CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

16 Raadsvoorstel Vaststelling Verzamelverordening Partcipatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2022.pdf

Besluitvormend 5 juli 2022, gemeente GoirleBij agendapunt: 16: Raadsvoorstel Vaststelling Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 202214.406 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Raadsvoorstel Agendapunt: Zaaknummer: 2021-025639

Onderwerp Vaststelling Verzamelverordening Partcipatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2022 Datum voorstel 12 april 2022

Datum raadsvergadering 5 juli 2022

Aan de gemeenteraad, Voorstel 1. vast te stellen de ‘Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2022’; 2. in te trekken de ‘Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2017’; 3. in te trekken de ‘Verordening Wet inburgering Gemeente Goirle 2013’, met dien verstande dat de ‘Verordening Wet inburgering Gemeente Goirle 2013’ van toepassing blijft op de personen op wie zij van toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de ‘Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2022’. Inleiding Op 11 juli 2017 heeft uw raad de ‘Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2017’ (hierna: Verzamelverordening 2017) vastgesteld. Vanwege wijzigingen in de wet- en regelgeving is aanpassing van de Verzamelverordening 2017 noodzakelijk. Tegelijkertijd is de Verzamelverordening 2017 op een aantal onderdelen aangepast. Door deze aanpassingen is de Verzamelverordening duidelijker voor zowel de burger als de uitvoerende medewerkers. De aanpassing van de Verzamelverordening 2017 is in regionaal verband voorbereid. Wij bieden de nieuwe Verzamelverordening – de ‘Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2022’ – ter vaststelling aan uw raad aan. Argumenten 1.1.

Vanwege de inwerkingtreding van de Wet inburgering 2021 (per 01-01-2022) is aanpassing van de Verzamelverordening nodig Op 1 januari 2022 is de Wet inburgering 2021 in werking getreden. Een onderdeel hiervan is de verplichte ontzorging van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen. Dit is opgenomen in het nieuwe artikel 56a van de Participatiewet. Deze ontzorging houdt in dat de gemeente de bedragen voor huur, energie, water en ziektekostenpremie inhoudt op de uitkering en doorbetaalt aan de betreffende instantie. Voor de handhaving van deze verplichte ontzorging is een bepaling opgenomen in hoofdstuk 3 van de Verzamelverordening 2022. Het gaat om artikel 19, aanhef en onderdeel c, sub 1e. Daarnaast heeft de Wet inburgering 2021 een eigen sanctieregime. Bij niet nakoming van de verplichtingen uit de Wet inburgering 2021 kan het college een bestuurlijke boete opleggen op grond van de Wet inburgering 2021. In sommige gevallen kan het college bij het niet nakomen van verplichtingen ook kiezen voor verlaging van bijstandsuitkering. Het gaat hier om een samenloop van sanctieregimes. Omwille van de duidelijkheid voor zowel de burger als de uitvoerende medewerkers Ambtelijke bijstand: Frans van Bree Zaaknummer 2021-025639

1

Agendapunt:

is de bepaling in artikel 25 opgenomen. Hierbij kiest het college ervoor om bij schending van de verplichtingen in het kader van een inburgeringstraject, een boete op te leggen op grond van de Wet inburgering. Hiermee is de sanctie voor alle inburgeringsplichtigen gelijk1. Bijkomende reden voor deze keuze is dat een boete op grond van de Wet inburgering voor de klant minder ongunstig is, dan een verlaging op grond van de afstemmingsverordening. 1.2. Per 1 april 2022 vervalt de verordeningsplicht op het onderdeel van de studietoeslag. In het wetsvoorstel ‘Breed offensief’ is een wijziging opgenomen over de individuele studietoeslag. De Tweede Kamer heeft na de val van het kabinet Rutte III het wetsvoorstel ‘Breed offensief’ controversieel verklaard. Dit betekent dat de Tweede Kamer dit wetsvoorstel nog niet heeft behandeld. Het nieuwe kabinet, Rutte IV, zal dit verder gaan oppakken. Voor het onderdeel van de individuele studietoeslag, zoals dat was opgenomen in dit wetsvoorstel, heeft de Tweede Kamer een uitzondering gemaakt. Het voorstel over de individuele studietoeslag is opgenomen in de ‘Verzamelwet SZW’. Hierdoor vervalt per 1 april 2022 de verordeningsplicht op het onderdeel van de individuele studietoeslag. De hoogte van de studietoeslag is vanaf 1 april 2022 in de wet geregeld.

Overigens had de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) al bij het indienen van het wetsvoorstel ‘Breed offensief’ aan de gemeenten gevraagd om bij de uitvoering van de studietoeslag de nieuwe wettelijke regeling alvast toe te passen. De gemeente Goirle heeft hier ook gehoor aan gegeven. 1.3. Er is behoefte aan een inkeerbepaling bij het opleggen van een verlaging van de uitkering. Bij de regeling van de geüniformeerde verplichtingen (artikel 18, vierde lid, Participatiewet) is voorzien in een inkeerbepaling (artikel 18, elfde lid, Participatiewet). Dit betekent dat het college de ten uitvoer legging van de verlaging kan beëindigen, als de klant de verplichtingen in artikel 18, vierde lid, Participatiewet, weer nakomt. Voor de regeling van de verlagingen van de nietgeüniformeerde verplichtingen, zoals geregeld in § 3.2.1 van de Verzamelverordening, is niet voorzien in een inkeerbepaling. Deze inkeerbepaling is nu wel opgenomen in artikel 15 van de Verzamelverordening. Op grond van recente jurisprudentie mag het college kiezen of zij bij schending van de reintegratieverplichtingen kan kiezen tussen afstemming op grond van de geüniformeerde verplichtingen of op grond van de bepalingen in de Verzamelverordening.

Het college kiest in dat geval voor afstemming op grond van de Verzamelverordening, omdat dit regime voor de klant minder belastend is dan het regime van artikel 18, vierde lid, Participatiewet. 2.1. Door de vaststelling van de Verzamelverordening PW, IOAW en IOAZ kunnen de ‘oude Verzamelverordening’ en de ‘Verordening Wet inburgering gemeente Goirle 2013’ worden ingetrokken. Op het moment dat de Verzamelverordening 2022 in werking treedt, kan de Verzamelverordening 2017 worden ingetrokken. 2.2. Omdat de Wet inburgering 2021 geen verordeningsplicht kent, kan de ‘Verordening Wet inburgering Gemeente Goirle 2013’ worden in getrokken 1De andere groepen inburgeringsplichtigen, de gezinsmigranten en de geestelijk bedienaren, ontvangen doorgaans geen

bijstandsuitkering. Voor hen is afstemming van de bijstandsuitkering dus niet mogelijk. Bij schending van de verplichtingen in het kader van de inburgering kan het college niet anders dan een boete opleggen.

