CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

13 Bijlage 2 - Separate bijlagen bij het vast te stellen bestemmingsplan Ronde Akkers Riel.pdf

Besluitvormend 13 juli 2021, gemeente GoirleBij agendapunt: 13: Bestemmingsplan Ronde Akkers Riel21.194 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

GEMEENTE GOIRLE

B E S T E M M I N G S P L A N R O N D E A K K E R S (R I E L )

BIJLAGENBOEK

GEMEENTE BESTEMMINGSPLANNUMMER SCHAAL VAN DE VERBEE LDING STATUS PLAN

: :

NL.IMRO.0785.BP2020002RONDEAKKEvg0 1 1:1000 Vastgesteld

: : : : :

DATUM TERVISIELEGGING ONTWERP DATUM VASTSTELLING

DATUM UITSPRAAK ABRS DATUM INWERKINGTREDING DATUM ONHERROEPELIJK NAAM EN ADRES OPSTELLER

GOIRLE

: : :

29 april 2021 t/m 9 juni 2021

BRO BOSSCHEWEG 10 7 5282 WV BOXTEL

,QKRXGVRSJDYH

%LMODJHQELMWRHOLFKWLQJ















%LMODJH

6WDQGDDUG9HUDQWZRRUGLQJ*URHSVULVLFR









%LMODJH

%RGHPRQGHU]RHN











%LMODJH

$UFKHRORJLVFKEXUHDXRQGHU]RHN











%LMODJH

:DWHUSDUDJUDDI













%LMODJH

6WLNVWRIGHSRVLWLHRQGHU]RHN 











%LMODJH

)RWR VYHUZLMGHUGHDVEHVWYHUGDFKWHSODWHQ









%LMODJH

$UFKHRORJLVFKERRURQGHU]RHN











%LMODJH

$GYLHVERGHP 













%LMODJH

4XLFNVFDQIORUDHQIDXQD













%LMODJH

6HOHFWLHEHVOXLWDUFKHRORJLH













%LMODJH

3URJUDPPDYDQHLVHQDUFKHRORJLH











%LMODJH

3URHIVOHXYHQRQGHU]RHNDUFKHRORJLH 









%LMODJH

6HOHFWLHEHVOXLWDUFKHRORJLH























%LMODJHQELMWRHOLFKWLQJ





%LMODJH 6WDQGDDUG9HUDQWZRRUGLQJ*URHSVULVLFR



Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019 Gemeente Goirle

Opdrachtgever: Gemeente Goirle Uitvoering K. Aarts, N. den Haan, M. van der Wielen, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant Datum Juli 2019

1

Inleiding Deze standaard verantwoording groepsrisico (voortaan: standaard verantwoording) is een hulpmiddel voor het opstellen van de paragraaf “externe veiligheid” in ruimtelijke plannen, waarvan de gronden liggen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Een risicobron is een bron waar opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, zoals een Bevi-inrichting, buisleiding, spoor-, water- of autoweg. De standaard verantwoording geeft een beschrijving van de scenario’s en de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid en gaat op globale wijze in op het groepsrisico. Deze standaard verantwoording wordt toegepast voor Wro-besluiten en omgevingsvergunningen Wabo voor afwijken van bestemmingsplan of beheersverordeningen. De standaard verantwoording kan gebruikt worden om te voldoen aan artikel 13 van het Bevi1. Daarnaast kan deze standaard verantwoording toegepast worden als (beperkte) verantwoording op grond van artikel 7 en 8 van het Bevt2 en artikel 12 van het Bevb3. Voor een verantwoording van het groepsrisico dient de Veiligheidsregio (VR) in de gelegenheid te worden gesteld een advies uit te brengen. De VR geeft in bepaalde situaties een standaardadvies af. Voor de toepassingsmogelijkheden van dit standaardadvies wordt verwezen naar het advies van de VR d.d. 21 december 2018.

Een vuistregel is dat wanneer de standaard verantwoording kan worden toegepast, het standaardadvies van de VR tevens van kracht is. In dit document wordt:  toegelicht wanneer de standaard verantwoording aan de orde is en hoe het gebruikt wordt;  de standaard verantwoording voor de gemeente Goirle gegeven. Toepassing standaard verantwoording In Wro-besluiten en omgevingsvergunningen Wabo voor afwijken van bestemmingsplan of beheersverordeningen (voortaan: ruimtelijk plan) wordt getoetst aan diverse milieuaspecten, waaronder externe veiligheid. Ieder ruimtelijk plan bestaat daarom uit een paragraaf externe veiligheid. De standaard verantwoording kan nooit de gehele paragraaf externe veiligheid vervangen. Een complete paragraaf bestaat –naast de eventueel noodzakelijke verantwoording uit een beleidskader, beschrijving van de risicobronnen en (beperkt) kwetsbare objecten en een toetsing aan de relevante contouren (PR 10-6, plasbrandaandachtsgebieden en invloedsgebieden). Voor inzicht in deze contouren, wordt verwezen naar de risicokaart of EV-signaleringskaart. Voor de toepassingsmogelijkheden van de standaard verantwoording wordt verwezen naar het stroomschema, zoals opgenomen in bijlage 1. In dit stroomschema wordt een relatie gelegd met de kaart ‘zone indeling standaard verantwoording groepsrisico’, die in bijlage 2 staat.

Toelichting Stroomschema Het stroomschema maakt onderscheid tussen: 1. Conserverende en ontwikkelingsgerichte plannen: Conserverende plannen zijn bestemmingsplannen of beheersverordeningen waarin juridisch-planologisch geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Een bestemmingsplan dat een wijzigingsbevoegdheid of uit te werken bestemming (opnieuw) vastlegt, wordt beschouwd als een ontwikkelingsgericht plan. Een uitbreiding van een

1

Besluit externe veiligheid inrichtingen Besluit externe veiligheid transportroutes 3 Besluit externe veiligheid buisleidingen

2

2

bestaande functie, functiewijziging of legalisatie wordt beschouwd als een ontwikkeling/wijziging. 2. Diverse zones. Deze zones zijn opgenomen op de kaart in bijlage 2 en omvat een: a. Niet gekleurde zone: wanneer het plangebied uitsluitend in dit gebied is gelegen, is een verantwoording niet benodigd. b. Grijze zone: deze gronden liggen binnen het invloedsgebied, maar buiten de bepalende zones voor het groepsrisico. Hier geldt daarom de standaardverantwoording. c. Blauwe zone: deze zone ligt tussen 30 en 200 meter van een transportroute4, buisleiding of categoriale inrichting en/of tussen 30 en 750 meter van een nietcategoriale Bevi-inrichting. Bij deze zone kan zowel de standaard- als maatwerkverantwoording van toepassing zijn. d. Gele zones: dit zijn de gebieden binnen 30 meter van een risicobron. Hiervoor geldt altijd een maatwerkadvies bij een ontwikkelingsgericht plan. Wanneer een ontwikkeling of wijziging binnen meerdere zones is gelegen, is de zone die het dichtst bij de risicobron gelegen is maatgevend. Naar rangorde van prioriteit is dat dus 1) geel, 2) blauw en 3) grijs. 3. Aard van de risicobronnen: Bij een ontwikkeling of wijziging die in een blauwe zone is gelegen wordt in het stroomschema de vraag gesteld om welke risicobron het gaat.

