Bijlage 1 Ontwerp CPO Riel toelichting.pdf
Tekst van het document
GEMEENTE GOIRLE
B E S T E M M I N G S P L A N CPO RIEL (RIEL)
GEMEENTE BESTEMMINGSPLANNUMMER SCHAAL VAN DE VERBEELDING STATUS PLAN DATUM TERVISIELEGGING ONTWERP DATUM VASTSTELLING
DATUM UITSPRAAK ABRS DATUM INWERKINGTREDING DATUM ONHERROEPELIJK NAAM EN ADRES OPSTELLER
: : : : : : : : : :
GOIRLE NL.IMRO.0785.BP2023004COLLECTIE-OW01
1:1000 ONTWERP
21 DECEMBER 2023
CRIJNS RENTMEESTERS BV KONINGSPLEIN 20 5721 GJ ASTEN
1
PLANTOELICHTING
2
INHOUDSOPGAVE PLANTOELICHTING HOOFDSTUK 1.
INLEIDING ................................................................................................... 5
1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ........................................................................................... 5
1.2
Ligging en begrenzing plangebied .............................................................................................................. 5
1.3
Vigerende bestemmingsplannen ............................................................................................................... 7
1.4
Bij het plan behorende stukken ................................................................................................................. 7
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................................................... 7
HOOFDSTUK 2.
BESCHRIJVING PLANGEBIED ......................................................................... 8
2.1
Historische ontwikkeling ............................................................................................................................ 8
2.2
Ruimtelijke en functionele structuur ......................................................................................................... 8
2.3
Technische structuur .................................................................................................................................. 9
HOOFDSTUK 3.
RUIMTELIJK BELEIDSKADER ....................................................................... 10
3.1
Rijk ............................................................................................................................................................ 10
3.2
Provincie ................................................................................................................................................... 12
3.3
Gemeente ................................................................................................................................................. 15
HOOFDSTUK 4.
THEMATISCHE BELEIDSKADERS .................................................................. 18
4.1
Stedenbouwkundige uitgangspunten ...................................................................................................... 18
4.2
Beeldkwaliteit ........................................................................................................................................... 20
4.3
Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg .................................................................................. 22
4.4
Volkshuisvesting ....................................................................................................................................... 24
4.5
Groen ........................................................................................................................................................ 26
4.6
Verkeer en parkeren ................................................................................................................................ 26
4.7
Duurzaamheid .......................................................................................................................................... 27
HOOFDSTUK 5.
MILIEUASPECTEN ...................................................................................... 28
5.1
Milieuhinder en bedrijven ........................................................................................................................ 28
5.2
Externe veiligheid ..................................................................................................................................... 29
5.3
Kabels, straalpad ...................................................................................................................................... 32
5.4
Geluid ....................................................................................................................................................... 32
5.5
Lucht ......................................................................................................................................................... 33
5.6
Geur .......................................................................................................................................................... 36
3
5.7
Bodem ...................................................................................................................................................... 37
5.8
Natuur ...................................................................................................................................................... 40
5.9
Milieueffectrapportage ............................................................................................................................ 44
HOOFDSTUK 6.
WATER ...................................................................................................... 49
6.1
Beleid ........................................................................................................................................................ 49
6.2
Huidige en toekomstige situatie .............................................................................................................. 52
HOOFDSTUK 7.
OPZET PLANREGELS ................................................................................... 57
7.1
Plansystematiek ....................................................................................................................................... 57
7.2
Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels .......................................................................................... 57
7.3
Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels ...................................................................................... 57
7.4
Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels ........................................................................................... 60
HOOFDSTUK 8.
UITVOERBAARHEID ................................................................................... 62
8.1
Economische uitvoerbaarheid .................................................................................................................. 62
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid .......................................................................................................... 62
Bijlage 1.
Eindverslag inspraakprocedure
2.
Verslag overleg besluit ruimtelijke ordening
3.
Toelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten
Separate bijlagen: 4.
QuickScan flora en fauna
5.
Aanvullende ecologische Quickscan
6.
Bodemonderzoek
7.
Asbestonderzoek Kerkstraat 10 en 26
8.
Nader onderzoek minerale olie Kerkstraat 10
9.
Archeologisch onderzoek
10. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 11. Rapportage stikstof 12. Boomeffectanalyse 13. Verslag omgevingsdialoog
4
HOOFDSTUK 1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Dit bestemmingsplan is opgesteld ten behoeve van een woningbouwontwikkeling in de kern van Riel. De inbreidingslocatie is gelegen tussen de wegen Maasland, Peelland en Kerkstraat. Navolgend wordt ook wel gesproken over het plangebied. Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd en bestaat voornamelijk uit grasland. Beoogd wordt het plangebied te herontwikkelen naar woningbouwlocatie met maximaal 33 grondgebonden woningen, in de vorm van aaneen gebouwde woningen, twee-onder-een-kap woningen, vrijstaande woningen en patiowoningen. Het planvoornemen betreft een CPO project. Er wordt gebouwd voor zowel starters, doorstromers als senioren. Het plangebied is bij vaststelling van het bestemmingsplan ‘Kom Riel’ in 2007 bestemd als ‘Woondoeleinden’. Het
bestemmingsplan
biedt
geen
mogelijkheden
rechtstreeks
te
voorzien
in
de
beoogde
woningbouwontwikkeling vanwege het ontbreken van de benodigde bouwvlakken. Derhalve wordt deze procedure tot herontwikkeling doorlopen. Deze toelichting dient als motivering bij de te volgen procedure. Uit deze toelichting blijkt dat het plan past binnen het beleidskader en dat met deze herbestemming sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen in de kern van Riel, tussen de wegen Maasland, Peelland en Kerkstraat. Op navolgende figuur is de ligging van het plangebied aangewezen op topografische kaart.
Plangebied
Luchtfoto plangebied en omgeving
5
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de geldende verbeelding weer.
Uitsnede verbeelding 'Kom Riel'
Het plangebied bestaat uit de percelen kadastraal bekend als gemeente Goirle, sectie F, nummers 122, 130, 131, 1436 (ged.), en 1542 (ged.). Het plangebied kent hiermee een oppervlakte van circa 10.500 m². Navolgende figuur geeft een kadstraal overzicht weer, geprojecteerd op een luchtfoto. Het plangebied is omkaderd met blauwe bolletjeslijn.