Zaaknummer 2021-025639

2

Agendapunt:

Voor de inburgeringsplichtigen die nog onder de oude Wet inburgering vallen, blijft de ‘Verordening Wet inburgering Gemeente Goirle 2013’ nog van toepassing. Op grond van deze verordening was de gemeente verplicht inburgeringsplichtigen een voorziening aan te bieden. Het ging daarbij om inburgeringsplichtigen die vóór 1 januari 2013 een verblijfsvergunning hadden gekregen. Zodra alle inburgeringsplichtigen uit deze groep hun inburgeringstraject hebben afgerond, kan deze verordening definitief worden ingetrokken. Dit is nu nog niet het geval. Kanttekeningen 1.1. Er komen meerdere wetswijzigingen aan, waardoor er opnieuw wijziging van de Verzamelverordening nodig zal zijn Het wetsvoorstel ‘Breed offensief’ is door de Tweede Kamer controversieel verklaard. Het nieuwe kabinet zal de behandeling van dit wetsvoorstel verder oppakken en in gang zetten. Dit betekent dat er mogelijk op korte termijn weer aanpassingen aan de Verzamelverordening nodig zijn. Vanwege de inwerkingtreding van de Wet inburgering 2021 en de wijzigingen in de studietoeslag was het niet mogelijk de wijziging van de Verzamelverordening langer uit te stellen. Financiën Er zijn geen financiële gevolgen verbonden aan dit voorstel. Samenwerking De opstelling van de Verzamelverordening 2022 heeft, net als de opstelling van zijn voorganger, in regionaal verband plaatsgevonden.

Hiermee is bewerkstelligd dat in de arbeidsmarktregio MiddenBrabant een (bijna) eenduidige verordening is opgesteld. Communicatie en participatie De wijzigingen in de Verzamelverordening zijn besproken met de Participatieraad. Aan de Participatieraad is ook advies gevraagd. Het advies van de Participatieraad is bijgevoegd. Zodra uw raad de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ heeft vastgesteld, zullen we deze publiceren in het gemeenteblad. Het gemeenteblad is te vinden op www.officielebekendmakingen.nl. Vervolg Na de vaststelling van de verordening door uw raad, treedt deze – na publicatie - per DDDDDD in werking.

Zaaknummer 2021-025639

3

Agendapunt:

Bijlagen Als bijlagen zijn bijgevoegd: - de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2017; - een overzicht van wijzigingen; - het advies van de Participatieraad.

burgemeester en wethouders van Goirle,

Mark van Stappershoef, burgemeester Ruud Lathouwers, secretaris

Zaaknummer 2021-025639

4

Agendapunt:

De raad van de gemeente Goirle; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 12 april 2022; gelet op de Gemeentewet; gelet op artikel 108 en artikel 147 van de Gemeentewet; gelet op de artikelen 6, 8, 8a, en 8b van de Participatiewet; gelet op artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; gelet op artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; gelet op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004; gelet op de Wet inburgering 2021. besluit: vast te stellen: de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2022 Hoofdstuk 1: Algemeen Artikel 1: Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. Algemene bijstand: de bijstand zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel b, PW; b. Arbeidsverplichting: de verplichting, genoemd in artikel 9, eerste lid, onderdeel a PW en artikel 37, eerste lid, onder a, b en c van de IOAW/IOAZ; c. Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; d. Belanghebbende: de alleenstaande, alleenstaande ouder of het gezin dat recht heeft op een uitkering, dan wel een voorziening in het kader van de wet; e. Benadelingsbedrag: het bedrag dat ten onrechte te veel is of wordt verleend als uitkering; f. Bijstandsnorm: de toepasselijke norm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, PW; g.

Bijzondere bijstand: de bijstand zoals bedoeld in artikel 5, onderdeel d, PW; h. Brede intake: een onderzoek naar de mogelijkheden van een uitkeringsaanvrager of belanghebbende naar werk of participatie waarbij aandacht is voor alle leefgebieden en dat wordt verwerkt in een plan van aanpak of PIP. Indien noodzakelijk wordt een nader onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden en beperkingen uitgevoerd, eventueel door een externe deskundige; i. Doelgroep re-integratie: personen aan wie op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, PW, of op grond van artikel 36 IOAW, of op grond van artikel 36 IOAZ door de gemeente ondersteuning bij de re-integratie en/of participatie kan worden geboden;

Zaaknummer 2021-025639

5

Agendapunt:

j.

Duurzame arbeidsinschakeling: algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder begrepen arbeid via een uitzendbureau, die over een periode van ten minste zes maanden wordt verricht en waar geen voorziening aan verbonden is in de vorm van loonkostensubsidie. k. Flankerende voorziening: een voorziening, waarvan de inzet een randvoorwaarde is voor de belanghebbende voor deelname aan re-integratievoorzieningen en nakoming van de arbeidsverplichtingen, waaronder schulddienstverlening en kinderopvang; l. Grondslag: de uitkeringsnorm zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ; m. Inlichtingenplicht: de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand; n. IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; o. IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; p. Loonkostensubsidie: de subsidie op de loonsom die het college kan verstrekken aan een werkgever om een werknemer met een verminderde loonwaarde vanwege een beperking al dan niet tijdelijk in dienst te nemen; q.

Medewerkingsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de noodzakelijk geachte voorziening, aan een onderzoek naar het recht op uitkering, eventueel via een huisbezoek, als ook naar het opstellen van en de voortgang van een re-integratietraject; r. Nugger: een persoon die behoort tot de doelgroep van de PW, maar die geen uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van de PW, IOAW of IOAZ. s. Participatie: het naar vermogen meedoen in de samenleving door onder andere het verrichten van betaald regulier of gesubsidieerd werk, het volgen van scholing, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of een tegenprestatie; t. Participatiepartner: re-integratiebedrijf, werkgever of maatschappelijke partner, waarmee de gemeente samenwerkt in het kader van de wet; u. PIP: persoonlijk plan inburgering en participatie, zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet inburgering 2021; v. Plan van aanpak: een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a PW of een trajectplan; w. PW: de Participatiewet; x. Recidive: hiervan is sprake wanneer een belanghebbende zich binnen 12 maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde categorie, dan wel hetzelfde artikel, zoals genoemd in deze verordening dan wel in de wet. Alleen bij de boete is de recidiveperiode wettelijk vastgesteld op 5 jaar; y.

