Bijlage 3A Bakertand_vastgesteld_2_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Het plangebied heeft mogelijk een functie als leefgebied voor de steenuil en kerkuil (beschermd conform Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb). De schuur in het westelijk deel van het plangebied heeft gelet op het aantreffen van een kerkuil en de aanwezigheid van braakballen en krijtsporen, een functie als roestplaats voor de kerkuil. Overige boerderijen met aangrenzende tuinen en erven zijn tevens geschikt als leefgebied van de steenuil. Aanvullend onderzoek naar de daadwerkelijke functie van het plangebied voor de kerkuil en steenuil achten wij noodzakelijk. Men dient hierbij rekening te houden met de periode waarin onderzoek naar steenuil en kerkuil uitgevoerd dient te worden. Dit betreft doorgaans de onderzoeksperiode februari tot en met april. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor de (kleine) marterachtigen als bunzing, wezel en steenmarter, met beschermingsregime Andere soorten artikel 3.10 Wnb. Aanvullend onderzoek achten wij noodzakelijk. Onderzoek dient met voorkeur te worden uitgevoerd conform de Handreiking kleine marters van de Provincie Noord-Brabant in de periode maart tot oktober. Vervolgonderzoek soorten Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend onderzoek is vervolgonderzoek uitgevoerd naar diverse soorten (Bijlage 12).
Binnen het plangebied zijn op basis van de uitgevoerde aanvullende (veld)onderzoeken, enkele beschermde soorten vastgesteld die leefgebied hebben binnen het plangebied en de directe omgeving. De beschermde soorten waarvoor maatregelen nodig zijn om negatieve effecten te ondervangen zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Er zijn geen essentiele leefgebieden (foerageergebied, rust- en/of verblijfsplaatsen/nestplaatsen) Bakertand Pagina 48 van 65
van de wezel, hermelijn en steenuil vastgesteld binnen het plangebied. Leefgebied van de huismus is wel aanwezig binnen het plangebied, namelijk rondom de bestaande te behouden woningen/boerderijen, maar zal niet worden aangetast door het planvoornemen. Realisatie van de beoogde woningbouw binnen Bakertand, zal gedeelteijk het leefgebied van de steenmarter en de bunzing aantasten. Er kan daarbij niet worden voorkomen dat er rust- en voortplantingsplaatsen worden beschadigd, en foerageergebied verdwijnt waardoor er sprake is van een overtreding van Artikel 3.10 lid 1a en 1b van de Wet natuurbescherming. Daarnaast zal de schuur met een kerkuil rustplaats (roestplaats) worden gesloopt, waardoor die verbodsbepaling vanuit de Wet natuurbescherming (artikel 3.1 lid 2 en 4) wordt overtreden. Het aanvragen van een ontheffing bij de provincie Noord-Brabant is derhalve noodzakelijk. Tevens zullen mitigerende en compenserende maatregelen getroffen dienen te worden. In dat kader is een activiteitenplan opgesteld en een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming ingediend bij het bevoegd gezag. Op 24 oktober 2022 is de ontheffingaanvraag in behandeling genomen. De verwachting is dat de ontheffing op grond van het activiteitenplan verleenbaar is. De uitvoerbaarheid van het planvoornemen is in het kader van dit bestemmingsplan aangetoond.
Uitvoeringsfase Tijdens de uitvoeringsfase dient men rekening te houden met de aanwezigheid van algemeen voorkomende broedvogels. Alle broedgevallen zijn gedurende de broedtijd beschermd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Echter, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Van belang is dat broedende vogels niet zodanig opzettelijk verstoord worden dat de gunstige staat van instandhouding van de soort in het geding komt. Naast bepalingen voor specifiek aangewezen soorten geldt krachtens artikel 1.11 (lid 1 & 2) van de Wet natuurbescherming, de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Via deze wet wordt eenieder medeverantwoordelijk gesteld voor de zorg en bescherming van flora en fauna en dient men geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen aantasten. Natuurnetwerk Nederland (NNN)/ Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het plangebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van het NNB, waardoor ruimtebeslag op voorhand is uitgesloten. Gelet op de afstand tot naastgelegen NNB en de barrièrewerking van tussengelegen gebouwen en infrastructuur zijn effecten vanuit de externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet aan de orde.
Derhalve achten we een nadere procedure in de vorm van een ‘nee, tenzij-toets’ niet noodzakelijk. Er zijn geen belemmeringen vanuit provinciaal natuurbeleid aan de orde. Naast de wettelijke toetsing is in het verkennend natuuronderzoek gekeken naar kansen voor biodiversiteit. De kansen zijn opgenomen in paragraaf 4.2.
5.4
Geluid
5.4.1
Relevant kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden onderzocht of na realisatie van het plan sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie. Op basis van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de vaststelling van ruimtelijke plannen: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. De Wgh benoemt situaties wanneer onderzoek nodig is naar geluidhinder en bevat normen voor de voorkeurswaarde en maximaal toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van woningen. Daarnaast kan het ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening nodig zijn inzicht te geven in de indirecte akoestische gevolgen van het plan bij omliggende bestaande woningen, zoals de akoestische gevolgen van eventueel verkeersaantrekkende werking.
