15. Aanvullend vleermuisonderzoek 10 oktober 2017.pdf
Tekst van het document
AANVULLEND VLEERMUISONDERZOEK BESTEMMINGSPLAN LEIJOEVER RIEL
Rapportage aanvullend vleermuisonderzoek Bestemmingsplan Leijoever Riel Opdrachtgever
Van der Weegen Bouwontwikkeling Ringbaan Oost 300 5004 JD Tilburg
Rapportnummer Versienummer
4013.005 D1
Status
Eindrapportage
Datum
10 oktober 2017
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
drs. J.G.T. Driessen
Paraaf
Kwaliteitscontrole
ing. R.J. Stoffer
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). (NGB) Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus en werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde protocollen en richtlijnen voor onderzoek. Het onderzoek betreft echter een momentopname en geeft een inschatting van de aanwezigheid van beschermbescher de soorten op de onderzoekslocatie.. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is nooit met zekerheid uit te sluislu ten. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien aan van mogelijke beslis slissingen die de opdrachtgever naar aanleiding ing van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 4
4
ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................................... 5
5
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING ............................................................................. 6
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ....................................................................................... 7
4013.005
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Van der Weegen Bouwontwikkeling opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend vleermuizenonderzoek voor het project Leijoever. Het aanvullend vleermuizenonderzoek is uitgevoerd in het kader voorgenomen bestemmingplanwijziging alsmede voorgenomen sloop en herontwikkeling ter plaatse. Het aanvullend vleermuizen is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van het Natuuronderzoek dat Econsultancy in april 2017 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 4013.002 d.d. 2 juni 2017). Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
Rapport 4013.005 versie D1
Pagina 1 van 7
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 5.700 m²) betreft het project Leijoever, in de kern van Riel. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartbladen 50 E en 50 F (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 129.980, Y = 392.903.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is bebouwd met een loods van circa 800 m². De loods is opgebouwd uit spouwmuren en heeft een plat dak. Aan de noordzijde is een houtwal met een speeltuin gelegen. Het overige gedeelte van de onderzoekslocatie is grotendeels verhard met betonplaten. Ten noorden van de onderzoekslocatie is een speeltuin en tijdelijk schoolgebouw gelegen. Ten zuiden en ten westen zijn woonhuizen met tuinen gelegen. Ten oosten zijn een wandelpad, de Leij, een weiland en houtopstanden gelegen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 4013.005 versie D1
Pagina 2 van 7
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Westzijde van de loods.
Figuur 4. Westzijde onderzoekslocatie.
Figuur 5. Houtwal aan de noordzijde.
Figuur 6. Noord- en oostzijde onderzoekslocatie.
Figuur 7. Sloot en weiland aan oostzijde.
Figuur 8. Binnenzijde loods.
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens de bestaande loods te slopen en vervolgens de nieuwbouw van zes twee-onder-één-kapwoningen en acht patiowoningen te realiseren. Ten behoeve van deze ontwikkeling wordt de huidige vegetatie verwijderd.
Rapport 4013.005 versie D1
Pagina 3 van 7
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Voor gebouwbewonende vleermuizen zijn in de periode mei tot september 2017 in totaal vijf aanvullende veldbezoeken uitgevoerd. De veldbezoeken zijn in de avonduren en/of ochtenduren uitgevoerd. De inventarisatiemethode is conform het protocol voor vleermuisonderzoek 2017, dat is opgesteld door het vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging, in overleg met Dienst Landelijk Gebied en de Gegevensautoriteit Natuur. De onderzoeksinspanning is gebaseerd op de functies zomerverblijfplaats, kraamverblijfplaats en paarverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Omdat de gewone grootoorvleermuis een moeilijke soort is om op te waarnemen door middel van een batdetector is om een half uur na afloop van de ochtendrondes en een half uur voor de avondrondes een inpandige inspectie uitgeevoerd met behulp van een zaklamp. Het vleermuizenonderzoek is uitgevoerd binnen de meest gunstige periode van het jaar waarin vleermuizen aantoonbaar van de onderzoekslocatie gebruik kunnen maken (mei - september). Gedurende de periode juni tot en met half juli hebben alle bovengenoemde soorten hun zomer- en kraamverblijfplaatsen bezet en zijn druk bezig met het grootbrengen van jonge dieren. Vanaf eind juli vallen de kraamkolonies uiteen, verspreiden de vrouwtjes zich en gaan op zoek naar het gezelschap van baltsende mannetjes.