Re-integratieverplichting: de verplichting genoemd in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, PW en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en IOAZ; z. Uitkering: de bijstandsuitkering op grond van de PW of de uitkering op grond van de IOAW of IOAZ; aa. Uitkeringsgerechtigde: een persoon die uitkering ontvangt op grond van de PW, IOAW of IOAZ; bb. UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; cc. Verlaging: het verlagen van de bijstand of grondslag op grond van artikel 18, tweede lid, PW of artikel 20, tweede lid, IOAW of artikel 20, tweede lid, IOAZ;

Zaaknummer 2021-025639

6

Agendapunt:

dd. Verminderde loonwaarde: hiervan is sprake wanneer een persoon vanwege een beperking niet in staat is het wettelijk minimum uurloon te verdienen; ee. Verrekenen: de verrekening zoals bedoeld in artikel 60, vierde lid, PW, dan wel artikel 28, zevende lid, IOAW of artikel 28, zevende lid, IOAZ; ff. Voorziening: een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op inschakeling in de arbeid of zelfstandige maatschappelijke participatie waaronder begrepen de ondersteuning vanuit de gemeente, een onderzoek naar de belastbaarheid en de noodzaak tot inzet van loonkostensubsidie; gg. Waarschuwing: het besluit waarin afgezien wordt van het opleggen van een verlaging of boete, maar waarin wel wordt bevestigd dat er sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van verplichtingen; hh. Wachttijd: wettelijk bepaalde periode van vier weken waarin de belanghebbende, jonger dan 27 jaar, verplicht is zelf op zoek te gaan naar werk en om de mogelijkheden van regulier onderwijs te onderzoeken. Pas hierna wordt de aanvraag ingediend en het recht op inkomensondersteuning en ondersteuning naar participatie onderzocht; ii. Wet: de PW, IOAW, IOAZ en Bbz tezamen. Hoofdstuk 2: re-integratie en tegenprestatie Paragraaf 2.1: Algemene bepalingen Artikel 2: Opdracht en taak van het college 1.

Het college biedt ondersteuning op grond van deze verordening ten behoeve van de persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie en die dit naar het oordeel van het college nodig heeft bij de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. 2. Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen. 3. Het college houdt bij het aanbieden van een voorziening of ondersteuning rekening met de mogelijkheden waaronder interesses, vaardigheden en ontwikkelkansen en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Deze omstandigheden hebben in ieder geval ook betrekking op zorgtaken van die persoon, eventuele structurele beperkingen en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 4. Het college bevordert de beschikbaarheid en de inzet van flankerende voorzieningen die belemmeringen voor participatie, re-integratie en arbeidsinschakeling kunnen opheffen. 5. Het college kan bij het bepalen van het aanbieden van voorzieningen prioriteren naar gelang de financiële mogelijkheden en rekening houden met maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. 6. Het college kan budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen of doelgroepen en draagt daarbij dan zorg voor een evenwichtige verdeling. Artikel 3: Aanspraak 1.

Voorzieningen kunnen worden verstrekt aan een belanghebbende dan wel aan de werkgever van de belanghebbende. 2. Op basis van een de brede intake stemt het college de ondersteuning en voorzieningen af op het vergroten van de zelfredzaamheid van de belanghebbende via de kortste weg naar (duurzame)

Zaaknummer 2021-025639

7

Agendapunt:

3. 4.

5. 6.

arbeidsinschakeling dan wel een zo hoog mogelijke arbeidsproductiviteit of als dat niet mogelijk is, naar betekenisvolle maatschappelijke participatie. Het college legt het individuele aanbod van een voorziening aan een persoon vast in een plan van aanpak, dat in samenspraak met de belanghebbende wordt opgesteld. Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning voor zover er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die voldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. Het college stelt beleidsregels op ten aanzien van het aanbieden van voorzieningen aan nuggers. Het college kan besluiten enige tijd geen voorziening aan te bieden als een eerdere voorziening voortijdig is beëindigd vanwege een reden, zoals opgenomen in artikel 6, sub a en e van deze verordening.

Paragraaf 2.2: Voorzieningen Artikel 4: Voorzieningen 1. Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep re-integratie: a. (laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde arbeid; b. begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid; c. ondersteunen bij het zoveel mogelijk wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling; d. verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan maatschappelijke participatie; e. anderszins een voorziening verstrekken in verband met bepaalde specifieke re-integratieof participatie-activiteiten. 2. Het college kan aan een werkgever (financiële) ondersteuning bieden ten behoeve van een belanghebbende die behoort tot de doelgroep re-integratie, anders dan de loonkostensubsidie, zoals opgenomen in paragraaf 2.3 van deze verordening. 3. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast, waarin de voorzieningen en de bijbehorende voorwaarden zijn opgenomen, voor zover daarover in deze verordening en de wet geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Artikel 5: Voorzieningen duale trajecten inburgering Het college kan aan personen die behoren tot de doelgroep van de Wet Inburgering 2021 en die een bijstandsuitkering ontvangen, een voorziening aanbieden op basis van de wet en deze verordening. Artikel 6: Beëindiging van een voorziening Het college kan een voorziening beëindigen als: a.

de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de PW of de artikelen 13 en 37 van de IOAW of IOAZ niet (langer) nakomt of niet naar vermogen hier gebruik van maakt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep reintegratie; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de PW;

Zaaknummer 2021-025639

8

Agendapunt:

d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan het gestelde doel of niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; e. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening en de beleidsregels worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening; f. door het college wordt vastgesteld dat voortzetting van de voorziening niet wenselijk is omdat de participatiepartner niet of in onvoldoende mate aan de op hem rustende verplichtingen krachtens het Burgerlijk Wetboek en/of de geldende voorwaarden voldoet. Artikel 7: Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar 1. Het college kan ter uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de PW een uitkeringsgerechtigde voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten zoals bedoeld in artikel 10a van de PW. 2. Een uitkeringsgerechtigde die onbeloonde additionele werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 10a van de PW verricht, ontvangt volgens het zesde lid van dat artikel ieder half jaar een premie mits naar vermogen is meegewerkt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling. 3.

