CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

211111 B&A Gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan Lingsesdijk 45, 45a en 45b - Toelichting bestemmingsplan.pdf

Parallelsessie raadzaal 11 november 2021, gemeente GorinchemBij agendapunt: I&O/B&A Bestemmingsplan Lingsesdijk 45, 45a en 45b13.466 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het huidige watersysteem vereist aanpassingen om de effecten klimaatverandering, de toenemende druk op de beschikbare ruimte, de bescherming tegen overstromingen, de chemische en ecologische toestand van grond- en oppervlaktewater en de toenemende vraag naar kwalitatief hoogwaardig zoet water en conflicterende belangen van watergebruikers de baas te blijven. Dit alles leidt tot vier kernopgaven voor de provincie Zuid-Holland: • Waarborgen waterveiligheid; • Realiseren mooi en schoon water; • Ontwikkelen duurzame (zoet)watervoorziening; • Realiseren robuust & veerkrachtig watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.

Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen. Waterplan Gorinchem De gemeente Gorinchem en het waterschap Rivierenland hebben in 2006 gezamenlijk een waterplan opgesteld voor Gorinchem. De doelstelling van het waterplan is enerzijds het ontwikkelen van een visie op het stedelijk water en anderzijds het realiseren van een gezond en veilig functionerend watersysteem, waardoor duurzaam en evenwichtig gebruik mogelijk is en het beeld van Gorinchem als waterstad wordt versterkt.

28

De kern van het waterplan bestaat uit het ontwikkelen van een visie waarin de wensen ten aanzien van het functioneren van het watersysteem zijn verwoord. Deze visie bestaat uit drie thema’s: •

Thema 1: Water en kwantiteit: Het op orde houden van het watersysteem (voorkomen wateroverlast). Neerslagwater wordt zoveel mogelijk in het systeem vastgehouden of geborgen en aanvoer van gebiedsvreemd water moet worden beperkt.

•

Thema 2: Natuur, ecologie en waterkwaliteit: Schoon water en een schone waterbodem met verwaarloosbare risico´s voor het aquatischecologisch functioneren van het ecosysteem.

•

Thema 3: Water en ruimte: De rol van water als sturend element voor de ruimtelijke inrichting.

Nieuwe ruimtelijke plannen dienen te passen binnen de lange termijnvisie van het Waterplan Gorinchem. Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en B-watergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20190506-9-20506). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied TLW051. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -0,8 m NAP en een winterpeil van -1,0 m NAP.

Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

29

Plangebied

Afbeelding 15: Uitsnede peilgebiedenkaart

Watergangen Het plangebied ligt ingeklemd tussen de A-watergangen 002725, 075964 en 329422. De A-watergangen 075964 en 329422 zijn middels een duiker in de zuidoosthoek van het plangebied op elkaar aangesloten. Deze duiker verkeert in een slechte staat en zit regelmatig verstopt. In overleg met het waterschap Rivierenland is besloten om deze duiker te verwijderen. Aan de westzijde van het plangebied wordt een nieuwe watergang gegraven waarmee de A-watergangen 075964 en 002725 met elkaar worden verbonden. De nieuwe watergang is bestemd als ‘Water’. De nieuwe watergang wordt middels een duiker aangesloten op de A-watergang aan de zuidzijde van het plangebied (075964). De nieuwe duiker is op de verbeelding van het bestemmingsplan specifiek bestemd middels de functieaanduiding ‘specifieke vorm van water – duiker’. De A-watergang binnen het plangebied (aan de zuidzijde van het plangebied) is op de verbeelding van het bestemmingsplan bestemd als ‘Water’. Voor het verwijderen/plaatsen van de duiker en het graven van oppervlaktewater dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland, evenals voor het benodigde peilregulerende kunstwerk. De nieuwe woningen worden buiten de beschermingszone van de A-watergangen gerealiseerd. De sloopwerkzaamheden vallen wel deels binnen de beschermingszones van de A-watergangen.

Voor de sloopwerkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland. A-watergang 002725

A-watergang 329422

A-watergang 075964 Duiker Afbeelding 16: Uitsnede legger wateren

30

Nieuwe watergang

Nieuwe duiker

Te verwijderen duiker

Afbeelding 17: Nieuwe situatie

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlakte water worden afgevoerd, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaand verhard oppervlak (bebouwing, bestrating e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het stedelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik gemaakt worden van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2.

Woning Lingsesdijk 45a Bedrijfsloods

Woning Lingsesdijk 45 (met bijgebouwen)

Opstallen Lingsesdijk 45b

Afbeelding 18: Bestaande situatie

31

Tabel 2: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Woning Lingsesdijk 45 (incl. bijgebouwen) Woning Lingsesdijk 45a Opstallen Lingsesdijk 45b Bedrijfsloods Toegangsweg Terreinverharding (puin) Totaal bestaande situatie

Oppervlakte 100 m2 170 m2 165 m2 470 m2 375 m2 750 m2 2.030 m2

Nieuwe situatie Bouwperceel Vrijstaande woning (kavel 3) Bestaande woning Lingsesdijk 45a (kavel 4) Vrijstaande woning (kavel 5) Vrijstaande woning (kavel 6) Toegangsweg Totaal nieuwe situatie

Oppervlakte bebouwing 399,3 m2

Rest

30%*

1452 m2

Bebouwingspercentage 27,5 %

1052,7 m2

315,81 m2

Totaal verharding 715,11 m2

987 m2

17,2 %

169,8 m2

817,2 m2

245,2 m2

415 m2

1041 m2

29,5 %

307,1 m2

733,9 m2

220,17 m2

527,27 m2

1182 m2

26 %

307,32 m2

874,68 m2

262,40 m2

569,72 m2 500 m2 2727,1 m2 697,1 m2 - 500 m2 197,1 m2

Verschil Vrijstelling Rest * Het waterschap Rivierenland hanteert als leidraad bij vrijstaande woningen in stedelijk gebied dat ongeveer 70% van de kavel verhard wordt. Gezien de grootte van de kavels is voor dit plan een verhardingspercentage van 70% niet reëel. Derhalve is in overleg met het waterschap Rivierenland besloten om de maximale bouwmogelijkheden per kavel als verhard mee te tellen plus een verhardingspercentage van 30 % voor het resterende oppervlak van de kavel te hanteren. Het plan resulteert in een toename aan verharding met 697,1 m2. De initiatiefnemer heeft nooit eerder gebruikt gemaakt van de particuliere vrijstelling. Per saldo is sprake van een toename aan verharding met 697,1 m2 – 500 m2 = 197,1 m2. De benodigde watercompensatie bedraagt 197,1 m2 * 0,0436 m3/ha = 8,594 m3. Uitgaande van een toelaatbare peilstijging van 0,3 meter betekent dit een te realiseren extra wateroppervlak van 28,7 m2. Aan de westzijde van het plangebied wordt een nieuwe watergang gegraven (42,7 m2). Dit is weergegeven op afbeelding 17. Hiermee wordt voldaan aan de watercompensatieplicht. Voor de realisatie van de watercompensatie dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.

32

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK'shoudende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.

Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via het bestaande gescheiden rioleringsstelsel (DWA). De nieuwe woningen zullen worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Gorinchem. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland gelegen. Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen nabij een regionale of primaire waterkering. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.

33

5.7 Flora en fauna Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plan- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen, heeft Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek zijn: De werkzaamheden leiden (met voorbehoud ten aanzien van vleermuizen, huismussen, kamsalamander) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen, huismussen en de kamsalamander. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels.

Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De beoogde ontwikkelingen aan de Lingsesdijk 45 te Gorinchem zijn uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen: • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).

• Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt of ontoegankelijk gehouden te worden voor rugstreeppad. Belangrijk is dat er geen vergraafbaar zand en ondiepe plassen binnen het plangebied aanwezig zijn of ontstaan tijdens de werkzaamheden. Tevens dient langdurige opslag van materiaal in het plangebied te worden voorkomen. Het ontoegankelijk maken van het plangebied kan door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. 34

E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. Gebiedsbescherming Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Gorinchem. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1,7 km ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Het plangebied ligt op een afstand van ca. 330 m ten zuidwesten van het Natuurnetwerk Nederland. Voor de externe werking van het plan (effecten als trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Lingegebied & Diefdijk-Zuid

1,7 km

Plangebied

1,8 km Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem Afbeelding 19: Afstand plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden

Afbeelding 20: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

35

Aanvullend ecologisch onderzoek In navolging van de ecologische quickscan is door Ecologisch Onderzoek Natuurwetgeving (EONW) een aanvullend huismus-, vleermuis- en amfibieënonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek zijn: • • • • • • • • • •

