CConstaterende datGorinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-756779 Verordening Fysieke Leefomgeving - APV Gorinchem 2021

Raadsvergadering 14 oktober 2021, gemeente GorinchemBij agendapunt: HAMERSTUK Verordening Fysieke Leefomgeving17.089 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Artikel 2.74g: Beslistermijn 1. De burgemeester beslist binnen dertien weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden is ontvangen. 2. De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging. Artikel 2.74h: Weigeringsgronden 1. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en hiervan niet bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgeweken. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. voor zover hier om door het bevoegd gezag is verzocht, de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot de leidinggevende(n) overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven; b. niet voldaan is aan de ingevolge deze afdeling voor de leidinggevenden geldende eisen; c. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. 3.

De burgemeester kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de inrichting de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed. 4. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester in ieder geval rekening met: a. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen; b. de aard van de inrichting; c. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting; d. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied; e. de wijze van bedrijfsuitoefening door de leidinggevende(n) van de inrichting in deze of in andere inrichtingen; f. de wijze van bedrijfsuitoefening van de inrichting in het verleden. Artikel 2.74i: Vergunning 1. In een vergunning worden vermeld: a. de natuurlijke of rechtspersoon of -personen aan wie de vergunning is verleend; b. de leidinggevenden; c. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; d. de plaats waar de inrichting zich bevindt; e. de situering en de oppervlakten van de lokaliteiten. 2. De vergunning of een afschrift daarvan is in de inrichting aanwezig. 3. De vergunning wordt verleend voor een periode van ten hoogste 3 jaar.

Artikel 2.74j: Aanwezigheid leidinggevende Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning met betrekking tot die inrichting.

Artikel 2.74k: Intrekkingsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester de vergunning intrekken, indien: a. aannemelijk is, dat een leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; b. een leidinggevende van de inrichting toestaat danwel gedoogt, dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd; c. zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; d. een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de vergunning betrekking heeft; e. indien de bedrijfsuitoefening van de inrichting voor een periode van langer dan 3 maanden is of wordt onderbroken; f. indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in of krachtens deze afdeling. Artikel 2.74l: Vervallen vergunning De vergunning vervalt indien een vergunning, strekkende ter vervanging van een eerdere vergunning voor dezelfde inrichting, is verleend. Artikel 2.74m: Sluiting van inrichtingen 1.

De burgemeester kan inrichting - al dan niet voor een bepaalde duur - gesloten verklaren: a. indien die inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; b. indien die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met het bepaalde in deze verordening of met de aan de vergunning verbonden voorschriften. 2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht. 3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4. Het is verboden, na het van kracht worden van de sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven. 5. Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten inrichting als bezoeker te verblijven.

Artikel 2.74n: Toegang opsporingsambtenaren De leidinggevende van een inrichting is verplicht ervoor te zorgen dat opsporingsambtenaren, als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering alsmede de ambtenaren die door burgemeester en wethouders of de burgemeester met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn bedrijf: a. gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is; dan wel b. gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn en indien die opsporingsambtenaren hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.

Artikel 2.74o: Overgangsbepaling Op bestaande inrichtingen als bedoeld in artikel 2.74b, eerste lid, is het bepaalde in artikel 2.74c (vergunningplicht) niet van toepassing: a. gedurende 13 weken na het in werking treden daarvan.

b. na afloop van de onder a gestelde termijn, indien binnen deze termijn door een daartoe bevoegde een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2.58c is ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester een besluit is genomen. Afdeling 11. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2.75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen van de APV groepsgewijs niet naleven. Artikel 2.76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2.77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen: a. parkeerterreinen; b. parkeergarages. Artikel 2.78 Gebiedsontzeggingen 1.

De burgemeester kan ik het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, of het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 7 dagen niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 6 maanden niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen 6 maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkenen noodzakelijk oordeelt. Artikel 2.79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.

Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

2.

De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Hoofdstuk 3. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels, escortbedrijven e.d.

Artikel 3.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander; b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotischemassagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar of in combinatie met een horecabedrijf; d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt of daarin bemiddelt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; f.

exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1. de exploitant; 2. de beheerder; 3. de prostituee; 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; 5. toezichthouders aangewezen op grond van artikel 89 van deze verordening; 6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 3.2: Bevoegd orgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: de burgemeester voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet (de seksinrichtingen) en voor alle andere gevallen, het college.

Artikel 3.3 Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.13 genoemde belangen kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

Artikel 3.4 Seksinrichtingen 1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld en overgelegd: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; c. een verklaring omtrent gedrag die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; d. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; een plattegrond van de seksinrichting waarop het aantal werkruimten is aangegeven; e. het aantal werkzame prostituees en hun persoonsgegevens; f. een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; g. een bewijs waaruit blijkt dat de eigenaar en/of verhuurder van het pand waarin de seksinrichting is of zal worden gevestigd hiertegen geen bezwaar heeft; h. de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting door middel van een situatietekening met een schaal van ten minste 1:1000. Artikel 3.5 Gedragseisen exploitant en beheerder 1. De exploitant en de beheerder zijn minimaal éénentwintig jaar oud, staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij noch in enig opzicht van slecht levensgedrag. 2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet: a.

met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: i. bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; ii. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 197a tot en met 197c, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a oud, 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429 quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; iii. de artikelen 8 en 162, derde lid, en artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; iv.

de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de Kansspelen; v. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen en vi. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:

a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. bij weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag; b. bij intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking. 5. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel 3.6 Sluitingstijden 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op alle dagen tussen 02.00 en 06.00 uur. 2. Het bevoegde orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 3.7 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.

Het is bezoekers verboden zich in een seksinrichting te bevinden gedurende de tijd dat deze krachtens het eerste lid of tweede lid, of krachtens artikel 3.9, eerste lid, gesloten dient te zijn. 4. Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 3.7 Tijdelijke afwijking sluitingstijd; (tijdelijke) sluiting 1. Met het oog op de in artikel 1.8, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegde bestuursorgaan: a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen of b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.

De exploitant en de beheerder dienen er voortdurend op toe te zien dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie en in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht; en b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel 3.9 Straatprostitutie 1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken. 2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

3. Met het oog op de in artikel 1.8, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 4. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 1.8, tweede lid genoemde belangen personen aan wie ten minste een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid. 5. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid. Artikel 3.10 Sekswinkels (Vervallen) Artikel 3.11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotischpornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a.

anders dan overeenkomstig de door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels; b. indien het bevoegde bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woonen leefomgeving in gevaar brengt. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Afdeling 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden Artikel 3.12 Beslissingstermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 3.13 Weigeringsgronden 1. De vergunning bedoeld in artikel 3.4 , eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.5 gestelde eisen; b.

en / of de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, geldend projectbesluit, de beheersverordening of in strijd is met bij of krachtens de wet op de ruimtelijke ordening verleende ontheffingen; c. en / of er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; dan wel er reeds één vergunning voor een seksinrichting of één vergunning voor een escortbedrijf is verleend. 2. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast;

c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de verkeersvrijheid of -veiligheid; f. de gezondheid of zedelijkheid; g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 3. De in hoofdstuk 1 van deze regeling opgenomen algemene bepalingen zijn, voor zover deze niet in strijd zijn met de in de leden 1 en 2 opgenomen bepalingen, overeenkomstig en aanvullend van toepassing.

Afdeling 4 Beëindiging; wijziging beheer Artikel 3.14 Beëindiging exploitatie 1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2. Onder beëindiging wordt tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van één of meerdere exploitanten. 3. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan. Artikel 3.15 Wijziging beheer 1. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.4, tweede lid onder b, het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan. 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.13 eerste lid, aanhef en onder a is van overeenkomstige toepassing. 3.

In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Afdeling 5. Overgangsbepaling Artikel 3.16 Overgangsbepaling (Vervallen) Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4.1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; b. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; c. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

d. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; f. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4.2 tot en met 4.5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; g. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. Het is een inrichting in de binnenstad toegestaan maximaal 8 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.189a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.5 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. Op de overige locaties, buiten de binnenstad is het toegestaan om 4 van de hiervoor bedoelde incidentele festiviteiten te houden. 2.

De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8.

Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek -hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.5 uiterlijk een half uur voor sluitingstijd te worden beëindigd. Artikel 4.3 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting in de binnenstad toegestaan maximaal 8 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de 2.17, 2.17a, 2.19, 2.189a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer artikel 4.5 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. Op de overige locaties, buiten de binnenstad is het toegestaan om 4 van de hiervoor bedoelde incidentele festiviteiten te houden. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 5 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten 4.5 mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan bij het college. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4.

De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. In afwijking van het in het zesde lid gestelde, mag het LAeq veroorzaakt door een sporthal tot 24.00 uur maximaal 75 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter, bedragen. 8. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 9. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen in de 2.17, 2.17a, 2.19 2,19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.5 - uiterlijk om 02:00 uur beëindigd. 10. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 11. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4.4 Verboden incidentele festiviteiten (Vervallen) Artikel 4.5 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel 7.00 – 19.00 uur

19.00 – 2300 uur

23.00 – 7.00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

50 dB(A)

45 dB(A)

40dB(A)

LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

gebouwen 3. Voor de duur 20 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4.2 en 4.3.

Artikel 4.6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening. Artikel 4.6a (Geluid) hinder in de openlucht 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer in de openlucht een geluidsapparaat, een (recreatie) toestel of een bouwmachine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid) hinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. 3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidapparaten (recreatie) toestellen of (bouw)machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid) hinder. 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen: a.

het maximale geluidsniveau; b. de situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik. Artikel 4.6b Mosquito 1. Onder mosquito wordt verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken. 2. In afwijking van artikel 4.6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats. 3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. 4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. 5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste 6 maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste 6 maanden verlengen.

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4.7 Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel 4.7a Verbod oplaten ballonnen (Vervallen) Artikel 4.8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 4.9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten en buiten gebouwen. (Vervallen) Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden Artikel Artikel 4.10 Definities (Vervallen) Artikel 4.11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (Vervallen) Artikel 4.12 (Vervallen) Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4.13 Opslag voertuigen, vaartuigen en stankoverlast (Vervallen) Artikel 4.14 (Vervallen) Artikel 4.15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.

Het is verboden zonder vergunning op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor:

a. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendige deel van een onroerende zaak, voor zover die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; b. opschriften, aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door het college; c. opschriften en aankondigingen betrekking hebbende op: I. een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van de betreffende onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; of het beroep, die dienst of het bedrijf dat in of op de betreffende onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; II. voor zover het totaal aan opschriften of aankondigingen gezamenlijk kleiner dan 0.50 m2 en de dikte van het reclameobject maximaal 25 centimeter is en de langste zijde niet langer dan 1 meer; d. opschriften en aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienst van dat vervoer. 4. Een vergunning bedoeld in het tweede lid kan worden geweigerd: a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; of c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 5.

De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. 6. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 4.16 (Vervallen) Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4.17 Definitie (Vervallen) Artikel 4.18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen (Vervallen) Artikel 4.19 Aanwijzing kampeerplaatsen (Vervallen) Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod Artikel 5:1 (Vervallen) Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke (Vervallen) Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen (Vervallen)

Artikel 5:4 Defecte voertuigen (Vervallen) Artikel 5:5 Voertuigwrakken (Vervallen) Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen (Vervallen) Artikel 5:7 Reclamevoertuigen (Vervallen) Artikel 5:8 Grote voertuigen (Vervallen) Artikel 5:9 Uitzicht belemmerende voertuigen (Vervallen) Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan (Vervallen) Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen (Vervallen) Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen (Vervallen) Afdeling 2. Collecteren Artikel 5.13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig doel is bestemd. 2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

Ook wordt onder inzameling van geld of goederen verstaan: het al dan niet tegen een geldelijke vergoeding ontvangen van goederen of aanbieden van diensten. 3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: a. in besloten kring; b. door een instelling die is ingedeeld in het door het college voor het betreffende kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorwaarden plaatsvindt. c. door een andere, door het college aangewezen instelling. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 3. Venten Artikel 5.14 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2. Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet of artikel 4.5; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 2.2.1 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Gorinchem. Artikel 5.15 Ventverbod 1. Het is verboden zonder vergunning van het college te venten. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; b. het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 7 kan de vergunning worden geweigerd als: a. het venten tussen 22.00 en 09.00 uur plaatsvindt; b.

een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met dwingende reden van algemeen belang. 4. Het college kan nadere regels vaststellen met het oog op de in het derde lid genoemde belangen, met inbegrip van het stellen van maxima aan het aantal uit te geven ventvergunningen voor de gemeente in haar geheel, voor delen van de gemeente of per branche. Artikel 5.16 (Vervallen)

Afdeling 4. Standplaatsen Artikel 5.17 Definitie (Vervallen) Artikel 5.18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (Vervallen) Artikel 5.19 Toestemming rechthebbende (Vervallen) Artikel 5.20 Afbakeningsbepalingen (Vervallen) Artikel 5.21 (Vervallen)

Afdeling 5. Snuffelmarkten Artikel 5.22 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen. 2. Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een evenement als bedoeld in artikel 18; c. snuffelmarktactiviteiten die als reguliere bedrijfsvoering worden aangemerkt. Artikel 5.23 Organiseren van een snuffelmarkt 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. 2. Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 3. De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 6.

Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 5.24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water (Vervallen) Artikel 5.24a Verbod op magneetvissen (Vervallen) Artikel 5.25 Ligplaats vaartuigen (Vervallen) Artikel 5:26 (Vervallen) Artikel 5.27 (Vervallen) Artikel 5.27a Verbod tegen aanmeren en dergelijke aan woonschepen (Vervallen) Artikel 5.28 Beschadigen van waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Vaarwegenverordening ZuidHolland 2015.

Artikel 5.29 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 5.30 Veiligheid op het water 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015. Artikel 5.31 Overlast aan vaartuigen 1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5.31a (Vervallen)

Artikel 5.32 Crossterreinen (Vervallen)

Artikel 5.33 Beperking verkeer in natuurgebieden (Vervallen)

Afdeling 5. Vuurverbod Artikel 5.34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1° of 3°, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening. Afdeling 9. Asverstrooiing Artikel 5.35 Definitie (Vervallen)

Artikel 5.36 Verboden plaatsen (Vervallen) Artikel 5.37 Hinder of overlast (Vervallen) Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1 Strafbepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, en van de voorschriften en beperkingen die zijn verbonden aan de op grond van deze verordening verleende vergunningen of ontheffingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of met een geldboete van de tweede categorie. 2. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing bij overtreding van artikel 6.3.1 en 3.7.2 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Gorinchem, of artikel 5.30 van deze verordening.

Artikel 6.2 Toezichthouders 1. De opsporingsambtenaren genoemd in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering en de door het college dan wel door de burgemeester aangewezen toezichthouders zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. 3. Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften. Artikel 6.3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6.4 Intrekking oude verordening De Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Gorinchem van 2020 wordt ingetrokken.

Artikel 6.5 Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel 6.6 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op 1 december 2021. Artikel 6.7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Gorinchem 2021.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 oktober 2021 de griffier, de voorzitter,

Bijlage 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Gorinchem&id=354c8782-a590-41cf-9c97-581ce7311842