Indien sprake is van een zone afkomstig van een transportroute5 en/of buisleiding, dan geldt – wanneer sprake is van een zogenaamde beperkte verantwoordingsplicht - de standaard verantwoording. Er zijn ook inrichtingen, die niet gerekend worden tot Bevi-inrichtingen, zoals sommige PGS15inrichtingen of civiele inrichtingen voor explosieven. Hiervoor gelden veiligheidszones die (beperkt) kwetsbare objecten uitsluiten, maar een verantwoording groepsrisico is niet aan de orde. Deze inrichtingen zijn derhalve niet opgenomen op de kaart in bijlage 2. Beperkte verantwoording De toepassingsvereisten van een beperkte verantwoording zijn opgenomen in artikel 8, lid 2 van het Bevt en artikel 12, lid 3 van het Bevb en artikel 8 van de Revb. De onderbouwing in hoeverre de beperkte verantwoording kan worden toegepast, dient opgenomen te worden in het ruimtelijk plan. Wanneer de beperkte verantwoording niet kan worden toegepast, dan is een maatwerkverantwoording nodig. Indien de beperkte verantwoording kan worden toegepast, dient aanvullend bepaald te worden of sprake is van zelfredzame personen. Bij de volgende functies is per definitie sprake van niet zelfredzame personen en dient dus de pijl met ‘nee’ gevolgd te worden:  Ziekenhuizen;  Basisscholen, kinderdagverblijven en peuterspeelzalen;  Bejaardentehuizen, verpleeg- en verzorgingstehuizen;  Gevangenissen.

4

Onder transportroute wordt verstaan: wegen (incl. gemeentelijke wegen), spoorwegen en waterwegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. 3

Uitkomsten Het stroomschema kan leiden tot 3 uitkomsten: Geen verantwoording

Standaard verantwoording

In dit geval is geen verantwoording nodig. In de paragraaf externe veiligheid volstaat een beschrijving van de relevante risicobronnen en de constatering dat het plan buiten de relevante contouren/invloedsgebieden ligt, waardoor een verantwoording groepsrisico niet noodzakelijk is. De standaardverantwoording kan worden toegepast. In het ruimtelijk plan wordt een beschrijving gegeven van de risicobronnen en relevante contouren/invloedsgebieden en wordt omschreven waarom de standaardverantwoording van kracht is. Aanbevolen wordt om in het ruimtelijk plan te beschrijven in hoeverre de voorgestelde maatregelen uit de standaard verantwoording, zoals afsluitbare mechanische ventilatie of risicocommunicatie, getroffen worden. Onderhavig document wordt toegevoegd als bijlage bij het ruimtelijk plan. Een nadere uitwerking van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is niet nodig. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio mag eveneens worden toegepast en is opgenomen als bijlage bij deze standaardverantwoording. De Veiligheidsregio hoeft in dit geval niet meer (als overlegpartner) te worden betrokken bij de planvorming.

Maatwerk Verantwoording

Toepassing van de standaardverantwoording is niet mogelijk. De inhoud van de maatwerkverantwoording is afhankelijk van de betreffende risicobron(nen).  Bevi-inrichtingen: een maatwerkverantwoording conform artikel 13 van het Bevi;  Transportroutes: een maatwerkverantwoording conform artikel 8, lid 1 van het Bevt;  Buisleidingen: een maatwerkverantwoording conform artikel 12, lid 1 van het Bevb.

De aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dienen bij een maatwerkverantwoording – rekening houdende met locatie, functie, gebouwkenmerken enerzijds en rampscenario’s anderzijds specifiek te worden uitgewerkt. Ook dient de Veiligheidsregio om advies te worden gevraagd (bij voorkeur vroegtijdig in het proces wanneer externe veiligheid een bepalende factor is) en dient het gegeven advies verwerkt te worden in het ruimtelijk plan, waarbij beschreven wordt in hoeverre de voorgestelde maatregelen worden getroffen. Vragen of een maatwerkverantwoording laten opstellen? Wanneer er twijfel bestaat over de toepassingsmogelijkheden van de standaard verantwoording kan contact worden opgenomen met de OMWB. Contactpersonen hiervoor zijn:  Dhr. N. (Niels) den Haan (n.denhaan@omwb.nl);  Dhr. K. (Kees) Aarts (k.aarts@omwb.nl);  Dhr. M. (Martijn) van der Wielen (m.vanderwielen@omwb.nl). Ook voor toetsingen of het opstellen van een maatwerkverantwoording kunt u hen benaderen.

4

Standaard verantwoording Groepsrisico Het groepsrisico als gevolg van aanwezige risicovolle inrichtingen ligt in alle gevallen onder de oriëntatiewaarde. De belangrijkste transportroutes voor gevaarlijke stoffen zijn de A58 en N630. Voor het traject van de A58 ter hoogte van de gemeente Goirle is sprake van een groepsrisico, waarvan de waarde hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, maar lager dan de oriëntatiewaarde. Voor de N630 geldt een waarde van het groepsrisico die lager is dan 0,1 x OW, tenzij sprake is van een personendichtheid van meer dan 100 personen per hectare. Dit geldt eveneens voor alle gemeentelijke wegen. De binnen de gemeente Goirle gelegen buisleidingen, die relevant zijn voor externe veiligheid, betreffen voornamelijk aardgasleidingen. Met uitzondering van de leidingen Z-528-04 en A-657, A532, welke gelegen zijn aan de zuidzijde van de kern Goirle, zijn alle leidingen gelegen in het buitengebied. Voor de leidingen Z-528-04 en A-657, A-532, is sprake van een laag groepsrisico. De waarde voor alle leidingen is gelegen onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van risicobronnen op dusdanige afstand dat de ruimtelijke ontwikkeling, ook indien sprake is van toename van het aantal aanwezigen, niet leidt tot een relevante toename van het groepsrisico.

Bestrijding calamiteit en zelfredzaamheid Scenario’s De scenario’s waardoor het plangebied getroffen kan worden, is afhankelijk van de aanwezige risicobronnen. De meest voorkomende scenario’s welke zich kunnen voordoen, zijn hier beschreven. Toxisch scenario Dit scenario is van toepassing bij een plangebied dat ligt binnen een giftig (toxisch) invloedsgebied: Er komt een wolk met giftige stoffen vrij die zich verspreidt in de omgeving. Deze kan ontstaan als gevolg van: - een brand bij een inrichting met gevaarlijke stoffen (giftige verbrandingsproducten, rookwolk). - Een lek in een ammoniakkoelinstallatie (door uitdamping verspreiding in de omgeving). - het lek raken van een container/tankwagen/etc. met gevaarlijke stoffen (door uitdamping verspreiding in de omgeving). Aanwezigen in het plangebied die worden blootgesteld aan de toxische wolk kunnen ernstige gezondheidsschade oplopen en kwetsbare groepen (longpatiënten) kunnen in het ‘worstcase scenario’ overlijden. Overige gevolgen zijn irritatie van de luchtwegen en branderige ogen. Plasbrand Een plasbrand ontstaat doordat een tank van een tankwagen of tankwagon openscheurt na bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor stroomt een groot deel van brandbare vloeistof (zoals benzine) in korte tijd uit. De brandbare vloeistof verspreidt zich over de grond. Ontsteking van de plas leidt tot een korte hevige brand.