Bakertand Pagina 49 van 65
5.4.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
In 2021 heeft Sweco een onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (Bijlage 14.). De belangrijkste conclusies uit het onderzoek worden hieronder weergegeven. In onderstaande tabel 5-1 zijn voor elke weg de maximale geluidbelastingen weergegeven voor de woonpercelen op 7,5m rekenhoogte, voor de basissituatie en indien van toepassing ook voor de situatie met extra bronmaatregel. Tevens zijn de wettelijke voorkeurswaarden een maximale ontheffingswaarden weergegeven. In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met de plafondcorrectie van 1,5 dB voor de Rijksweg A58.
Voor de Lage Wal is de geluidbelasting nergens hoger dan de voorkeurswaarde en is er geen aanvraag voor hogere waarden nodig. Voor de twee nieuwe wegen geldt dat de aanvraag van hogere waarden niet van toepassing is vanwege uitzondering van wettelijke zoneplichtigheid, maar eventuele aanvullende maatregelen kunnen wel worden overwogen. Voor de overige wegen geldt dat een deel van de beoogde percelen een geluidbelasting hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB ondervindt. Voor deze wegen kunnen bronmaatregelen worden getroffen in de vorm van stillere wegdektypen om de geluidbelastingen te verlagen. Bij geen van deze wegen is een stiller wegdektype voldoende effectief om de geluidbelasting op de perceelgrenzen volledig te reduceren tot 48 dB, dus de aanvraag van hogere waarden zijn nodig indien woningen worden geplaatst op de locaties waar een geluidbelasting hoger dan 48 dB optreedt. Overdrachtsmaatregelen in de vorm van geluidschermen of grondwallen zijn niet wenselijk aangezien het binnenstedelijke woonwijken betreft, en tevens is de beschikbare ruimte voor het plaatsen van grondwallen of geluidschermen beperkt. Bij de buitenstedelijke Abcovenseweg geldt dat er bij een gedeelte van de beoogde percelen een geluidbelasting hoger dan 53 dB optreedt.
Het toepassen van een stiller wegdek is onvoldoende effectief om de geluidbelasting op alle perceelgrenzen terug te brengen tot maximaal 53 dB. Er resteert een gedeelte van de perceeloppervlakken waar een geluidbelasting (ook met stiller wegdek) op 7,5m rekenhoogte hoger dan de maximale ontheffingswaarde optreedt. Op die locaties kunnen geen woningen worden gebouwd met een derde bouwlaag, tenzij de derde bouwlaag met een dove gevel aan de hoogst belaste zijde wordt gerealiseerd. Bij het resterende oppervlak van de percelen kunnen woningen worden gebouwd middels het aanvragen van een hogere waarde. Ook bij de A58 geldt dat er bij een gedeelte van de beoogde percelen een geluidbelasting hoger dan 53 dB optreedt. Dit geldt zowel op de tweede als de derde bouwlaag van de beoogde Bakertand Pagina 50 van 65
percelen, en tevens voor een deel van het nieuwe appartementencomplex. Voor de A58 zijn maatregelen reeds overwogen en maken onderdeel uit van de basissituatie, dus aanvullende maatregelen voor de A58 zijn niet verder onderzocht. Voor bijna alle woonpercelen en nieuwe appartementen dient een hogere waarde voor de A58 aangevraagd te worden. Ondanks dat er geluidscherm komt, treedt er nog steeds geluidsbelasting boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op. Hierdoor is er een hogere waardebesluit nodig. Daar waar de geluidbelasting hoger dan 53 dB is, kunnen geen woningen worden aangelegd tenzij de hoogstbelaste gevel als dove gevel wordt aangelegd of er op een andere manier de geluidbelasting verder wordt verlaagd. In onderstaande schema worden de geluismaatregelen beschreven.
Aandachtspunten:
Maatregel nodig
Hogere waarden
Abcovenseweg-Noord
Snelheid naar 50 k/m tot snelweg. Doortrekken scherm Ja (kokowall aan de westzijde). Hogere waarden verlenen voor de woningen tot 53dB met als onderbouwing verwijzen naar omgevingswet.
Bakertand
Snelheid naar 30 k/m. Zodoende geen maatregelen meer nodig
Rillaersebaan-West
Omgevingswet geeft aan 53 dB voor gemeentewegen. Dus Ja hogere waarden verlenen voor de woningen tot 53dB met als onderbouwing verwijzen naar omgevingswet.
Rillaersebaan-Oost
Omgevingswet geeft aan 53 dB voor gemeentewegen. Dus Ja hogere waarden verlenen voor de woningen tot 53dB met als onderbouwing verwijzen naar omgevingswet.
Bacseweg-Noord
30 k/m per uur tot aan weg parallel aan snelweg (lage wal). Dan geen hogere grenswaarde benodigd.
Nee
Bacseweg- Nieuwe Rotonde
Hogere waarde verlenen voor een specifieke groep woningen waar >53dB geldt.
Ja
Hoge Wal
Snelheid naar 30 k/m per uur tot aan Nee appartementencomplex, want wordt alles bebouwde kom. Geen hogere grenswaarde benodigd.