Kadastrale kaart met het plangebied aangeduid met blauwe stippellijn
6
1.3 Vigerende bestemmingsplannen Kom Riel Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, geldt in het plangebied het bestemmingsplan Kom Riel, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 19 juni 2007 en op 8 november 2007 in werking is getreden. Bestemmingsplan
Vastgesteld
Inwerking
Onherroeplijk
ABRvS
Kom Riel
19 juni 2007 8 november 8 november 2007 2007
Parapluplan
12
maart 10 mei 2019
10 mei 2019
-
2019 Parapluplan gemeente Goirle Een paraplubestemmingsplan biedt de mogelijkheid alle (of een groot aantal) bestemmingsplannen binnen de gemeente in één keer te herzien voor een of meer onderwerpen. Daartoe is het bestemmingsplan ‘Parapluplan gemeente Goirle’ opgesteld. Dit paraplubestemmingsplan gaat over de volgende onderwerpen: terrassen, standplaatsen, evenementen, parkeren en zendmasten. Bij dit bestemmingsplan zijn enkel de regels opgenomen voor zover deze relevant zijn bij onderhavige ontwikkeling.
1.4 Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook de inhoud van het vigerend beleid beschreven en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.
1.5 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleidskader van rijk, provincie en gemeente. Het thematische beleidskader komt aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.
7
HOOFDSTUK 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED 2.1 Historische ontwikkeling Het dorp Riel is samengesteld uit de gehuchten Brakel, Zandeind en de dorpskom of Kerkeind. Brakel is daarvan het oudste buurtschap, waar al in de prehistorische en Romeinse tijd bewoners gevestigd waren. Zo zijn in 1840 op de heide onder Brakel meer dan 50 urnen opgegraven. Riel is een typisch Brabants esdorp. De dorpen zijn hier niet, zoals in Drenthe, concentrisch van vorm, maar langgerekt. Deze zogenaamde kransakkerdorpen breidden zich uit naarmate de beschikbare bouwgrond rondom de akkers vol raakte. Nieuwe vestigingen vonden dan wat verderop aan de kronkelige weg rondom de akkers plaats. Dit nederzettingspatroon is in Riel goed bewaard gebleven. Een bijzonderheid is dat de eerste ontginningsactiviteiten hier al in de 7e eeuw moeten hebben plaatsgevonden. De blokvormige verkaveling, waarbij akkers door hagen en houtwallen omringd werden om het vee te weren, is in Riel nog steeds te herkennen. In de eeuwen vóór het gebruik van kunstmest werden de akkers vruchtbaarder gemaakt door er zoden op te leggen die met dierlijke mest waren vermengd. Dit verklaart het holle, hoge karakter van de oude akkers. In de 12e eeuw kwam er in Riel een opleving in de ontginning van de woeste gronden, doordat een kerkelijke instelling zich hierop toelegde.
Later, toen Brabant door de Staten-Generaal tot Generaliteitsland was verklaard en als een wingewest werd uitgebuit, hadden de boeren weinig reden en mogelijkheden om hun arsenaal uit te breiden. De meeste boerderijen ter plaatse dateren uit het einde van de 19e eeuw, omdat bij een grote brand in 1877 vele hoeven verloren gingen. Riel maakte deel uit van de heerlijkheid Hilvarenbeek, maar lag echter daarvan gescheiden door het grondgebied van Goirle.
2.2 Ruimtelijke en functionele structuur Deelgebied ten westen van de Dorpsstraat/Kerkstraat tot Vier Kwartieren I Het plangebied ligt in de kern Riel, ten westen van de wegen Dorpstraat/Kerkstraat. Dit woongebied (Ronde Akkers) is aangelegd tussen 1985 en 1995. Het heeft alleen een woonfunctie en kent een hoge bebouwingsdichtheid met relatief veel openbaar groen. De huiskavels zijn relatief klein, hetgeen wordt gecompenseerd door het openbaar gebied. Het woongebied vertoont net als woonbuurt Leykant een vrije groepering van woningen, waardoor ruimtelijk een afwisselend beeld is ontstaan, dat mede vanwege de ontsluiting redelijk aansluit op de lintbebouwing. Het gebied bevat vrijstaande woningen, geschakelde woningen, twee-onder-een-kapwoningen en rijwoningen. Aan de noordwestzijde van het gebied is een harde dorpsrand ontstaan. De daar gesitueerde aaneengebouwde woningen zijn namelijk evenwijdig aan de voormalige spoorweg (nu fietspad Belslijntje) gebouwd en zijn met de achterzijde op de voormalige spoorweg georiënteerd. Vanaf de woonstraat kan het landschap dan ook niet of nauwelijks worden waargenomen. Door de lusvormige ontsluiting van de rest van het woongebied (Muldersbaan), geldt dat niet voor het overige gedeelte van deze woonbuurt.
Vanaf de Muldersbaan is door de ligging van een gedeelte van de lusweg parallel aan het oude spoortracé, het omringende landschap direct waarneembaar. Tussen de bebouwing aan de Dorpstraat en de woonbuurt Ronde Akkers bevindt zich een grote open binnenruimte met een deels groen karakter. Deze open binnenruimte bestaat voor de ene helft uit een parkeerterrein bij een supermarkt/grootwinkelbedrijf “De Boerenschuur” en voor de andere helft uit weiland
8
met een restant van een hoogstamboomgaard. Dit betreft particulier terrein, i.c. de tuinen van de bebouwing aan de Dorpstraat 27-51. Het plangebied heeft enkel betrekking op het zuidelijk deel van deze open ruimte. Het plangebied wordt in deze ruimtelijke structuur omschreven als het particulier weiland met een restant van hoogstamboomgaard. Functionele structuur De omgeving van het plangebied laat zich kenmerken als woonomgeving. De woningen in de omgeving betreffen een mix aan woningsoorten, met een grote diversiteit aan architectuur. Het plangebied wordt ontsloten op de Kerkstraat en Peelland. Op dit moment is het plangebied in gebruik als een weide met daarin ruimte voor dieren, door de verschillende aanwezige omheiningen en poorten. Aan de grenzen van het plangebied bevinden zich bedrijven, woningen en verkeerswegen.