De effecten van een plasbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. Hittestraling is in combinatie met de blootstellingsduur bepalend voor het slachtoffer- en schadebeeld. Dichtbij de bron kunnen personen overlijden en verder van de bron af kan het leiden tot (ernstige) brandwonden.

5

Incident met brandbare gassen Dit scenario kan van toepassing zijn bij een plangebied dat ligt binnen de effectafstanden van een explosie: Een explosie kan optreden bij een LPG tankstation, bij een inrichting of bij het transport van onder druk vervoerd gas (weg en water). Door het instantaan falen, bijvoorbeeld als gevolg van een ongeluk, komt de inhoud spontaan en explosief vrij. De stof zal waarschijnlijk ontbranden wat eveneens voor schade zorgt. Het ‘worst-case scenario’ is dat een tank door een externe brand wordt opgewarmd, waardoor deze door oplopende interne druk faalt. Hierdoor komt de inhoud onder zeer grote druk explosief vrij en ontbrandt direct. De warmtestraling en overdruk in de omgeving is direct dodelijk zowel binnen als buiten gebouwen. Op grotere afstand zullen aanwezigen (brand)wonden oplopen. Daarnaast ontstaat schade aan gebouwen als gevolg van de druk. Fakkelbrand Dit scenario is van toepassing bij een plangebied dat ligt binnen de effectafstanden van een fakkelbrand. Dit scenario treedt op bij transportleidingen voor aardgas. Door een lekkage, scheur of volledige breuk van de buisleiding kan het aardgas vrijkomen en tot ontbranding worden gebracht door een ontstekingsbron in de nabijheid. Het vrijgekomen aardgas zal hierbij in brand vliegen wat gepaard gaat met een druk en hevige hitte ontwikkeling in de vorm van een fakkelbrand.

Door de hitte kunnen personen overlijden en/of brandwonden oplopen. Mogelijk te treffen maatregelen ter verbetering van de zelfredzaamheid Afsluitbare mechanische ventilatie bij toxisch scenario De Veiligheidsregio adviseert in nieuwe bouwwerken een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd. De detaillering van gevels, ramen en kozijnen volgt uit het Bouwbesluit 2012. Belangrijk is het controleren van een juiste uitvoering hiervan tijdens de bouw. Het toepassen van een afsluitbare mechanische ventilatie kan niet middels het Bouwbesluit worden afgedwongen. Om de toepassing hiervan te bevorderen wordt hierover actief gecommuniceerd met initiatiefnemers van bouwprojecten. Risicocommunicatie De Veiligheidsregio adviseert om actief te communiceren met gebruikers/bewoners van het invloedsgebied over de risico’s en mogelijk te nemen maatregelen. Dit vraagt om een actief beleid op het gebied van risico-communicatie. Op het gebied van risicobeheersing stelt de Veiligheidsregio in haar beleidsplan zich ten doel extra inspanningen te verrichten op het gebied van risicocommunicatie. Samen met de andere Brabantse Veiligheidsregio’s wordt hiervoor een plan ontwikkeld, waarbij gemeenten nadrukkelijk worden betrokken.

Binnen de gemeente Goirle is besloten om de wettelijke lijn te volgen. Dit is ook als zodanig vastgesteld in het borgingsdocument van de gemeente. Ontruimingsplan Het stimuleren van inrichtingshouders om aandacht te besteden aan hun ontruimingsplannen bij externe incidenten draagt bij aan een verhoging van de veiligheid. Instellingen en bedrijven zijn op grond van de Arbo-wet verplicht een risico-inventarisatie uit te voeren. Uit deze inventarisatie volgt of een BHV-organisatie ingesteld moet worden. Door de handhavers wordt hieraan structureel aandacht aan gegeven bij het uitvoeren van hun toezichtstaken. De Veiligheidsregio heeft in samenwerking met de gemeente Moerdijk een alerteringssysteem voor calamiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven ontwikkeld. De Veiligheidsregio past dit systeem (CBIS) inmiddels toe voor de gehele Veiligheidsregio. Toepassing van dit systeem zal bewustzijn van gevaren en communicatie bevorderen. Alle bedrijven binnen de gemeente kunnen zich inmiddels aanmelden voor dit systeem via de website: www.cbisbrabant.nl. De gemeente ondersteunt dit initiatief.

6

Mogelijkheden voor de rampenbestrijding Toxisch scenario Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Plasbrand De brandweer kan eerste hulp verlenen bij redden van slachtoffers. De brandweer beheerst de brand door nathouden/koelen van de omgeving en ontstane branden in de omgeving worden geblust. Tweezijdige bereikbaarheid is belangrijk evenals aanwezigheid van bluswatervoorzieningen. Incident met brandbare gassen Noodzakelijk voor het voorkomen van een explosie is tijdige aankomst brandweer en bereikbaarheid van tankwagens of ketelwagons. Belangrijk is dat voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn en dat het gebied tweezijdig toegankelijk is.

Fakkelbrand Mocht zich een voorval voordoen, dan is het van belang dat de hulpdiensten snel ter plaatse zijn met de juiste hulpmiddelen en blusmiddelen. De werkzaamheden van de brandweer zullen met name gericht zijn op het voorkomen van uitbreiding van de brand. De leidingbeheerder dient de toevoer van het gas af te sluiten bij een incident, er zijn dus geen mogelijkheden tot effectieve bronbestrijding. Opkomsttijden In het geval van een incident in het plangebied is de brandweer binnen de bestuurlijke vastgestelde tijden aanwezig (zie overzicht opkomsttijden bijlage 3). Indien voor het plangebied of een deel ervan niet kan worden voldaan aan de vastgestelde tijden kunnen, aan de hand van de door de Veiligheidsregio ontwikkelde toolbox, maatregelen worden getroffen om de veiligheid te verhogen. Belangrijk hierbij is de informatievoorziening richting de gebruikers/bewoners van een gebied waar de opkomsttijden niet worden gehaald. Toepassing van de toolbox kan een middel zijn om de veiligheid, door zelfredzaamheid en bewustzijn van de gevaren, te verhogen. Het doel van het project ‘’Brandveilig Leven’’ is om middels een tal van acties en activiteiten een basis te leggen voor een duurzame brandveilige woonomgeving van de burgers van de betrokken gemeenten.

Het algemene nut van de toolbox is het bieden van tools om brandgevaarlijke situaties te voorkomen en in geval van een brand, ook tijdig gealarmeerd te worden en te kunnen vluchten. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen maatregelen op korte termijn en maatregelen op lange termijn. Het is ten eerste belangrijk dat de burgers zich meer bewust worden van de oorzaken en gevaren van brand. Bewustwording in de eerste stap in het proces om de brandveiligheid te verbeteren. Hierna is het van belang dat burgers de zelfredzaamheid bevorderen mocht er toch een brand ontstaan. WAS (Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie) Binnen de bebouwde kom van de gemeente is de WAS-dekking veelal voldoende. Daarnaast is NLalert voor het gehele grondgebied operationeel via mobiele telefonienetwerk. Bluswatervoorziening Binnen de gemeente is een overzicht beschikbaar van de bluswatervoorziening. De Veiligheidsregio heeft deze (grote) bronnen geïnventariseerd. Op grond van het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan benodigde bluswatervoorziening. Op verzoek van de Veiligheidsregio wordt, indien het 7

plangebied een nieuw uitbreidingsplan, industrieterrein met Brzo-inrichtingen of een grootschalige ontwikkeling betreft, in dit kader advies gevraagd met betrekking tot bluswatervoorziening. Bereikbaarheid De gemeente heeft een hoofdwegenstructuur voor de brandweer vastgesteld. Deze hoofdwegenstructuur voldoet aan de eisen die de brandweer hieraan stelt. Mate van zelfredzaamheid van de aanwezigen De zelfredzaamheid van aanwezigen in het plangebied hangt van diverse factoren af. In onderstaande tabel is de zelfredzaamheid voor een aantal standaard functies beoordeeld.