Het college kan op basis van artikel 10a PW of artikel 38a IOAW/IOAZ aan een uitkeringsgerechtigde van 27 jaar of ouder en die niet beschikt over een startkwalificatie scholing aanbieden met als doel de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. 4. De premie bedraagt per jaar 25% van het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onder j van de PW. 5. Het college stelt beleidsregels vast ten aanzien van de participatieplaats, voor wat betreft de premie zoals bedoeld in het tweede lid, de scholing zoals bedoeld in het derde lid en de voorwaarden en verplichtingen die daaraan verbonden zijn. Paragraaf 2.3: Voorzieningen voor mensen met verminderde loonwaarde of beperkingen richting werk Artikel 8: Participatievoorziening beschut werk 1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon: a. behoort tot de doelgroep re-integratie; of b. een persoon is aan wie het UWV een uitkering verstrekt. 2. Wanneer het aantal geraamde beschutte werkplekken in één kalenderjaar al is gerealiseerd, dan krijgen de mensen waarvan eerder is vastgesteld dat ze tot de doelgroep beschut werk behoren en die nog niet geplaatst zijn, voorrang op de mensen die later tot de doelgroep worden toegelaten.

Artikel 9: Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde 1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: a. een persoon moet behoren tot de doelgroep re-integratie als omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, PW; en b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen; en

Zaaknummer 2021-025639

9

Agendapunt:

c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie; of d. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 10d, tweede lid, PW. 3. Het college maakt voor de vaststelling van de loonwaarde gebruik van de regionaal overeengekomen gevalideerde methodiek. Paragraaf 2.4: Tegenprestatie Artikel 10: Tegenprestatie 1. Iedere uitkeringsgerechtigde heeft een plan van aanpak met hierin opgenomen activiteiten ter bevordering van arbeidsinschakeling, re-integratie of maatschappelijke participatie. 2. Het naar vermogen meewerken aan deze activiteiten zoals genoemd in het eerste lid van dit artikel wordt gezien als tegenprestatie voor de ontvangen uitkering. Hoofdstuk 3: Afstemming via verlaging van de uitkering Paragraaf 3.1: Algemene bepalingen Artikel 11: Het opleggen van een verlaging van de uitkering 1. Het college kan de uitkering overeenkomstig de wet en deze verordening verlagen als een belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in de PW dan wel de verplichtingen genoemd in deze verordening en/of de wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, PW en artikel 13, eerste lid, IOAW en IOAZ, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich zeer ernstig misdragen zoals omschreven in artikel 24 van deze verordening, 2.

Een verlaging van de uitkering is altijd maatwerk en wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij of zijn gezin verkeert. Artikel 12: Besluit 1. Het besluit tot het opleggen van de verlaging van de uitkering of van de waarschuwing vermeldt in ieder geval: de reden hiervan, de eventuele duur en hoogte van de verlaging als ook de afweging van de individuele omstandigheden zoals bedoeld in deze verordening. 2. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd, wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen dan wel het geven van een waarschuwing op grond van deze verordening. Daarom tellen ook deze besluiten mee voor recidive. Artikel 13: Afzien van het opleggen van een verlaging 1. Het college ziet af van het opleggen van een verlaging als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 2. Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het college afziet van het opleggen van een verlaging op grond van dringende redenen, dan wordt dit gemotiveerd in het besluit vastgelegd.

Zaaknummer 2021-025639

10

Agendapunt:

Artikel 14: Ingangsdatum, tijdvak en recidive 1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gaat de verlaging in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging van de uitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende toepasselijke bijstandsnorm of grondslag. 2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden opgelegd als er sprake is van een besluit op een uitkeringsaanvraag, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. In deze situatie werkt het verlagen van de uitkering terug tot de ingangsdatum van de uitkering dan wel de datum waarop het verzuim betrekking heeft. 3. Als een belanghebbende in één maand meerdere afspraken niet nakomt waardoor de uitkering kan worden verlaagd, dan wordt de hoogte en duur van de verlaging vastgesteld op de gedraging waarvoor de hoogste verlaging kan worden opgelegd op grond van de wet of deze verordening. 4. In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor levensonderhoud hebben ontvangen in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz, de verlaging met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand. 5. De verlaging wordt vastgesteld voor de duur van één maand, tenzij sprake is van: a.

recidive, dan wordt de duur van de verlaging verdubbeld, tenzij in deze verordening of de wet anders is bepaald; b. verwijtbaar gedrag waarvoor in de verordening een afwijkende duur is vastgesteld. 6. Bij de effectuering van de verlaging kan het college gebruik maken van de mogelijkheid om de verlaging te spreiden over drie maanden om daarmee de belanghebbende in de gelegenheid te stellen alsnog aan de verplichtingen te voldoen. Dit geldt voor alle verlagingen, tenzij er sprake is van recidive. 7. Als door beëindiging van de uitkering de verlaging niet of niet volledig kan worden toegepast kan bij een nieuwe aanvraag binnen de termijn van 1 jaar de verlaging of het deel dat nog niet is uitgevoerd alsnog worden geëffectueerd. Artikel 15: Inkeerbepaling 1. Als een verlaging over meerdere maanden geëffectueerd wordt, kan op verzoek van een belanghebbende de effectuering over de resterende maanden ongedaan worden gemaakt als belanghebbende ondubbelzinnig aantoont alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. 2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan niet eerder worden ingediend dan de dag waarop de effectuering van de verlaging start en niet later dan dat de maatregel volledig geëffectueerd is. 3.