Luchtfoto plangebied (bron: Slagboom en Peeters)
Zicht op het plangebied vanaf Peelland richting de Kerkstraat
2.3 Technische structuur Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie.
9
HOOFDSTUK 3. RUIMTELIJK BELEIDSKADER 3.1 Rijk Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een root dele bij provincie, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in vele gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces ingang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de lange termijn visie in beeld.
Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten: 1.
Ruimte voor klimaatadaptatie;
2.
Duurzaam economisch groeipotentieel;
3.
Sterke en gezonden regio’s;
4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Conclusie Op het plangebied vindt een woningbouwontwikkeling plaats waarbij (ook) woningen voor doelgroepen worden gerealiseerd. Deze woningbouw past binnen de regionale woningbouwprogrammering en sluit aan bij de vraag naar woningbouw binnen de gemeente. Hiermee sluit de beoogde ontwikkeling aan bij een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijke gebied en bij de ontwerp Nationale Omgevingsvisie. Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid In de zogenaamde Realisatieparagraaf (‘Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid’) zijn alle nationale ruimtelijke belangen uit de verschillende Planologische Kern Beslissingen en de voorgenomen verwezenlijking daarvan gebundeld. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. De Realisatieparagraaf is toegevoegd aan de Nota Ruimte en heeft de status van structuurvisie. Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats.
10
AMvB Ruimte In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking Inleiding Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, Bro, verplicht om in het geval dat een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking op te nemen in de toelichting bij het plan. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van over-programmering en de negatieve ruimtelijke gevolgen van leegstand.
Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ‘Ladderplichtig’ is. Beoogd wordt ter plaatse van het plangebied 33 nieuwe woningen te realiseren. De beoogde herontwikkeling dient te worden gezien als ‘stedelijke ontwikkeling’, waartoe de Ladder voor duurzame verstedelijking dient te worden toegepast. De toelichting dient een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. De behoefte wordt onderbouwd en afgewogen op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Dit betekent dat de aard en de omvang van de ontwikkeling bepalend zijn voor de reikwijdte van de beschrijving van en het overleg over de behoefte. Toets van de ontwikkeling aan de ladder Binnen het plangebied worden maximaal 33 nieuwe grondgebonden woningen gerealiseerd.
Hiermee is sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Aangetoond dient dan ook te worden dat sprake is van behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Conclusie In paragraaf 4.3 (Volkshuisvesting) wordt beschreven in hoeverre met onderhavig plan wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Crisis- en herstelwet Met de Crisis- en herstelwet (Chw) wil het kabinet de procedures voor grote projecten versnellen. Hiermee wordt een stap gezet om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden. De Chw zorgt voor een toename van het aantal kwalitatief goede woningen en bedrijfslocaties. Integrale gebiedsontwikkeling krijgt een belangrijke impuls. Op het gebied van bedrijventerreinen ligt de nadruk op herstructurering. De regels uit de
11
Chw betreffen in deze vooral het bestuursprocesrecht waardoor de doorlooptijd van procedures voor in de wet aangewezen projecten kan worden verkort. Conclusie De regels uit de Chw hebben overwegend betrekking op het bestuursprocesrecht en hebben als doel om proceduretijden van bij wet aangewezen projecten te verkorten. In Bijlage I van de Chw zijn de categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waar de stroomlijning van procedures voor geldt. Artikel 3.1 van deze bijlage moet daarin de bouw van 11 of meer woningen als één van de ruimtelijke projecten, waarop de procedurele versnellingen van toepassing zijn. De Chw is van toepassing op onderhavig bestemmingsplan, voor wat betreft de procedurele versnellingen.
3.2 Provincie Brabantse Omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met de Brabantse Omgevingsvisie sluit de provincie met de hoofdopgaven aan bij rijksbeleid, Europese en mondiale doelstellingen. Het streven is dat de omgevingsvisie, hoewel formeel alleen zelfbindend, Noord-Brabant samenbindt. Want één ding is zeker; samenwerking is meer dan ooit nodig om de Noord-Brabantse omgevingskwaliteit te bewaken en door te ontwikkelen. Waarbij ruimtelijke ordening dienend is aan maatschappelijke doelstellingen. Of het nu gaat om het verkleinen van sociale verschillen, het verbeteren van welvaart, of het gezonder, veiliger en duurzamer maken van onze leefomgeving. In de Omgevingsvisie Noord-Brabant heeft de provincie vier hoofdopgaven benoemd: werken aan de Brabantse energietransitie, werken aan een klimaatproof Brabant, werken aan de slimme netwerkstad, werken aan een concurrerende, duurzame economie. Hieraan ten grondslag ligt één basisopgave; de provincie streeft naar een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. De vier hoofdopgaven hebben een grote ruimtelijke impact. Noord-Brabant is te klein als alles naast elkaar plaatsvindt. Het wordt dus passen en meten, met opgaven naast, onder, boven en met elkaar. Meerwaardecreatie en meervoudig slim ruimtegebruik is noodzaak.
De opgaven moeten we daarom altijd in onderlinge samenhang bezien. Diep, rond en breed bekijken, dus. Als doel voor 2050 heeft de provincie het volgende gesteld: Noord-Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat de provincie op alle aspecten beter presteert dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Noord-Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal. Voor 2030 streeft de provincie naar het volgende: Noord-Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat de provincie voor alle aspecten voldoet aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energieen klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak. Conclusie De Brabantse Omgevingsvisie wordt uitgewerkt in de Brabantse Omgevingsverordening, thans nog de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Nadere regels van de provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke
12
projecten zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierna wordt ingegaan op deze verordening. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening geeft bindende regels die bij ruimtelijke ontwikkelingen in acht genomen moeten worden. De provincie Noord-Brabant wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid. De regels voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn ontleend aan de Verordening ruimte Noord-Brabant. Aanduiding plangebied in Interim omgevingsverordening Hierna wordt nader ingegaan op de ligging van het plangebied in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Het plangebied is hierbij omkaderd met zwarte bolletjeslijn.