Scenario

Toxisch (giftig)

Explosie

Gebouwtype

Woning Kantoor Detailhandel Bedrijf Bijzonder Kwetsbaar Woning Kantoor Detailhandel Bedrijf Bijzonder Kwetsbaar

Afwegingscriteria Fysieke Zelfstandig gesteldheid heid personen personen + + + + -

+ + + + -

Alarmeringsmogelijkheden personen en aanwezigen +/+ + +/+

+ + + + -

+ + + + -

+/+ + +/+

VluchtMogelijkheden Gebouw & omgeving + + + +/+

GevaarInschattingsmogelijkheden scenario +/+/+/+/+/-

+/+/+/+/+/-

+/+/+/+/+/-

Over het algemeen wordt geconcludeerd dat de zelfredzaamheid redelijk tot goed is. Voor bijzonder kwetsbare objecten waar verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn (zoals kinderdagverblijf en zorginstelling) is de zelfredzaamheid beperkt. Eerder genoemde maatregelen en voorzieningen verbeteren de vlucht- en schuilmogelijkheden en daarmee ook de zelfredzaamheid van personen in het plangebied. Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er personen in het plangebied worden blootgesteld aan externe veiligheidsrisico’s, ook na het treffen van maatregelen. De besproken maatregelen dragen wel bij aan het verminderen van de gevolgen die zich voordoen bij één van de beschreven scenario’s. De Veiligheidsregio is voldoende ingericht om tijdig de noodzakelijke hulpverleningscapaciteit van de beschreven scenario’s te leveren. Op basis van de beschouwde scenario’s en het gelijkblijvende groepsrisico acht de gemeente het Wro- of Wabo-besluit verantwoord.

8

%LMODJH %RGHPRQGHU]RHN



RAPPORT Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel

Opdrachtgever BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel Projectnummer Aeres Milieu projectnummer AM20138 Status rapport Definitief

Autorisatie Opsteller rapport:

paraaf

BEd L. Koomen Kwaliteitscontrole: Dhr. M. Vrolix bc.

datum 8 mei 2020

paraaf

datum 8 mei 2020

Contactgegevens Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl 2001 + 2002

INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING

2

2. VOORONDERZOEK 3 2.1 Inleiding............................................................................................................................................ 3 2.2 Topografische beschrijving .............................................................................................................. 4 2.3 Historisch overzicht en omgeving .................................................................................................... 4 2.4 Dossieronderzoek ............................................................................................................................ 5 2.5 Bodemopbouw en geo(hydro)logie .................................................................................................. 7 2.6 Beschrijving van de onderzoekslocatie ........................................................................................... 7 2.7 Asbest .............................................................................................................................................. 8 2.8 Bodemkwaliteitskaart Midden- & West-Brabant .............................................................................. 8 2.9 Onderzoekshypothese ..................................................................................................................... 8 3.

ONDERZOEKSSTRATEGIE 9 3.1 Inleiding............................................................................................................................................ 9 3.2 Onderzoeksstrategie ........................................................................................................................ 9 4. VELDWERKZAAMHEDEN 10 4.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 10 4.2 Grondbemonstering ....................................................................................................................... 10 4.3 Grondwatermonstername .............................................................................................................. 11 5. LABORATORIUMONDERZOEK 12 5.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 12 5.2 Grond(meng)monster(s) ................................................................................................................ 12 5.3 Grondwatermonster(s) ................................................................................................................... 13 5.4 Toetsing van de gestelde hypothese ............................................................................................. 14 6.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7 8

Topografische en kadastrale overzichtskaart Foto’s onderzoekslocatie Situatietekening onderzoekslocatie met boorpunten Boorprofielen en zintuiglijke waarnemingen Verklaring veldmedewerker Analyseresultaten grond(meng)monster(s) met achtergrond- en interventiewaarden Analyseresultaten grondwatermonster(s) met streef- en interventiewaarden Bodemrapportage Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

1.

INLEIDING

In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie : Ronde Akkers te Riel Gemeente : Goirle Kadastrale registratie : Goirle, sectie F, nrs. 1535, 1537, 1544, 1545 en 1546 Oppervlakte : circa 7.355 m2 Huidig gebruik van de locatie : braakliggend Toekomstig gebruik : wonen met tuin Dit bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN 5740. Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een bodemonderzoek op het perceel. Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoekslocatie. Ter plaatse is woningbouw voorzien. Doel Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Het onderzoek is niet bedoeld om een exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. Onderzoek Aeres Milieu B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. In hoofdstuk 2 is het vooronderzoek en de daaruit volgende onderzoekshypothese beschreven. Naar aanleiding van de opgestelde hypothese wordt in hoofdstuk 3 de onderzoeksstrategie opgesteld.

In hoofdstuk 4 worden de veldwerkzaamheden (grond- en grondwateronderzoek) beschreven. Hoofdstuk 5 beschrijft de laboratoriumwerkzaamheden en de onderzoeksresultaten. Het rapport wordt afgesloten met hoofdstuk 6, waarin de conclusies en enkele aanbevelingen staan beschreven. Bemonstering en laboratoriumonderzoek vonden plaats in april en mei 2020. De chemische analyses zijn uitgevoerd door Synlab BV te Rotterdam. Synlab is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025. Alle analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatie Schema 3000 (AS3000). Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform NEN 5740 en interpretatie aan de hand van de Leidraad Bodembescherming). Opgemerkt wordt dat bij een verkennend bodemonderzoek sprake is van een steekproefsgewijze bemonstering en het nemen van een beperkt aantal monsters. De mogelijkheid blijft daarom bestaan dat puntverontreinigingen, welke niet voortkomen uit het historisch onderzoek, niet door het onderzoek worden aangetoond. Daarnaast blijft het mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van het bodemmateriaal voorkomen. Tot slot wordt erop gewezen dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is.

Het bovenstaande betekent dat Aeres Milieu op voorhand geen aansprakelijkheid accepteert voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde bodemonderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het historisch onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.

Pagina 2 van 15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

2. VOORONDERZOEK 2.1

Inleiding

Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit vooronderzoek zijn opgenomen in voorliggend hoofdstuk. De in paragraaf 2.1 t/m 2.6 opgenomen informatie is afkomstig van/uit: • opdrachtgever; • het kadaster; • gemeente Goirle; • topotijdreis.nl; • PDOKviewer; • Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant; • terreininspectie. In principe richt het vooronderzoek zich op alle percelen waarop het onderzoek betrekking heeft én de direct hieraan grenzende percelen. Indien een direct aangrenzend perceel smal (< 10 m breed) is, worden ook de percelen hier weer aan grenzend meegenomen. Indien de aangrenzende percelen groot zijn, wordt alleen het gedeelte van deze percelen binnen 25 meter vanaf de grens van de bodemonderzoekslocatie in beschouwing genomen, tenzij er aanleiding bestaat toch het gehele perceel te onderzoeken. Op onderstaande luchtfoto is de globale begrenzing van de onderzoekslocatie weergegeven.

Afbeelding 1: globale begrenzing onderzoekslocatie (bron luchtfoto: PDOKviewer)

Pagina 3 van 15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

2.2

Topografische beschrijving

De onderzoekslocatie ligt aan de Ronde Akkers in het centrum van Riel. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Goirle, sectie F, nrs. 1535, 1537, 1544, 1545 en 1546. De coördinaten volgens het R.D. stelsel zijn X = 129.672 / Y = 393.183. Zie bijlage 1 voor een topografisch overzicht en kadastrale kaart.

2.3

Historisch overzicht en omgeving

Uit kaartmateriaal van de geraadpleegde historische kaarten is af te leiden dat er begin 1900 zuidelijk op de onderzoekslocatie een (zand)weg ligt. Deze weg is op de kaart uit 1967 niet meer aanwezig. Op de kaart uit 1980 is een gebouwtje oostelijk op de onderzoekslocatie waar te nemen. Dit gebouw was vermoedelijk tijdelijk want deze heeft ca. 10 jaar op de onderzoekslocatie gestaan. Verder is op de verschillende kaarten duidelijk de toename van de bebouwing rondom de onderzoekslocatie in de jaren ’70 en ‘80 zichtbaar.

Topografische kaart 1980

Topografische kaart 1967

Topografische kaart 1949 Topografische kaart 1900 Afbeelding 2: geraadpleegde historische kaarten (Bron kaarten: topotijdreis.nl)

Pagina 4 van 15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

Tevens zijn oude luchtfoto’s van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Van de onderzoekslocatie zijn een tweetal luchtfoto’s toegevoegd. Hierop is te zien dat tussen 2014 en 2016 vanaf de Ronde Akkers in oostelijke richting naar de tuinen aan de Dorpstraat een verharding met een parkeerstrook aangelegd is.

Luchtfoto 2014 Luchtfoto 2016 Afbeelding 3: geraadpleegde luchtfoto’s (bron luchtfoto’s: kaartbank.brabant.nl)

2.4

Dossieronderzoek

Op 8 april 2020 is per e-mail een verzoek gericht aan de gemeente Goirle voor het verkrijgen van de historische informatie. Gevraagd is naar eventuele bodemonderzoeken, hinderwet- of milieuvergunningen, bouwvergunningen, sloopvergunningen, onder- en/of bovengrondse tankgegevens, gegevens over eventuele bodemsaneringen, gegevens over calamiteiten en eventuele asbestinventarisaties op de onderzoekslocatie en op percelen in een straal van circa 25 meter hiervan. Tevens is gevraagd of de locatie en directe omgeving verdacht is op het voorkomen van verhoogde gehalten aan PFAS en/of GenX, of dat er ter plaatse bronlocaties bekend zijn voor PFAS en/of GenX. Een omgevingsrapportage van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is bijgevoegd als bijlage 8. Voor de onderzoekslocatie zijn in het verleden geen bouw- of sloopvergunningen aangevraagd en/of verleend. Ook zijn er op de onderzoekslocatie geen bouw- of milieucontroles uitgevoerd. Oostelijk van de onderzoekslocatie aan de Dorpstraat 31, 33, 41, 43 en 51 hebben in het verleden leerlooierijen gezeten. Deze locaties zijn in het verleden reeds onderzocht. Aan de Dorpstraat 31 heeft in het verleden een grondsanering plaatsgevonden. Dit betrof de sanering van met arseen en zink verontreinigde grond uit een gedempte greppel.

De hoeveelheid was minder dan 25 m 3 waardoor er geen sprake was van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Op de locatie zijn niet eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. Binnen de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn de in onderstaande tabel weergegeven bodemonderzoeken uitgevoerd. Bodemonderzoek Verkennend bodemonderzoek Dorpstraat 51 te Riel Bakker Milieuadviezen Waalwijk rapport met kenmerk BM/2019-14 d.d. februari 2014

Bijzonderheden Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: Tijdens de veldwerkzaamheden is achter de woning het geheel overwoekerde fundament of restant van een voormalig pand aangetroffen. Uit navraag blijkt dit in een ver verleden een leerlooierij geweest te zijn. Bij 2 diepe boringen ter plaatse van deze voormalige looierij is vanaf ca 0,8 tot 2 m -mv pulpachtig roodbruin en geelbruin materiaal aangetroffen. Op 2 m diepte dienden deze boringen gestaakt te worden door een betonvloer. Dit betekent dat onder de leerlooierij (ca 10 * 10 m groot) een kelder of waarschijnlijk een looiput aanwezig is. De aangetroffen pulp zal het restant geweest zijn van het looiproces. Op de pulplaag ligt donkerbruine/zwarte matig humeuze zandige grond.

Pagina 5 van 15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

Bodemonderzoek

Bijzonderheden De bovengrond op het terrein (tuin) is licht verhoogd met PAK, lood, zink en cadmium. Dit zijn gangbare lichte verontreinigingen in oude stads- of dorpskernen. Deze vormen geen belemmering voor de bestemming wonen. In de ondergrond zijn alle parameters uit het standaardpakket in gehalten beneden de AW 2000 Aangetroffen. Het grondwater is licht verhoogd met zink, cadmium, nikkel en barium. Dit zijn gangbare, niet relevante verhogingen. De bovengrond tussen de funderingsrestanten van de looierij is licht verhoogd met lood, zink, koper, kwik en cadmium. Het zinkgehalte benadert hier de tussenwaarde. De extra onderzochte parameter chroom is niet verhoogd aangetroffen, hetgeen aangeeft dat er nooit gewerkt is met chroomhoudende looistoffen. Aanbevelingen. Bij aankoop van het onroerend goed dient men qua kosten rekening te houden met de eventuele toekomstige verwijdering en afvoer van de restanten (fundering + kelderbak + inhoud) van de voormalige looierij. De hierbij vrijkomende bovengrond valt onder klasse industrie. Wat betreft de aanwezige pulp dient een geschikte acceptant gevonden te worden. Voor de aanvulling tot maaiveldniveau zal ca 180 m3 zand en grond nodig zijn. Indien grond van elders wordt aangevoerd dient deze grond gekeurd te zijn conform het Besluit Bodemkwaliteit en bij voorkeur te voldoen aan klasse AW 2000.

De bodemkwaliteit vormt voor het overige geen belemmering voor de bestemming wonen en derhalve evenmin voor de nieuwbouw van een woning.

Verkennend bodemonderzoek Dorpstraat 31 te Riel Bakker Milieuadviezen Waalwijk rapport met kenmerk BM/1903-13 d.d. februari 2013

Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: De bovengrond op het terrein bleek licht verhoogd met PAK, kwik, cadmium en lood en bijna matig verhoogd met arseen en zink. Op grond van de benadering van de tussenwaarden voor arseen en zink is zekerheidshalve gekozen voor een uitsplitsing van het mengmonster, dat bestond uit 4 monsters waarin zintuiglijk bijmengingen waren aangetroffen. Uit de uitsplitsing op arseen en zink bleek alleen monster 4.2 (bodemlaag 40-80 cm-mv in de gedempte greppel) sterk verhoogd met arseen en zink. Naar aanleiding van de resultaten in monster 4.2 is aanvullend onderzoek verricht ter plaatste van de gedempte greppel. Uiteindelijk bleek hierbij dat de bovengrond in boring 4 ook sterk verhoogd was met alleen arseen en in boring 9 bleek de bodemlaag van 40-80 cm matig verhoogd met zink. Op basis van deze en overige resultaten in de boringen 8, 9 en 10 kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Daar alleen ter plaatse van boring 4 interventiewaarde-overschrijdingen zijn aangetroffen kan met interpolatie tussen de boringen 8 en 9 ten hoogste een volume van 5 m3 genoemd worden als zijnde sterk verontreinigd. Wat betreft de demping wordt wel opgemerkt dat in de boringen 8 en 9 veel puin is aangetroffen.