Abcovenseweg-Zuid
Toepassen van deklaag B stil asfalt. Hogere waarde verlenen voor woningen tot 53dB met als onderbouwing verwijzen naar de omgevingswet.
Ja
Snelweg - Westzijde
Hogere grenswaarde voor alle woningen
Ja
Snelweg - Oostzijde
Hogere grenswaarde voor alle woningen
Ja
Appartementgebouw
Alles wordt voldoende geluidsluw gerealiseerd. Bouwkundig moet het probleem worden opgelost.
Ja (voor de A58
Nee
Naast de geluidbelasting per weg is ook de gecumuleerde geluidbelasting onderzocht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De gecumuleerde geluidbelasting op de beoogde perceelgrenzen (het nieuwe appartementencomplex buiten beschouwing gelaten) vanwege het verkeer op alle wegen samen, in de basissituatie, zonder de aanvullende maatregelen die zijn onderzocht, bedraagt op 4,5m en op 7,5m hoogte respectievelijk maximaal 68 en 67 dB exclusief correctie artikel 3.4 RMG 2012. De gecumuleerde geluidbelasting op de woningen bedraagt maximaal 69 dB exclusief correctie op het nieuwe appartementencomplex. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de realisatie van de nieuwe woningen dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan het gestelde in afdeling 3.1 Bescherming tegen geluid van buiten zoals opgenomen in het Bouwbesluit. Dit betekent dat de buitengevels voldoende geluid dienen te weren Bakertand Pagina 51 van 65
om te zorgen dat het geluidniveau binnen in de nieuwe woningen maximaal 33 dB bedraagt. Reconstructie Rillaersebaan Om de nieuwe woonwijk te ontsluiten wordt het huidige kruispunt van de Rillaersebaan met de Guido Gezellelaan vervangen door een rotonde, met ook een aantakking naar de nieuwe wijk. Als gevolg van deze fysieke wijziging is akoestisch onderzoek naar het effect van de wijziging noodzakelijk. De voorgenomen wijzigingen betekenen een fysieke wijziging van meerderewegen, namelijk de Rillaersebaan en de Guido Gezellelaan. Omdat geluidgevoelige bestemmingen aanwezig zijn binnen de wettelijke geluidzones van deze wegen, moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de effecten van deze wijziging. Er is door Sweco onderzocht welk effect de fysieke wijzigingvan de Rillaersebaan heeft op de geluidsbelasting op de geluidgevoeligegebouwen binnen de geluidszone van deze weg (Bijlage 15). Uit de berekeningen blijkt dat de fysieke wijziging van de Rillaersebaan zorgt voor een toename van maximaal 2 dB. De hoogste toename is minstens 2 dB, dus is er sprake van reconstructie volgens de Wet geluidhinder. De fysieke wijzigingen aan de Rillaersebaan kunnen niet plaatsvinden zonder aanvullende maatregelen te onderzoeken om de toename in geluidbelasting te beperken.
Het plaatsen van absorberende geluidsschermen van 1 meter boven op de bestaande grondwallen langs de Rillaersebaan levert voldoende geluidreductie op alle woningen. Hierdoor vindt er geen toename in geluidbelasting plaats in de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie. Er is dan bij alle woningen geen sprake van een reconstructie volgens de Wet Geluidhinder. Door het plaatsen van de 1 meter hoge absorberende schermen boven op de bestaande grondwallen zijn verdere maatregelen niet nodig.
5.5
Bodemkwaliteit
5.5.1
Relevant kader
Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is of geschikt te maken is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar zijn. 5.5.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Sweco heeft in 2021 een historisch bodemonderzoek gedaan (Bijlage 16) . Door middel van het uitgevoerde historisch bodemonderzoek is inzicht verkregen in de te verwachten historische gegevens die mogelijk tot bodemverontreiniging heeft geleid. De verkregen onderzoeksgegevens zijn als voldoende betrouwbaar ingeschat om als basis te dienen om bodemonderzoek (veldonderzoek en laboratoriumonderzoek) te verrichten. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn de volgende diverse potentiële bronnen van bodemverontreiniging aanwezig: Over het algemeen zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie diverse percelen verdacht voor asbest, zware metalen en PAK. Tevens zijn er enkele percelen verdacht als gevolg van de voormalige opslag van minerale olie (Abcovenseweg 42, 49 en 55 en de schuur tegenover Bakertand 5), de voormalige aanwezigheid van tuinbouwkassen met als kritische parameters OCB’s (Abcovenseweg 49) en de voormalige aanwezigheid van een champignonkwekerij met de kritische parameters pentachloorfenol, endosulfan en OCB’s. Er dient rekening gehouden te worden met mogelijk instroom van bodemverontreiniging vanuit de nabij de onderzoekslocatie aanwezige percelen Hoge Wal 1 (hier is een tankstation met
Bakertand Pagina 52 van 65
gebruik van brandstofproducten), Bakertand 4a (zware metalen als gevolg van opslag mest) en Bakertand 5 (zware metalen als gevolg van opslag mest en minerale olie als gevolg van de opslag van diesel). Er zijn (vanuit bron Topotijdreis) enkele (momenteel) gedempte sloten en voormalig aanwezige wegen dan wel zand/puinpaden aanwezig (geweest) binnen de onderzoekslocatie. Kritische parameters die hiermee samenhangen zijn zware metalen, PAK en asbest. Tevens is in het verleden een voormalige boomgaard aanwezig geweest, waarbij als kritische parameter OCB’s onderzocht dient te worden (als aanvulling op de standaard-opzet). Momenteel zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie enkele sloten (onderzoek op basis van standaardpakket) en ook (puin)halfverhardingslagen en asfaltverhardingen aanwezig met als kritische parameters zware metalen, PAK en asbest. Afhankelijk van de definitieve invulling van de herinrichting zullen mogelijk enkele bestaande wegen en fietspaden onderdeel uitmaken van de onderzoeksopzet. Aandachtspunt hierbij is de aanwezigheid van de bermen en de aanwezigheid van dammen (toegang van weg naar erf) die mogelijk verontreinigd zijn. Het overige deel van de onderzoekslocatie (hierboven niet genoemd) kan onderzocht worden als onverdachte locatie (weiland en akkerland).
Ten slotte zijn twee percelen (Abcovenseweg 57a en Hoge Wal 15 en 17) te onderscheiden waar recentelijk reeds bodemonderzoek heeft plaatsgevodne; ter plaatse van deze percelen hoeft nu geen aanvullend bodemonderzoek verricht te worden. Afhankelijk van gemeentelijk beleid dient echter overwogen te worden de grond te verifiëren op bodemverontreiniging voor de locatie Hoge Wal 15 en 17, aangezien hier bodemonderzoek is verricht voorafgaand aan de sloop. Eventueel dient dan actualisatie-onderzoek plaats te vinden van de situatie na sloop. Voor de locatie Abcovenseweg 57a is al actualisatie-onderzoek verricht na sloop; hier is dus geen actualisatie-onderzoek benodigd. Op basis van het historisch bodemonderzoek en de uitkomsten dient in het vervolgtraject een onderzoeksstrategie voor het gehele gebied te worden bepaald met boringen en, indien nodig, asbestgaten, inclusief analyses. Dit verkennend bodemonderzoek kan gefaseerd worden uitgevoerd.
5.6
Luchtkwaliteit
5.6.1
Relevant kader
In de Wet Milieubeheer (Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Op grond van artikel 5.16 Wm verlenen college van burgemeester en wethouders alleen een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan wanneer aannemelijk is dat gemaakt dat: Het vergunde plan niet leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of; De luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijkt blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; Het vergunde plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; De ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de
Bakertand Pagina 53 van 65
luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn: Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg; Woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswoningen; Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg; Kantoorlocaties met een bruto oppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en één ontsluitingsweg. Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht. 5.6.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Woningbouwlocaties behoren tot één van de categorieën van projecten waarvoor in de Regeling NIBM getalsmatige grenzen zijn opgenomen waarbinnen een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. NIBM-grens woningbouwlocaties: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg of; 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. In 2021 heeft sweco onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit (Bijlage 17). Onderstaand worden de belangrijkste conclusie van het onderzoek benoemd. Maximale projectbijdrage Voor het bepalen van de projectbijdrage is gebruik gemaakt van de NIBM-tool (versie 06-04-2021). Deze tool berekend op basis van worstcase uitgangspunten de projectbijdrage op basis van de ingevoerde verkeersgeneratie van het plan. Voor de verkeersgeneratie van het plan is uitgegaan van de kengetallen van het CROW7. De vervoersbewegingen die hieruit zijn afgeleid bedragen 4497 vervoersbewegingen per dag (weekdaggemiddelde). Zie bijlage 1 voor de berekening van deze verkeersaantrekkende werking. Hierbij is voor de NIBM-tool een worst case aanname gedaan. Er is aangenomen dat 1% van de verkeersgeneratie bestaat uit vrachtverkeer. Alle woningen voor Bakertand zullen in 2031 gerealiseerd zijn en in de NIBM-tool gerekend voor het jaar 2022.
Dit is een worst-case scenario aangezien het Nederlandse wagenpark naar verwachting alleen schoner zal worden. In 2030 zullen de concentraties dan ook lager zijn. Als laatste is voor concentratiebijdrage PM2,5 aangenomen dat alle PM10 uitstoten bestaan uit PM2,5. Op basis van bovenstaande gegevens is de maximale bijdrage van het wegverkeer voor NO2 3,87 µg/m3, voor PM10 0,90 µg/m3 en voor PM2,5 0,90 µg/m3.
Bakertand Pagina 54 van 65
Figuur 5-3 Maximale concentratiebijdragen van de verkeersgeneratie van het plan
Toetsing grenswaarden plansituatie Om verder onderzoek te doen naar de luchtkwaliteit naar aanleiding van de NIBM-tool zijn de huidige concentratie waardes en de invloed van het plan afgezet tegen de grenswaardeszoals die nu bekend zijn. Voor de toetsing aan de grenswaarden zijn de maximale concentratiebijdragen ten gevolge van de verkeersgeneratie van het plan opgeteld bij de maximale huidige concentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. In tabel 5-2 zijn de gesommeerde jaargemiddelde concentraties van de luchtverontreinigende stoffen NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven. Het betreft hier dus de achtergrondconcentraties8 inclusief de concentratiebijdrage van het lokale wegverkeer (huidig + plan). Grenswaarde
Concentratie huidig
Concentratie -bijdrage plan
Concentratie huidig + plan
Jaargemiddelde 40 concentratie NO2
32,7
3,87
36,6
Jaargemiddelde 40 concentratie PM10
19,9
0,90
20,8
Jaargemiddelde concentratie PM2,5
12,1
0,90
13,0
25
Tabel 5-2 Maximale jaargemiddelde concentraties (µg/m3) stikstofdioxide en fijns tof
Uit de tabel blijkt dat op basis van worst case uitgangspunten er in de directe omgeving geen overschrijdingen zijn van de grenswaarden. Ter hoogte van de planontwikkeling zullen hiermee geen mensen worden blootgesteld aan concentraties boven de grenswaarden. Toetsing besluit gevoelige bestemmingen Aangezien er in het plan namelijk ook ruimte is voor een school of een andere maatschappelijke voorziening, dient er aandacht te worden besteed aan het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. In onderhavige situatie geldt een zone van 300 meter vanaf de rand van de Rijksweg A58. In het bestemmingsplan worden ter plaatse van de bestemming ‘Maatschappelijk’ gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt, zoals bedoeld in het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’.
Bakertand Pagina 55 van 65
Conform de planologische verbeelding (concept) bedraagt de afstand tussen de maatschappelijke bestemming en de Rijksweg A58 circa 650 meter. De maatschappelijke bestemming ligt hiermee buiten voornoemde onderzoekszone zodat het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’ geen belemmeringen oplevert voor het planvoornemen. Conclusie Uit de resultaten van het luchtonderzoek komt naar voren dat langs de ontsluitende wegen van het plangebied geen overschrijdingen optreden van de grenswaarden voor de concentraties stikstofdioxide en fijnstof. Hiermee worden ten gevolge van het plan ook geen mensen blootgesteld aan concentraties boven de grenswaarden. Hiermee voldoet het plan aan grondslag a van artikel 5.16 lid 1 uit de Wet milieubeheer. Er worden ook geen gevoelige bestemmingen gerealiseerd binnen de onderzoekszones zoals opgenomen in het Besluit gevoelige bestemmingen. Op het gebied van luchtkwaliteit is er geen belemmering om het plan tot uitvoering te brengen.
5.7
Externe veiligheid
5.7.1
Relevant kader
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt; Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. 5.7.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
Sweco heeft in 2021 een onderzoek gedaan naar de externe veiligheidssituatie in en rond het plangebied (Bijlage 18). De belangrijkste bevindingen van het onderzoek worden hieronder beschreven. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoor Breda – Tilburg en de rijksweg A58. Doordat het plangebied buiten een afstand van 200 meter van het spoor Breda – Tilburg ligt, zijn er geen risicoberekeningen noodzakelijk. Alleen een beperkte verantwoording groepsrisico is nodig. Plaatsgebonden risico De A58 heeft op het wegdeel langs het plangebied een PR10-6-contour, maar die ligt niet over het Bakertand Pagina 56 van 65
plangebied. Het PR vormt hiermee geen belemmering voor het plangebied. Groepsrisico De groepsrisicoresultaten van de relevante risicobronnen zijn samengevat in onderstaande tabel: Tabel 5-3 groepsrisicoresultaten
Situatie
Maximale waarde ten opzichte van oriëntatiewaarde
Huidige situatie
0,422
plansituatie
0,422
Plasbrandaandachtsgebied Het plangebied ligt voor een klein deel binnen het PAG. De bebouwingsvlakken liggen echter buiten het PAG. Voor nieuwbouw binnen een PAG moet op grond van artikel 10 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zorgvuldig afgewogen worden of nieuwe objecten binnen het PAG worden toegestaan. Zo ja, dan moeten die nieuwe objecten in het PAG voldoen aan extra eisen. Bijvoorbeeld eisen ten aanzien van brandwerendheid, die gelden op basis van afdeling 2.16 van het Bouwbesluit 2012. De kosten die hieruit voortvloeien komen voor rekening van de opdrachtgevers van de nieuwe bebouwing. Verantwoording groepsrisico De beschouwde risicobronnen kunnen leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken. De genoemde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Ondanks de reductie van het risico is er altijd sprake van een restrisico. Het bevoegd gezag gaat akkoord met het restrisico.
5.8
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Sinds 1 april 2011 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Eén van de wijzigingen in dit Besluit is dat in elk initiatief dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten) van het Besluit m.e.r., aandacht moet worden besteed aan de vraag of er al dan niet belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van uit te voeren activiteit(en) zijn. Daarom moet er voortaan bij elk planologisch besluit, maar ook bij bepaalde vergunningen, over activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r., een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' opgesteld worden. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of wanneer het een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is.