Indien belanghebbende ondubbelzinnig aantoont alsnog te voldoen aan de verplichting waarvoor een verlaging is opgelegd, dan gaat de herziening in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin belanghebbende het verzoek tot herziening heeft ingediend. Dit betekent dat de verlaging vanaf die dag komt te vervallen. Artikel 16: De berekeningsgrondslag van de verlaging 1. De verlaging wordt toegepast op de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag. 2. De verlaging bestaat uit een percentage van de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag, dan wel uit een percentage van het benadelingsbedrag, zoals opgenomen in deze verordening. 3. In afwijking van het eerste lid, kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand als:

Zaaknummer 2021-025639

11

Agendapunt:

a. aan belanghebbende bijzondere bijstand voor levensonderhoud wordt verleend met toepassing van artikel 12 PW; b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie tot het recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft; c. het bijzondere bijstand betreft voor woonkosten of premie voor arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen, die een uitkering voor levensonderhoud (hebben) ontvangen krachtens Bbz of IOAZ. 4. Onverminderd het bepaalde in de vorige leden kan bijzondere bijstand worden afgestemd op de wijze zoals beschreven in artikel 23, negende lid, van deze verordening, wanneer sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Artikel 17: Waarschuwing 1. Het college kan bij gedragingen uit de tweede en derde categorie, zoals bedoeld in de artikelen 19 en 20 van deze verordening, in plaats van een verlaging, een waarschuwing opleggen, als het college hiertoe in de individuele omstandigheden aanleiding ziet. 2. Een waarschuwing wordt niet afgegeven wanneer sprake is van recidive zoals bedoeld in artikel 14, vijfde lid, onderdeel a, van deze verordening. Artikel 18: Horen van belanghebbende(n) Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld de eigen zienswijze naar voren te brengen. Hiervan kan worden afgezien als: a.

de belanghebbende de zienswijze al eerder kenbaar heeft gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden; of b. het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. Paragraaf 3.2: Gedragingen en bijbehorende verlagingen Paragraaf 3.2.1: niet nakomen van verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling en overige verplichtingen Artikel 19: Gedragingen PW Gedragingen van een belanghebbende die het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren of waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17 tweede lid, 18, 55 en 56a van de PW niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak waaronder inbegrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een ingezet re-integratietraject; 2. het onvoldoende aantoonbaar trachten arbeid of passende scholing te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden gedurende de wachttijd van 4 weken na melding voor jongeren tot 27 jaar; 3. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of re-integratie; 4. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Zaaknummer 2021-025639

12

Agendapunt:

b. tweede categorie: 1. het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel 9a, eerste lid, PW bedoelde ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekking van de ontheffing van de arbeidsplicht; 2. andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren; 3. Het niet nakomen van de verplichtingen zoals genoemd in artikel 17 tweede lid of het niet nakomen van een nadere verplichting op basis van artikel 55 PW 4. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan de taaltoets zoals bedoeld in artikel 18b, tweede lid, PW, waarvoor belanghebbende een schriftelijke uitnodiging heeft ontvangen. c. derde categorie: 1. het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het financieel ontzorgen. 2. het zich niet (tijdig) laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie; Artikel 20: Gedragingen IOAW en IOAZ 1. Het college maakt geen gebruik van de wettelijke bevoegdheid om de IOAW- of IOAZ-uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren. In plaats daarvan kunnen deze uitkeringen op grond van deze verordening verlaagd worden. 2.

Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 2. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid tijdens de uitkering; 3. het weigeren van een passend re-integratie aanbod; 4. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling of re-integratie; 5. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. b. tweede categorie: 1. het niet naar vermogen meewerken aan een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, IOAW/IOAZ, waaronder begrepen het niet naar vermogen deelnemen aan taalwervingslessen voor mensen die onvoldoende de Nederlandse taal beheersen; 2. het door een alleenstaande ouder niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen verbonden aan de in artikel 38, eerste lid, IOAW/IOAZ bedoelde ontheffing, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht; 3. andere gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren. c. derde categorie: 1.

het zich niet (tijdig) laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie.

Zaaknummer 2021-025639

13

Agendapunt:

Artikel 21: Hoogte en duur van de verlaging en waarschuwing 1. De verlaging bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 19 en 20 van deze verordening, wordt vastgesteld op: a. 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 5% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de derde categorie. 2. Het college kan op basis van dringende individuele omstandigheden besluiten om het percentage, zoals genoemd in het eerste lid, onder a, van dit artikel te halveren. 3. Het college kan bij gedragingen uit de tweede en derde categorie, zoals bedoeld in de artikelen 19 en 20 van deze verordening, in plaats van een verlaging, een waarschuwing opleggen, als het college hiertoe in de individuele omstandigheden aanleiding ziet. 4. Een waarschuwing wordt niet afgegeven wanneer sprake is van recidive zoals bedoeld in artikel 14, vijfde lid, onderdeel a, van deze verordening.

Paragraaf 3.2.2: Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen van artikel 18 lid 4 PW met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 22: Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichtingen Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, PW, niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Paragraaf 3.3.3: Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel 23: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in het vierde lid van dit artikel, dan wordt een verlaging van de uitkering afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2. De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende wijze vastgesteld: a. 10% van het benadelingsbedrag als dit gelijk aan of lager is dan € 4.000,00; b. 20% van het benadelingsbedrag als dit hoger is dan € 4.000,00. 3. Als geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld, volstaat het college met het geven van een schriftelijke waarschuwing. 4.

Als een belanghebbende voor de aanvang van de uitkering algemeen geaccepteerde arbeid verwijtbaar niet heeft behouden, waardoor hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden is geraakt, of als sprake is van verwijtbaar verlies van een voorliggende voorziening, wordt een verlaging toegepast gedurende één maand met inachtneming van het bepaalde in het vijfde en zesde lid van dit artikel. 5. De verlaging als bedoeld in het vierde lid, wordt vastgesteld op de hoogte van het netto inkomen, dan wel de hoogte van de netto voorliggende voorziening, inclusief vakantietoeslag met een maximum van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag. 6. Het inkomen zoals bedoeld in het vierde lid wordt in beginsel berekend op basis van het laatste ontvangen loon, dan wel de hoogte van de voorliggende voorziening, gedurende de laatste gehele maand. Als het een wisselend inkomen betreft, dan wordt de hoogte vastgesteld op basis

Zaaknummer 2021-025639

14

Agendapunt:

van het gemiddelde maandinkomen gedurende de drie maanden voorafgaand aan het moment waarop de bijstandsbehoeftige omstandigheden aanvingen. 7. Bij versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn een verlaging worden opgelegd van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 8. Als toepassing van het zevende lid leidt tot onbillijkheden, dan wordt toepassing geven aan het bepaalde in artikel 48, tweede lid, onderdeel b, PW en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening voor de duur van het eerder, dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn. 9. Wanneer een belanghebbende bij aanvragen voor (bijzondere) bijstand geen gebruikt maakt van een voorliggende voorziening, die gezien haar aard passend en toereikend is voor het soort kosten waarvoor (bijzondere) bijstand wordt aangevraagd en het beroep op de voorliggende voorziening is niet meer mogelijk dan wordt de bijzondere bijstand verlaagd met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou hebben voorzien. Artikel 24: Zeer ernstige misdragingen 1. Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover personen en instanties, die zijn belast met de uitvoering van de PW, als bedoeld in artikel 9, zesde lid van de PW, kan de uitkering worden verlaagd. 2.