Uitsnede kaart 3: stedelijke ontwikkeling en erfgoed
Conclusie Het plangebied is aangewezen als gelegen binnen het ‘Stedelijk gebied’ en specifiek binnen de ‘Concentratiegebied’. Bestaand stedelijk gebied is gebied dat het bestaande ruimtebeslag van een kern bevat ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies. Op deze gronden mogen stedelijke ontwikkelingen plaatsvinden. De voorgestane ontwikkeling is zodoende in overeenstemming met het provinciale beleid. Verderop in deze paragraaf wordt nader ingegaan op de regels die gelden voor woningbouw binnen het stedelijk gebied. Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Het doel van de provincie is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van
13
het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende- of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is. Een belangrijk aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ verstaand of een bestaand bouwperceel. Het plangebied is aangewezen als gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’, binnen een ‘Concentratiegebied’. Door de woningbouw te realiseren binnen het ‘Stedelijk gebied’ is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en is daarmee passend binnen de doelstellingen uit de woonvisie. Bij stedelijke ontwikkelingen dient tevens toepassing te worden gegeven aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 3.1 van deze toelichting is hieraan reeds invulling gegeven.
Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling In artikel 3.42 eerste lid van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is geregeld dat de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen in principe moet plaatsvinden binnen het ‘Stedelijk gebied’ en dat het bestemmingsplan een onderbouwing dient te bevatten dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en dat het een duurzame ontwikkeling betreft. Het tweede lid stelt tevens het navolgende: Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a.
bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilig en gezonde leefomgeving;
b.
bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
c.
geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;
d.
houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;
e.
geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit;
f.
draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.
De beoogde woningbouw vindt binnenstedelijk plaats, te midden van bestaande bebouwing binnen de bebouwde kom van Riel. Daar waar in de huidige situatie enkel sprake is van beheerd grasland, kan worden gesteld dat hier sprake is van een positieve transformatie van een braakliggend terrein. Door gebruik te maken van deze locatie, waarmee feitelijk geen landschap of kwaliteiten verloren gaan, wordt in feite voorzien in zorgvuldig ruimtegebruik. Met de realisatie van de woningen wordt rekening gehouden met klimaatverandering en duurzaamheid, door gasloos te bouwen en te voldoen aan de huidige duurzaamheidseisen. Het derde lid geeft enkel regels voor bedrijventerreinen en is dan ook voor deze ontwikkeling niet relevant. De beoogde woningbouw is een passende ontwikkeling binnen het ‘Stedelijk gebied’.
14
3.3 Gemeente Omgevingsvisie De gemeente Goirle bereidt zich voor op de Omgevingswet. Een van de (verplichte) instrumenten voor gemeenten, die voortvloeit uit de aankomende Omgevingswet, is de omgevingsvisie. In de omgevingsvisie zet de gemeente, samen met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en partners, de integrale koers uit op weg naar de toekomst, gericht op een fysieke leefomgeving waarin mensen gelukkiger, gezonder en veiliger zijn. De gemeente Goirle neemt de bestaande kwaliteiten van de gemeente als vertrekpunt en houdt daarbij rekening met uitdagingen die op ons afkomen in de aankomende decennia. Daarnaast bouwt de omgevingsvisie verder op eerder opgesteld beleid van de gemeente en andere overheden. De omgevingsvisie is op 21 december 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De omgevingsvisie is opgedeeld in vier lagen: kwaliteit, netwerk, gebruik en milieu. Het gaat om lagen waarin de gemeente de kwaliteiten wil behouden, of waar de gemeente ruimte wil bieden voor kansen. Voor de dorpskern Riel zijn separaat de kwaliteiten, netwerken, gebruik en milieuaspecten opgenomen. Koers per deelgebied “De dorpskern van Riel is ontstaan vanuit een historisch woonlint, op de hoger gelegen gronden ten westen van het beekdal, die wordt gevormd door de Kerkstraat – Dorpsstraat – Zandeind.
Het beekdal van de Leij en het Bels Lijntje vormen de bepalende lijnen in de structuur van het stedelijk gebied. Met name de groene driehoek en de historische leerlooierijen zijn bijzondere elementen in dit historisch dorpslint. Deze willen we graag behouden. In geval van leegstand historisch erfgoed kijken we naar mogelijkheden om er een nieuwe (maatschappelijke) functie aan te geven. Tussen het historisch dorpslint en de kleine woonwijken bevinden zich in de kern enkele groene, open ruimten. Deze achter-terreinen versterken het groene, landelijke karakter van de Riel en verzachten de strakke dorpsranden van Riel. Delen hiervan zijn ook aangemerkt als particulier waardevol groen. Bovendien blijft het historische dorpslint goed zichtbaar. Deze cultuurhistorische structuur die Riel een blijvend dorps karakter geeft, moet ook in de toekomst zoveel mogelijk behouden blijven. Tot slot zetten we in op een klimaatbestendige groenstructuur en watersysteem. We zetten in op het behoud van het voorzieningenniveau in Riel. De mogelijkheid tot ontmoeten in het centrum van Riel – gebied rond de kerk en het Dorpsplein – is hierbij van grote waarde. De woningen en wijken maken we toekomstbestendig (duurzaam, betaalbaar en levensloopbestendig). We zetten in op groene, gezonde, inclusieve en toekomstbestendige wijken voor jong en oud in een wijkgerichte aanpak.
Hiervoor is het van belang dat de woningen zowel in aantal als in type woning voldoen aan de behoefte. We sluiten dan ook niet uit dat voor de lange termijn wordt gekeken naar de mogelijkheden tot uitbreiding. Randvoorwaarde is dat mogelijke ontwikkelingen in en rondom Riel niet voorbij mogen gaan aan het ‘dorps karakter’. Verder dragen de groene, landschappelijke kwaliteiten bij aan de aantrekkelijkheid als woonomgeving en gezondheid en welzijn van onze inwoners. We zetten in op vergroening van verhard oppervlak op openbaar én particulier terrein. Dit koppelen we aan de mogelijkheid tot spelen/bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte. Bovendien zorgt een slimme inzet van (ecologische beheerd) groen in het woongebied voor koelteplekken in warme tijden, het tegengaan van wateroverlast bij extreme buien en versterking van de biodiversiteit. Ook inwoners proberen we hiervan bewust te maken. Tot slot werken we samen met eigenaren aan de verduurzaming van gebouwen. Het gaat daarbij om alternatieve warmtebronnen voor aardgas, energiebesparende maatregelen (bijvoorbeeld isolatie) en mogelijkheden tot kleinschalige opwekking van energie (zon op dak).