Samen met de plaatselijk sterk verontreinigde grond zou dit puin een reden kunnen zijn om de hele gedempte greppel te ontgraven. Naar verwachting komt hierbij dan 15 a 20 m3 grond vrij. In de ondergrond zijn op een minimale overschrijding voor kwik na, alle parameters uit het standaardpakket in gehalten beneden de AW 2000 aangetroffen; Het grondwater uit peilbuis 2 (in het pand) is licht verhoogd met zink en barium. Dit zijn geen relevante verhogingen. De extra onderzochte parameter chroom is zowel in de grond als in het grondwater niet verhoogd aangetroffen. Derhalve zal er waarschijnlijk nooit met chroom gelooid zijn op het terrein. Aanbevelingen. Bij aankoop van het onroerend goed dient men qua kosten rekening te houden met de eventueel toekomstige sanering/ontgraving van verontreinigde en puinhoudende grond uit de greppel op de zuidelijke perceelsgrens. Opgemerkt wordt dat sanering niet verplicht is daar er geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. In ieder geval vertegenwoordigt deze demping een bepaalde minderwaarde.

Historisch onderzoek Dorpstraat 41 te Riel Verhoeven Milieutechniek B.V. rapport met kenmerk 95.0112 d.d. 7 juli 1995

De aanleiding voor het onderzoek betreft het bodemsaneringsprogramma 1995 van de provincie Noord-Brabant. Hypothese: Op grond van het vooronderzoek wordt de hypothese gesteld dat de locatie heterogeen verdacht is. Hierbij is de locatie van de leerlooierij meer verdacht dan het overige terreindeel. Op het perceel kunnen de volgende stoffen aangetroffen worden: Chroom (III), zuren, logen, zouten, peroxiden, diverse pigmenten, aniline, diverse oplosmiddelen, kleurstoffen en verf.

Pagina 6 van 15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

Bodemonderzoek Oriënterend bodemonderzoek Dorpstraat 41 te Riel Verhoeven Milieutechniek B.V. rapport met kenmerk NB/015/035 d.d. 9 november 1995

Bijzonderheden Op grond van het ter plaatse uitgevoerde vooronderzoek wordt de locatie als heterogeen verdacht beschouwd (specifiek t.b.v. de leerlooierij). In de bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv) op het onbebouwde terreindeel wordt een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetoond en plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan zink. De aangetoonde concentraties houden geen risico voor de volksgezondheid in en benaderen de halve som van de streef- en interventiewaarde niet. Ter plaatse van de leerlooierij is in het grondwatermonster een licht verhoogd gehalte zink aangetoond. In de overige grondmengmonsters en grondwatermonsters zijn van de geanalyseerde parameters geen tot niet noemenswaardig verhoogde concentraties aangetoond. De te verwachten verontreiniging ter plaatse van een leerlooierij is niet aangetoond. Waarschijnlijk is in het verleden binnen de leerlooierij slechts met natuurlijke looimiddelen gelooid.

Tabel 2.1: Overzicht uitgevoerde bodemonderzoeken

Op de locatie heeft, voor zover bekend, geen bovengrondse of ondergrondse opslag van oliehoudende producten plaatsgevonden. Er zijn bij de gemeente Goirle geen gegevens bekend over PFAS en/of GenX.

2.5

Bodemopbouw en geo(hydro)logie

De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 2.2. Diepte [m-mv] 0 – 5,2

Lithostratigrafie Formatie van Sterksel

Lithologie Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei 5,2 – 10,8 Formatie van Stramproy Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden, fijn en grof zand, weinig klei en zandige klei en een spoor veen, bruinkool en grind 10,8 – 21,6 Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, weinig veen, fijn en grof zand en een spoor bruinkool 21,6 – 24,65 Formatie van Waalre Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind Tabel 2.2: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket, identificatie: B50E0304)

De stroming van het freatisch grondwater is globaal noord tot noordoostelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 13,6 m+ NAP, overeenkomend met ongeveer 2 m- mv. De onderzoekslocatie bevindt zich in een boringsvrije zone binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied.

2.6

Beschrijving van de onderzoekslocatie

Op 21 april 2020 is een veldinspectie uitgevoerd. Hierbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbestverdacht materiaal op het terrein. De onderzoekslocatie bestaat grotendeels uit braakliggend terrein. Noordelijk op de onderzoekslocatie is een groenstrook aanwezig. Centraal over de onderzoekslocatie loopt een kasseien pad vanaf de Ronde Akkers naar de tuinen van de Dorpstraat nrs. 37,39 waarbij oostelijk een parkeerterrein bestaande uit een menggranulaat- en grindverharding aanwezig is. Tijdens de veldinspectie zijn zuidoostelijk op het terrein enkele op elkaar gestapelde asbestverdachte golfplaten aangetroffen. Verder is er visueel op het terrein geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Er zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Een fotoreportage van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 2. De onderzoekslocatie wordt aan de noordzijde begrensd door een woning aan de Ronde Akkers 19, aan de oostzijde door woningen en bedrijven aan de Dorpstraat, aan de zuidzijde door gras en aan de westzijde door de Ronde Akkers.

Pagina 7 van 15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

2.7

Asbest

Uit luchtfoto’s blijkt dat de aangelegde weg en parkeerstrook tussen 2014 en 2016 aangelegd is. Hiervoor zijn aan ons geen certificaten beschikbaar gesteld. Gezien de recente aanleg van het menggranulaat (na 2005) is deze verharding als onverdacht op het voorkomen van asbest te beschouwen. Zuidoostelijk op de onderzoekslocatie liggen enkele intacte asbestverdachte golfplaten opgeslagen, zie afbeelding 4. Uit het dossieronderzoek en de uitgevoerde terreininspectie is verder geen informatie naar voren gekomen over de herkomst of overige asbestverdachte activiteiten die plaatsgevonden hebben op de onderzoekslocatie. Vermoedelijk zijn deze recent ter plaatse (tijdelijk) opgeslagen. Geadviseerd wordt om deze conform de geldende regelgeving af te voeren van de onderzoekslocatie.

Afbeelding 4: aangetroffen asbestverdachte dakplaten in zuidoostelijke hoek van het perceel

2.8

Bodemkwaliteitskaart Midden- & West-Brabant

Uit de interactieve bodemkwaliteitskaart van de regio Midden- & West-Brabant blijkt dat voor de onderzoekslocatie de ontgravingsklasse ‘AW2000’ geldt voor zowel de bovengrond als ondergrond. Op de bodemfunctieklassenkaart heeft de locatie de functieklasse ‘Wonen’.

2.9

Onderzoekshypothese

Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (onverdacht).