Als de belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW, IOAZ of Bbz, kan de uitkering worden verlaagd. 3. Het agressieprotocol treedt in werking in geval van een zeer ernstige misdraging. 4. Het college legt een verlaging op van 100% gedurende één maand. 5. Bij recidive legt het college een verlaging op van 100% gedurende drie maanden. Artikel 25: Verlaging versus boete Wet inburgering 2021 1. Als het college voor dezelfde gedraging een boete op grond van de Wet inburgering 2021 kan opleggen en de bijstand op grond van artikel 18 PW kan verlagen, dan kiest het college ervoor een boete op te leggen en de bijstand niet te verlagen. 2. Het college kan de opgelegde boete op grond van de Wet inburgering 2021 verrekenen met de uitkering op grond van de PW. Hoofdstuk 4: Bevordering naleving en bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik Artikel 26: Bevordering naleving 1. Het voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet is ingericht naar een landelijk vastgesteld model. 2. Het college stelt beleidsregels vast waarin tenminste wordt aangegeven hoe wordt geregeld: a. de voorlichting over de regelgeving alsmede de daaraan verbonden gevolgen bij misbruik en oneigenlijk gebruik; b.

de wijze van verificatie van gegevens en van informatie uitwisseling met derden; c. de wijze waarop controles worden uitgevoerd; d. de wijze waarop oneigenlijk gebruik en misbruik wordt opgespoord en afgehandeld.

Zaaknummer 2021-025639

15

Agendapunt:

Artikel 27: Bevorderen rechtmatigheid 1. Het college beoordeelt de rechtmatigheid van de uitkeringen op basis van de informatie uit landelijke systemen en de overgelegde gegevens. 2. Bij twijfel doet het college nader onderzoek en kan daarbij gebruikmaken van diverse onderzoeksmiddelen, zoals opgenomen in beleidsregels. Bij het gebruik van deze middelen hanteert het college de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Artikel 28: Aangifte bij het Openbaar Ministerie Als een schending van de inlichtingenplicht leidt tot benadeling van de gemeente, kan het college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie, in overeenstemming met de door het Openbaar Ministerie op dit punt gehanteerde uitgangspunten in de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude. Artikel 29: Terugvorderen vastgestelde benadelingsbedragen Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot herziening, terug- en invordering waarbij tenminste wordt geregeld: a. Wanneer en op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke bevoegdheid tot herziening, terugvordering en invordering van een verstrekte voorziening; b. op welke wijze er geheel of gedeeltelijk van terugvordering, dan wel van invordering kan worden afgezien; c. met welke frequentie heronderzoeken moeten plaatsvinden.

Artikel 30: Verhaal Het college stelt beleidsregels op met betrekking tot verhaal op de onderhoudsplicht waarin tenminste wordt geregeld: a. op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de wettelijke bevoegdheid tot verhaal; b. wanneer en op welke wijze er wordt afgezien van het nemen van een verhaalsbesluit en het invorderen van de te verhalen voorziening; c. met welke frequentie verhaalsonderzoeken moeten plaatsvinden. Hoofdstuk 5: Slotbepalingen Artikel 31: Betrekken van ingezetenen bij het beleid Het college betrekt ingezetenen van de gemeente bij het beleid op basis van de Verordening participatieraad gemeente Goirle 2017. Artikel 32: Evaluatie 1. Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd, met uitzondering van een additionele evaluatie over het jaar 2015. Het college stuurt hiertoe aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. 2. In afwijking van het eerste lid vindt een tussenevaluatie plaats één jaar na inwerkingtreding van deze verordening.

Zaaknummer 2021-025639

16

Agendapunt:

Artikel 33: Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 34: Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als: 'Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2022'. Artikel 35: Inwerkingtreding De verordening treedt in werking op de dag nadat zij is bekendgemaakt en werkt terug tot 1 januari 2022. Artikel 36: Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De volgende verordeningen worden ingetrokken: a. 'Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2017' b. ‘Verordening Wet inburgering Gemeente Goirle 2013’. 2. De ‘Verordening Wet inburgering Gemeente Goirle 2013’ blijft van toepassing op de personen op wie zij van toepassing was op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening.

Aldus besloten door de raad van de gemeente Goirle in zijn vergadering van 5 juli 2022.

, de voorzitter

, de griffier

Zaaknummer 2021-025639

17

Agendapunt:

Toelichting Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2022 Inleiding Vanwege wijzigingen in beleid, de wetgeving en ontwikkelingen in de jurisprudentie is onderhoud aan de Verzamelverordening nodig. We hebben deze aanpassingen zoveel mogelijk regionaal opgepakt. De arbeidsmarkt houdt immers ook niet op bij de gemeentegrenzen. Verdere aanpassingen komen er zeer waarschijnlijk aan. Het wetsontwerp ‘Breed offensief’ is ingediend bij de Tweede Kamer. De behandeling van het wetsontwerp is controversieel verklaard na de val van kabinet Rutte III. Maar het ziet er naar uit dat het kabinet Rutte IV dit onderwerp zo snel mogelijk zal oppakken. Deze wetswijziging zal leiden tot nadere aanpassingen op korte termijn. Met deze verordening anticiperen we in ieder geval op één wetsaanpassing: de verordeningsplicht voor de individuele studietoeslag vervalt per 1 april 2022 en daarom is deze paragraaf uit de Verzamelverordening gehaald. Belangrijke algemene wijzigingen: Per 1 januari 2022 is de nieuwe wet Inburgering ingevoerd. Deze wet kent geen verordeningsplicht, maar heeft wel belangrijke verbindingen met de Participatiewet. Met name het onderdeel financieel ontzorgen en de wens van het kabinet om duale inburgeringstrajecten aan te bieden, zijn verwerkt in deze verordening. De Verzamelverordening 2022 is als volgt opgebouwd: 1. Algemene bepalingen 2.

Re-integratie en tegenprestatie 3. Afstemming van de uitkering 4. Handhaving 5. Slotbepalingen Hieronder volgt de artikelsgewijze toelichting. Hoofdstuk 1: Algemeen Artikel 1: Definities De centrale rol van participatie in de bijstandsverlening (werk boven inkomen en iedereen doet naar vermogen mee) raakt in het bijzonder de doelgroep, het karakter en de reikwijdte van begrippen als participatie en voorzieningen. De in de verzamelverordening gebruikte begrippen sluiten zoveel mogelijk aan bij die van de wetgeving en de beleidskaders. Dit uit het oogpunt van helderheid en structuur. Hiermee is het voor de inwoner gemakkelijker om de samenhang te zien tussen het doel van de wetgeving en de in de verordening uitgewerkte uitgangspunten. Voor zover er definities niet in de Verzamelverordening zijn opgenomen, gelden deze zoals in de wet bedoeld. De definities in deze paragraaf gelden voor de gehele Verzamelverordening, tenzij hierop in de paragrafen een uitzondering is gegeven. Omwille van de vindbaarheid zijn de definities in alfabetische volgorde geplaatst.

Zaaknummer 2021-025639

18

Agendapunt:

Hoofdstuk 2: Re-integratie en tegenprestatie Paragraaf 2.1: Algemene bepalingen Dit hoofdstuk regelt het ondersteunen en het aanbieden van voorzieningen aan werkzoekenden die behoren tot de doelgroep, uitkeringsgerechtigd en niet-uitkeringsgerechtigd (NUG). De opdracht hiertoe is geregeld in artikel 7 van de PW en 34 van de IOAW/IOAZ. Voor het Bbz gelden deze regels niet vanwege de specifieke doelgroep en bepalingen. Voor uitkeringsgerechtigden geldt dat een voorziening ook gericht kan zijn op betekenisvolle participatie als werk (nog) niet mogelijk is. Artikel 2: Opdracht en taak van het college Het college biedt voorzieningen en ondersteuning, zoals bedoeld in deze verordening, aan personen aan die behoren tot de doelgroep re-integratie. Het college maakt een afweging, waarbij zij kijkt of een voorziening gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende (het meest) passend is met het oog op arbeidsinschakeling of participatie. Het is aan het college om te zorgen voor voldoende aanbod van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, re-integratie en participatie. We werken samen in regionaal verband binnen het Werkgeversservicepunt Midden Brabant. Het college zorgt voor een gevarieerd aanbod aan voorzieningen en legt deze vast in de beleidsregels.

Bij het aanbieden van een voorziening of ondersteuning, houdt het college rekening met de mogelijkheden en omstandigheden van de belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de PW. Hierin ligt besloten dat de gemeente ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. Daarnaast dient het college bij het aanbieden van ondersteuning of een voorziening rekening te houden met de zorgtaken van de belanghebbende. Onder deze zorgtaken verstaat het college ten minste de opvang van ten laste komende kinderen en het verrichten van mantelzorg. Het college werkt dit verder uit in beleidsregels. Soms hebben personen hulp of ondersteuning nodig, anders dan direct gericht op arbeid, om de stap richting de arbeidsmarkt te kunnen maken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er sprake is van een ernstige schuldenproblematiek. In het vierde lid is opgenomen dat het college de inzet van flankerende voorzieningen bevordert.

Bij deze voorzieningen valt te denken aan schuldhulpverlening of kinderopvang. De inzet van een dergelijke voorziening kan (in het individuele geval) een randvoorwaarde zijn voor wat betreft deelname aan re-integratievoorzieningen en nakoming van arbeidsverplichtingen. Let wel: de gemeente hoeft niet zelf alle voorzieningen te organiseren, maar houdt wel rekening met de beschikbaarheid ervan en kan dit bevorderen. De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het college zal naar aanleiding van een aanspraak op ondersteuning altijd een individuele afweging maken of zij die aanspraak wil en kan honoreren. Het ontbreken van

Zaaknummer 2021-025639

19

Agendapunt:

financiële middelen kan echter niet de reden zijn om aanvragen op ondersteuning af te wijzen. Wel kan het college per voorziening een plafond inbouwen. Het college dient in zo'n geval na te gaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. In het individuele geval is het altijd aan de gemeente om te beoordelen of er daadwerkelijk ondersteuning noodzakelijk is en welke vorm deze moet krijgen, gelet op het te bereiken doel van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn. Hierbij kan het college de afweging maken voor het goedkoopste adequate alternatief. Waar de gemeente ook zelf aanbod in huis heeft (denk hierbij aan trainingen) zal de inzet hiervan voorgaan op inkoop, mits passend en adequaat. Verder maakt het college bij de inzet van voorzieningen onder meer gebruik van de regionale menukaart, die door de deelnemende partijen in het Werkgeversservicepunt Midden-Brabant is opgesteld. Artikel 3: Aanspraak Het college kan een voorziening op basis van de wet en deze verordening verstrekken, zowel aan het individu als aan diens werkgever, afhankelijk van wat nodig is voor werk, re-integratie of participatie. Vanuit een gedegen onderzoek naar de mogelijkheden van de belanghebbende stelt het college samen met de belanghebbende vast welke inzet nodig is om het uiteindelijke doel, participatie naar vermogen, te bereiken.

Het college betrekt bij het afwegen van de belangen bij het aanbieden van voorzieningen onder meer de situatie op de arbeidsmarkt, de mate van investering in een belanghebbende (eerder aangeboden voorzieningen), het vooruitzicht op inkomen uit betaalde arbeid als ook de mogelijkheid van een voorliggende voorziening, waaronder voor jongeren de terugkeer naar het reguliere onderwijs. Het aanbod aan voorzieningen en de hierbij verwachte inspanningen van belanghebbende worden vastgelegd in een plan van aanpak. Het college kan ook voorzieningen aanbieden aan niet-uitkeringsgerechtigden. Wanneer het college dit doet en welke voorzieningen hiervoor kunnen worden ingezet, wordt vastgelegd in beleidsregels. In de Verzamelverordening 2017 was een inkomensgrens opgenomen van 110% van het Wettelijk minimumloon (WML) en een vermogensgrens voor de doelgroep nuggers. De Centrale Raad van Beroep heeft echter beslist dat een dergelijke categoriale begrenzing van de aanspraak op een voorziening in strijd is met de wet. Daarom is het vijfde lid van artikel 3 aangepast. Het college zal beleidsregels opstellen over de aanspraak op een voorziening voor niet uitkeringsgerechtigden (nuggers). Paragraaf 2.2: Voorzieningen Artikel 4: Voorzieningen De PW schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden.