Naast kraam- en paarverblijfplaats is het aanvullende onderzoek ook gericht op de functie zomerverblijfplaats. Tijdens de veldbezoeken is voornamelijk gelet op uitvliegende, invliegende of zwermende vleermuizen. Daarnaast is er ook gelet op foeragerende en passerende vleermuizen. Tijdens de veldbezoeken in de periode half augustus-september is voornamelijk gelet op sociale geluiden. In de periode half augustus - september produceren mannetjes vleermuizen de meeste sociale geluiden vanuit of vliegend rondom bebouwing om vrouwtjes te lokken. Alle veldbezoeken zijn uitgevoerd met behulp van een batdetector. Een batdetector zet het voor het menselijk gehoor niet hoorbare ultrasone geluid van vleermuizen om naar frequenties die wel hoorbaar zijn. De opnamemogelijkheid is belangrijk omdat de geluidsopnames kunnen worden gebruikt voor het determineren Op basis van de geluidsfrequenties en ritmes kunnen verschillende soorten vleermuizen worden onderscheiden. Tabel I geeft een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken voor vleermuizen. Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van vleermuizen gunstig. Tijdens de vleermuisrondes was de temperatuur tussen de 14 ºC en 18 ºC, het was droog of er was sprake van lichte motregen en er was weinig wind.
De weersomstandigheden voldoen hierbij aan de protocollaire eisen voor vleermuizen onderzoek: temperatuur niet lager dan 12 ºC, de windsnelheid beneden de 4 Beaufort en geen sprake van neerslag, anders dan lichte motregen. Tabel I.
Onderzoeksinspanning vleermuizenonderzoek februari
vleermuizen
tijdstip
maart -
april
mei
juni
2 x avond en 1x ochtend
juli
augustus -
september 2 x avond
datum
1 juni en 11 juli (avond) en 24 juni (ochtend)
24 augustus en 21 september
functie
zomer- en kraamverblijfplaats
paarverblijfplaats
Rapport 4013.005 versie D1
Pagina 4 van 7
4
ONDERZOEKSRESULTATEN
Verblijfplaatsen binnen de onderzoekslocatie Tijdens geen van de veldbezoeken zijn er invliegende, uitvliegende, zwermende of gevel grijpende vleermuizen waargenomen rondom het gebouw op de onderzoekslocatie. Tevens zijn geen sporen in of rondom het gebouw aangetroffen van vleermuizen. Verder weg is wel een baltsende gewone dwergvleermuis waargenomen. Deze vloog echter niet nabij het te slopen pand, waardoor een verblijfplaats hierin redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Op basis van de huidige onderzoeksinspanning kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de bebouwing op de onderzoekslocatie geen functie heeft als vaste rust- en verblijfplaats voor een vleermuizensoort als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone dwergvleermuis. Doordat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat de betreffende bebouwing in gebruik als kraam-, zomer- of paarverblijfplaats, kan tevens worden aangenomen dat de bebouwing geen functie heeft als winterverblijfplaats. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Tijdens de veldbezoeken zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie geen invliegende of uitvliegende vleermuizen waargenomen. Vanwege de afstand tot de onderzoekslocatie en de aard van de ingreep is bovendien uitgesloten dat in de directe omgeving verblijfplaatsen aanwezig zijn die verstoring zullen ondervinden van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie.