15
Bovenal staat in Riel een gezonde, veilige en sociale woonomgeving centraal. We willen de overlast voor inwoners tot het minimum beperken en nieuwe milieubelastende activiteiten niet toestaan in het woongebied. Alleen voor de grondwaterkwaliteit stellen we een hogere kwaliteitsnorm. Voor grondwaterkwaliteit zetten we namelijk in op verbetering omdat Riel in een grondwaterbeschermingsgebied is gelegen. De standaardkwaliteitsnormering betekent voor geluid dat we niet standaard hogere grenswaarden afgeven, maar een maximale inspanning doen om door middel van maatregelen voor een gezond woon- en leefklimaat te zorgen. We gaan met name kijken naar mogelijkheden om overlast van (zwaar) verkeer door het dorpslint tegen te gaan. Voor het thema ‘biodiversiteit’ wordt tot slot de ambitie gesteld om de huidige basiskwaliteit te behouden.”
Omgevingsvisiekaart Riel met het plangebied aangeduid met een rode cirkel.
Het plangebied is gelegen in een woongebied (Dorpskern Riel) en is aangeduid als ‘Verstedelijking Binnenstedelijk - i.c.m. klimaatadaptatie, waterberging, ecologie en openbare ruimte’. Ter plaatse is sprake van waardevol groen, derhalve is een bomeninventarisatie gemaakt, de bomen die waardevol zijn worden zoveel mogelijk behouden. Binnen het plangebied wordt tevens ingezet op toevoeging van voldoende groen. De locatie is aangewezen als historische kern, met een aanduiding voor Binnenstedelijke woningbouwlocaties. Dat houdt in dat het plangebied is aangewezen als binnenstedelijke zoeklocatie voor woningbouw. Door het toevoegen van woningen op een locatie die hiervoor specifiek is aangewezen wordt
16
aangesloten op de Omgevingsvisie. De doelgroep van onderhavig initiatief zijn doorstromers en starters, waarmee wordt voldaan aan de behoefte. De ontwikkeling past binnen het dorpse karakter van Riel en er vindt geen aantasting plaats van het historische lint aan de Kerkstraat. De ontwikkeling is passend binnen de Omgevingsvisie. Stedenbouwkundige notitie 'Inbreidingsmogelijkheden kom Riel In 2005 heeft de gemeenteraad de stedenbouwkundige notitie 'Inbreidingsmogelijkheden kom Riel' vastgesteld. Deze notitie vormt het toetsingskader waaraan toekomstige initiatieven stedenbouwkundige geobjectiveerd kunnen worden beoordeeld op hun aanvaardbaarheid. Toekomstvisie In 2013 is door de gemeenteraad de “Toekomstvisie gemeente Goirle 2020” vastgesteld onder de titel “Thuis in Goirle: groen, sociaal, ondernemend” vastgesteld. Kortweg werd aan dit document de subtitel “Toekomstvisie 2020”gegeven. Deze visie -gebaseerd op de drie kernbegrippen ‘groen, sociaal en ondernemend’- dient als leidraad voor de toekomstige beleidsontwikkeling. De ambitie voor Goirle in 2020 luidt: Onze inwoners voelen zich thuis in de gemeente Goirle, want Goirle is een groene, sociale en ondernemende gemeente.
Goirle is Groen De gemeente Goirle wordt gekenmerkt door het dorpse en landschappelijke karakter en is een prettige en groene woonomgeving, gelegen in het prachtige groen (bossen, beken, Regte Heide) en nabij de grote stad. Goirle is Sociaal De gemeente Goirle is een dynamische en levendige gemeente. De onderlinge sfeer is goed, open en positief. Ieder handelt vanuit zijn of haar eigen verantwoordelijkheid. Problemen worden door onze inwoners zoveel als mogelijk zelf opgelost. In laatste instantie biedt de gemeente een vangnet voor diegenen die daarop zijn aangewezen. We denken en handelen vanuit de ´menselijke maat´. De inwoners kennen elkaar en zijn betrokken bij hun directe naaste omgeving maar juist ook in buurten en wijken. We zijn er voor elkaar en zorgen voor elkaar als dat nodig is. Goirle heeft een actief verenigingsleven en er zijn veel vrijwilligers. We zijn trots op ons eigen karakter en onze eigen identiteit en houden deze graag in stand. Goirle is Ondernemend Binnen de gemeente Goirle zijn voldoende voorzieningen voor wonen, leven, onderwijs, recreatie en zorg aanwezig voor jong en oud, voor ieder wat wils. Economische ontwikkelingen in dat kader worden waar mogelijk ondersteund. In onze afwegingen maken we een verantwoorde keuze gericht op duurzaamheid. Daarbij wegen we economische en ecologische argumenten in samenhang en zorgen we voor balans.
We staan open voor nieuwe initiatieven van burgers, organisaties en ondernemers; soms initiëren we deze initiatieven zelf als we kansen zien of iets willen bereiken. Als gemeente kiezen we hierbij bij voorkeur een regierol. Conclusie Middels dit planvoornemen wordt gebouwd voor doelgroepen en wordt bijgedragen aan een levendige kern.
17
HOOFDSTUK 4. THEMATISCHE BELEIDSKADERS 4.1 Stedenbouwkundige uitgangspunten Inleiding Met deze herontwikkeling wordt voorzien in een woningbouwlocatie voor 33 grondgebonden wooneenheden en bijbehorende voorzieningen. De ontwikkeling vindt deels plaats aan het bestaande wegenpatroon (Maasland en Peelland) en gedeeltelijk wordt voorzien in nieuwe ontsluitingen aan de Kerkstraat. Stedenbouwkundige inpassing Ten behoeve van de ontwikkeling wordt aan de Kerkstraat voorzien in twee nieuwe ontsluitingen. Op dit oostelijk deel worden vrijstaande- en halfvrijstaande woningen voorzien, centraal geschakelde en halvrijstaande woningen. Op het westelijk deel van het plangebied wordt voorzien in geschakelde woningen. Deze woningen kunnen via de Maasland worden ontsloten. Dit sluit aan bij de bestaande structuur. Op navolgende figuur wordt een en ander inzichtelijk.