De (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit mer worden niet overschreden, zodat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' dient te worden uitgevoerd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 19. Op grond van deze uitkomsten is aan het bevoegd gezag voorgesteld om gelijktijdig met het besluit om voorliggend ontwerpbestemmingsplan vrij te geven voor inspraak, tevens te besluiten dat een verdere m.e.r.-procedure niet aan de orde is.
Bakertand Pagina 57 van 65
5.9
Conclusie
De diverse milieuaspecten vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Het plan wordt uitvoerbaar geacht.
Bakertand Pagina 58 van 65
Hoofdstuk 6
6.1
Opzet planregels
Plansystematiek
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).
6.2
Verbeelding
Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven.
6.3
Regels
De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezig en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3: Algemene regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels 6.3.1
Hoofdstuk 1: Inleidende regels
In Artikel 1 ('Begrippen') is een omschrijving gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Vervolgens is in Artikel 2 ('Wijze van meten') een omschrijving gegeven van de te gebruiken wijze van meten. 6.3.2
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
De regels in verband met de bestemmingen kennen alle een gelijke opbouw (voor zover van toepassing). De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van het aanvragen van een omgevingsvergunning. Door middel van een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van enkele bouwregels. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden De bestemming Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden ligt in de noordoosthoek van het plangebied, direct grenzend aan de Oostplas. Hierin is voornamelijk geregeld dat het Bakertand Pagina 59 van 65
bestaande agrarisch gebruik voortgezet kan worden en dat er mogelijkheden zijn voor waterberging. Artikel 4 Bedrijf De bestemming Bedrijf is specifiek bestemd voor de bestaande boerderijwinkel. Er zijn geen extra ontwikkelingsmogelijkheden opgenomen in deze regeling. Artikel 5 Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen De bestemming Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen is bestemd voor een verkooppunt motorbrandstoffen in de vorm van vloeibare brandstoffen, gecomprimeerd aardgas en elektra, met uitzondering van LPG en waterstof. Dit betreft het bestaande verkooppunt, de regeling is overgenomen uit het bestemmingsplan 'Bakertand, Abcovenseweg eo 2015', welke vigerend was tot vaststelling van dit plan. De regeling is daarbij beperkt aangepast passend bij de maatbestemming voor de huidige bedrijvigheid. Artikel 6 Groen - 1 De structuurdragende groenvoorzieningen in het plangebied hebben de bestemming 'Groen - 1' gekregen. Naast groen zijn hier ook in-, uitritten, voet- en rijwielpaden, nutsvoorzieningen, bermen en bermsloten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, vijvers en watergangen, hondenuitlaatplaatsen en hondentoiletten, speelvoorzieningen, voorwerpen van beeldende kunst en straatmeubilair toegestaan. Binnen de bestemming mogen bouwwerken worden gebouwd. Het bouwen van gebouwen in deze bestemming is niet toegestaan.
Artikel 7 Groen - 2 In afwijking op de voorgaande groenbestemming is een extra groenbestemming toegevoegd ter plaatse van de westrand van het plan. In deze groenbestemming zijn in afwijking op Groen - 1, géén wegen en parkeerplaatsen direct mogelijk. Artikel 8 Maatschappelijk Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van de toekomstige bouw van een maatschappelijke voorziening, zoals een BSO. Boven de maatschappelijke voorziening zijn woningen mogelijk. Artikel 9 Natuur Ter plaatse van de natuurbestemming is een natuurontwikkeling beoogd. Tevens is in dit gebied een geluidwerende voorziening toegestaan en is ruimte voor de (regionale) waterbergingsopgave. Artikel 10 Verkeer De hoofdverkeerstructuur is bestemd als 'Verkeer'. Op deze gronden is, naast de ontsluitingsfunctie, ruimte voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen, parkeerplaatsen, rijwielstalvoorzieningen en beeldende kunst. In deze bestemming zijn evenementen ook toegestaan. Artikel 11 Water De A-watergang aan de noordzijde van het plangebied is bestemd als 'Water'. De gronden zijn bedoeld voor water en waterhuishoudkundige doeleinden (waaronder waterlopen), waterbouwkundige kunstwerken, ecologische waarden en schouwpaden en groenvoorzieningen. Artikel 12 Wonen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan gronden waarop het wonen de hoofdfunctie is.
Dit betreft de bestaande woningen in het plangebied, waar op enkele percelen tevens de mogelijkheid is voor een extra woning. Daarnaast zijn in de woning en in de bijgebouwen onder voorwaarden aan huis gebonden beroepen en bedrijven als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan. Artikel 13 Woongebied Voor de nieuwe woongebieden in het plangebied is de bestemming 'Woongebied' opgenomen. Binnen deze gronden zijn maximaal 703 woningen en openbaar gebied beoogd. Het betreft een Bakertand Pagina 60 van 65
flexibele bestemming waarbinnen, naast de functie wonen, onder meer verkeersvoorzieningen, speel-, groen- en nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding mogelijk zijn. Daarnaast zijn in de woning en in bijgebouwen onder voorwaarden aan huis verbonden beroepen en bedrijven als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan. Artikel 14 Waarde - Archeologie Ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de grond is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Voor het bouwen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport van een archeologisch onderzoek over te leggen, waaruit moet blijken dat de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate veilig worden gesteld. Niet voor iedere bodemingreep is archeologisch onderzoek verplicht. In artikel 13 zijn de volgende uitzonderingen van de onderzoeksplicht opgenomen: werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen waaronder in ieder geval moet worden verstaan ploegen, eggen, het uitbaggeren van sloten en greppels, of werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan.
