210617 I&O omgevingsvergunning en Tiny houses Bijlage Quickscan flora en fauna 23-4-21.pdf
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Waaldijk 20 Dalem
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
Quickscan flora en fauna
in opdracht van Boomgaard de Fazant T.a.v. F. Klercq Waaldijk 20 4213 LA GORINCHEM betreffende locatie Waaldijk 20 Dalem (gemeente Gorinchem) documentkenmerk 1908/176/JOW-02 versie 2 vestiging Nuenen datum 23 april 2021
opgesteld door: ing. J.H.J. van Bree
gecontroleerd door: ing. A. Paulusse
Projectleider ecologie
Projectleider ecologie
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies BV.
Tritium Advies BV Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid
Tritium Advies is gevestigd in:
T.
088 44 02 900
E.
info@tritium.nl
Arkel >> Neer >> Nuenen >>
I.
www.tritium.nl
Prinsenbeek >> Rijkevoort
KvK-nr.
17108024
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
Inhoudsopgave pagina 1
Inleiding
1
2
Bronnenonderzoek
3
2.1
Gebieden
3
2.2
Soorten
5
3
Veldbezoek
6
4
Resultaten
7
4.1
Flora
7
4.2
Vogels
7
4.3
Grondgebonden zoogdieren
9
4.4
Vleermuizen
10
4.5
Amfibieën, reptielen en vissen
11
4.6
Ongewervelden/ overige soorten
12
5
Conclusies
13
5.1
Beschermde gebieden
13
5.2
Soorten
13
5.3
Zorgplicht
14
5.4
Eindconclusie
15
5.5
Advies
15
6
Literatuurlijst
17
Bijlagen 1.
situatietekening plangebied
2.
fotobijlage veldbezoek van 8 januari 2020
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
1 Inleiding In opdracht via Welmers Burg Stedenbouw is een quickscan flora en fauna uitgevoerd op de locatie Waaldijk 20 te Dalem. Het voornemen bestaat om aan de zuidoostelijke bosrand 10 tiny houses te realiseren. Daarnaast worden er 10 recreatiewoningen gerealiseerd rondom de aanwezige paddenpoel in het noorden van het plangebied. Tevens wordt er een nieuwe beheerderswoning, opslagloods en hooimijt gerealiseerd. Ook worden er 25 parkeerplaatsen aangelegd in het kader van de aanleg van de tiny houses en overige voorzieningen. Daarnaast wordt de ter plaatse aanwezige beheerderswoning geamoveerd. Deze ontwikkeling wordt in 2 juridische procedures opgedeeld. Ten eerste wordt de ruimtelijke onderbouwing (afwijking op het vigerend bestemmingsplan) voor de aanleg van de 10 tiny houses en 10 parkeerplaatsen ten behoeve van de tiny houses aangeleverd. Ten tweede zal er een bestemmingsplanprocedure opgestart worden voor de realisatie van de beheerderswoning, opslagloods, de 10 recreatiewoningen en de aanleg van 15 parkeerplaatsen ten behoeve van de te realiseren functies. Het plangebied betreft het kadastrale perceel gemeente Gorinchem, sectie P, nummer 1351 en 1352 en heeft een totaal oppervlak van circa 82,730 m2. De huidige bestemming van het plangebied is “Argarisch met waarden” en is op dit moment in gebruik als boomgaard.
Figuur 1: huidige situatie plangebied (blauw omlijnd) (bron: http://kadasterloep.nl)
Het plan is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Voor deze locatie wordt derhalve een juridisch-planologische procedure doorlopen conform de Wet ruimtelijke ordening. In het kader van deze procedure dient onder andere een quickscan flora en fauna te worden uitgevoerd. Hiermee kan worden voorkomen dat in strijd met de geldende natuurwetgeving wordt gehandeld.
pagina 1 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
Doel van het onderhavige onderzoek is om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). Het is noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden. Op basis van de ecologische waarden van een planlocatie zal uit een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) blijken of er een overtreding te verwachten is van de Wnb. Tevens wordt vastgesteld of er meer soortgegevens nodig zijn door middel van inventarisatie en of er een uitgebreide studie noodzakelijk is naar de effecten van een ruimtelijke ingreep. In veel situaties zal het uitvoeren van een verkennend onderzoek echter reeds voldoende zijn om aan te tonen of een plan uitgevoerd kan worden met of zonder enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Wnb te voorkomen. Uit onderstaande luchtfoto (figuur 2) kan worden opgemaakt dat het plangebied in het buitengebied van Dalem is gelegen. In bijlage 1 is een situatietekening van het plangebied opgenomen.
Figuur 2: luchtfoto van de omgeving van het plangebied (rood omcirkeld) (bron: Google Earth)
pagina 2 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
2 Bronnenonderzoek Onderhavig onderzoek richt zich met name op soortenbescherming en in beperktere mate op het gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb (Natura 2000). In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Onder andere is hierbij gebruik gemaakt van de zoogdierenatlas (Broekhuizen et al., 2016) en enkele digitale verspreidingsatlassen. De bevindingen van dit literatuuronderzoek zijn weergegeven in de navolgende twee paragrafen.
2.1 Gebieden In navolgende figuren 3 en 4 is het plangebied met haar ecologisch waardevolle gebieden in highlights weergegeven. In figuur 3 is het Natura 2000-gebied met de limegroene en gele kleur aangeduid. In figuur 4 (op de volgende pagina) betreffen de donkergroene, paarse en blauwe kleuren het Natuurnetwerk Nederland (verder: NNN) in de provincie Gelderland ook wel Gelders Natuurnetwerk (verder: GNN) genoemd. De Natura 2000-gebieden liggen grotendeels binnen het NNN. Van de gebieden die binnen NNN zijn gelegen worden, naast de specifieke soorten en habitattypen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), ook de wezenlijke kenmerken en waarden beschermd.
Figuur 3: plangebied en omgeving (rood omcirkeld) met relevante natuurgebieden (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)
Uit figuur 3 kan worden afgeleid dat het plangebied niet in Natura 2000-gebied is gelegen.
pagina 3 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van circa 582 meter ten zuiden van het plangebied gelegen en betreft “Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem”. Het natuurgebied is in het uiterste westen van Gelderland gelegen en grenst aan Noord-Brabant. Het bevindt zich op de overgang van de bovenrivieren naar de benedenrivieren. Binnendijks bestaat het gebied uit drie deelgebieden. Loevestein bestaat in de uiterwaarden van de Waal voornamelijk uit grasland en moeras. Pompveld is een kleine polder met een eigen waterhuishouding. Het omvat voornamelijk moeras, grienden en vochtige graslanden. De Kornsche Boezem is eveneens een polder waar veel grienden voorkomen. Het Natura 2000-gebied in het geheel heeft een rijke visfauna en is daarbij een kerngebied voor de grote modderkruiper. De doelsoorten in het Natura 2000-gebied “Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem” betreffen onder andere waterafhankelijke soorten zoals de bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, kamsalamander en bever. Daarnaast zijn de habitattypen die in het gebied voorkomen zoals de meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, slikkige rivieroevers, stroomdalgraslanden, ruigten en zomen, glanshaver- en vossenstaarthooilanden en vochtige alluviale bossen onderdeel van de instandhoudingsdoelstellingen.
In de navolgende figuur 4, overgenomen uit de kaart van het Natuurbeheerplan van de provincie Zuid-Holland is wederom het aandachtsgebied omcirkeld. Ook uit deze figuur blijkt dat het plangebied niet in een beschermd gebied ligt. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het NNN is op een afstand van circa 30 meter ten zuiden van het plangebied gelegen.
Figuur 4: kaart NNN. Het plangebied en omgeving is rood omcirkeld (bron: https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html)
pagina 4 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
Effecten beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN. De provincie Zuid-Holland hanteert een externe werking als het gaat om NNN, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval is het plangebied op een dergelijke afstand gelegen dat ervan een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNN-gebied niet op voorhand uit te sluiten is. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 582 meter op relatief kleine afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Er zijn habitattypen en diersoorten aanwezig die gevoelig zijn voor vermesting en verzuring door stikstof, zoals de stroomdalgraslanden en de kamsalamander. De geplande tiny houses en recreatiewoningen worden echter op een externe locatie volledig opgebouwd en vervolgens in één beweging naar het plangebied vervoerd en geplaatst. Hierdoor betreft het een beperkte ingreep (sloop beheerderswoning en plaatsen van complete tiny houses en recreatiewoningen). Tevens bestaat het planvoornemen om de tiny houses en recreatiewoningen zo zelfvoorzienend mogelijk (gasloos) te maken. Hierdoor valt een significant negatief effect op het Natura 2000-gebied niet te verwachten.
2.2 Soorten Aan de hand van literatuuronderzoek is informatie verzameld over het voorkomen van soorten in de directe omgeving van het plangebied. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van voornoemde zoogdierenatlas. In de werkatlas wordt het voorkomen van soorten per kilometerhok aangeduid. In de zoogdierenatlas wordt dit aangegeven per atlasblok, met afmetingen van 5 bij 5 kilometer. Het plangebied is gelegen in kilometerhok X: 129 / Y: 426 en X:130 / Y:426. Aangezien het plangebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhokken c.q. het atlasblok beslaat is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied. Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas en de NDFF blijkt dat de volgende zoogdieren of sporen van deze soorten (o.a. in braakballen) in de periode van 1989 tot 2020 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: bosmuis, woelrat, ree, bever, huisspitsmuis, laatvlieger, egel, haas, boommarter, dwergmuis, aardmuis, veldmuis, hermelijn, wezel, bunzing, rosse woelmuis, watervleermuis, baardvleermuis, rosse vleermuis, muskusrat, konijn, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, bruine rat, gewone bosspitsmuis, mol en vos.
In de periode 2000-2020 blijkt uit de gegevens van de NDFF en Ravon dat de volgende soorten zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: gewone pad, kleine watersalamander, bastaardkikker, poelkikker, meerkikker, heikikker, bruine kikker en kamsalamander.
pagina 5 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
3 Veldbezoek Het plangebied is op 8 januari 2020 in de middag bezocht. Er was sprake van bewolkt, droog weer, met windkracht 1 Bft en een temperatuur van circa 10 graden Celsius. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid of afwezigheid van beschermde soorten. De te verzamelen informatie bestaat onder andere uit zicht- en geluidwaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Op basis van terreinkenmerken is voorts beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Het kan voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek aangezien een quickscan een momentopname betreft. Hierdoor kan slechts in beperkte mate uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van soorten. Aan de hand van expert-judgement en bekende ecologische principes zal derhalve een inschatting worden gemaakt over het wel of niet voor kunnen komen van beschermde plant- en diersoorten. Verder is de quickscan geen veldinventarisatie. Veldinventarisaties omvatten meerdere opnamerondes die seizoensgebonden zijn en volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een boomgaard.
In het noorden bevindt zich een klein bos en een paddenpoel en in het westen ligt een oude beheerderswoning. In de boomgaard zijn nestkasten voor mezen geplaatst en in de bomengroep in het noordelijke deel van het plangebied is een roofvogelkast gelokaliseerd. De in bijlage 2 opgenomen foto’s geven een duidelijk beeld van de huidige situatie van het plangebied.
pagina 6 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
4 Resultaten Onderstaand volgen de resultaten en eerste conclusies van het uitgevoerde veldbezoek in relatie tot het planvoornemen.
4.1 Flora Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Vanwege de voedselrijke omstandigheden waaruit het plangebied bestaat zijn ook geen beschermde soorten te verwachten. Beschermde soorten komen namelijk vooral voor op voedselarme, kalkhoudende grond. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.
4.2 Vogels Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het plangebied slechts voor een aantal soorten vogels geschikt is als onderdeel van het leefgebied. Binnen het plangebied is bebouwing aanwezig in de vorm van een beheerderswoning zodat het verloren gaan van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vogels niet op voorhand is uitgesloten. De aanwezige bomen en struiken kunnen tevens dienen als broedgelegenheid. Daarnaast is het gebied geschikt als foerageergebied, echter zullen niet alle vogelsoorten van het gebied gebruik maken. Met name voor vogels die in “stedelijk gebied” en “bomenrijk gebied” voorkomen zijn binnen en rond het plangebied gunstige biotopen aanwezig. Ook voor watervogels is in de directe omgeving van het plangebied geschikt gebied aanwezig. Voor weide- en struweelvogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn zes fazanten (Phasianus colchicus), zeven koolmezen (Parus major), drie merels (Turdus merula), een goudhaan (Regulus regulus) en een roodborst (Erithacus rubecula) aangetroffen binnen het plangebied. Er zijn ook vier overvliegende zilvermeeuwen (Larus argentatus), twee buizerds (Buteo buteo), een ekster (Pica pica), een zwarte kraai (Curvus corone), en een grauwe gans (Anser anser) waargenomen.
Verder is een aantal vogels in de directe omgeving van het plangebied gehoord, namelijk enkele koolmezen (Parus major) en zwarte kraaien (Corvus corone). Er zijn binnen het plangebied ongeveer acht nesten aangetroffen. Hiervan zijn vier nesten afkomstig van vogels zonder jaarrond beschermd nest, zoals de ekster (één nest), houtduif (één nest) en zwarte kraai (twee nesten). De overige vier nesten zijn horsten van de buizerd (waarvan twee oud). De nesten zijn weergegeven in figuur 5 op de volgende pagina. Nesten, rustverblijfplaatsen en individuen van de buizerd zijn jaarrond beschermd en vallen onder de categorie 4 (vogels die jaar in jaar uit van hetzelfde nest gebruik maken en nauwelijks tot niet in staat zijn om zelf een nest te bouwen). De vogels mogen niet opzettelijk worden gedood of gevangen en de nesten mogen niet opzettelijk worden beschadigd of verstoord. De bomen waar de nesten zich in bevinden blijven volgens het planvoornemen behouden. Het plangebied kan tevens dienen als foerageergebied voor de buizerd. De buizerd is te vinden in verschillende leefgebieden. Ze komen voor in bossen afgewisseld met heide, boerenland en steeds meer in steden.
pagina 7 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
Ze jagen voornamelijk vanaf een zitplaats vlak boven de grond, maar kunnen ook bidden als ze jagen in open gebieden. Binnen het plangebied zijn voldoende open plekken en zitplaatsen aanwezig waardoor het plangebied geschikt is om te broeden en te jagen. Evenals de nesten zal het jachtgebied niet worden beïnvloed door de voorgenomen plannen. Het leefgebied van de buizerd binnen en in de directe omgeving van het plangebied, zoals de boomgaard, het aanwezige bosje en de omliggende weilanden en akkerlanden blijven behouden. De geplande tiny houses zullen 1 tot 2 meter van de boomstammen in het zuidoosten van het plangebied worden geplaatst. In de zuidoostelijke bosrand zijn (oude) nesten aangetroffen van vogelsoorten zonder jaarrond beschermd nest. Bewoonde nesten van deze soorten hebben tijdens het broedseizoen echter een beschermde status. Tijdens de aanleg van de tiny houses dient er rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van broedende vogels. De voorkeur heeft daarom ook om de aanleg buiten het broedseizoen (begin oktober – half februari) plaats te laten vinden. Een negatief effect op algemene vogelsoorten wordt in dit geval niet verwacht. Indien dit niet mogelijk is en er worden tijdens de werkzaamheden broedende vogels aangetroffen in de zuidoostelijke bosrand dan dient er contact opgenomen te worden met een ecoloog.
Figuur 5: plangebied (blauw omlijnd) met hierin de aangetroffen nesten. De rode driehoeken geven de nesten aan van vogelsoorten zonder jaarrond beschermd nest. De oranje driehoeken geven de aangetroffen horsten aan van de buizerd. De twee meest westelijk gelegen nesten betroffen oude horsten. De gele driehoek geeft de roofvogel-nestkast weer. (bron: Google Earth)
De bebouwing staat in het westen van het plangebied en betreft de beheerderswoning. Het is een bungalow die voornamelijk uit hout bestaat.
pagina 8 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
Het dak is plat en bevat een strak afgewerkte daklijst waardoor het dak geen geschikte openingen biedt, op een enkele kier aan de oostelijke zijde van het gebouw na. Deze opening is echter te klein voor gebouwbewonende vogelsoorten zoals de gierzwaluw en de huismus en er zijn tevens takken aanwezig voor de opening die de aanvliegroute belemmeren. Op foto 17 en 20 in de fotobijlage is deze opening terug te vinden. De beheerderswoning zal door gierzwaluwen, huismussen en andere gebouwbewonende soorten zoals steenuilen niet worden gebruikt als een jaarrond beschermde verblijfplaats. De steenuil komt voor in kleinschalige cultuurlandschappen waarin een variatie van houtwallen, heggen, weilanden en bomen aanwezig is. Binnen de grootschalige landbouwgebieden is de steenuil afhankelijk van bebouwing. De binnen het plangebied aanwezige beheerderswoning is voor steenuilen niet geschikt als jaarrond beschermde verblijfplaats. Het plangebied is echter wel geschikt als foerageergebied door de aanwezigheid van halfopen landschap met een afwisseling korte vegetatie en de biologische boomgaard. Het foerageergebied zal binnen en in de directe omgeving van het plangebied, zoals de boomgaard, bosje en de omliggende weilanden en akkerlanden behouden blijven waardoor de steenuil geen nadeel zal ondervinden van het planvoornemen.
Conclusie: een aantal vogelsoorten zal het plangebied met name benutten als foerageergebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten en het gebied kan bovendien als foerageergebied (boomgaard) in gebruik blijven. Wel wordt bij de voorgenomen sloop – en bouwwerkzaamheden verwezen naar de in hoofdstuk 5 omschreven werkwijze.
4.3 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren of voortplantings- en/of verblijfplaatsen van soorten aangetroffen die zijn beschermd volgens de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Voor minder algemene soorten (nationaal beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld in de Wnb), zoals de das (Meles meles), is het plangebied geschikt. Er zijn echter geen burchten en geen sporen aangetroffen van de das zoals pootafdrukken, vraatsporen of uitwerpselen. Het plangebied kan wel als foerageergebied dienen, echter zal dit geen essentieel foerageergebied zijn. Er zijn tijdens het veldbezoek geen exemplaren en/of sporen aangetroffen van de boommarter (Martes martes). De boommarter komt bij uitstek voor in bosgebied, maar heeft geen voorkeur voor een specifiek type waardoor de soort in diverse bossamenstellingen voor kan komen. Binnen het plangebied is naast de boomgaard bosachtig gebied aanwezig dat deels geschikt habitat vormt voor deze soort. Echter bestaat het landschap in de directe omgeving uit weiland en akkerland en zijn er geen bosgebieden die aansluiten op het plangebied. Hierdoor heeft het geschikte terrein een oppervlak dat te beperkt is om als leefgebied te dienen.
Het plangebied is ook deels geschikt voor kleine marterachtigen zoals de wezel (Mustela nivalis), hermelijn (Mustela erminea) en bunzing (Mustela putorius). Hiervan zijn echter ook geen sporen aangetroffen zoals holen, vraatsporen of uitwerpselen. De bunzing en hermelijn houden vooral van gebieden met oppervlaktewater. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is oppervlaktewater in de vorm van een plas en sloot aanwezig. Deze wateren zijn echter niet permanent aanwezig omdat ze in de zomer droogvallen. De wezel heeft de voorkeur voor open, droge natuur- en cultuurlandschap met in de omgeving voldoende dekking.
pagina 9 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
Het plangebied beschikt over voldoende dekking in de vorm van bomen, maar de onderbegroeiing is minimaal (geen struiklaag aanwezig). Daarbij bestaat de directe omgeving uit weiland en akkerland waar tevens geen natuurlijke dekking aanwezig is. Vanwege het ontbreken van voldoende natuurlijke dekking binnen en in de directe omgeving van het plangebied zullen er geen verblijfplaatsen van kleine marters voorkomen. De bever (Castor fiber) is niet aangetroffen binnen het plangebied en voor deze soort is het plangebied tevens ongeschikt. De bever komt namelijk voor in overgangsgebied tussen water en land (moeras, rivier, meren). Rustigere wateren omringt door broekbos hebben de voorkeur, maar een waterdiepte van minstens 50 centimeter is een vereiste. Geen van deze elementen is aanwezig waardoor de bever binnen het plangebied niet voor zal komen. Wel zijn er vier hazen (Lepus europaeus) en zes reeën (Capreolus capreolus) aangetroffen binnen het plangebied. Deze soorten zijn echter door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van bos en weilanden om als foerageergebied te dienen voor algemeen voorkomende soorten. Ook zal het plangebied beschikbaar blijven als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren.
Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.
4.4 Vleermuizen Er is bebouwing aanwezig binnen het plangebied zodat de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand is uit te sluiten. De te slopen beheerderswoning is een bungalow die voornamelijk uit hout bestaat. De daklijst is strak tegen het dak en de gevel gelegen en biedt geen openingen, op een enkele kier aan de oostelijke zijde van het gebouw na. Verder is rondom het gebouw spinrag onder de daklijst te vinden. De kier is niet groot genoeg voor vleermuizen om in te verblijven en gebouwbewonende vleermuizen hebben echter ook baat bij een vrije aanvliegroute. Voor de opening zijn enkele takken aanwezig die de aanvliegroute naar de opening belemmeren waardoor deze kier ongeschikt is als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Op foto 17 en 20 in de fotobijlage is deze opening terug te vinden. In de bomen, aanwezig binnen en op de grens van het plangebied, zijn geen geschikte holtes of scheuren aanwezig die dienst kunnen doen als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Ook zijn er geen sporen zoals ontlasting of vraatsporen in de vorm van vlindervleugels gevonden. Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied door vleermuizen.
Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn zoals de tuinen en het aanwezige weiland ten zuiden van het plangebied. Tevens zal het plangebied beschikbaar blijven als foerageergebied voor vleermuizen. Vleermuizen maken gebruik van vliegroutes om zich te verplaatsen van verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Hiervoor worden lange, aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige landschapsstructuren zoals heggen en houtwallen gebruikt.
pagina 10 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
De bomen aan de oostelijke zijde van het plangebied, ten westen van Fort Vuren, leiden naar de omliggende weilanden en kunnen dienst doen als vliegroute. Gezien de bomen buiten het plangebied staan zullen zij geen invloed ondervinden van de planvoornemens. Conclusie: er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Een nader onderzoek naar vleermuizen is derhalve niet aan de orde.
4.5 Amfibieën, reptielen en vissen Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde amfibieën en reptielen aangetroffen en zijn er geen sporen van deze soortgroepen aangetroffen binnen het plangebied. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van een plas. Deze valt in de zomer droog en is in de winter slechts enkele centimeters diep waardoor aanwezigheid van (beschermde) vissen derhalve kan worden uitgesloten. Het plangebied is voor beschermde amfibieën, zoals de poelkikker, heikikker en kamsalamander, in de huidige staat niet geschikt. De poelkikker bevindt zich voornamelijk in voedselarm, schoon en onbeschaduwde wateren met een rijk begroeide oever. Daarbinnen gaat de voorkeur uit naar zwak zuur, stilstaand water. Gezien de voedselrijke omstandigheden van het plangebied zal de poel niet worden gebruikt als voortplantingswater. De heikikker maakt gebruik van drie typen verblijfplaatsen: voortplantingsgebied, verblijfplaats tijdens de actieve periode en de overwinterplaats. De verblijfplaats tijdens de actieve periode en de overwinterplaats kunnen met elkaar verweven zijn. De heikikker is een kritische soort die een voorkeur heeft voor ondiep, zonbeschenen, voedselarm en relatief zuur voortplantingswater. Het landhabitat waar de actieve periode door wordt gebracht bestaat uit ruiger heidegebied en halfnatuurlijk grasland.