Verkaveling plangebied
18
Voorzien wordt in maximaal 33 woningen. Het betreft hierbij tweekappers, vrijstaande woningen (waarvan ook patiowoningen), driekappers en rijwoningen. Navolgende figuren geven een 3-d beeld van de situering.
3D visualisatie bouwplan
19
4.2 Beeldkwaliteit Inleiding De architectuur van de nieuwe woningen dient aan te sluiten bij de bebouwingskarakteristiek van de dorpskern Riel. De bestaande bebouwing wordt gekenmerkt door een dorpse variatie met een differentiatie in woningtypes en kleine series van aaneen gebouwde woningen. Deze kenmerken worden ook toegepast binnen de stedenbouwkundige opzet van de inbreidingslocatie. Naast de stedenbouwkundige uitgangspunten kunnen ook een aantal architectonische kenmerken worden geformuleerd die in een dorpse architectuur tot uitdrukking komen. Er is gekozen voor een eenduidige architectuurstijl met familiaire eigenschappen waarbinnen op het niveau van de individuele woning variatie mogelijk is. Hieronder staan een aantal stedenbouwkundige en architectonische kenmerken beschreven die de dorpse uitstraling van de woningen zal moeten waarborgen. Refentiebeelden Wat betreft de beeldkwaliteit zal de nieuwbouw aansluiten bij de stijlkenmerken van ‘Dorpse architectuur’. Navolgend worden enkele referentiebeelden weergegeven.
Referentie-projecten architectuur
20
Stijlkenmerken dorpse architectuur - doorgemetselde topgevels + muurafdekker (A) - metalen bakgoten & hemelwaterafvoeren (B) - luiken (C) - kozijnen met roedeverdeling (C) - keramische, holle pan (D) - rood-bruine baksteen (E)
Bebouwingskarakteristiek Situering
rooilijn
rooilijn parallel aan voorzijde perceel. 1-3 meter tot voorzijde perceel verspringing per kavel mogelijk
Hoofdvorm
Bouwmassa
Één hoofdmassa
bouwhoogte
1,5 of 2 bouwlagen met kap
kapvorm
hellend dak zadeldak (accenten mogelijk) eventueel samengestelde kap bij twee-onder-een-kap
Gevelaanzicht
Detaillering
kaprichting
vrij (voorkeur voor wisselend beeld)
gevelopbouw
samenhangend en evenwichtig
gevelgeleding
traditioneel en uniform
plasticiteit
matig / gering
materiaalkeuze
baksteen eventueel voorzien van versieringen
gevel dak:
keramische dakkpan
plat dak:
dakbedekking (bij voorkeur vv. grind of sedum)
kozijnen:
hout / kunststof
hwa:
aluminium / pvc
materiaalkleur
handvorm baksteen
gevel
rood – paars – bruin genuanceerd beperkt kleuraccent in plint mogelijk wit keimwerk incidenteel mogelijk
Dak:
grijs / antraciet gesmoorde pan
kozijnen:
wit
detaillering
bak- of mastgoten en doorgestoken topgevels met muurafdekker
21
Referentiebeelden baksteen
4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Archeologie Omdat in groeiende mate het Europese archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in casu de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende: -
de introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologische onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;
-
de verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.
In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld. Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport over te leggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist. Dit bestaat in de eerste plaats uit vooronderzoek: het bureauonderzoek en/of inventariserende veldonderzoek, elk met bijbehorende standaardrapportages. Tijdens het bureauonderzoek wordt gekeken naar wat er in historisch, archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht al bekend is over het plangebied. De volgende fase bestaat in veel gevallen uit een veldonderzoek. Dergelijk onderzoek heeft als doel kansrijke en kansarme zones te karteren. Hierbij kan booronderzoek plaatsvinden alsmede proefsleuvenonderzoek. De resultaten dienen vervolgens te worden gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase wordt van de aangetroffen vindplaatsen, ook wel site genoemd, de omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit vastgesteld om zo tot een oordeel over de behoudenswaardigheid te komen. Op basis van dit oordeel neemt de betrokken overheid een (selectie)besluit hoe met eventueel aanwezige vindplaatsen dient te worden omgegaan.
22
Het plangebied is deels aangemerkt als een terrein van hoge archeologische waarde. De oude dorpskern van Riel kent een middeleeuwse bewoning van voor 1250. Op de AMK-Noord Brabant zijn historische stads- en dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De selectie en begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 16e-eeuwse (Van Deventer) en vroeg 20e-eeuwse kaarten (Bonnebladen). Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Voor het plangebied geldt een hoge verwachting voor de aanwezigheid van bewoningsresten uit de late prehistorie tot en met de nieuwe tijd. De verwachting late prehistorie tot en met volle middeleeuwen geldt met name voor het midden en westelijk plandeel, op de hoog gelegen dekzandrug. De verwachting voor de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd betreft specifiek het oostelijk plandeel, langs de Kerkstraat. Derhalve is binnen het plangebied archeologisch onderzoek uitgevoerd. Navolgend wordt de conclusie van dit onderzoek weergegeven.
Verkennend archeologisch onderzoek De genoemde drempelwaarden van het verstoringsoppervlak worden door deze ontwikkeling overschreden, waarmee een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek is uitgevoerd door Arcure. Het onderzoek is als bijlage bij het bestemmingsplan toegevoegd. De conclusie en het advies worden hierna geciteerd. “Het plangebied kent een hoge archeologische verwachting voor bewoningsresten uit de periode late prehistorie-nieuwe tijd, waarbij eventuele resten uit de late prehistorie-volle middeleeuwen met name in het midden en westelijk plandeel kunnen voorkomen en die uit de late middeleeuwen of de nieuwe tijd vooral langs de Kerkstraat kan liggen. Naar verwachting zullen eventueel aanwezige resten niet door moderne bodemingrepen verstoord zijn, behalve mogelijk ter plaatse van de huidige bebouwing langs de Kerkstraat. Geadviseerd wordt om middels een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek eventueel aanwezige archeologische resten op te sporen en te waarderen, om de aard, datering, omvang en gaafheid vast te stellen.