Tevens is een vergunning niet nodig indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn. Artikel 15 Waterstaat - Waterbergingsgebied Ter bescherming van de regionale waterberging, zoals aangeduid in de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, is een dubbelbestemming 'Waterstaat Waterbergingsgebied' opgenomen. Deze aanduiding ligt op enkele gronden grenzend aan de Oostplas en regelt dat enkel gebouwen ten dienste van de waterberging zijn toegestaan tot maximaal 2 meter hoog en dat werkzaamheden als het ophogen en aanbrengen van kades vergunningplichtig zijn. 6.3.3
Algemene regels
In hoofdstuk 3 van de regels is een aantal standaardregels opgenomen, te weten de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. Daarnaast zijn in de algemene regels ook voorwaardelijke verplichtingen opgenomen voor de benodigde compensatie van de regionale waterberging en voor de realisatie van de benodigde hemelwaterberging. 6.3.4
Overgangs- en slotregel
Artikel 25 Overgangsrecht In dit artikel is onder meer aangegeven dat de bestaande bouwwerken dan wel vergunde rechten tot het oprichten van een bouwwerk worden gerespecteerd, ook al wijken deze af van het onderhavige bestemmingsplan. Deze bouwwerken mogen gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is dus niet toegestaan om een bouwwerk af te breken en geheel te vernieuwen. In geval het bouwwerk door een calamiteit verloren is gegaan, mag wel tot gehele nieuwbouw worden overgegaan, mits de omgevingsvergunning voor het bouwen binnen een termijn van twee jaren na de calamiteit is aangevraagd. Deze bouwwerken mogen voorts nog, met maximaal 10% worden uitgebreid. De overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken zijn niet van toepassing op bebouwing die reeds in strijd was met het voor het onderhavige bestemmingsplan ter plekke van kracht zijnde plan. Voor gebruik van gronden en opstallen is eveneens bepaald dat het strijdig gebruik mag worden gecontinueerd. Een uitzondering wordt echter gemaakt voor het gebruik dat reeds strijdig was met het voor het onderhavige bestemmingsplan ter plekke van kracht zijnde plan. Verandering van het gebruik is niet toegestaan tenzij de afwijking naar haar aard en omvang niet wordt vergroot.
Bakertand Pagina 61 van 65
Artikel 26 Slotregel In dit artikel is de benaming van het bestemmingsplan opgenomen.
Bakertand Pagina 62 van 65
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de (economische) uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werk door de gemeente moet de economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een bestemmingsplan inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Hiermee wordt mede de economische uitvoerbaarheid bedoeld. Indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, hoeft de gemeente geen exploitatieplan op te stellen. De gemeente Goirle heeft met Bakertand B.V. een anterieure overeenkomst gesloten, welke toeziet op het gemeentelijk kostenverhaal voor de gehele ontwikkeling. Daarin is geregeld dat alle kosten van de gemeente zijn gedekt. De economische zekerheid van het plan is hiermee zeker gesteld.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1
Omgevingsdialoog
Ten behoeve van gebiedsontwikkeling Bakertand zijn diverse vormen van omgevingsparticipatie gehanteerd. Bij de start van het proces (bij het opstellen van het koersdocument) zijn ca. 700 brieven verspreid in de omgeving van het plangebied met de vraag of men zich wilde aanmelden voor het planteam Bakertand. 24 omwonenden hebben zich hiervoor aangemeld. Vanuit elke omliggende wijk konden vervolgens 2 bewoners deelnemen. Vanuit Abcoven Noord 2 bewoners, vanuit Boschkens Oost 2 bewoners, vanuit Grobbendonck Noord 2 bewoners en vanuit Bakertand zelf 3 bewoners. Daarnaast nam ook een vertegenwoordiger van Duurzaam Riel Goirle en vanuit het Biodiversiteitsteam Goirle Riel deel aan het eerste planteam overleg. Het biodiversiteitsteam Goirle Riel is na dit eerste planteam overleg via separate overleggen aangehaakt. In totaal zijn er inmiddels 7 formele planteam overleggen geweest en één apart overleg ten behoeve van afstemming met de wethouder: Planteam overleg 1: 18 september 2018. 11 planteam deelnemers. Planteam overleg 2: 14 mei 2019. 9 planteam deelnemers. Overleg planteam wethouder Swaans (overleg 3): 14 mei 2020 (digitaal ivm corona). Planteam overleg 4: 11 november 2020 (digitaal ivm corona). 6 planteam deelnemers. Planteam overleg 5: 1 februari 2021 (digitaal ivm corona): 7 planteam deelnemers. Planteam overleg 6: 1 november 2021.