Foeragerende vleermuizen Tijdens de veldbezoeken zijn maximale 4 foeragerende gewone dwergvleermuizen en 2 foeragerende laatvliegers waargenomen. De plannen zullen echter geen aantasting van essentieel foerageerhabitat vormen. In de directe omgeving is veelmeer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de oostelijk gelegen houtopstanden en bomen gelegen langs straten zoals de Goirleseweg. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. Verspreid over de onderzoekslocatie vlogen wel individuen over van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuizen. Deze volgde geen echter geen vast patroon wat door meerdere individuen gevolgd werd waardoor een vaste vliegroute kan worden uitgesloten.
Rapport 4013.005 versie D1
Pagina 5 van 7
5
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING
Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten genieten binnen de Wet natuurbescherming een strikte bescherming. Alle vleermuissoorten staan vermeld in bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: "het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort". Dit houdt in dat niet alleen de zomer- en winterverblijfplaatsen maar ook de verbindingen hiertussen (vliegroutes) en de essentiële foerageergebieden bescherming genieten. Vleermuizen zijn streng beschermd omdat dat ze erg kwetsbaar zijn. De afgelopen vijftig jaar zijn sommige soorten erg zeldzaam geworden of geheel verdwenen. Wanneer overwinterende dieren worden verstoord, is de kans groot dat ze sterven omdat ze dan teveel van hun vetreserve gebruiken. Maar al te vaak worden bomen gekapt en oude gebouwen gerenoveerd of gesloopt. Als zich hierin een vleermuiskolonie bevindt, heeft dat grote gevolgen voor de vleermuisstand in de wijde omgeving. Omdat ze meestal maar één jong per jaar krijgen, kan herstel erg lang duren. Vleermuizen kunnen zelf geen verblijfplaatsen maken en zijn dus afhankelijk van bestaande verblijfplaatsen.
Daarnaast hebben ingrepen in het landschap ook negatieve gevolgen doordat foerageergebieden en vliegroutes, waar vleermuizen jaren achtereen gebruik van maken, verdwijnen. De impact die een ingreep kan hebben verschilt sterk per situatie en per soort waardoor meestal gedetailleerde gegevens nodig zijn om een passend advies te geven. Functie van de onderzoekslocatie voor vleermuizen In het gebouw op de onderzoekslocatie zijn geen vaste rust- en verblijfplaats van vleermuizen vastgesteld. Daarnaast is geen essentieel foerageergebied en/of een vaste vliegroute voor vleermuizen op de onderzoekslocatie aanwezig. Bij de voorgenomen sloop en herontwikkeling worden dan ook geen vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is bij de voorgenomen ontwikkeling dan ook niet aan de orde
Rapport 4013.005 versie D1
Pagina 6 van 7
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Econsultancy heeft in opdracht van Van der Weegen Bouwontwikkeling opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend vleermuizenonderzoek voor het project Leijoever. Het aanvullend vleermuizenonderzoek is uitgevoerd in het kader voorgenomen bestemmingplanwijziging alsmede voorgenomen sloop en herontwikkeling ter plaatse. Op basis van het onderzoek is beoordeeld of bij de voorgenomen ontwikkeling sprake zal zijn van overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen. Tijdens de veldbezoeken is geen verblijfplaats van vleermuizen vastgesteld in het gebouw op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie betreft daarnaast geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen en er is geen vliegroute aangetroffen voor vleermuizen. Met betrekking tot de voorgenomen bestemmingsplan alsmede sloop en herontwikkeling is overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van een vaste rust- en verblijfplaats van vleermuizen niet aan de orde.
Econsultancy Boxmeer, 10 oktober 2017
Rapport 4013.005 versie D1
Pagina 7 van 7
Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/EHS hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/ EHS, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden.
Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kun oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap.
Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing
De Wet natuurbescherming is gemaakt om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status.
Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Vaste rust- of verblijfplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levencyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of verblijfplaats is. Dit is soortafhankelijk.
Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Is een vleermuisverblijfplaats anders dan een kraamverblijf. Buiten de kraamperiode worden deze door vrouwtjes gebruikt, binnen de kraamperiode door individuele mannetjes.