Gezien de te verwachten aard en omvang van eventuele vindplaatsen (van geïsoleerde huiserven tot middelgrote nederzettingen, 500 m2 tot 8.000 m2, met een spoordichtheid van 1 tot 10%) wordt aanbevolen om hierbij de proefsleufstrategie A2 uit de leidraad te hanteren: sleuven van 4 m bij 10 m, in een dekkingsgraad van 10%.” Geconcludeerd wordt dat proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is om uit te sluiten dat geen archeologische resten verloren gaan. In de regels is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Plan van eisen Het plan van eisen wordt nog nader uitgewerkt. Proefsleuven De proefsleuven worden gegraven zodra het plan van eisen is goedgekeurd.
23
Cultuurhistorie en monumentenzorg Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing In het plangebied komt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing voor. Rijksmonumenten In het plangebied komen geen rijksmonumenten voor. Gemeentelijke monumenten In het plangebied komen geen gemeentelijke monumenten voor.
4.4 Volkshuisvesting Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' (Actualisering 2020) geeft inzicht in de veranderingen in de omvang, groei en samenstelling van de bevolking van de provincie Noord-Brabant. Deze prognoses zijn voor beleidmakers op elk maatschappelijk terrein, waaronder woningbouw en volkshuisvesting, van belang. Volgens de nieuwe provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose groeit De Brabantse bevolking groeit tot 2050 nog met bijna 280.000 mensen, tot ruim 2,84 miljoen inwoners. Volgens de nieuwe provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose neemt het inwonertal van Noord-Brabant toe van ruim 2.563.000 in 2020 tot bijna 2.842.000 mensen in 2050. Dit betekent dat de Brabantse bevolking de komende 30 jaar naar verwachting nog met bijna 280.000 personen zal groeien. Vergeleken met de vorige provinciale prognose uit 2017 ligt de bevolkingsgroei beduidend hoger, zal een hoger ‘bevolkingsmaximum’ worden bereikt en komt het omslagpunt van groei naar krimp naar verwachting buiten de prognoseperiode (na 2050) te liggen De woningvoorraad bereikt eveneens een grotere omvang in vergelijking met de vorige prognose. De hogere bevolkingsgroei speelt hierbij uiteraard een rol. Samen met de vergrijzing en de individualisering leidt dit tot een sterke groei van het aantal huishoudens (en dus woningen).
Verwacht wordt dat er in Brabant anno 2050 ca. 1.360.000 woningen nodig zijn om in de woningbehoefte te kunnen voorzien, bijna 100.000 woningen meer dan de ramingen uit 2017. Dat betekent een toename van een kleine 220.000 woningen ten opzichte van de ruim 1.140.000 die er aan het begin van 2020 in onze provincie staan. De woningvoorraad blijft tot aan het einde van de prognoseperiode groeien, al vlakt de groei in de loop van de prognoseperiode wel (sterk) af. Al met al wacht Brabant de komende tijd nog een flinke woningbouwopgave, met een accent op de eerstkomende jaren. Tot 2035 zal de woningvoorraad nog met bijna 160.000 woningen moeten toenemen, waarvan 120.000 in de eerstkomende 10 jaar. Dit betekent dat er tot 2030 jaarlijks zo’n 12.000 woningen (netto) aan de voorraad zullen moeten worden toegevoegd. Dit om de verwachte groei van het aantal huishoudens op te kunnen vangen en bestaande woningtekorten terug te dringen. In lijn met het provinciale verstedelijkingsbeleid concentreert de groei van de woningvoorraad zich in de stedelijke gebieden Het beleid richt zich onder meer op:
-
het bouwen van voldoende woningen en het voorzien in een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus.
24
Het is dan ook van provinciaal belang, dat de regionale woningmarkt goed functioneert. Daarvoor worden in regionaal verband afspraken gemaakt. De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' geeft daarvoor, aangevuld met regionale woningbehoefteonderzoeken, waaronder het 'Woningbehoefteonderzoek Hart van Brabant', de input. Regionaal Perspectief Wonen en Woningbouw 2021 De gemeente Goirle maakt samen met de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk deel uit van de regio Hart van Brabant. Jaarlijks stelt deze regio, samen met de provincie Noord-Brabant, het Regionaal Perspectief op Wonen vast. In dit perspectief zijn afspraken opgenomen over de kwantitatieve woningbouwopgave, voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de, hiervoor genoemde, periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkings- en woningbehoefteprognose. Op de ontwikkeldag (voorheen Regionaal Ruimtelijke Overleg) van 15 december 2021 is het perspectief op Bouwen en Wonen 2022 vastgesteld. Hierin staat hoe regionaal wordt afgestemd over woningbouw. Eind 2022 is er een regionale woondeal afgesproken. De uitwerking hiervan is nog niet beschikbaar. De Gemeente Goirle heeft een plancapaciteit die groter is van 130%.
Dit komt doordat Goirle in eerder regionale afspraken heeft vastgelegd dat er in Bakertand 735 woningen voor regionale behoefte worden gebouwd. Daarnaast heeft Goirle in de Omgevingsvisie een aantal gebieden opgenomen die voor verstedelijking in aanmerking komen. Of dat deze daadwerkelijk voor woningbouw worden ingezet is nog niet zeker. In het woningbouwprogramma voor de komende jaren bouwt Goirle enkel in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied en ligt voor de hand als inbreidingslocatie. Woonvisie 2019-2022 Het gemeentelijk woonbeleid volgt uit de vierjaarlijkse woonvisie. De Woonvisie is vastgesteld door de gemeenteraad op 2 juli 2019. Het doel van de Woonvisie is onder meer het vaststellen van een gemeentelijke ambitie op het gebied van wonen, het bieden van een afwegingskader voor beleidskeuzes. In de Woonvisie komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie is gekozen voor vier hoofdthema's:
-
wonen en de woonomgeving; wonen, zorg en welzijn; nieuwbouw duurzaamheid.