Het criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand tot de arbeidsmarkt van een persoon, kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld: • activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk); • het leren van vaardigheden of kennis; • opdoen van werkervaring, b.v. door het werken met behoud van uitkering of via gesubsidieerd werk;

Zaaknummer 2021-025639

20

Agendapunt:

• •

re-integratie; begeleiding naar regulier werk.

Het college kan ook voorzieningen aanbieden met als doel het wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling. Hierbij gaat het niet om directe bemiddeling naar werk, maar om voorzieningen die ervoor zorgen dat een belanghebbende gemakkelijker bemiddelbaar is naar werk. Te denken valt aan schuldhulpverlening, begeleiding op de werkplek en aanpassing van de werkplek. De voorzieningen voor werkgevers zijn ook op te delen in verschillende categorieën. Zo is het mogelijk de werkgever te stimuleren om een persoon uit de doelgroep werkervaring op te laten doen in zijn bedrijf dan wel de persoon in dienst te nemen. De gemeente zou in dat geval bijvoorbeeld een deel van de opleidingskosten voor haar rekening kunnen nemen. Ook is het mogelijk door middel van een voorziening te compenseren voor een verminderde loonwaarde of productiviteit van een belanghebbende. Dit betreft bijvoorbeeld loonkostensubsidie, zoals opgenomen in artikel 8 van deze verordening. In dit artikel zijn dus de verschillende categorieën voorzieningen opgenomen die het college tot haar beschikking heeft bij het ondersteunen van belanghebbenden richting werk en participatie. Onder deze categorieën vallen meer specifieke instrumenten zoals bijvoorbeeld bemiddeling van de werkzoekende, scholing, proefplaatsen et cetera. Deze individuele voorzieningen worden door het college uitgewerkt in beleidsregels.

Artikel 5: Voorzieningen duale trajecten inburgering Op 1 januari 2022 is de nieuwe Wet inburgering in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet krijgen gemeenten weer de regie op de inburgering. Het college is verplicht om een PIP aan te bieden aan alle inburgeringsplichtigen. Er is een verschil in financiering tussen inburgeringsplichtige statushouders en gezins- en overige migranten. Het college biedt inburgeringsplichtige statushouders die een bijstandsuitkering ontvangen zoveel mogelijk een duaal traject aan. Een dergelijk traject heeft twee componenten: een taalcomponent en een activeringscomponent. De taalcomponent kan het college financieren vanuit de inburgeringsmiddelen. De activeringscomponent kan het college (mede) financieren vanuit het Participatiebudget. Omdat financiering vanuit het Participatiebudget nodig is bij de inzet van duale trajecten op het gebied van inburgering, is een nieuw artikel 5 opgenomen om hiervoor een basis te creëren in de Verzamelverordening. Artikel 6: Beëindigen van een voorziening In artikel 6 zijn de beëindigingsgronden opgenomen die gelden voor voorzieningen die zijn toegekend. Er staat beschreven dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dit kan. Het college kan bijvoorbeeld een voorziening beëindigen als een persoon niet in voldoende mate meewerkt aan de betreffende voorziening.

In een dergelijk geval zal het college overigens ook een afstemming van uitkering bezien. Onderdeel e is van toepassing als het gaat om voorzieningen aan nuggers. Uitkeringsgerechtigden die onvoldoende meewerken aan een voorziening kunnen hiervoor een verlaging van de uitkering opgelegd krijgen, op grond van de afstemmingsparagraaf in deze verordening. Voor nuggers is dit niet mogelijk. Als zij niet meewerken aan de voorziening kan deze beëindigd worden.

Zaaknummer 2021-025639

21

Agendapunt:

Sub f is, anders dan a tot en met e, gericht op de participatiepartner (bijvoorbeeld werkgever of trajectaanbieder) en niet op de persoon die gebruik maakt van de voorziening. Als een participatiepartner niet voldoet aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de voorziening, bijvoorbeeld het bieden van bepaalde ondersteuning op de werkvloer, dan kan het college de voorziening ook beëindigen. Het is wel van belang dat er een overeenkomst is ondertekend waarin de geldende voorwaarden in verband met de voorziening staan beschreven. De reikwijdte van deze bepaling is beperkt. Het college kan dit lid niet toepassen wanneer er al in wettelijke bepalingen is vastgelegd wanneer aan de voorwaarden is voldaan. Dat is het geval bij de voorzieningen beschut werk en loonkostensubsidie. Wanneer er een arbeidsovereenkomst is gesloten tussen werkgever en werknemer geldt het burgerlijk recht en heeft de werkgever enkel verplichtingen richting de werknemer (en niet tegenover de gemeente). De PW voorziet niet in een wettelijke bepaling tot terugvordering van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Het college kan noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een nugger, werkgever of participatiepartner de kosten terugvorderen op basis van het bestuursrecht. Terugvordering dient in een dergelijk geval te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 7: Participatie(plaats) voor personen ouder dan 27 jaar Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, PW). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden. Additionele werkzaamheden Een participatieplaats is bedoeld om additionele werkzaamheden te verrichten. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal, maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan een belanghebbende in een participatieplaats kan werken. Ook is het mogelijk hiermee te beoordelen of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de PW). Na negen maanden beoordeelt het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, PW). Zo niet, dan beëindigt het college de participatieplaats.

Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats beoordeelt het college opnieuw of zij de participatieplaats zal voortzetten. Als het college concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan zij de participatieplaats nog één jaar verlengen. Echter, in dat geval dient het college een andere werkomgeving aan te beiden (artikel 10a, negende lid, PW). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de PW). Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie. Voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de PW). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel

Zaaknummer 2021-025639

22

Agendapunt:

van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening zijn vastgelegd (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, PW). De premie is vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, PW. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Bij het bepalen van de hoogte van de premie zijn de risico's van de armoedeval betrokken.2 Het college verstrekt de premie per zes maanden. Aangezien artikel 6 verwijst naar de premie zoals genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, PW, is ook bij de hoogte van de premie aansluiting gezocht bij voornoemd artikel. De hoogte van de premie is per jaar bepaald op 25% van het in artikel 31, tweede lid, onderdeel j. genoemde bedrag. In Goirle hebben we nog geen invulling gegeven aan de voorziening participatieplaats, maar de wet kent een verordeningsplicht. En door opname van de mogelijkheid in de verordening kan het college invulling geven aan deze voorziening, als dit passend/wenselijk is in het totale palet voorzieningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1303/documents/23364