CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

10 Plantoelichting (ontwerp) bestemmingsplan Turnhutsebaan 8 Goirle .pdf

Besluitvormend 16 maart 2021, gemeente GoirleBij agendapunt: 10.: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Turnhoutsebaan 826.271 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

GEMEENTE GOIRLE

B E S T E M M I N G S P L A N T U R N H O U T S E B A A N 8 (G O I R L E )

GEMEENTE BESTEMMINGSPLANNUMMER SCHAAL VAN DE VERBEELDING STATUS PLAN DATUM TERVISIELEGGING ONTWERP DATUM VASTSTELLING

DATUM UITSPRAAK ABRS DATUM INWERKINGTREDING DATUM ONHERROEPELIJK NAAM EN ADRES OPSTELLER

: : : : : : : : : :

GOIRLE NL.IMRO.0785.BP2020003TURNHOUTS-OW01

1:1000 ONTWERP

ORDITO, NIEUWSTRAAT 87 5126 CC TE GILZE

1

PLANTOELICHTING

2

INHOUDSOPGAVE PLANTOELICHTING

pagina

1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.

Inleiding Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Ligging en begrenzing plangebied Vigerende bestemmingsplannen Bij het plan behorende stukken Leeswijzer

5 5 5 6 7 7

2. 2.1. 2.2. 2.3.

Beschrijving plangebied Historische ontwikkeling Ruimtelijke en functionele structuur Toekomstige situatie

8 8 10 12

3. 3.1. 3.2. 3.3.

Ruimtelijk beleidskader Rijk Provincie Gemeente

15 15 17 26

4. 4.1. 4.2. 4.3. 4.4.

Thematische beleidskaders Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Groen en landschap Verkeer en parkeren

31 31 32 33 36

5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6.

Milieuaspecten Milieuhinder en bedrijven Externe veiligheid Geluid Luchtkwaliteit Bodem Natuur

38 38 39 43 43 44 44

6. 6.1. 6.2.

Water Beleid Huidige en toekomstige situatie

48 48 51

7. 7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5.

Opzet planregels Plansystematiek Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel

55 55 55 55 57 58

8. 8.1. 8.2.

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

60 60 60

3

Bijlagen Bijlage 1: Toelichting Staat van Bedrijfsactiviteiten Bijlage 2: Landschappelijk Inpassingsplan Bijlage 3: Standaard Verantwoording Groepsrisico Gemeente Goirle Bijlage 4: Tekening gewenste situatie Bijlage 5: Vooroverlegreactie provincie Noord-Brabant

4

HOOFDSTUK 1. INLEIDING 1.1.

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is om de agrarische bedrijfsbestemming van het perceel Turnhoutsebaan 8 te Goirle te wijzigen in een bedrijfsbestemming ten behoeve van opslag van materieel van het klusbedrijf. Het klusbedrijf is met name gericht op grondwerk, weg- en waterbouw. De locatie is een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie (VAB) in Goirle. Daarbij wordt het bestemmingsvlak van vorm veranderd om in de nabije toekomst de huidige bedrijfswoning levensloopbestendig te maken. De opslag van materieel is uitsluitend bedoeld ten behoeve van het eigen klusbedrijf. Het exploiteren van een werkplaats annex aannemersbedrijf met personeel wordt uitgesloten. Er moet sprake zijn van kleinschalige bedrijvigheid (een eenmanszaak) en maximaal milieucategorie 2. Daarbij zullen geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaatsvinden. Belangrijk is dat het planvoornemen zorgvuldig landschappelijk ingepast wordt en voorziet in een kwaliteitsverbetering, vanwege de gemaakte werkafspraken tussen de gemeente Goirle en Hart van Brabant. Middels dit bestemmingsplan wordt het planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

1.2.

Ligging en begrenzing plangebied. Het plangebied (rode omlijning in afbeelding 1) ligt aan de Turnhoutsebaan 8 te Goirle, ten zuiden van de dorpskern Goirle en in het buitengebied van de gemeente. Het plangebied is omgeven door agrarische gronden, bos en natuur. Het plangebied grenst aan de oostzijde aan de Turnhoutsebaan (N630). Dit is een gemeentelijke weg die vanuit Tilburg langs Goirle in zuidelijke richting naar de Belgische grens loopt. Het plangebied beslaat vijf kadastrale percelen, namelijk gemeente Goirle, sectie C, nummer 724 en deels 723, 726, 693 en 746. De totale oppervlakte van het plangebied is 6.065 m2. Het eigendom (groene omlijning) van de initiatiefnemer betreft de kadastrale percelen gemeente Goirle, sectie C, nummer 724, 723 en 721. Het perceel gemeente Goirle, sectie C, nummer 726 is eigendom van Brabant Landschap. Het perceel met nummer 746 is eigendom van de gemeente Goirle.

5

721

723

726 746

724

693

Afbeelding 1: Ligging van het plangebied en kadastrale percelen

1.3.