Gestreefd wordt naar een gemeente waarin voldoende mate van differentiatie in het woningaanbod is zodat iedereen passende woonruimte kan vinden. Binnen het plangebied worden verschillende woningtypen gebouwd: geschakelde woningen, twee-onder-één kapwoningen en een vrijstaande woning. Het aanbod is daarmee zodanig gevarieerd dat de ontwikkeling is gericht op verschillende doelgroepen, van jonge gezinnen tot senioren. Daarmee wordt voldaan aan de woonvisie Ladder voor duurzame verstedelijking Zoals in paragraaf 3.1 is aangegeven, is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Uit deze paragraaf blijkt dat hiervan sprake is. Omdat de ontwikkeling plaatsvindt binnen het bestaand stedelijk gebied is een nadere onderbouwing van de locatie ingevolge de gewijzigde ladder niet noodzakelijk.
25
Conclusie Binnen het plangebied vindt een woningbouwontwikkeling plaats waarbij (ook) woningen voor doelgroepen (starters
en
senioren)
worden
gerealiseerd.
Deze
woningbouw
past
binnen
de
regionale
woningbouwprogrammering en sluit aan bij de vraag naar woningbouw binnen de gemeente. Hiermee sluit de beoogde ontwikkeling aan bij een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijke gebied en bij de ontwerp Nationale Omgevingsvisie.
4.5 Groen In 2021 heeft de gemeente Goirle het Programma groen vastgesteld. Daarin staat over Riel het volgende: Riel is een kleine kern en wordt gekenmerkt door het oude dorpslint met historische gebouwen en groene tuinen. De dorpsrand aan de oostzijde grenst aan het beekdal van de Leij en aan de westkant ligt het Bels lijntje, dat een functie heeft als ecologische verbindingszone en als recreatieve route. Op de groenstructurenkaart is het plangebied deels aangeduid als Waardevol groen. Bestaande bomen binnen het plangebied worden zoveel mogelijk behouden. Om inzichtelijk te maken hoe het planvoornemen wordt ingepast binnen het bestaand groen is een Bomen Effect Analyse (BEA) opgesteld. Deze BEA betreft 22 bomen binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden. De 22 bomen binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden zijn onderdeel van de gevestigde structuur. Uit gegevens van de gemeente is bepaald dat deze bomen vallen onder ’De boomzone’, en indien mogelijk worden ingepast in de nieuwe ontwikkeling. In de analyse zijn voorzorgsmaatregelen en een alternatieve werkwijze voorgesteld om zo min mogelijk schade aan te richten binnen het plangebied.
4.6 Verkeer en parkeren Verkeer Op 10 december 2013 heeft de gemeenteraad van Goirle een nieuw Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van het GVVP is het vastleggen van het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Goirle voor de periode 2013 tot 2023. Het beleid moet aansluiten bij de ambities en de speerpunten die de gemeente heeft en moet tevens passen binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen. In het
GVVP
worden
de
thema's
verkeersveiligheid,
fiets,
bereikbaarheid
en
verkeerscirculatie,
voetgangers/minder validen, parkeren, openbaar vervoer en leefbaarheid en milieu besproken. Het plangebied wordt aan de oostzijde ontsloten vanaf de Kerkstraat. Er worden twee nieuwe openingen gecreëerd ter hoogte van Kerkstraat 26 en tegenover de Kerk. De beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen (uitgaande van maximaal 8 autobewegingen per woning per etmaal) levert geen problemen op in deze woonstraat. De weg zal worden uitgevoerd in verharding in een kleur, maat en type passend bij de omgeving. Tevens wordt parkeergelegenheid gecreëerd voor haaks- en langsparkeren. Doordat de ontsluiting rondloopt hoeft er niet te worden gekeerd. De woningen in het noordelijk deel van het plangebied worden ontsloten aan Maasland en Peelland. Het wegenpatroon hoeft niet te worden aangepast, wel wordt een parkeerkoffer toegevoegd.
26
Parkeren Bij de vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Dit is in de planregels opgenomen. Voor de kern Riel worden de gemiddelde normen voor “matig stedelijk gebied - Rest bebouwde kom” aangehouden. Dit houdt in dat voor:
-
Geschakelde- en hoek woningen en patiowoningen een norm van 1,9 geldt; Twee-onder-één kapwoningen een norm van 2,1 geldt. Vrijstaande woningen een norm van 2,2 geldt;
Dit houdt in dat er voorzien dient te worden in 66 parkeerplaatsen. In de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden. In het inrichtingsplan is rekening gehouden met 69 parkeerplaatsen.
4.7 Duurzaamheid Binnen het plangebied wordt op de volgende wijze invulling gegeven aan het thema duurzaamheid. Ecologie Binnen het plangebied wordt waar mogelijk ingestoken op het behoud van groen en het planten van nieuwe bomen en planten. De bermen worden waar mogelijk voorzien met een kruidenmengsel. Woningontwerpen De woningen worden gasloos, met warmtepompen, verwarmd. Energie wordt opgewerkt met toepassing van zonnepanelen. De woningen worden voorzien van een volledig isolatiepakket en HR+++ glas wordt toegepast. Natuurinclusief bouwen Er wordt natuurinclusief gebouwd door toepassing van huismuskasten en vleermuiskasten bij de woningen. Materiaalgebruik Dit aspect wordt nader uitgewerkt bij de bouwaanvraag. Energie Conform het bouwbesluit dienen woningen minimaal te voldoen aan de BENG-eisen (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Deze BENG-eisen zijn opgebouwd uit: •
BENG 1: maximale energiebehoefte [kWh/m2 per jaar]
•
BENG 2: maximale primair fossiel energiegebruik [kWh/m2 per jaar]
•
BENG 3: minimaal aandeel hernieuwbare energie [%]
27
HOOFDSTUK 5. MILIEUASPECTEN 5.1 Milieuhinder en bedrijven Inleiding Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakte van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie "Bedrijven en milieuzonering". In deze publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd.