2 Voorstel geconsolideerde tekst van de GR aanpassing WNRA-opheffings en uittredingsbepalingen.pdf
Tekst van het document
In verband met een aantal fiscale aspecten is het wellicht (in de toekomst) raadzaam om bepaalde activiteiten van de gemeenschappelijke regeling eventueel onder te brengen in een BV. Artikel 12 van deze gemeenschappelijke regeling creëert daarvoor dan de basis. In een afzonderlijk besluit - dat uiteraard eerst als concept aan de raden zal worden voorgelegd - wordt de oprichting/deelname in de BV verder uitgewerkt. In een afzonderlijke notitie die bij de raads- en collegebehandeling van de wijziging van deze gemeenschappelijke regeling staat geagendeerd, wordt duidelijk dat Avres vanaf 1 januari 2016 zal deelnemen in twee privaatrechtelijke rechtspersonen in de vorm van besloten vennootschappen. Eén dochtervennootschap zal worden ingericht om SW-taken uit te voeren die kunnen delen in de SWvrijstelling vennootschapsbelastingsplicht en één dochtervennootschap zal worden ingericht om de activiteiten te verrichten die niet vallen onder de SW-vrijstelling dan wel een van de bij de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen geïntroduceerde objectieve vrijstellingen vennootschapsbelastingsplicht. 42
De gemeenschappelijke regeling de Avelingen Groep, waarvan de voorliggende gemeenschappelijke regeling een wijziging c.q. voortzetting is, had al één dochtervennootschap te weten Avelingen Personeelsdetacheringen BV. Dit betekent dat naast deze bv, er nog één andere bv moet worden opgericht en dat daarnaast voor de bestaande BV enige juridische en fiscale bijstellingen moeten plaatsvinden, waaronder een naamswijziging. De continuering van de bestaande BV en de rol van het algemeen bestuur als algemene vergadering van aandeelhouders, ook voor nieuw op te richten vennootschappen, is geregeld in het tweede lid van artikel 12. Inmiddels heeft de gemeenschappelijke regeling Avres met ingang van 1 januari 2018 ook “de Stichting Avres Nieuw Beschut” opgericht. Artikel 13 Besluitvorming Artikel 13 gaat in op het besluitvormingsproces binnen het algemeen bestuur. In het eerste lid is bepaald dat ieder lid van het algemeen bestuur één stem toekomt. Omdat in artikel 9 is bepaald dat het algemeen bestuur uit zes leden bestaat zijn er derhalve zes stemmen. Aangezien iedere deelnemende gemeente 2 leden voor het algemeen bestuur aanwijst, vertegenwoordigt iedere deelnemende gemeente in het algemeen bestuur ook twee stemmen. Schematisch is dit als volgt weer te geven: Gemeente
Aantal AB-leden
Gorinchem Molenlanden Vijfheerenlanden Totaal
2 2 2 6
Stemmen per AB lid 1 1 1 n.v.t.
Totaal aantal stemmen per gemeente 2 2 2 6
Met het oog op besluitvorming is een gekwalificeerde meerderheid van twee/derde van de uitgebrachte stemmen noodzakelijk. Bij het uitbrengen van alle mogelijk beschikbare stemmen (=6) is een meerderheid derhalve bereikt bij vier eensluidend uitgebrachte stemmen. Met het oog op de omstandigheid dat niet alle mogelijk beschikbare stemmen in een vergadering aanwezig zijn, is in het tweede lid in de tweede volzin het volgende bepaald: “Voor het vaststellen van de vereiste meerderheid, vindt zo nodig een afronding naar boven plaats”. Indien tijdens een vergadering van het algemeen bestuur bijvoorbeeld slechts vijf AB-leden aanwezig zijn en daarmee ook slechts vijf stemmen aanwezig zijn, brengt de tweede volzin van het tweede lid met zich mee dat voor een twee derde meerderheid nog steeds vier eensluidend uitgebrachte stemmen noodzakelijk zijn, immers een twee derde meerderheid bij vijf uitgebrachte stemmen is 3,33, echter met in achtneming van het bepaalde in de tweede volzin uit het tweede lid, wordt dit afgerond naar 4. In het vierde lid is het quorum aangegeven voor het algemeen bestuur om tot besluitvorming over te gaan. Dit aantal ligt op grond van het bepaalde in dit lid op 4 stemmen.
Artikel 14 Geheimhouding Deze bepaling is gelijk aan de bepalingen uit de Gemeentewet die gelden voor raadsvergaderingen.
Hoofdstuk 5: Het dagelijks bestuur Artikel 15 Samenstelling Het dagelijks bestuur bestaat uit drie leden. De voorzitter van de gemeenschappelijke regeling is qualitate qua ook voorzitter van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. Dit geldt ook voor de vicevoorzitter en de tweede vicevoorzitter. Bij de verkiezing van de leden van het dagelijks bestuur moeten derhalve tegelijkertijd uit de gekozen leden uit en door het algemeen bestuur, de voorzitter, de vicevoorzitter en de tweede vice-voorzitter worden aangewezen. Deze verkiezing is echter getrapt. Eerst worden de leden van het dagelijks bestuur aangewezen en vervolgens worden zij in hun functie gekozen. Indien bijvoorbeeld de voorzitter aftreedt, hoeft dit geen gevolgen te hebben voor de overige twee leden van het dagelijks bestuur. Een van deze twee leden zou echter wel kunnen besluiten om zich verkiesbaar te stellen voor de vacante functie van voorzitter. Daartoe hoeft dit lid zich niet opnieuw beschikbaar te stellen als kandidaat voor het dagelijks bestuur, maar wel voor de functie van voorzit43
ter. Op deze wijze vindt derhalve de getraptheid van de verkiezingen plaats (zie daarvoor ook artikel 19 van deze gemeenschappelijke regeling).
Artikel 16 Zittingsduur De zittingsperiode van de leden van het dagelijks bestuur loopt parallel aan de zittingsperiode van de leden van het algemeen bestuur. Opgenomen is de bepaling dat de leden van het dagelijks bestuur hun functie waarnemen totdat in hun opvolging is voorzien. Daarmee is de bestuurlijke continuïteit verzekerd.
Artikel 17 Werkwijze Met betrekking tot de stemming in het dagelijks bestuur is het bepaalde in het tweede lid van belang. In het tweede lid van dit artikel is namelijk bepaald dat de artikelen 53, 54, en 56 tot en met 59 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing zijn. In artikel 58 van de Gemeentewet is vervolgens bepaald dat: “De artikelen 28, eerste tot en met derde lid, 29 en 30 zijn ten aanzien van de vergaderingen van het college van overeenkomstige toepassing”. In artikel 30 van de Gemeentewet is vervolgens bepaald: “1. Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht. 2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje”. Door het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 58 van de Gemeentewet is dus ook de besluitvorming binnen het dagelijks bestuur geregeld. De overige bepalingen die vanuit de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, hebben ondermeer betrekking op het tijdstip van vergaderingen, geslotenheid van de deuren, quorum, het niet in rechte kunnen worden vervolgd voor hetgeen in de vergadering wordt gezegd en incompatibiliteit
Artikel 18 Taken en bevoegdheden Door de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 januari 2015, heeft het dagelijks bestuur ook eigen geattribueerde bevoegdheden. Deze staan in de wet opgesomd in artikel 33 b en zijn nader uitgewerkt in het eerste lid van artikel 18. Deze bevoegdheden hebben met name betrekking op de eigen organisatie en de bedrijfsvoering. In het tweede en derde lid wordt een nadere invulling gegeven aan artikel 33 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. In artikel 33 is bepaald dat alle bevoegdheden die worden overgedragen berusten bij het algemeen bestuur, tenzij bij wet of in de regeling anders is bepaald. In de toelichting op artikel 11 van deze regeling is reeds het volgende gesteld: “Op grond van artikel 33 Wgr komen alle bevoegdheden aan het algemeen bestuur toe, tenzij bij wet of in de regeling anders is bepaald. In de algemene toelichting is reeds gewezen op de relatie met artikel 8c van de Participatiewet. In dit artikel 8 c is bepaald - conform de lijn van artikel 33 Wgr - dat alle bevoegdheden van het college, indien deze worden overgedragen aan een samenwerkingsverband op grond van de Wgr, toekomen aan het bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Met bestuur wordt in dat verband het algemeen bestuur bedoeld.
De collegebevoegdheden van de Participatiewet - en overigens ook alle overige wetten waartoe het openbaar lichaam de taken en bevoegdheden overgedragen heeft gekregen - komen in deze gemeenschappelijke regeling, gelet op de eerste en tweede volzin van artikel 33 Wgr, derhalve primair toe aan het algemeen bestuur. Echter, het derde zinsdeel van artikel 33 Wgr maakt het mogelijk om dit in de regeling zelf anders te bepalen. Anders gesteld: in de regeling zelf kan worden bepaald dat van het primaire uitgangspunt dat de bevoegdheden bij het algemeen bestuur berusten, wordt afgeweken en dat bevoegdheden dus elders komen te liggen, bijvoorbeeld dat deze bij het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam komen te liggen. Dit ligt bijvoorbeeld voor de hand indien het collegebevoegdheden betreft, omdat het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling
44
een soortgelijke positie bekleedt als het college van burgemeester en wethouders in de gemeenten. In de tekst van deze gemeenschappelijke regeling is er dan ook voor gekozen om naast de wettelijke bevoegdheden op grond van de Wgr, ook de overige bevoegdheden van het dagelijks bestuur zoveel mogelijk rechtstreeks in de regeling zelf te regelen en daarmee dus gevolg te geven aan de derde volzin van artikel 33 Wgr.” Op grond van het bovenstaande wordt in het tweede en derde lid van artikel 18, derhalve de nadere bevoegdheidstoedeling aan het dagelijks bestuur geregeld. Uit beide leden blijkt dat het dan specifiek gaat om de bevoegdheden die het college toekomen van de overgedragen wetten/ het besluit, zoals deze in artikel 5 eerste, tweede en derde lid van de regeling staan opgesomd. In het vierde lid van artikel 18, is vervolgens de basis gelegd om bij besluit van het algemeen bestuur andere bevoegdheden over te dragen aan het dagelijks bestuur. De basis hiervoor is gelegen in artikel 33a van de Wgr.
Hoofdstuk 6: De voorzitter Artikel 19 Aanwijzing De voorzitter, de vice-voorzitter en de tweede vice-voorzitter worden uit het midden van en door het algemeen bestuur aangewezen. Het betreft een rechtstreekse verkiezing in de functie, nadat de kandidaten door het algemeen bestuur zijn aangewezen als lid van het dagelijks bestuur. Hierbij wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel 15 van deze gemeenschappelijke regeling.
Artikel 20 Taken en bevoegdheden van de voorzitter In de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regeling is de functie van voorzitter voor het eerst benoemd. Er is - op het gemeentelijk niveau waar onderliggende gemeenschappelijke regeling betrekking op heeft - enige overeenstemming met de positie van de burgemeester. Echter, er is ook een groot aantal verschillen. Zo is de burgemeester Kroon benoemd en heeft op grond van de Gemeentewet zelfstandige bevoegdheden op het terrein van de openbare orde en veiligheid. De bevoegdheden van de voorzitter van de gemeenschappelijke regeling zijn echter een stuk beperkter. In de drie leden van artikel 20 staan deze opgesomd: - De leiding van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur; - Het ondertekenen van de stukken die namens het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan. (Samen met de secretaris/directeur. Zie artikel 27, lid 5); en - Het in en buiten rechte vertegenwoordigen van de organisatie.
Hoofdstuk 7: Commissies Artikel 21 Bestuurscommissies In de Wet gemeenschappelijke regelingen is bepaald dat slechts tot het instellen van een bestuurscommissie kan worden overgegaan op het moment dat de regeling hierin voorziet (Artikel 25, lid 1 Wgr) Het tweede lid van artikel 25 Wgr bepaalt dat het algemeen bestuur niet overgaat tot het instellen van een bestuurscommissie dan nadat de raden van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en de gelegenheid hebben gehad om hun wensen en bedenkingen hieromtrent mede te delen aan het algemeen bestuur. De wettekst spreekt bij bestuurscommissies over commissies met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Deze commissies moeten niet verward worden met de commissies van advies, welke in de wettekst hun basis vinden in artikel 24 Wgr en in onderliggende gemeenschappelijke regeling in artikel 22. Bij het opstellen van de tekst van deze gemeenschappelijke regeling bestond niet concreet het voornemen om een bestuurscommissie in het leven te roepen. Wel is reeds in de tekst de mogelijkheid
45
daartoe opgenomen, zodat eventueel kan worden overgegaan tot het instellen daarvan zonder dat de gemeenschappelijke regeling daarvoor hoeft te worden gewijzigd. De bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van een eventueel in te stellen bestuurscommissie zullen bij verordening worden geregeld. Bij het formuleren van de werkwijze moet op grond van de wettelijke bepalingen ook de openbaarheid worden geregeld. In het tweede lid van dit artikel is geregeld dat het voorzitterschap van de eventueel in te stellen bestuurscommissies berust bij een lid van het dagelijks bestuur. Dit om zoveel mogelijk de integraliteit van het bestuur te waarborgen.
Artikel 22 Commissies van advies Evenals bij het voorgaande artikel bestond bij het opstellen van de tekst van de gemeenschappelijke regeling niet concreet het voornemen om commissies van advies in het leven te roepen. Dit temeer daar bijvoorbeeld bij de afhandeling van bezwaarschriften en klachten “ambtelijk” wordt gehoord. De verwachting is dan ook dat van de mogelijkheid tot het instellen van dergelijke commissies slechts spaarzaam gebruik gemaakt zal worden. In het eerste lid wordt de instelling van commissies van advies aan het algemeen bestuur geregeld. In het tweede lid is de bepaling opgenomen met betrekking tot het instellen van commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter. Een onderscheid dat daarbij nog moet worden gemaakt is een vaste commissie van advies en een tijdelijke commissie van advies. Een vaste commissie van advies wordt ingesteld door het algemeen bestuur; een tijdelijke commissie van advies - daar verwijst het laatste deel van de zin van het tweede lid naar - worden ingesteld door respectievelijk de voorzitter of het dagelijks bestuur. Artikel 22 a Auditcommissie Met het op de ondersteuning van de besluitvorming in het algemeen bestuur, wordt in ieder geval als adviescommissie als bedoeld in artikel 22 van deze regeling een auditcommissie ingesteld.
Het aandachtsgebied van de auditcommissie betreft alle activiteiten die van belang zijn voor een goede beheersing op het gebied van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de gemeenschappelijke regeling. Daartoe onderhoudt de auditcommissie ondermeer de contacten tussen het algemeen bestuur en de accountant, onderhoudt zij contacten met de ambtelijke organisatie over de jaarrekening, adviseert zij het algemeen bestuur over de opdracht aan de accountant, adviseert zij het algemeen bestuur over de omgang met de jaarrekening en de rapportering daarover door de accountant, etc.. In het tweede lid is bepaald dat het algemeen bestuur een verordening vaststelt, waarin de samenstelling, taken en bevoegdheden en de werkwijze van de auditcommissie verder worden uitgewerkt.
Hoofdstuk 8: Inlichtingen, informatievoorziening, verantwoording en terugroeping Artikel 23 Dagelijks bestuur / algemeen bestuur Dit artikel heeft betrekking op de interne verantwoordingsrelatie binnen het openbaar lichaam Avres. Het algemeen bestuur als hoogste orgaan kan aan het dagelijks bestuur inlichtingen vragen en vervolgens het dagelijks bestuur of een lid daarvan ter verantwoording roepen. Nieuw is het invoeren van een actieve inlichtingenplicht van het dagelijks bestuur. Die invoering hangt samen met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (artikel 19a Wgr). Sluitstuk van dit artikel is de ontslagbevoegdheid van het algemeen bestuur indien een lid van het dagelijks bestuur niet meer het vertrouwen geniet van het algemeen bestuur.
Artikel 24 Avres / raden Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam verstrekt de leden van de raden van de deelnemende gemeenten de door hen gevraagde informatie. Deze informatieplicht vloeit voort uit artikel 17 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
46
Artikel 25 Lid algemeen bestuur / gemeenteraad Dit artikel regelt de verantwoordingsrelatie tussen een lid van het algemeen bestuur en de gemeenteraad die hem of haar heeft aangewezen. In eerste instantie gaat het om een inlichtingenplicht. Vervolgens kan de gemeenteraad besluiten het betreffende lid, indien dit lid niet meer het vertrouwen van de gemeenteraad geniet, ontslag verlenen als lid van het algemeen bestuur van Avres. Met opname van dit artikel wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 16, eerste, tweede en vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 26 Informatievoorziening In de algemene toelichting op deze gemeenschappelijke regeling is reeds aangegeven dat de relatie tussen de deelnemers en het openbaar lichaam niet alleen op de afzonderlijke van toepassing zijnde aspecten/bepalingen moet worden beoordeeld, maar dat deze relatie moet worden beschouwd in het geheel van alle aspecten/bepalingen, die elkaar aanvullen c.q. versterken, waardoor in zijn geheel een kader ontstaat dat de betrokkenheid en de mogelijkheden van sturing op het functioneren van het openbaar lichaam voor de deelnemers vergroot. Daartoe dient ook het bepaalde met betrekking tot de informatievoorziening in dit artikel. De informatievoorziening in dit artikel berust niet op een wettelijke verplichting en heeft ook niet hetzelfde karakter als de informatievoorziening als bedoeld in artikel 24 van deze regeling. De in artikel 24 bedoelde informatievoorziening heeft het karakter van een inlichtingenplicht van de afzonderlijke leden in het algemeen bestuur op verzoek van de raden of raadsleden van de gemeente die zij vertegenwoordigen. De in artikel 26 bedoelde informatievoorziening is een actieve informatievoorziening van het openbaar lichaam jegens alle bestuursorganen die deze gemeenschappelijke regeling hebben getroffen.
Het verschil met artikel 24 zit dan ook in het uitgangspunt dat in artikel 26 de informatie niet op verzoek van raden of raadsleden door individuele leden van het algemeen bestuur wordt verstrekt, maar op eigen initiatief van en door het openbaar lichaam. Met deze actieve informatievoorziening wordt de transparantie met betrekking tot het functioneren van het openbaar lichaam vergroot en wordt daarmee tevens de relatie met de deelnemers die de gemeenschappelijke regeling hebben getroffen en door middel van deze tekst laatstelijk hebben gewijzigd, versterkt. Bovendien biedt een groter inzicht in de wijze waarop het openbaar lichaam functioneert, aan de colleges en/of (de leden van) de raden extra handvatten om de verantwoordingsrelatie van de leden van het algemeen bestuur jegens hen vorm te geven. In het tweede lid van dit artikel is aangegeven de wijze waarop de actieve informatievoorziening in ieder geval moet plaatsvinden.
Hoofdstuk 9 Personeel en organisatie Artikel 27 De taken en bevoegdheden van de directeur/secretaris Er is sprake van een personele unie tussen de directeur als hoogste ambtelijke leidinggevende en het vervullen van het secretarisschap van de gemeenschappelijke regeling. Dit vloeit voort uit het eerste en het vijfde lid van artikel 27. Als taak voor de directeur is tevens opgenomen het mede ondertekenen van alle stukken die van het algemeen en het dagelijks bestuur uitgaan (lid 4) (zie daartoe ook artikel 20 van deze gemeenschappelijke regeling) en de taak als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden (zie lid 6). In lid 7 en lid 8 wordt de basis gelegd voor het directiestatuut en het mandaatbesluit Artikel 28 (vervallen)
Artikel 29 Het personeel (toelichting is komen te vervallen)
47
Hoofdstuk 10 Financiële bepalingen Artikel 30 De voorlopige jaarrekening en financiële kaders De verplichting tot het opstellen van de algemene financiële en beleidskaders vloeit voort uit de nieuwe Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 34 b van deze wet schrijft voor dat het dagelijks bestuur voor 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders én de voorlopige jaarrekening aan de raden van de gemeenten toestuurt. Het tweede lid is opgenomen op verzoek van de raadsleden tijdens een informatiebijeenkomst over de wijziging van deze gemeenschappelijke regeling in juli 2015. In de wettekst van de Wgr is de verplichting van een voorhang-, dan wel zienswijzeprocedure met betrekking tot de jaarrekening niet opgenomen. Toch is het wenselijk om een dergelijke zienswijzeprocedure aan de procedure toe te voegen, zodat de raden bijvoorbeeld over de bestemming van de eventuele financiële overschotten van het openbaar lichaam hun mening kenbaar kunnen maken. Het tweede lid van artikel 30 staat in relatie tot artikel 32 van de gemeenschappelijke regeling. In artikel 30 wordt gesproken over de voorlopige jaarrekening en in artikel 32 over de ontwerpjaarrekening. Feitelijk zullen beide jaarrekeningen niet (veel) van elkaar verschillen.
Toch is gekozen om de zienswijzeprocedure niet op te hangen aan de ontwerpjaarrekening maar aan de voorlopige jaarrekening. De ontwerpjaarrekening moet door het algemeen bestuur worden vastgesteld voor 15 juli. Inclusief een aanbiedingsprocedure van minimaal twee weken vanuit het dagelijks bestuur richting het algemeen bestuur dient de ontwerpjaarrekening ongeveer rond 20 juni gereed te zijn. Met een zienswijzeprocedure van acht weken daar voorafgaand, zou dit betekenen dat de ontwerpjaarrekening rond 22 april gereed moet zijn om aan de raden aangeboden te kunnen worden. Aangezien de voorlopige jaarrekening uiterlijk 15 april aan de raden moet worden toegestuurd, wordt op deze wijze voorkomen dat binnen een periode van een week (vrijwel) identieke stukken worden opgestuurd. Bovendien ontstaat door de koppeling aan de voorlopige jaarrekening wat meer ruimte voor het dagelijks bestuur om de zienswijze mee te nemen en mogelijkerwijs te verwerken in de procedure van het vaststellen door het algemeen bestuur.
Artikel 31 Begroting De begrotingsprocedure is, met inachtneming van artikel 34 en 35 Wgr, als volgt. Het dagelijks bestuur maakt jaarlijks de ontwerpbegroting op (lid 1). Gelet op verdere termijnen die van toepassing zijn gebeurt dit voor 1 april; Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting twee maanden voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de gemeenteraden (lid 2); De raden kunnen omtrent de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze doen toekomen (lid 2); Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe (lid 2); De begroting moet vóór 1 augustus aan gedeputeerde staten worden verzonden (lid 5). Dat betekent dat de begroting bij voorkeur vóór 15 juli moet zijn vastgesteld 1; Indien daartoe aanleiding bestaat worden afschriften van de vastgestelde begroting toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten (lid 4); De raden van de deelnemende gemeenten kunnen op grond van artikel 35, lid 4 Wgr, nadat zij de vastgestelde begroting hebben ontvangen, bij gedeputeerde staten zo nodig hun zienswijze naar voren brengen (lid 4); Begrotingswijzigingen volgen in beginsel de procedure als voorgeschreven voor de begroting. Aan de begrotingsprocedure wordt ook het jaarplan opgehangen.
Dit jaarplan is de beleidsuitwerking en -vertaling van het meerjarenbeleidsplan voor het komende begrotingsjaar in concrete doelstellingen en activiteiten. Het jaarplan als zodanig zal worden verwerkt in de verschillende programmaonderdelen van de begroting. 1 Dit geeft het openbaar lichaam nog de ruimte om eventuele op- of aanmerkingen op de begroting,
gemaakt door het algemeen bestuur te verwerken en de begroting ook verzendklaar te maken.
48
Wijzigingen van de begroting welke geen financiële consequenties hebben voor de bijdragen van de deelnemers en waarbij geen sprake is van een mutatie van de algemene reserve, als bedoeld in het zesde lid van dit artikel, zijn niet zienswijzeplichtig. De strekking van dit lid moet ruim worden opgevat. Van belang is namelijk niet alleen dat geen (extra) risico ontstaat op wijziging van de bijdragen in het lopende jaar, maar ook dat een dergelijk risico niet ontstaat in de toekomstige jaren.
Artikel 32 Rekening Artikel 34 van de Wgr bepaalt dat de rekening uiterlijk 15 juli van het jaar, volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft, wordt toegezonden aan gedeputeerde staten. Rekening houdend met de vaststelling van de voorlopige jaarrekening voor 15 april, betekent dit dat de definitieve jaarrekening in die tussenliggende periode wordt vastgesteld door het algemeen bestuur. In de toelichting op dit artikel wordt nog verwezen naar hetgeen is gesteld in de artikelsgewijze toelichting op artikel 30 tweede lid. Artikel 33 Financiële voorschriften De verordenende bevoegdheid als genoemd in dit artikel wordt ontleend aan de Gemeentewet hoofdstuk XIV-artikelen 212 en 213. Artikel 34 Financiële gegoedheid / garantstelling Het openbaar lichaam zal bancaire relaties moeten aangaan. Deze bepaling is op verzoek van de Bank Nederlandse Gemeenten opgenomen. De bank verkrijgt hiermee de zekerheid dat het openbaar lichaam alle maatregelen zal nemen om de deelnemers aan hun verplichtingen te laten voldoen. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in een circulaire uit 1999 aangedrongen op het opnemen van deze bepaling in gemeenschappelijke regelingen. Artikel 35 Bijdragen deelnemers, toerekening kosten, financiële verdeelsleutel De financiële verdeelsleutel heeft in de tekst van de gemeenschappelijke regeling een plaats gekregen in artikel 35.
Hetgeen in dit artikel staat vermeld is een vertaling van datgene wat in de aanloop van de fusie tussen de Avelingen Groep, de Regionale Sociale Dienst en de gemeenten is afgestemd. Met het oog hierop is een ambtelijke werkgroep in het leven geroepen, waarin zowel de controllers van de RSD als de Avelingen Groep, alsmede controllers van de gemeenten - waarvan een aantal van hen meerdere gemeenten vertegenwoordigden - zitting hadden. Deze werkgroep heeft uiteindelijk een voorstel geformuleerd in een notitie, die vervolgens op verzoek van de projectgroep die belast was met de voorbereiding van de fusie, door het bureau KokxDeVoogd is getoetst op objectiviteit. Bovendien heeft het bureau KokxDeVoogd een advies uitgebracht over de procedure tot het vaststellen van de financiële verdeelsleutel. Met betrekking tot de inhoud van de financiële verdeelsleutel wordt verwezen naar de betreffende notitie terzake en het advies van KokxDeVoogd. Met betrekking tot de procedure rondom het vaststellen van de financiële verdeelsleutel is het volgende nog van belang. Het vaststellen van de financiële verdeelsleutel is een bevoegdheid die in de regeling Avres is toegekend aan het algemeen bestuur. Mede naar aanleiding van gesprekken mat het bureau KokxDeVoogd werd namelijk duidelijk dat het neerleggen van deze bevoegdheid bij de raden in strijd zou zijn met constitutionele bepalingen.
Aspecten rondom de inrichting en het functioneren van een openbaar lichaam, voor zover niet anders geregeld in de Wgr en de gemeenschappelijke regeling, zijn namelijk voorbehouden aan het openbare lichaam zelf. De aspecten die hiermee zijn overgedragen kunnen niet - hetgeen in strijd is met constitutionele bepalingen - terug worden overgedragen aan degene die ze oorspronkelijk heeft overgedragen (vgl. artikel 10:13 Algemene wet bestuursrecht). Een alternatief zou zijn geweest om de financiële verdeelsleutel integraal op te nemen in de gemeenschappelijke regeling, echter omdat deze sleutel als gevolg van tussentijds wijzigende rijksbudgetten wellicht regelmatig aan veranderingen onderhevig kan zijn, zou in dat geval ook telkens de complexe procedure van wijziging van de gemeenschappelijke regeling gevolgd moeten worden. Gelet op het bovenstaande is gezocht naar een alternatief. Dit alternatief is beschreven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de wens van maximale beïnvloeding vanuit de deelnemers. Dit alternatief behelst dat de financiële verdeelsleutel wordt vastge-
49
steld door het algemeen bestuur met een zienswijzeprocedure via de raden. Hierbij dient het algemeen bestuur wel bij meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen in te stemmen.. Er is hier uitdrukkelijk niet gekozen voor een eensluidend besluit, maar dus voor een besluit dat instemming behoeft van twee derde van de leden. Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld een gemeente te allen tijde een veto kan uitspreken en de continuïteit van de gemeenschappelijke regeling onder druk zou kunnen zetten. Mochten een of meerdere deelnemers het na een besluit van het algemeen bestuur nog niet met elkaar eens zijn, dan is de geschillenregeling op grond van artikel 43 van deze regeling van toepassing. Het geschil zal dan worden voorgelegd aan gedeputeerde staten, die hierop een beslissing neemt. Zoals hierboven al is weergegeven is de notitie over de financiële verdeelsleutel als element in de totale besluitvormingsprocedure rondom de wijziging van deze gemeenschappelijke regeling aan de raden meegestuurd en wordt aan hen hierover in deze besluitvormingsprocedure rondom de wijziging van de gemeenschappelijke regeling Avres direct een zienswijze gevraagd. In lid 6, onder sub b., wordt gesproken over een kennelijke ontoereikende uitvoering van taken en bevoegdheden.
Hier wordt gedoeld op de situatie dat het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot de conclusie zou komen dat een deel van de uitvoering van wet- en regelgeving door Avres onrechtmatig zou zijn geweest. De uitvoering van de Participatiewet vindt plaats in medebewind en is begrensd door richtlijnen en circulaires van het ministerie. Indien de uitvoering niet conform de wet, richtlijnen en circulaires is, kan het ministerie, naar aanleiding van het rapport van bevindingen van de accountant, tot de conclusie komen dat een deel van de uitvoering onrechtmatig is geweest. Bij een onrechtmatige - of zoals in dit artikel is verwoord – ontoereikende uitvoering, kan het ministerie besluiten om (een deel) van het totale Buigbudget dat is bestemd voor het uitbetalen van de uitkeringen niet te vergoeden. In het zevende lid wordt gesproken over het solidariteitsprincipe. Dit principe gaat uit van het feit dat het BUIG-budget, met uitzondering van budget bijzondere bijstand, en het Participatiebudget dat voor de deelnemers beschikbaar is door de nieuwe organisatie als één budget voor de totale doelgroep wordt toegekend en er op dit vlak geen administratie en afrekening plaatsvindt per deelnemer. Artikel 36 Betaling aan het openbaar lichaam, voorschotbetaling en verrekening voorschotten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 37 Reserve en voorzieningenbeleid Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Hoofdstuk 11 Het archief Artikel 38 Het archief Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Hoofdstuk 12 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel 39 Toetreding Met betrekking tot een verzoek tot toetreding speelt een aantal aspecten een rol. Uiteraard zullen de huidige deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling daarmee moeten instemmen. Ervaringen vanuit het verleden maken duidelijk dat dit aspect in principe geen beletsel hoeft op te leveren. Wel kunnen aan de toetreding voorwaarden worden verbonden. De voorwaarden die aan de toetreding kunnen worden verbonden zullen zich hoofdzakelijk op twee terreinen toe spitsen. In de eerste plaats inhoudelijk. Een toetredende gemeente kan met betrekking tot de uitvoering beleidsinhoudelijk op een aantal punten verschillen met de beleidsinhoudelijke uitvoering door de gemeenschappelijke regeling. Omdat eenheid van beleid zoveel mogelijk het uitgangspunt is, zal in overleg met de toetredende gemeente beoordeeld moeten worden waar de overeenkomsten en verschil50
len liggen. Het hanteren van overgangstermijnen en het in acht nemen van de meest gunstige situatie (gedurende enige tijd) voor de cliënt zijn daarbij voor de hand liggende instrumenten. In de tweede plaats zal er met het oog op de toetreding overeenstemming moeten worden bereikt over de financiële voorwaarden waaronder de toetreding gaat plaats vinden. Hier zijn verschillende varianten voor denkbaar. Zo is denkbaar dat de toetredende gemeente zich volledig inkoopt, inclusief een positie in het vermogen en/of reserves, maar ook is denkbaar dat de toetredende gemeente zich slechts ten dele inkoopt, bijvoorbeeld exclusief de vermogenspositie zonder opbouw van rechten vanuit het verleden en alleen voor een (deel) van de investeringen. Andere varianten zijn uiteraard ook mogelijk. De concrete situatie en de wensen van partijen over en weer zullen uiteindelijk het vertrekpunt voor de toetredingsvoorwaarden vormen. Zoals bij het aangaan van alle overeenkomsten speelt ook hierbij het beginsel van de redelijkheid en billijkheid een rol. In tegenstelling tot de uittreding is het niet gebruikelijk om de toetreding via een toetredingsregeling te regelen. De concrete situatie en wat partijen over en weer wenselijk achten is hierbij het uitgangspunt. In het definitieve concept is er dan ook geen bepaling over een toetredingsbepaling opgenomen.
Toetreding veronderstelt wijziging van deze gemeenschappelijke regeling. Omdat het een gemengde raadsregeling betreft dienen hierover zowel de betreffende colleges als de raden van de deelnemende gemeenten hierover een besluit te nemen. Gekozen is voor een eensluidend besluit (lid 3), omdat dit recht doet aan de intentie tot samenwerking. Artikel 40 Uittreding. In dit artikel wordt de uittreding uit de gemeenschappelijke regeling geregeld. De uittreding start met een uitredingsverzoek van de betreffende deelnemer met een daartoe strekkend besluit van de raad en het college aan het algemeen bestuur (lid 1). Het dagelijks bestuur zendt het besluit vervolgens door aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten (lid 2). Overigens vindt toepassing van de uittredings-/opheffingsregeling slechts plaats als zowel een besluit van het college als de raad van de uittredende gemeente is ontvangen, omdat het besluit van beide organen van de uittredende gemeente afkomstig dient te zijn (lid 5). De bepalingen rondom de uittreding zijn verder uitgewerkt in de leden 3 van de tekst van de gemeenschappelijke regeling Avres. Met betrekking tot deze bepalingen is ook advies gevraagd aan het bureau KokxDeVoogd.
KokxDeVoogd heeft geadviseerd om in de uittredingsbepalingen een tweetal stappen te onderscheiden In de eerste plaats worden er met betrekking tot de uittreding algemene uitgangspunten en voorwaarden geformuleerd in een zogeheten uittredings-/opheffingsregeling (artikel 40, lid 3). Deze regeling vormt als het ware het kader van algemene uitgangspunten en voorwaarden die in ieder geval van toepassing zijn, indien een uittreding aan de orde is. De uittredings-/opheffingsregeling zal (in samenhang met artikel 40 van de gemeenschappelijke regeling Avres) voorzien in een combinatie van procedurele en inhoudelijke aspecten. KokxDeVoogd heeft voor deze uittredings-/opheffingsregeling inmiddels een eerste proeve opgesteld. In het advies dat zij hebben opgesteld geeft KokxDeVoogd met betrekking tot deze proeve die als bijlage bij de stukken is gevoegd het volgende aan: “ Bij deze proeve passen enkele opmerkingen. Allereerst is het raadzaam om de definitieve versie van de Uittredings-/opheffingsregeling te voorzien van een korte toelichting. Een dergelijke toelichting geeft nader inzicht in de wijze waarop en omstandigheden waaronder de (op zich vrij technische en financieel georiënteerde) Uittredings-/opheffingsregeling kan of moet worden toegepast en hoe het daarin genoemde Uittredingsplan op passende wijze tot stand kan komen.
In de tweede zij erop gewezen dat het in bijlage 1 opgenomen voorstel voor de Uittredings-/opheffingsregeling nog nadere (ambtelijke en bestuurlijke) bespreking vergt, alvorens tot een definitief concept kan worden gekomen. Het verdient daarbij aanbeveling om het definitief concept en de toelichting op te stellen in samenspraak met controllers van de GR Avres en van deelnemers” Het bestuur van Avres is van mening dat zorgvuldigheid op dit moment prevaleert en dat het opstellen van het definitieve concept en de toelichting daarop conform het advies van KokxDeVoogd inderdaad dient te gebeuren in samenspraak met controllers van de GR Avres en van de deelnemers, en waar 51
noodzakelijk en gewenst, ook met andere betrokkenen uit de GR Avres en de gemeenten. Om deze reden wordt de besluitvormingsprocedure rondom de Uitredingsregeling dan ook verschoven naar een later tijdstip in 2015, danwel naar het begin van 2016. Om een eerste beeld voor de betrokken bestuursorganen zichtbaar te krijgen is deze proeve al wel reeds ter kennisname als bijlage bij de stukken gevoegd. Mogelijkerwijs zal - zoals ook is aangegeven in het advies van KokxDeVoogd - bij het opstellen van het definitieve concept van de uitredingsregeling blijken dat de thans voorliggende tekst met betrekking tot artikel 40 Gr Avres ook na het huidige vaststellingsproces nog aangepast moet worden. Indien van toepassing en alsdan zullen de bevoegde organen daaromtrent nog nadere voorstellen ontvangen. Met betrekking tot de vaststellingsprocedure van de uitredingsregeling is in artikel 40 het volgende opgenomen. In principe speelt hier hetzelfde als bij het vaststellen van de financiële verdeelsleutel. Het vaststellen van de uittredings-/opheffingsregeling is een bevoegdheid die in de regeling Avres is toegekend aan het algemeen bestuur. Mede naar aanleiding van gesprekken met het bureau KokxDeVoogd werd namelijk duidelijk dat ook hier het neerleggen van deze bevoegdheid bij de raden in strijd zou zijn met constitutionele bepalingen.
Aspecten rondom de inrichting en het functioneren van een openbaar lichaam, voor zover niet anders geregeld in de Wgr en de gemeenschappelijke regeling, zijn namelijk voorbehouden aan het openbare lichaam zelf. De aspecten die hiermee zijn overgedragen kunnen niet - hetgeen in strijd is met constitutionele bepalingen - terug worden overgedragen aan degene die ze oorspronkelijk heeft overgedragen (vgl. artikel 10:13 Algemene wet bestuursrecht). Een alternatief zou zijn geweest om de uittredingsbepalingen integraal op te nemen in de gemeenschappelijke regeling, maar daar is hier van afgezien, niet alleen met het oog op de hantering van de gemeenschappelijke regeling zelf, maar ook omdat bij een uittreding de algemene uitgangspunten en voorwaarden nog moeten worden geconcretiseerd in een uittredingsplan, welke vaststelling ook van een zienswijzeprocedure is voorzien (zie hieronder). Bovendien blijkt bij de parlementaire behandeling van de wet, dat het niet noodzakelijks om alles in detail in de GR zelf te regelen. Gelet op het bovenstaande is gezocht naar een alternatief. Dit alternatief is beschreven in het derde en het vierde lid van dit artikel, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de wens van maximale beïnvloeding vanuit de deelnemers.
Dit alternatief behelst dat de uittredings-/opheffingsregeling wordt vastgesteld door het algemeen bestuur met een zienswijzeprocedure via de raden. Hierbij dient het algemeen bestuur wel bij meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen in te stemmen. Er is hier uitdrukkelijk niet gekozen voor een eensluidend besluit, maar dus voor een besluit dat instemming behoeft van twee derde van de leden. Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld een gemeente te allen tijde een veto kan uitspreken en de continuïteit van de gemeenschappelijke regeling onder druk zou kunnen zetten. Mochten een of meerdere deelnemers het na een besluit van het algemeen bestuur nog niet met elkaar eens zijn, dan is de geschillenregeling op grond van artikel 43 van deze regeling van toepassing. Het geschil zal dan worden voorgelegd aan gedeputeerde staten, die hierop een beslissing neemt. Zoals hierboven al is aangegeven heeft KokxDeVoogd geadviseerd om in de uittredingsbepaling een tweede stap op te nemen. Met in achtneming van de algemene uitgangspunten en voorwaarden, stelt het algemeen bestuur bij een uittredingsverzoek vervolgens een uittredingsplan vast (lid 6).
In dit uittredingsplan worden dan de specifieke condities, waaronder de financiële gevolgen, van de uittreding geregeld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemer op een evenwichtige wijze worden afgewogen. Er zijn derhalve algemene uitgangspunten en voorwaarden die zijn opgenomen in de uittredings/opheffingsregeling en er vindt op basis daarvan vervolgens een nadere concretisering plaats in het uittredingsplan. Er is voor deze constructie gekozen omdat uiteindelijk niet iedere uittreding hetzelfde zal zijn; Wel vanuit zijn algemeenheid, maar niet vanuit de concrete situatie. Zoals het feit of het bijvoorbeeld een grotere gemeente of juist een kleinere betreft die uittreedt. Uitgangspunt daarbij is ook dat uitdrukkelijk op een evenwichtige wijze gekeken wordt naar zowel de belangen van de uittredende deelnemer als die van de achterblijvende deelnemers. Met het oog op die concretisering kunnen de uittredende gemeente en Avres gezamenlijk besluiten om het advies in te winnen van een onafhankelijke deskundige (lid 7). De besluitvorming rondom het uittredingsplan, vindt ook via de zienswijzeprocedure plaats. Met andere woorden: ook met betrekking tot het concrete uittredingsplan vindt besluitvorming hieromtrent pas plaats nadat de raden hun mening hierover hebben kunnen geven.
Voor wat betreft de besluitvorming in het algemeen bestuur vindt besluitvorming plaats bij een besluit dat instemming behoeft van twee derde van de leden. Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld de uittredende gemeente te allen tijde een veto zou kunnen uitspreken en de continuïteit van de gemeenschappelijke regeling - en daarmee voor de achterblijvende gemeenten -onder druk zou kunnen zetten, omdat bijvoorbeeld geen besluit 52
kan worden genomen over de toekomstige dekking van reeds gedane investeringen. Mochten de uittredende deelnemer en de achterblijvende deelnemers het na een besluit van het algemeen bestuur nog niet met elkaar eens zijn, dan is de geschillenregeling op grond van artikel 43 van deze regeling van toepassing. Het geschil zal dan worden voorgelegd aan gedeputeerde staten, die hierop een beslissing neemt. Omdat de uittreding ook gevolgen heeft voor de (tekst van) de gemeenschappelijke regeling stelt het algemeen bestuur een wijziging van de gemeenschappelijke regeling op. Deze wordt ter vaststelling toegestuurd aan de raden en de colleges van de overige deelnemende gemeenten aan de gemeenschappelijke regeling. De wijziging daarvan (zie ook artikel 41) kan pas plaatsvinden bij eensluidende besluiten van de raden en de colleges van de deelnemende gemeenten. Het besluit tot uittreding en het besluit tot aanpassing van de gemeenschappelijke regeling (artikel 41) worden door de gemeente Gorinchem naar het College van gedeputeerde Staten verstuurd. De aanpassing van de gemeenschappelijke regeling gaat in op de feitelijke datum van uittreden. De datum van uittreden is conform lid 9 niet eerder dan op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van opzegging, tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn hanteert.
Artikel 41 Wijziging Dit artikel geeft de procedure weer met betrekking tot de wijziging van de gemeenschappelijke regeling. Omdat het hier een gemengde raadsregeling betreft (van de raden en het college), dient de wijziging van de regeling ook de instemming van beide gemeentelijke organen. Omdat de oprichting van het openbare lichaam in de vorm van een gemeenschappelijke regeling plaatsvindt met instemming van de betrokken bestuursorganen van alle deelnemende gemeenten, is het vanzelfsprekend dat ook de betrokken bestuursorganen van alle deelnemende gemeenten instemmen met de wijziging van de gemeenschappelijke regeling. Vandaar dat in het vierde lid is opgenomen dat de wijziging van de gemeenschappelijke regeling met eensluidend besluit dient plaats te vinden. Artikel 42 Opheffing Een besluit tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling kan niet licht worden genomen. Een belangrijke reden hiervoor is dat opheffing de belangen van andere partijen, die bijvoorbeeld een continuering voorstaan, behoorlijk zou kunnen schaden. De uitwerking van de opheffingsbepalingen vindt plaats in de uittredings-/opheffingsregeling (afdeling II). Deze zijn ingestoken vanuit de maatwerksituatie van drie deelnemende gemeenten aan de GR.
Dit is ook inherent aan een beperkt aantal deelnemers, waarbij de besluiten van deelnemers tot uittreding, of de besluiten houdende een voorstel tot opheffing, van grotere invloed zijn voor de GR en achterblijvende gemeente(n), dan voor een GR waaraan meer dan drie deelnemers deelnemen: in dat geval had kunnen volstaan met een regeling die algemener van aard was. Bij de opheffingsbepalingen is overeenkomstig aangesloten bij de systematiek van de uittredingsbepalingen. Net als bij uittreding van een deelnemer, het voorlopige uittredingsplan ter zienswijze zal worden aan de raden en de colleges van de deelnemende gemeenten voordat het door het algemeen bestuur zal worden vastgesteld, zal ook het concept-liquidatieplan bij een opheffing ter zienswijze worden voorgelegd aan de raden en colleges van de deelnemende gemeenten. De inhoudsonderwerpen van het liquidatieplan en het uitgangspunt van de berekening voor de toerekening en toedeling van saldi en kosten i.v.m. opheffing worden nader uitgewerkt in de gecombineerde uittredings-/opheffingsregeling en dus niet in de GR zelf.
Hierbij wordt gehandeld naar analogie van de uittredingsbepalingen waar tijdens de parlementaire behandeling bij dit onderwerp is aangegeven dat in de tekst van de gemeenschappelijke regeling zelf, dergelijke gedetailleerde bepalingen niet noodzakelijk zijn, maar deze ook (bijvoorbeeld in een nadere regeling) elders kunnen worden uitgewerkt, zoals in de uittredings-/opheffingsregeling. Totdat de liquidatie is afgerond, blijft het bestuur feitelijk in functie, dat geldt zowel voor het algemeen, als het dagelijks bestuur.
Hoofdstuk 13 Geschillenbeslechting Artikel 43 Geschillenbeslechting
53
Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 44 Klachten Opname van dit artikel vloeit voort uit wettelijke verplichtingen een klachtenvoorziening in het leven te roepen over gedragingen van de bestuursorganen c.q. medewerkers van het openbaar lichaam.
Hoofdstuk 14 Evaluatie en rekenkameronderzoek Artikel 45 Evaluatie De fusie van de Avelingen Groep en de RSD enerzijds en de inwerkingtreding van de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen anderzijds, levert een ander type organisatie op en een andere wijze van bestuurlijk functioneren. De voorgestane nieuwe werkwijze zoals die in onderhavige gemeenschappelijke regeling wordt gepresenteerd, zal zich in de komende periode moeten gaan bewijzen. Om die reden is in de gemeenschappelijke regeling een evaluatiebepaling opgenomen. Het wordt wenselijk geoordeeld dat de periode 2016-2019 als aanloopperiode gemonitord wordt. Vastgelegd is dat er naar de situatie per 1 januari 2019 een evaluatie wordt uitgevoerd. Het evaluatierapport met daarin opgenomen conclusies en aanbevelingen van het algemeen bestuur zal worden voorgelegd aan de colleges van burgemeester en wethouders en de raden van de gemeenten. Deze wijze van terugkoppeling doet recht aan de positie van de colleges van burgemeester en wethouders en van de gemeenteraden als deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling. Artikel 46 Rekenkameronderzoek Met de opname van dit artikel wordt geborgd dat gemeentelijke rekenkamers c.q. –commissies ook de bevoegdheden hebben met het oog op de uitoefening van hun taken, om onderzoek te verrichten bij deze gemeenschappelijke regeling.
Hoofdstuk 15 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 47 Inwerkingtreding In het eerste lid staat aangegeven dat de gemeenschappelijke regeling een voortzetting is van haar beide rechtsvoorgangers “Wvs De Avelingen Groep” en de gemeenschappelijke regeling “Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden” Het tweede lid eerste zinsdeel, vloeit voort uit artikel 9, eerste lid Wgr, omdat de regeling niet voor een bepaalde maar voor onbepaalde tijd wordt aangegaan. Lid 3 t/m lid 5 zijn conform de wettelijke verplichtingen daaromtrent in de Wgr. Artikel 48 Overgangsbepaling Als gevolg van de opheffing en liquidatie van de gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden en de overheveling van de taken van dat openbaar lichaam naar de gemeenschappelijke regeling Avres, de rechtsopvolger van de gemeenschappelijke regeling Wvs Avelingen Groep, dient er gezorgd te worden voor een naadloze aansluiting in taakstelling en bevoegdheden. Daarmee wordt voorkomen dat er een vacuüm ontstaat in rechten en plichten dat aanleiding kan geven tot rechtsonzekerheid. Artikel 49 Citeertitel Dit artikel behoeft geen toelichting.
54