De soort is niet kieskeurig wat betreft overwinterplaatsen. Zolang de plaats niet bevriest voldoet deze al. Gezien er in de huidige staat binnen het plangebied geen voedselarm, zuur water aanwezig is de poel geen voortplantingsplaats voor de heikikker. Kamsalamanders hebben baat bij een omgeving waar meerdere geschikte wateren bij elkaar liggen zodat er uitwisseling tussen populaties plaats kan vinden. De sloten die rond het plangebied zijn gelegen zijn stijl en beletten deze uitwisseling. De kamsalamander komt tevens niet vaak voor in agrarisch gebied. Voortplantingswateren zijn vaak grotere geïsoleerde wateren met stilstaand water. Deze wateren dienen tijdens de voortplantingsperiode water te bevatten en mogen slechts incidenteel droogvallen. Gezien de plas binnen het plangebied klein en ondiep is, en snel droog kan vallen zal de kamsalamander hier geen gebruik van maken. Conclusie: er komen noch vissen noch beschermde soorten reptielen en amfibieën voor in het plangebied. De eventuele aanwezigheid van algemeen voorkomende soorten reptielen en amfibieën zoals bijvoorbeeld de gewone pad en bruine kikker vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
pagina 11 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
4.6 Ongewervelden/ overige soorten Beschermde soorten ongewervelden en overige soorten zijn niet waargenomen en ook niet te verwachten binnen het plangebied. Beschermde soorten stellen specifieke eisen aan een biotoop. Er is geen geschikt oppervlaktewater aanwezig en vanwege de aanwezige beplanting is het plangebied voor veel soorten niet geschikt. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
pagina 12 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
5 Conclusies Doel van het onderhavige onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving.
5.1 Beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN. De provincie Zuid-Holland hanteert een externe werking als het gaat om NNN, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval is het plangebied op een dergelijke afstand gelegen dat ervan een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNN-gebied niet op voorhand uit te sluiten is. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 582 meter op relatief kleine afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Er zijn habitattypen en diersoorten aanwezig die gevoelig zijn voor vermesting en verzuring door stikstof, zoals de stroomdalgraslanden en de kamsalamander. De geplande tiny houses en recreatiewoningen worden echter op een externe locatie volledig opgebouwd en vervolgens in één beweging naar het plangebied vervoerd en geplaatst. Hierdoor betreft het een beperkte ingreep (sloop beheerderswoning en plaatsen van complete tiny houses en recreatiewoningen). Tevens bestaat het planvoornemen om de tiny houses en recreatiewoningen zo zelfvoorzienend mogelijk (gasloos) te maken. Hierdoor valt een significant negatief effect op het Natura 2000-gebied niet te verwachten.
5.2 Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van de buizerd. De nest- en verblijflocaties en individuen van deze soort zijn jaarrond beschermd. De vogels mogen niet opzettelijk worden gedood of gevangen en de nesten mogen niet opzettelijk worden beschadigd of verstoord. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied.
Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken.
pagina 13 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden.
In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden en akkers en tuinen van woningen. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
5.3 Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk.
pagina 14 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
5.4 Eindconclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: •
de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen;
•
om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd;
•
nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk;
•
een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk;
•
voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.
5.5 Advies Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van de geplande tiny houses en recreatiewoningen wordt geadviseerd gebruik te maken van de checklist natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen van de Vogelbescherming. Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over. Vrijblijvende, aanvullende maatregelen Het plangebied wordt door verschillende soorten gebruikt als verblijfplaats en/of foerageergebied. Omdat het plan bestaat om de biodiversiteit te ondersteunen en er tevens al diverse soortvriendelijke elementen aanwezig zijn, volgt hier advies voor vrijblijvende maatregelen om deze elementen uit te breiden. Nestkasten Er bevinden zich al enkele nestkasten in de boomgaard waarvan sommigen aan vervanging toe zijn vanwege verwering en/of ouderdom. Indien gewenst is om de diversiteit van de aanwezige (broedende) vogels te stimuleren kan er bij het plaatsen van de nestkasten rekening worden gehouden met de grootte van de invliegopening van de nestkast. De invliegopening is de voornaamste factor die bepaald welke vogelsoort in de kast zal broeden.