Pagina 8 van 15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

3. ONDERZOEKSSTRATEGIE 3.1

Inleiding

Op basis van de verzamelde informatie uit het vooronderzoek (NEN 5725) en de gestelde onderzoekshypothese(n) voor de onderzoekslocatie, is een onderzoeksstrategie opgesteld conform de richtlijnen van de onderzoeksnorm NEN 5740 (Bodem-Landbodem; Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, januari 2009) van het Nederlands Normalisatie-Instituut.

3.2

Onderzoeksstrategie

Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740 norm voor onverdachte locaties. In principe worden boringen willekeurig verspreid over de gehele onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van de milieuhygiënische conditie van de bodem (grond en grondwater) van de onderzoekslocatie zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. ONDERZOEKSNORM NEN 5740 'onverdacht' Aantal boringen oppervlakte (m²)

tot 0,5 m

èn tot 2m

7.355

13

4

Aantal te nemen monsters èn met peilbuis 2

grondwater

grond 0-0,5 m

0,5-2,0 m

19

18

Analysepakket

Aantal te onderzoeken (meng)monsters

1

2

bovengrond

ondergrond

grondwater

3 NEN-grond incl. lutos

2 NEN-grond incl. lutos

2 NENgrondwater

Tabel 3.1: Veldwerk, monstername en analysestrategie volgens NEN 5740 “onverdacht” 1) Uit elke boring van 0,5 tot 2,0 diepte worden drie monsters in trajecten van ten hoogste 0,5 m genomen.

Legenda bij tabel 3.1 m: meter beneden maaiveld lutos: lutum en organische stofgehalte De bovengrond en de ondergrond worden onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • drogestof-bepaling • 9 zware metalen • 10 polycyclische aromatische koolwaterstoffen • 7 Polychloorbifenylen (PCB) • minerale olie Tevens bepaalt het laboratorium het gehalte aan organische stof en lutumgehalte voor het vaststellen van een toetsingskader voor de lokale bodemkwaliteit. Het grondwater wordt onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • 9 zware metalen • 8 vluchtige aromatische koolwaterstoffen (incl. naftaleen) • 21 vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen • minerale olie

Pagina 9 van 15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

4. VELDWERKZAAMHEDEN 4.1

Algemeen

Conform de onderzoeksstrategie, zoals beschreven in hoofdstuk 3, is op de onderzoekslocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 conform protocollen 2001 en 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Voor het traceren van de kabels en leidingen is voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden een KLIC melding verricht.

4.2

Grondbemonstering

Op 21 april 2020 zijn de boringen geplaatst door de heer H. van den Tillaar, erkend monsternemer in het kader van de BRL SIKB 2000 voor de protocollen 2001, 2002 en 2018. De boringen zijn verricht met behulp van de Edelmanboor ( 7 of 10 cm). Ter plaatse van boring 4 is in het menggranulaat een asbestinspectiegat gegraven ter visuele controle van het menggranulaat. Deze bestaat uit een matig zandige, gebroken baksteen en betonresten. Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Gebaseerd op de diepte en stroming van het freatisch grondwater zijn twee boringen afgewerkt met een peilbuis (zie bijlage 2). Deze zijn geplaatst, ter plaatse van boorpunt 1 en boorpunt 2. De bovenkant van de peilbuisfilters is onder de aangetroffen grondwaterstand geplaatst. Bij de installatie van de peilbuizen is geen werkwater gebruikt. Zie bijlage 3 voor de boorpuntlocaties. Het opgeboorde bodemmateriaal is volgens de classificatienorm voor onverharde bodems (NEN 5104) beoordeeld. Daarnaast is vastgesteld in hoeverre het opgeboorde materiaal mogelijke aanwijzingen biedt voor de aanwezigheid van visueel zichtbare verontreiniging. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de bodemopbouw heeft laagsgewijze bemonstering plaatsgevonden. De uitkomende grond en alle zintuiglijk waargenomen bijzonderheden zijn per boring beschreven in de profielbeschrijvingen (zie bijlage 4).

In onderstaande tabel zijn de boringen beschreven waarin zintuiglijk afwijkingen zijn geconstateerd. Boring 04

Dieptetraject [m-mv.] 0 – 0,15 0,15 – 0,5 05 0,05 – 0,5 14 0,25 – 0,5 Tabel 4.1: Overzicht zintuiglijke afwijkingen

Zintuiglijke waarneming volledig menggranulaat sporen baksteen sporen baksteen zwak baksteenhoudend

In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een visuele inspectie van het terrein en het menggranulaat ter plaatse van de parkeerstrook plaatsgevonden. Behoudens de opgeslagen golfplaten in de zuidoostelijke hoek zijn op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie.

Pagina 10 van 15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

4.3

Grondwatermonstername

De peilbuizen zijn een week na plaatsing op 29 april 2020 bemonsterd conform protocol 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. De bemonstering is uitgevoerd door erkend veldwerker van Aeres Milieu, de heer L. Koomen. Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand opgenomen en zijn de zuurgraad (pH) en het elektrische-geleidingsvermogen (Ec) van het grondwater bepaald. Deze waarden waren constant bij monstername. De geleidbaarheid is gecorrigeerd voor de grondwatertemperatuur. De geleiding is een maat voor de concentratie aan opgeloste stoffen in het water, terwijl de pH de zuurgraad van het water aangeeft (pH<7: zuur, pH = 7: neutraal, pH>7: basisch). De grondwatermonsters zijn in het veld, voor zover noodzakelijk gefiltreerd en geconserveerd. De in het veld gemeten parameters zijn in onderstaande tabel samengevat. Peilbuisnummer Pb 1 filterstelling [m-mv] 2,5 - 3,5 grondwaterpeil [m-mv] 2,10 toestroming goed zuurgraad [pH] 6,25 elektrisch geleidingsvermogen [µS/cm] 330 troebelheid [NTU] 56,7 (helder) drijflaag geen geur geen waargenomen afwijkingen geen Tabel 4.2: Resultaten veldmetingen tijdens grondwatermonstername

Pb 2 2,45 – 3,45 2,38 goed 7,01 265 158 (matig troebel) geen geen geen

De meetresultaten wijken niet af van natuurlijk of regionaal voorkomende waarden. In het grondwater uit alle peilbuizen is sprake van een verhoogde troebelheid (>10 NTU). Een verhoogde troebelheid kan in sommige gevallen leiden tot een overschatting van de gehalten aan organische parameters in het grondwater. Bij het voorliggende onderzoek is de index van geen enkele organische parameter verhoogd (zie 5.3 en toetsing in bijlage 7). De eventuele overschatting van de gehalten als gevolg van een verhoogde troebelheid heeft geen gevolgen voor de interpretatie van de onderzoeksgegevens en de conclusies van dit rapport. Aanvullend onderzoek naar de verhoogde troebelheid is daarom niet uitgevoerd. De overige waarden geven geen aanleiding tot opmerkingen.

Pagina 11 van 15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

5. LABORATORIUMONDERZOEK 5.1

Algemeen

De analyses zijn uitgevoerd door het onderzoekslaboratorium van Synlab BV te Rotterdam. Synlab is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025, waar verdere conservering en (voor)behandeling van de monsters plaats heeft gevonden.

5.2

Grond(meng)monster(s)

In het laboratorium zijn voor het chemisch onderzoek van de grondmonsters uit de boven- en ondergrond al dan niet mengmonsters samengesteld volgens onderstaande tabel. De keuze voor het samenstellen van deelmonsters tot een mengmonster of het analyseren van individuele monsters is gebaseerd op de zintuiglijke waarnemingen in het veld en op de onderzoeksstrategie. (Meng)monsternummer MM1

Grondmonster(s) 1)

04-1 05-1 14-2 MM2 02-1 06-1 15-1 16-1 17-1 18-1 19-1 MM3 01-1 03-1 07-1 08-1 09-1 10-1 11-1 12-1 13-1 MM4 04-2 05-2 14-3 MM5 01-3 01-4 02-4 03-3 06-4 Tabel 5.1: schema grond(meng)monsters

Bodemlaag [m-mv] 0,15 – 0,5 0,05 – 0,5 0,25 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,45 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0,5 – 0,9 0,5 – 1,0 0,5 – 1,0 1,0 – 1,5 1,5 – 2,0 1,5 – 2,0 0,8 – 1,0 1,0 – 1,5

Zintuiglijke waarnemingen sporen baksteen sporen baksteen zwak baksteenhoudend geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden geen bijmengingen / bijzonderheden

1) Het eerste cijfer geeft het boorpunt aan, het tweede cijfer het monsternametraject (zie bijlage 3).

De analyseresultaten van de grond(meng)monsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven. * ** ***

Het gehalte is groter dan de achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan de het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde; het gehalte is groter dan het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde; het gehalte is groter dan de interventiewaarde.

In de Regeling bodemkwaliteit (RBK) is vastgelegd dat de toetsing moet plaatsvinden door het gevonden gehalte in een monster eerst te corrigeren met het lutum en organisch stof gehalte (=berekende concentratie) en vervolgens te vergelijken met de grenswaarden van de Regeling Bodemkwaliteit.

Pagina 12 van 15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende achtergrondwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 6 voor het analyserapport. (Meng)monsternummer

Bodemlaag [m-mv]

Zintuiglijke waarnemingen

MM1 0,05 – 0,5 Bijmenginen met baksteen en spoor puin MM2 0 – 0,5 geen bijmengingen / bijzonderheden MM3 0 – 0,5 geen bijmengingen / bijzonderheden MM4 0,5 – 1,0 geen bijmengingen / bijzonderheden MM5 0,8 – 2,0 geen bijmengingen / bijzonderheden Tabel 5.2: Toetsingsresultaten van de grond(meng)monsters

Verhoogde component PAK (10-VROM) -----

Berekende concentratie [mg/kg d.s.] en toetsing 2,69 * -----

Uit de analyseresultaten blijkt dat bovengrondmengmonster MM1 (dieptetraject 0,05 – 0,5 m-mv.) licht verhoogd is met PAK. In de overige boven -en ondergrondmengmonsters (MM2 t/m MM5) zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de geldende achtergrondwaarden gemeten. De afkorting PAK staat voor Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen. Het gaat hierbij om een verbindingsklasse van meer dan 200 stoffen, die bestaan uit twee of meer aan elkaar verbonden benzeenringen. Ze ontstaan met name bij verbrandingsprocessen, en kunnen dus zowel een synthetische als een natuurlijke oorsprong hebben. PAK’s ontstaan o.a. door onvolledige verbranding van minerale olie zoals die ook in het verkeer plaatsvindt. Ze worden tevens gevormd bij het proces van droge destillatie van steenkool, zoals die bij gas- en cokesfabrieken werd toegepast. Daarnaast kunnen ze worden aangetroffen bij de vervaardiging en verwerking van rubber, kunststoffen, verf, lakken, minerale olie en teerproducten. In de chemische grondstoffenindustrie dienen ze als tussenproducten bij verschillende syntheses, bijvoorbeeld van verfstoffen en farmaceutica. De belangrijkste PAK-verbindingen in steenkoolteer zijn naftaleen, chryseen, fenanthreen en fluorantheen. Alle zijn praktisch onoplosbaar in water, niet vluchtig en persistent (niet afbreekbaar).

In oudere stedelijke gebieden worden deze waardes vaker licht verhoogd aangetroffen.

5.3

Grondwatermonster(s)

De analyseresultaten van de grondwatermonsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven. * ** ***

Het gehalte is groter dan of gelijk aan de streefwaarde (of de detectiegrens, indien deze hoger is) en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde; het gehalte is groter dan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde; het gehalte is groter dan de interventiewaarde.

In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende streefwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 7 voor het analyserapport. Peilbuis

Filtertraject [m-mv]

Grondwaterstand [m-mv]

Verhoogde component

Gemeten concentratie [µg/l] en toetsing

1

2,5 - 3,5

2,1

barium

98

*

cadmium

0,56

*

nikkel zink

17 68

* *

barium

64

*

koper

17

*

zink

190

*

2

2,45 – 3,45

2,38

Tabel 5.3: Toetsingsresultaten van de grondwatermonsters

Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater afkomstig uit peilbuis 1 licht verhoogd is met barium, cadmium, nikkel en zink. Het grondwater afkomstig uit peilbuis 2 is licht verhoogd met barium, koper en zink.

Pagina 13 van 15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

De lichte verhogingen met zware metalen worden waarschijnlijk gedeeltelijk van buiten de onderzoekslocatie aangevoerd, aangezien in de ondergrondmonsters geen verhoogde concentraties aan zware metalen gemeten zijn. Bij voorgaande bodemonderzoeken in de directe omgeving in het verleden zijn tevens licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. Op de locatie zijn tevens geen verontreinigingsbronnen aan te wijzen die in relatie zouden kunnen staan met de verhoogd aangetroffen gehalten aan barium, cadmium, nikkel en zink.

5.4

Toetsing van de gestelde hypothese

Geconcludeerd kan worden dat de berekende concentraties in de bovengrond in tegenspraak zijn met de vooraf geformuleerde hypothese dat de locatie als onverdacht beschouwd kan worden. De gemeten concentratie aan PAK ligt ruim beneden de tussenwaarde (= het gemiddelde van de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden voor grond). De resultaten van de grondwatermonsters zijn in tegenspraak met de gestelde hypothese ‘onverdacht’. Gelet op de aangetoonde componenten, de gemeten concentraties, voorgaande bodemonderzoeken in de omgeving en het ontbreken van potentiele verontreinigingsbronnen ter plaatse wordt het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht.

Pagina 14 van 15

Verkennend bodemonderzoek Ronde Akkers te Riel / AM20138

6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Bij de veldwerkzaamheden zijn ter plaatse van de kasseiweg visueel bijmengingen met baksteen aangetroffen. De parkeerstrook oostelijk op de onderzoekslocatie is verhard met een recent menggranulaat (omstreeks 2014-2016 aangelegd). In de zuidoosthoek op de onderzoekslocatie zijn recent enkele asbestverdachte golfplaten opgeslagen. Vermoedelijk zijn deze recent ter plaatse (tijdelijk) opgeslagen. Geadviseerd wordt om deze conform de geldende regelgeving af te voeren van de onderzoekslocatie. De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie wordt op basis van de waarnemingen en het gebruik als moestuin als onverdacht op het voorkomen van asbest beschouwd. Uit de analyseresultaten blijkt dat de baksteenhoudende bovengrond (pad en parkeerstrook) licht verhoogd is met polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). In de overige mengmonsters van de boven- en ondergrond zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Het freatisch grondwater blijkt licht verhoogd met barium, zink en plaatselijk cadmium, nikkel of koper. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1188/documents/20938