6 planteam deelnemers, 7e planteamdeelnemer is apart bijgepraat. Planteam overleg 7: 8 december 2022 (fysiek) én 14 december 2022 (digitaal): 4 deelnemers, 3 deelnemers via het verslag op de hoogte gebracht. Van elk planteam overleg zijn verslagen gemaakt, behalve van overleg 3. Het planteam overleg wordt ook hierna doorgezet ten behoeve van de verdere inrichtingsplannen. In de verzonden brief werd ook de mogelijkheid geboden voor bewoners uit het gebied zelf om individueel in overleg te gaan met Bakertand BV. Hier is door diverse bewoners gebruik van gemaakt en er zijn dus ook diverse losse overleggen Bakertand Pagina 63 van 65
gevoerd met bewoners en grondeigenaren in het plangebied zelf. Naast de planteam overleggen zijn er nog andere overleggen geweest met de omgeving, waaronder een workshop en twee vervolg overleggen met bewoners uit Boschkens Oost, wonend aan de muur die grenst aan de Bakertand. Daarnaast is er een workshop geweest met onder andere het waterschap en het biodiversiteitsteam over de inrichting van de noordelijke zone. Daarnaast zijn nog enkele individuele overleggen gevoerd met het biodiversiteitsteam. Naast deze kleinere overleggen zijn er ook twee grote inloopavond geweest: Inloopavond 1: 8 februari 2021. Wegens corona was deze inloopavond digitaal. In totaal zijn er 700 brieven verzonden, en hebben bewoners van 45 adressen zich aangemeld. Van deze bewoners zijn 10 uiteindelijk niet aangesloten bij de avond en waren sommigen met 2 personen. De avond was verdeeld in 9 blokken van 20 minuten, met circa 5 aanmeldingen per blok. Op 9 februari 2021 is nog één blok georganiseerd. Daarnaast zijn er nog diverse mails met vragen en opmerkingen verzonden naar het mailadres van Bakertand BV. Van deze avonden is een verslag gemaakt.
De belangrijkste planinhoudelijke aandachtspunten die bewoners aandragen zijn de verdichting, de effecten op de bestaande verkeersstructuur en met name op de Abcovenseweg, de toegevoegde waarde van de noordzone als uitloopgebied, de aansluiting op en overgang naar de wijk Boschkens en de uitvoering van de maatschappelijke voorziening. Inloopavond 2: 12 december 2022. Deze avond vond plaats in de raadzaal van de gemeente Goirle. Omwonenden konden van 18.30u-21.30u binnen komen lopen, de plannen bekijken en vragen stellen. In totaal zijn er 700 brieven verzonden en daarvan hebben circa. 100 mensen de inloopavond bezocht. Aanwezigen konden ook een reactieformulier invullen en achterlaten met vragen en opmerkingen. Er zijn 13 formulier ingeleverd, waarvan 5 met interesse in de toekomstige woningen en de overige formulieren bevatten planinhoudelijke vragen of opmerkingen. De meeste opmerkingen hebben betrekking op de verwachtte verkeersdrukte en de verkeersstructuur en er zijn enkele vragen gesteld over het geluid op de bestaande woningen. De indieners hebben per mail reactie gekregen op hun vragen. 7.2.2
Inspraak
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en deze is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de geldende gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee is in artikel 150 van de Gemeentewet onder meer bepaald dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Inspraak zal plaatsvinden volgens de in de Inspraakverordening opgenomen procedure. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 27 januari 2022 drie weken ter inzage gelegen. Dit betekent concreet dat de termijn eindigt op 17 februari 2022 met het verstrijken van het tijdstip van 23.59 uur. Op dit moment zijn immers 21 dagen (van 24 uur) verstreken. Tien inspraakreacties zijn binnen de daarvoor genoemde termijn naar voren gebracht en kunnen derhalve inhoudelijk worden beoordeeld. Eén inspraakreactie is buiten de daarvoor genoemde termijn naar voren gebracht, maar is tevens inhoudelijk beoordeeld. 7.2.3
Vooroverleg
Het voorontwerpbestemmingsplan is aan diverse betrokken adviesinstanties en -organen toegezonden in het kader van overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening. De reacties die hieruit naar voren komen, zijn - indien nodig - verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Een samenvatting van de inspraak- en vooroverlegreacties en de beantwoording is opgenomen in Bijlage 20.
Bakertand Pagina 64 van 65
7.2.4
Vaststelling
Het ontwerpbestemmingsplan Bakertand heeft met ingang van 23 maart 2023 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Met terinzageligging wordt eveneens bedoeld het publiceren en inzichtelijk maken op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze periode heeft een ieder gelegenheid gehad een zienswijze naar voren brengen. Veertien zienswijzen zijn binnen de daarvoor genoemde termijn naar voren gebracht en zijn inhoudelijk beoordeeld. Een samenvatting van de zienswijzen en de beantwoording is opgenomen in Bijlage 21. Binnen 12 weken na ter inzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan stelt de gemeenteraad van Goirle het bestemmingsplan vast. De vaststelling van het bestemmingsplan dient in principe binnen 2 weken na de vaststelling bekend te worden gemaakt. 7.2.5
Beroep
Na vaststelling van het bestemmingsplan "Bakertand" kan binnen 6 weken na bekendmaking beroep worden ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bakertand Pagina 65 van 65