CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ontwerp CPO Riel toelichting.pdf

Raadsvergadering 24 juni 2025, gemeente GoirleBij agendapunt: 7: Raadsvoorstel Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan CPO Riel AANGENOMEN20.390 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Gemeente Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle’ Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad het Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle (PWR) vastgesteld. Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR leggen we vast wat we willen bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/bedrijven ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De wettelijke en beleidskaders die ten grondslag liggen aan dit PWR zijn beschreven in hoofdstuk 2.

50

Het PWR vervult vier hoofdfuncties: •

Kader gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater.

•

Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners.

•

Externe afstemming: met o.a. bewoners en bedrijven, ontwikkelaars en bouwbedrijven.

•

Continuïteit en voortgangsbewaking: vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie).

Gidsprincipes water In het verleden hebben gemeenten en waterschappen strategieën opgesteld om meer duurzaam om te gaan met afval- en hemelwater. Deze strategieën zijn inmiddels gemeengoed geworden en beschouwen we dan ook als gidsprincipes voor de komende jaren: •

We zamelen in principe het stedelijk afval- en hemelwater gescheiden in en ontvlechten zo de (schone en vuile) waterstromen;

•

We streven ernaar om het hemelwater zoveel als mogelijk bovengronds en zichtbaar te verwerken;

•

We weren de lozing van hemelwater afkomstig van inrichtingen op vuilwater riolering;

•

We betrekken de kenmerken en knelpunten van zowel het regionale (stroomgebiedsbenadering) als het stedelijke watersysteem in de omgang met hemelwater. We streven naar watersysteemherstel;

•

We wentelen water- en waterbergingsopgaven niet af naar andere locaties/gebieden, tenzij dit doelmatig is;

•

We kiezen voor robuuste (zo min mogelijk onderhoudsgevoelige) oplossingen;

•

We gaan doelmatig en maatschappelijk kostenbewust om met de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van het watersysteem;

•

We streven naar meer centrale, robuuste en goed te beheren rioolvoorzieningen;

•

We hanteren de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren voor de omgang met hemelwater:

1.

Vasthouden: doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, enz.;

2.

Bergen: overtollig hemelwater bergen we eerst in het stedelijk watersysteem;

3.

Afvoeren: pas bij volledige benutting van de berging voeren we het overtollige hemelwater af naar het regionale watersysteem

•

We streven naar grootschalige goed beheersbare infiltratievoorzieningen in openbaar gebied. Kleinschalige infiltratievoorzieningen worden na het einde van de levensduur niet hersteld;

•

Voor grondwaterbeschermingsgebieden volgen we het provinciaal beleid conform de gebiedsdossiers.

Klimaatadaptatie Bij ruimtelijke inrichtingen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering om zo waterschade te voorkomen en de gevolgen indien er schade optreedt te beperken. Om toe te werken naar een robuust Goirle worden bij elke ontwikkeling klimaatadaptieve maatregelen en waterrobuustheid meegenomen als uitgangspunt. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente Goirle de 70 mm/h bui uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) als norm om inpandig geen waterschade te hebben. Deze bui wordt ook gebruikt om de robuustheid / kwetsbaarheid van de hoofdinfrastructuur (ontsluitingsrouten, calamiteitenverkeer, etc.) te toetsen.

51

Waterberging De realisatie en compensatie van waterberging volgens geldende Brabant Keur en de verordening hemel- en grondwater 2021 Goirle, of diens opvolger, zal worden geborgd door in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen. Met de beoogde herontwikkeling vindt een toename van verhard oppervlak plaats van meer dan 500 m². De beoogde herontwikkeling van het plangebied ziet toe op nieuwbouw van 33 woningen. Voorzien dient dan ook te worden in een waterbergingsvoorziening van 60 mm/m² verhard oppervlak op eigen terrein met een minimum van 0,5 m³. Bij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van de woningen wordt nader ingegaan op de definitieve oppervlakte verharding en daarmee de vereiste waterbergingsvoorziening.

6.2 Huidige en toekomstige situatie In de huidige situatie is enkel sprake van grasland. Met de beoogde herontwikkeling worden 33 nieuwe woningen gerealiseerd, met bijbehorende ontsluiting, parkeerplaatsen, bijgebouwen en erfverharding. Navolgende figuur geeft een beeld van de beoogde verkaveling en woningbouw in het kader van de planontwikkeling.

Figuur 4: Beeld van beoogde toevoeging van woningbouw en ontsluiting binnen het plangebied

52

Figuur 5: oppervlakte verdeling plangebied

Sprake zal zijn van maximaal 33 nieuwe woningen met bijbehorende erfverharding. De bergingscapaciteit dient 60 mm per vierkante meter te bedragen en de voorziening dient gerealiseerd te worden boven de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bodem en grondwater In het kader van de Wro dient aangetoond te worden of de bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de nieuwe functie en hoe toekomstige verontreinigingen voorkomen kunnen worden.

Ten behoeve van een eerste indicatie van de grondwaterstand is de landelijke database dinoloket geraadpleegd. Rondom het plangebied zijn meerdere peilbuizen te raadpleegen. 3 recente peilbuizen (meetperiode 2018-2020) en een oude peilbuis met een meetperiode tussen 1952 en 1979. Op basis van het jaar maxima is een gemiddelde bepaald voor de hoogste grondwaterstanden. De volgende gemiddelde hoogste grondwaterstanden kunnen worden aangehouden. Peilbuis B50E0485 = 16,20 m+ NAP Peilbuis B50E1375 = 13,83 m+ NAP Peilbuis B50E1377 = 13,28 m+ NAP Peilbuis B50E1379 = 13,06 m+ NAP Op basis van de locaties is een grondwaterstroming in noordoostelijke richting waar te nemen. Voor het plangebied kan op basis van deze stroomrichting de waterstand worden bepaald op basis van het verhang tussen peilbuis B50E1375 en B50E1377. Op basis van de waardes van deze peilbuizen is in het plangebied sprake van een verhang van 2,75 mm/m. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) word daarmee ingeschat tussen de 13,83 en 13,58 m+ NAP. Ten opzichte van maaiveld ligt het tussen de 3,39 en 2,32 m- mv.

53

Tijdens het bemonsteren van het grondwater is de grondwaterstand vastgesteld op 1,95 tot 2,77 m-mv bij een filterstelling van 2,10-3,10 m-mv. Oppervlaktewater en watergangen Binnen het plangebied is geen sprake van oppervlakte water of watergangen. Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. Geadviseerd wordt zoveel mogelijk gebruik te maken van milieuvriendelijke en/of biobased bouwmaterialen. Afvalwater De woningen worden met een nieuwe aansluiting gekoppeld aan de bestaande infrastructuur in de omgeving. Afspraken over de riolering worden vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente Goirle.

Hemelwater Voor hemelwater dient onderstaande voorkeursvolgorde te worden toegepast, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. hergebruik 2. vasthouden / infiltreren 3. bergen en afvoeren 4. afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. afvoeren naar de riolering Op basis van de ingeschatte GHG wordt het als haalbaar geacht om zowel voor de particuliere als voor het openbaar terrein een ondergrondse waterberging aan te leggen. Opgave De toename aan verhard oppervlak bedraagt 7.503 m2 (7502,5 m2) het totale plangebied kent daarmee een wateropgave van 450 m3 (450,15) m3. In het openbare terrein een wadi wordt aangelegd met een inhoud van ca 40 m3 en een infiltratievoorziening met 195,16 m3. In totaal dus 235,16 m3. Dat betekent dat in het particulier terrein nog ca 215 m3 moet worden geborgen. Binnen het plangebied is de bergingsopgave op basis van de bergingseis van 60 mm, van 14 kavels kleiner dan de berging die moet worden gecompenseerd. Deze 14 kavels hebben een gezamenlijke bergingsopgave van 67,6 m 3. Waarmee op de 19 andere kavels nog 7,76 m3 moet worden aangelegd. In de onderstaande tabel staat dit weergegeven.

54

Uitwerking Op basis van de ingeschatte GHG wordt het als haalbaar geacht om zowel voor de particuliere als voor het openbaar terrein een ondergrondse waterberging aan te leggen. Daar staat tegenover dat de gemeente voor de voorzieningen de voorkeur geeft aan een bovengrondse waterberging. Bij de vormgeving van de technisch oplossing is het van belang te beseffen dat in het maaiveld een verschil van 1,35 m zit. Ter hoogte van de Peelland en de Maasland is er sprake van een maaiveldniveau van 17,20 tot 17,25 m+ NAP terwijl ter hoogte van de aansluiting met de Kerkstraat het maaiveldniveau ca 15,90 m+ NAP bedraagt. Kortom het hoogte verschil vormt een aandachtspunt bij de vormgeving van de bergingsvoorziening. Door het hoogte verschil is uitgegaan dat een deel van het terreinoppervlak (de herinrichting van de Maasland en het parkeerterrein in het verlengde daarvan) oppervlakkig danwel via een lijngoot kan afwateren op een wadi in de groenstrook tussen het zorgcomplex en de kavels 10 t/m 14. Deze wadi kan een bergingsinhoud hebben van 40 m3. In de haaksparkeervakken en de daarvoor liggende rijbaan ter hoogte van de aansluiting met de kerkstraat is uitgegaan van een bergingskelder met een oppervlak van 8 bij 20 m. Hierdoor is in de kelder ca 222 m3 te bergen. Het restant van de berging dient te worden gerealiseerd op de privé percelen.

