de onderscheiden landschappelijke eenheden en de koppeling van de archeologische verwachting aan die eenheden op basis van het in paragraaf 4.5 beschreven model. Het resultaat is een vlakdekkend beeld van de verwachte archeologische waarden binnen de gemeenten Gorinchem en Molenlanden, onderverdeeld in verscheidene waarden- en verwachtingszones. De archeologische waarden bestaan uit: -
Archeologische rijksmonumenten
-
Terreinen met een bepaalde archeologische waarde (overige AMK-terreinen)
-
(potentieel) gemeentelijke archeologische monumenten
De archeologische verwachtingszones zijn gebaseerd op het ontwikkelde ver wachtingsmodel. In totaal zijn 16 zones te onderscheiden (onderverdeeld in 6 groepen) die samen een vlakdekkend kaartbeeld vormen. Hierbij is vanwege het gestapelde karakter van het landschap onderscheid te maken in verwachtingszones voor verschillende perioden:
Specifieke verwachting voor vindplaatsen uit de Romeinse tijd -
Zones met een (zeer) hoge verwachting
Specifieke verwachting voor vindplaatsen uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd
47
-
Zones met een (zeer) hoge verwachting (extra beschermingsregimes)
-
Zones met een (zeer) hoge verwachting
-
Zones met een middelmatige verwachting
Met moderne nieuwbouw wordt de periode vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw bedoeld.
RAAP-rapport 5350 / BAAC rapport V-19.0218 versie 15-10-2021
[43]
Archeologie in de gemeenten Gorinchem en Molenlanden ; actualisatie archeologische verwachtings en beleidskaart.
Specifieke verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie tot middeleeuwen -
Zones met een zeer hoge verwachting
-
Zones met een hoge verwachting op of nabij het oppervlak
-
Zones met een hoge verwachting tussen 1,5 en 5,0 meter beneden maaiveld
-
Zones met een hoge verwachting dieper dan 1,5 meter beneden maai veld
-
Zones met een hoge verwachting dieper dan 5 meter beneden maaiveld
-
Zones met een middelmatige verwachting
Alle perioden -
Zones met een lage verwachting
Specifieke verwachting voor watergerelateerde vindplaatsen -
Zones met een hoge verwachting op bijzondere dataset (grachten)
-
Zones met een middelhoge verwachting op bijzondere dataset
-
Zones zonder verwachting
Specifieke verwachting voor vindplaatsen gerelateerd aan het militair erfgoed -
Zones met een zeer hoge verwachting (crashsite vliegtuig)
-
Zones met een zeer hoge verwachting
Bij zones met een (zeer) hoge archeologische verwachting gaat het om terreinen, waar op basis van het gebruikte model een grote kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten. Ook terreinen waarvan op basis van het model en vondsten in de nabije omgeving (vrijwel) vaststaat dat zich archeologische resten in de ondergrond bevinden, vallen onder deze verwachting, waarbi j onderscheid is gemaakt in gebieden met een zeer hoge verwachting. Bij zones met een middelhoge archeologische verwachting betreft het gebieden met een middelhoge kans op het aantreffen van archeologische resten. Dit soort terreinen zijn op basis van het model minder gunstig gelegen voor bewoning dan de terreinen met een hoge verwachting, maar gunstiger dan de terreinen met een lage verwachting. Veelal betreft het overgangszones tussen gebieden met een hoge en een lage verwachting. Ter plaatse van zones met een lage archeologische verwachting heerst een kleine kans op het aantreffen van archeologische resten. Dergelijke terreinen waren bijvoorbeeld te nat, of bevinden zich op te grote afstand van water om geschikt te zijn voor menselijke bewoning. De aanw ezigheid van vindplaatsen kan niet geheel worden uitgesloten, maar de kans dat zich hier archeologische resten in de bodem bevinden wordt zeer gering geacht. Daarnaast zijn middels enkele arceringen attentiegebieden op de kaart weergegeven.