pagina 15 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
Een beschrijving van welke opening het best bij een bepaalde soort past is te vinden op de site van Vivara1. Daarbij is het van belang dat de nestkasten op de juiste locatie en op de juiste manier worden bevestigd. De site van de Vogelbescherming heeft hier geschikte tips voor2.Er zijn tevens diverse soorten roofvogels die gebruikmaken van nestkasten, namelijk steenuil, kerkuil, bosuil, torenvalk en slechtvalk. De site van Nestkastbouw heeft per soort geschikte informatie voor het juiste model, formaat en locatie van de kast3. Amfibieënpoel Het planvoornemen bestaat eveneens uit het verbeteren van de bestaande plas. Het doel is om deze te veranderen in een amfibieënpoel die de soortenrijkdom van het plangebied verder ten goede moet komen. Bij RAVON is meer informatie te vinden over waar men rekening mee moet houden tijdens de aanleg van de amfibieënpoel om er zo het beste uit te halen4.
1 https://www.vivara.nl/informatie/nestkast-uitkiezen 2 https://www.vogelbescherming.nl/in-mijn-tuin/nestkasten/nestkasten-ophangen# 3 http://nestkastbouw.nl/onze-kasten/ 4 https://www.ravon.nl/Helpdesk/poel-aanleggen
pagina 16 van 17
documentkenmerk: 1908/176/JOW-02, versie 2
6 Literatuurlijst Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C. (2016) Atlas van de Nederlandse zoogdieren - deel 12 serie Nederlandse fauna. Knnv Uitgeverij NDFF (2020) Geraadpleegd op 2 januari 2020 via https://www.verspreidingsatlas.nl/ Ravon (2020) Geraadpleegd op 2 januari 2020 via http://www.ravon.nl/ Zoogdiervereniging (2020) Geraadpleegd op 2 januari 2020 via http://www.zoogdiervereniging.nl/
pagina 17 van 17
Situatietekening : 1908/176/JOW-02, Waaldijk 20 te Dalem
Geplande situatie
pagina 1
Fotobijlage: 1908/176/JOW-02, Waaldijk 20 te Dalem
Foto 1
Foto 2
Foto 3
pagina 1
Fotobijlage: 1908/176/JOW-02, Waaldijk 20 te Dalem
Foto 4
Foto 5
Foto 6
pagina 2
Fotobijlage: 1908/176/JOW-02, Waaldijk 20 te Dalem
Foto 7
Foto 8
Foto 9
pagina 3
Fotobijlage: 1908/176/JOW-02, Waaldijk 20 te Dalem
Foto 10
Foto 11
Foto 12
pagina 4
Fotobijlage: 1908/176/JOW-02, Waaldijk 20 te Dalem
Foto 13
Foto 14
Foto 15
pagina 5
Fotobijlage: 1908/176/JOW-02, Waaldijk 20 te Dalem
Foto 16
Foto 17
Foto 18
pagina 6
Fotobijlage: 1908/176/JOW-02, Waaldijk 20 te Dalem
Foto 19
Foto 20
Foto 21
pagina 7
Fotobijlage: 1908/176/JOW-02, Waaldijk 20 te Dalem
Foto 22
Foto 23
Foto 24
pagina 8
Fotobijlage: 1908/176/JOW-02, Waaldijk 20 te Dalem
Foto 25
Foto 26
Foto 27
pagina 9
Fotobijlage: 1908/176/JOW-02, Waaldijk 20 te Dalem
Foto 28
Foto 29
Foto 30
pagina 10
Fotobijlage: 1908/176/JOW-02, Waaldijk 20 te Dalem
Foto 31
Foto 32
Foto 33
pagina 11
Fotobijlage: 1908/176/JOW-02, Waaldijk 20 te Dalem
Foto 34
Foto 35
Foto 36
pagina 12