In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om zeker te stellen dat er voldoende waterberging binnen het plangebied wordt gerealiseerd.

55

Toename compenseren in centrale berging

Wadi in groenstrook realiseren (40 m³)

Infiltratiekelder (222 m³)

Particuliere bergingen op eigen terrein

Waterberging

56

HOOFDSTUK 7. OPZET PLANREGELS In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen.

7.1 Plansystematiek Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomend dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven. Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP betreft: -

bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming;

-

bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken;

-

nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken;

-

afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels;

-

specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming;

-

afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels;

-

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

-

omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk ;

-

wijzigingsbevoegdheid.

Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen: Groen, Verkeer-Verblijfsgebied, Wonen. Groen Structurele groene gebieden in het plangebied hebben deze bestemming gekregen. Daarnaast zijn onder meer ook in-, uitritten, voet- en rijwielpaden, nutsvoorzieningen, bermen en bermsloten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, vijvers en watergangen, hondenuitlaatplaatsen en hondentoiletten, speelvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van biodiversiteit, voorwerpen van beeldende kunst en

57

straatmeubilair toegestaan. Binnen de bestemming mogen bouwwerken worden gebouwd en tevens zijn kleine gebouwtjes toegestaan. Verkeer – Verblijfsgebied Deze bestemmingen zijn opgenomen voor de wegenstructuur van het plangebied. Wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie zijn bestemd tot Verkeer-Verblijfsgebied. Wegen, paden en straten met overwegend een verkeersfunctie hebben de bestemming Verkeer. Naast voornoemd verschil is het verschil tussen de twee bestemmingen vooral gelegen in het feit dat binnen de bestemming Verkeer-Verblijfsgebied tevens speelvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van biodiversiteit, markten en standplaatsen voor ambulante handel, evenementen, terrassen ten behoeve van horeca en garageboxen zijn toegestaan. Wonen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan gronden waarop het wonen de hoofdfunctie is. Daarnaast zijn in de woning en in de bijgebouwen onder voorwaarden aan huis gebonden beroepen en bedrijven als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan. De begrippen aan huis verbonden beroep en bedrijf zijn omschreven in artikel 1 van de planregels. Belangrijke voorwaarden voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep en bedrijf als nevenfunctie zijn onder meer dat de nevenfunctie ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en dat degene die de nevenfunctie uitoefent ook zelf de bewoner van de woning is.

Voorts geldt dat geen detailhandel mag plaatsvinden en dat aan huis gebonden bedrijven behoren tot de categorie A volgens de als bijlage bij de regels gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten. De toelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten is opgenomen als bijlage bij de toelichting. Verbeelding Op de verbeelding zijn binnen het bestemmingsvlak een bouwvlak aangewezen. Woningen (hoofdgebouwen) zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, behoudens een algemene regeling voor overschrijding van bouwgrenzen. Bijgebouwen mogen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Voor de maximale goot- en bouwhoogte van woningen gelden de maxima zoals die op de verbeelding zijn aangegeven. Op de verbeelding zijn alle woningen in een bouwvlak opgenomen. Bouwregels De bouwmogelijkheden zijn gekoppeld aan het begrip bouwperceel. De omschrijving van een bouwperceel luidt als volgt: 'een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan'. Daarmee beslaat het bouwperceel nagenoeg altijd het gehele perceel. Het begrip bouwperceel is in die zin direct toepasbaar voor alle particuliere percelen. Onder bouwwerken vallen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen. De bouwregels maken onderscheid tussen de woning (het hoofdgebouw), bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde.

Onder bijgebouwen worden begrepen alle vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen. De begripsomschrijving is in artikel 1 opgenomen. De maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen dat ter plaatse van het gebied 'bijgebouwen 'wordt toegestaan is afhankelijk van de oppervlakte van het (kadastrale) perceel. De volgende indeling en maatvoering wordt daarbij gehanteerd:

58

1

een bouwperceel met een bouwperceel met een

maximaal 50 m²

oppervlakte tot 150 m² 2

een bouwperceel met een oppervlakte van 150 m²

maximaal 60 m²

tot 200 m² 3

een bouwperceel met een oppervlakte van 200 m²

maximaal 68 m²

tot 250 m² 4

een bouwperceel met een oppervlakte van 250m²

maximaal 75 m²

tot 500 m² 5

een bouwperceel met een oppervlakte vanaf 500 m²

maximaal 100m²

Deze bepaling geldt alleen voor het gebied 'bijgebouwen'. Voor het bepalen van de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen is dus alleen de oppervlakte die ter plaatse van het gebied 'bijgebouwen' aanwezig is, bepalend. De bepaling is dus niet van toepassing op het bouwvlak voor de woning. Een aangebouwd bijgebouw mag voor woondoeleinden worden gebruikt, mits dat niet leidt tot een toename van het aantal woningen. De goothoogte van bijgebouwen mag maximaal 3,65 meter bedragen, de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen. Indien binnen een bouwvlak voor een woning, een gebouw de maximale hoogtemaat van een bijgebouw overstijgt, dan zal dat gebouw niet worden beschouwd als bijgebouw, omdat het in bouwkundige opzicht niet ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Toetsing vindt dan plaats aan de hoogtematen voor het hoofdgebouw, de woning. Carports In de bouwregels is een afzonderlijke regeling opgenomen voor carports. In artikel 1 wordt het begrip carport omschreven. Op elk bouwperceel mag maximaal één carport van maximaal 30 m² worden opgericht, welke achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning moet worden gebouwd. Daarnaast geldt, dat een carport grotendeels moet worden opgericht naast de zijgevel van de woning. De hoogte van een carport mag niet meer dan 3,25 meter bedragen.

Erfafscheidingen In de bouwregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, is een regeling opgenomen voor erfafscheidingen. Erfafscheidingen vóór (het verlengde van de) naar de weg gekeerde gevel van de woning mogen niet hoger zijn dan 1 meter; overige erfafscheidingen niet hoger dan 2 meter. Onder omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Beroep/bedrijf aan huis Zoals hierboven aangegeven mogen de woning en de daarbij behorende bijgebouwen tevens worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep/bedrijf. Hierbij geldt, dat maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning of bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 60 m² mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep/bedrijf. Het percentage van 30 % wordt berekend over het bestaande totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen.

Mantelzorg In de gebruiksregels is, naast het algemene verbod om gronden in strijd met de bestemming te gebruiken, een verbod opgenomen om bijgebouwen (niet zijnde aangebouwde bijgebouwen te gebruiken voor (al dan niet afhankelijke) bewoning. Van deze bepaling kan worden afgeweken ten behoeve van mantelzorg.

59

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemeen geldende bouw-, gebruiks-, aanduidings-, procedure-, afwijkingsen wijzigingsregels. Anti-dubbeltelbepaling In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. De anti-dubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan. Algemene bouwregels Deze regels bevatten een regeling voor een beperkte overschrijding van bouwgrenzen. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de ruimte tussen bouwwerken. Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen, indien het bestemmingsplan dat toestaat, als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan afwijken, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een opening in de zijgevel van het gebouw. Tenslotte is in de algemene bouwregels de parkeernorm opgenomen.

Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de algemene gebruiksregels voor wat betreft strijdig gebruik. Algemene procedure regels In dit artikel zijn de regels opgenomen die burgemeester en wethouders in acht dienen te nemen bij het nemen van een besluit omtrent een nadere eis overeenkomstig een in het plan opgenomen regel over andere eisen. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het corrigeren van de bestemmingsgrenzen ten behoeve van een praktische uitvoering van het plan. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen ten aanzien van de wettelijke regels. Overige regels Dit artikel bevat een bepaling over de wettelijke regelingen waar in de planregels naar wordt verwezen. Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was

60

ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Gebruik dat strijdig was met het vorige bestemmingsplan blijft strijdig. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds worden gehandhaafd. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Het overgangsrecht volgt uit het Besluit ruimtelijke ordening, dat verplicht tot het opnemen van een standaard overgangsregel voor bouwwerken (artikel 3.2.1) en gebruik (artikel 3.2.2). Slotregel Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

61

HOOFDSTUK 8. UITVOERBAARHEID 8.1 Economische uitvoerbaarheid In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom de grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meerdere hoofdgebouwen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen. Een exploitatieplan dient tegelijkertijd met een bestemmingsplan te worden vastgesteld. In de Wro is tevens opgenomen, dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van kosten bij de grondexploitatie. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet een expliciet besluit worden genomen dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.

Onderzoekuitvoerbaarheid Conform artikel 3.1.6, onder f, Bro heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. De kosten voor de woningbouwontwikkeling komen voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het gaat om een economisch uitvoerbaar plan.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het plan is onderworpen aan inspraak en heeft ter inzage gelegen voor ingezetenen van de gemeente Goirle en belanghebbenden. Tijdens deze periode konden zij schriftelijk een inspraakreactie indienen bij het college van burgemeester en wethouders van Goirle. Van de gevoerde inspraakprocedure is een eindverslag opgesteld dat als bijlage in deze toelichting is opgenomen. Van het gevoerde overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is een verslag gemaakt dat eveneens in de bijlagen is opgenomen.

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1842/documents/29705