Huismus is in het plangebied niet aangetroffen; Het plangebied maakt deel uit van het leefgebied van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis; Voor de gewone dwergvleermuis is het plangebied een belangrijk, maar geen essentieel, foerageergebied; Over het plangebied loopt een niet-essentiële vliegroute van gewone dwergvleermuis; In het plangebied zijn geen winter-, kraam- zomer- of paarverblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig; In het plangebied zijn geen essentiële voortplantings- of rustplaatsondersteunende functies zoals een essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute aanwezig; Alpenwatersalamander en kamsalamander zijn niet aangetroffen; In de te kappen wilgen zijn naar schatting drie nesten van spreeuw en mogelijk een nest van grote bonte specht aanwezig; Voor zowel spreeuw als grote bonte specht zijn voldoende alternatieve broedlocaties in de nabijheid van het plangebied aanwezig; De ingreep leidt voor geen van de betrokken soorten tot een overtreding van de Wet natuurbescherming, met dien verstande dat kap altijd alleen plaats kan vinden in de afwezigheid van functionele vogelnesten.

Aanbevelingen Het plangebied maakt deel uit van het leefgebied van diverse vleermuissoorten. De verwachting is dat al deze soorten door de ophanden zijnde energietransitie sterk onder druk komen te staan. Daarom wordt dringend geadviseerd om in de geplande nieuwbouw voorzieningen voor deze soorten op te nemen. Hierbij kan worden gedacht aan ingemetselde vleermuisverblijven. Ook wordt er sterk aangedrongen om een goed verlichtingsplan te maken en te voorkomen dat de watergang en aangrenzende bomen worden aangelicht om zo het gebruik van het plangebied door vleermuizen te blijven faciliteren. Stikstofdepositieonderzoek Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van bedrijfsbebouwing en de nieuwbouw van vijf vrijstaande woningen. Gezien de grote afstand tot Natura 2000-gebieden, de kleinschaligheid van het plan en de bestaande bebouwing en infrastructuur tussen het plangebied en Natura2000gebieden worden geen nadelige effecten voor gevoelige habitats als gevolg van het plan verwacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (voor de aanleg- en gebruiksfase). Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar.

Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft ecologie geen belemmeringen. Geadviseerd wordt om in de geplande nieuwbouw voorzieningen op te nemen voor vleermuissoorten. Ook wordt er sterk aangedrongen om een goed verlichtingsplan te maken en te voorkomen dat de watergang en aangrenzende bomen worden aangelicht om zo het gebruik van het plangebied door vleermuizen te blijven faciliteren. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. 36

5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (Wm) moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wm. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 3: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) 24-uurgemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 μg/m3

Vanaf 11 juni 2011

Max 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied is de NSL-monitoring (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) relevant. In het NSL werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide voldoet. In het NSL-monitoring (2018) worden de volgende achtergrondconcentraties voor het plangebied gegeven: • • •

Een stikstofconcentratie van 20,0 μg NO2/m3; Een fijnstofconcentratie van 18,2 μg PM10/m3; Een fijnstofconcentratie van 11,3 μg PM2,5/m3;

Op basis van bovenstaande kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan alle grenswaarden wordt voldaan. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Besluit Niet in Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

37

Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

38

5.9 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR-10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

Plangebied

Afbeelding 21: Uitsnede Risicokaart

39

Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen plaats. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg, over het spoor over het water plaats. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

40

5.10 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

41

6 JURIDISCHE PLANOPZET 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Gorinchem, Lingsesdijk 45, 45a en 45b’ bestaat uit drie delen: de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Gorinchem, Lingsesdijk 45, 45a en 45b’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Gorinchem, Lingsesdijk 45, 45a en 45b’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Wijdschild e.o.’ van de gemeente Gorinchem. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.3 Bestemmingen Groen Aan de noordzijde van het plangebied is een strook bestemd als ‘Groen’. Binnen de bestemming ‘Groen’ is bebouwing uitgesloten. Tuin De gronden tussen het bouwvlak van de westelijke woning en de groenstrook is bestemd als ‘Tuin’. Binnen de bestemming ‘Tuin’ zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Water De A-watergang aan de zuidzijde van het plangebied en de nieuwe watergang aan de westzijde van het plangebied krijgt de bestemming ‘Water’. Wonen - 1 Kavel 3 (de westelijke vrijstaande woning) wordt bestemd als ‘Wonen – 1’. Ter plaatse kan een vrijstaande woning met bijgebouw(en) worden gerealiseerd met een maximale bouw- en goothoogte van 3,5 meter. Wonen - 2 De overige kavels krijgen de bestemming ‘Wonen - 2’. De woningen dienen te worden gerealiseerd binnen de bouwvlakken. Binnen de bouwvlakken zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan. Waarde – Archeologie laag AP Ter bescherming en veiligstelling van archeologische waarden wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie laag AP’ overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan.

42

6.4 Aanduidingen • • • • • •

Functieaanduiding ‘specifieke vorm van water – duiker’; Bouwaanduiding ‘vrijstaand’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bebouwingspercentage (%); Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouw- en goothoogte (m)’ Aanduiding ‘gevellijn’.

43

7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er een exploitatieovereenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt.

8 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

8.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Gorinchem bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de overlegpartners. In het kader van het vooroverleg zijn er twee overlegreacties ingediend door het Waterschap Rivierenland en de Veiligheidsregio Zuid-Holland-Zuid (VRZHZ). De overlegreacties zijn samengevat en beantwoord in een ‘Nota inspraak en vooroverleg. De ‘Nota inspraak en vooroverleg’ is toegevoegd in de bijlage. De VRZHZ heeft aangegeven te kunnen instemmen met paragraaf 5.9 ‘Externe veiligheid’ in de toelichting van het bestemmingsplan. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening wil de VRZHZ betrokken blijven. De VRZHZ geeft aan dat moet worden voldaan aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). De overlegreactie van het waterschap Rivierenland heeft geleid tot de volgende wijzigingen in het ontwerp-bestemmingsplan: Toelichting 1. De bestaande duiker in de zuidoosthoek van het plangebied wordt verwijderd. 2. Aan de westzijde van het plangebied wordt een nieuwe watergang gegraven waarmee de A-watergangen 075964 en 002725 met elkaar worden verbonden.

De nieuwe watergang wordt middels een duiker aangesloten op de A-watergang aan de zuidzijde van het plangebied (075964). 3. Hoofdstuk 5.6 Watertoets van de toelichting van het bestemmingsplan is gewijzigd/geactualiseerd (o.a. omschrijving onder het kopje ‘watergangen’ en de oppervlaktebalans). Regels 4. In de regels van het bestemmingsplan zijn regels voor de bestemming ‘Water’ toegevoegd. 5. In de regels van het bestemmingsplan is in de bestemmingsomschrijving voor de bestemming ‘Wonen’ de functie ‘water’ opgenomen. Verbeelding 6. De nieuwe duiker is op de verbeelding van het bestemmingsplan specifiek bestemd middels de functieaanduiding ‘specifieke vorm van water – duiker’.

44

7. De A-watergang aan de zuidzijde van het plangebied is op de verbeelding van het bestemmingsplan bestemd als ‘Water’. In de periode februari 2021 tot maart 2021 heeft er in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstemming plaatsgevonden met het waterschap Rivierenland inzake het aangepaste plan. Dit heeft geresulteerd in een gewijzigde oppervlaktebalans (hoofdstuk 5.6 Watertoets).

8.2 Inspraak Gelijktijdig met het vooroverleg heeft in het kader van de inspraakverordening het voorontwerp-bestemmingsplan ‘Gorinchem, Lingsesdijk 45,45a en 45b’ met bijbehorende stukken met ingang van woensdag 18 december 2019 t/m dinsdag 11 februari 2020 ter visie gelegen. Tijdens de inspraakperiode zijn er zes inspraakreactie ingediend. De inspraakreacties zijn samengevat en beantwoord in een ‘Nota inspraak en vooroverleg’. De ‘Nota inspraak en vooroverleg’ is toegevoegd in de bijlage. De inspraakreacties hebben geleid tot de volgende aanpassingen van het bestemmingsplan: 1. De begripsbepaling ‘peil’ in de regels van het bestemmingsplan is gewijzigd. 2. Aan de noordzijde van het plangebied wordt op de verbeelding van het bestemmingsplan een strook bestemd als ‘Groen’ bestemd. Voor de bestemming ‘Groen’ zijn tevens regels toegevoegd. 3. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is per bouwvlak het maximum aantal wooneenheden vastgelegd. 4. Er is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het stikstofdepositieonderzoek zijn verwerkt in hoofdstuk 5.7 ‘Flora en fauna’ van het ontwerp-bestemmingsplan en het rapport is toegevoegd in de bijlage van het ontwerp-bestemmingsplan. 5. De voortuinen van de woningen, tussen de bouwvlakken van de woningen en de groenstrook aan de noordzijde, worden op de verbeelding van het bestemmingsplan bestemd als ‘Tuin’.

Voor de bestemming ‘Tuin’ zijn tevens regels toegevoegd. 6. Het bouwvlak voor de woning ten oosten van de bestaande woning Lingsesdijk 45a wordt aan de noordzijde ingekort. 7. Op de verbeelding van het bestemmingsplan wordt aan de westzijde van het plangebied de woonbestemming en het bouwvlak 2 meter ingekort. De tussenliggende zone wordt op de verbeelding van het bestemmingsplan bestemd als ‘Tuin’.

45

8.3 Zienswijzen Eind september 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem bekend gemaakt dat het ontwerp-bestemmingsplan ‘Lingsesdijk 45, 45a en 45b’ (imrocode: NL.IMRO.0512.BP2019191-3001) van woensdag 23 september 2020 t/m dinsdag 3 november 2020 (later verlengd tot 10 november) voor een ieder ter inzage ligt. Tijdens de periode zijn er zes zienswijzen ingediend. In de periode november 2020 tot januari 2021 is er gesproken met de indieners van de zienswijzen. Deze gesprekken hebben geleid tot een aanpassing van het plan. De drie kavels aan de westzijde zijn gewijzigd naar één kavel met één woning met beperkte goot- en dakhoogte. Aan de noordzijde van dat kavel wordt een bredere groenstrook opgenomen ter bescherming van de privacy van de omwonenden. De doorgevoerde wijzigingen zijn van dien aard, dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem besloten hebben het in procedure gebrachte ontwerp-bestemmingsplan ‘Lingsesdijk 45, 45a en 45b’ met imrocode: NL.IMRO.0512.BP2019191-3001 in te trekken en het gewijzigde ontwerp bestemmingsplan opnieuw in procedure te brengen. Het gewijzigde ontwerp-bestemmingsplan en bijbehorende stukken zijn nogmaals gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen kenbaar te maken.

Burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem hebben op 13 april 2021 op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening, bekendgemaakt dat het gewijzigde ontwerp-bestemmingsplan ‘Lingsesdijk 45, 45a en 45b’ met imrocode: NL.IMRO.0512.BP2019191-3002 met ingang van woensdag 14 april tot en met dinsdag 25 mei 2021 ter inzage ligt. Tijdens de periode zijn vier zienswijzen ingediend. Met de indieners van de zienswijzen heeft opnieuw overleg plaatsgevonden, waarna twee indieners een aanvulling op de zienswijze hebben ingediend. Een aantal van de reclamanten hebben wel een zienswijze ingediend, maar hebben na overleg aangegeven te kunnen instemmen met het aangepaste plan. Desondanks zijn de zienswijzen en de later ingediende aanvullingen beantwoord in een Nota van Zienswijzen. De Nota van Zienswijzen is toegevoegd in de bijlage. De zienswijzen hebben geleid tot de volgende wijzigingen: 1. Verkleining van het bouwvlak van kavel 3 (en daarmee vergroting bestemming ‘Tuin’); 2. Verkleining van het bouwvlak van kavel 5; 3. Wijziging van de groen- en tuinstrook aan de noordzijde van kavel 5; 4. Aanpassing maatvoeringsaanduiding ‘maximum bebouwingspercentage (%) op kavel 3 en 5; 5. Bestemmingsvlak ‘Wonen’ is gesplitst in de bestemming ‘Wonen – 1’ voor kavel 3 en de bestemming ‘Wonen – 2’ voor de overige kavels; 6.

In relatie tot punt 5 zijn de regels voor de bestemming ‘Wonen’ gewijzigd in regels voor de bestemmingen ‘Wonen – 1’ en ‘Wonen – 2’; 7. Actualisatie van hoofdstuk 5.6 Watertoets van de toelichting (verhardingsbalans); 8. Het begrip ‘peil’ (artikel 1.34) in de regels van het bestemmingsplan is aangepast met een extra lid; 9. De artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Paraplubestemmingsplan parkeren zijn overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=3249159e-9e29-497f-ae66-47938a740ea7