Vigerende bestemmingsplannen Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, gelden binnen het plangebied de volgende plannen: (Bestemmings)plan

Vastgesteld

Inwerking

ABRvS

Buitengebied Goirle

09-12-2008

24-09-2009

20-04-2011

Buitengebied Goirle, herziening 2014

23-09-2014

23-12-2014

-

Parapluplan gemeente Goirle

12-03-2019

-

-

In de correctieve herziening van 2014 zijn enkele locatiespecifieke wijzigingen opgenomen. Daarnaast zijn enkele algemene wijzigingen aangebracht aan de regels. Deze algemene wijzigingen hebben betrekking op het planvoornemen. Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf 3.3 (gemeentelijke beleid). In 2019 is door de gemeente een parapluplan opgesteld. Een parapluplan biedt de mogelijkheid om bestemmingsplannen binnen de gemeente in één keer te herzien voor één of meerdere onderwerpen. Het parapluplan van de gemeente Goirle geeft extra regels over onder andere terrassen, evenementen, parkeren en ruimte tussen bouwwerken. Een paar onderwerpen hebben betrekking op het planvoornemen. Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf 3.3 (gemeentelijke beleid).

6

1.4.

Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen binnen het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin onder andere de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook de inhoud van het vigerend beleid beschreven en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.

1.5.

Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleidskader van rijk, provincie en gemeente. Het thematische beleidskader komt aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.

7

HOOFDSTUK 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, ofwel de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van deze situatie door middel van een beschrijving van de historische ontwikkeling, de ruimtelijke en functionele structuur. Vervolgens wordt ingegaan op de toekomstige situatie. 2.1.

Historische ontwikkeling De oorsprong De naam Goirle is samengesteld uit de woorden "goer" (goir) en "loo". Het eerste betekent moeras of drassige grond, het tweede bos of open plek in het bos. Als plaatsnaam wordt Goirle voor het eerst genoemd in een charter uit 1298, waarin sprake is van de Ludensvoirt te Goirle. Voorts wordt de naam gebruikt in een oorkonde uit 1312 betreffende het goed Ter Loo op Abcoven aan de Leij en in een charter van 1315 als het goed Ter Venne genoemd wordt. Opgravingen die zijn gedaan bij de afbraak van de oude parochiekerk in 1896, toonden de aanwezigheid van een kerkje in de 12e eeuw. In die tijd maakte het kleine kerkdorpje deel uit van de heerlijkheid Tilburg. Reeds in 1795 bestonden er plannen om Goirle van Tilburg te scheiden, maar hier stemde Tilburg in eerste instantie niet mee in. Goirle werd daarom pas in 1803 een zelfstandige gemeente.

Afbeelding 2: Kaart van de gemeente Goirle uit 1866 (Atlas van J. Kuiper)

18e eeuw: ontwikkeling vanuit de Grootte Akkers richting De Leij De gemeente Goirle heeft een oppervlakte van ruim 2.500 hectare en wordt begrensd door de gemeenten Alphen en Riel, Tilburg, Hilvarenbeek en Poppel (België). Zeer bepalend voor de ontwikkeling en vorming van het gebied waren de verschillende waterlopen. Vanaf de tijd dat Goirle nog deel uitmaakte van het hertogdom Brabant, tot aan de totstandkoming van de rijksweg Tilburg-Turnhout in 1853 zou er weinig veranderen in het straten- en wegenplan van het dorp. De waarschijnlijk oudste bebouwing is aangetroffen in het gebied van de vrij hoog gelegen Grootte Akkers. Door de verschuiving in de richting van de Leij ontstaan de wijken of herdgangen Abcoven en Kerk, en ten westen van de Grootte Akkers 8

de herdgangen Dorp en Ven. In 1753 telde het dorp 132 woningen "daeronder begrepen kleijne hutten en keten" en maar een paar "stadsgewijze getimmerde huijzen". Met de aanleg van de rijksweg Tilburg-Turnhout verbeterde de infrastructuur in het dorp. 19e eeuw: groei van Goirle begint Als na 1850 de bevolking van Goirle flink begint te groeien, wordt voornamelijk gebouwd langs de oude kerkwegen en langs de nieuw aangelegde Tilburgseweg. Vooral het aantal arbeiderswoningen nam sterk toe. De voornaamste initiatiefnemers tot de bouw waren de fabrikanten en de landbouwers. Op het einde van de 19e eeuw is ook begonnen met de bouw van woningen langs bestaande akkerwegen, zoals de Molenstraat (achter de heuf), Groeneweg en Koude Pad. 20e eeuw: planmatige woningbouw Aan de woningbouw werd een nieuwe impuls gegeven door de Woningwet, die in 1901 tot stand kwam en waardoor het mogelijk werd om met rijkssteun woningen te bouwen en de volkshuisvesting te verbeteren. Dit resulteerde onder andere in de Kalverstraat, om de arbeiders dicht bij de fabriek te kunnen huisvesten, de Hoogstraat en de St. Jansstraat. In die periode vindt ook het Oranjeplein haar oorsprong. Het werd aangelegd als groot kermisterrein, met de verwachting dat het centrum van Goirle zich daar zou ontwikkelen.

De oorspronkelijk grote maat van het plein is te verklaren doordat er ruimte werd gemaakt voor een parochiekerk die op de plaats van het huidige groene deel zou komen. Rondom is planmatig woningbouw gerealiseerd. Tot in het midden van de 20e eeuw is het dorp binnen de grenzen van het huidige centrumgebied gebleven.

Afbeelding 3: Kaart van de gemeente Goirle uit begin 20e eeuw

9

Na de Tweede Wereldoorlog heeft Goirle grote groei gekend. Met de uitvoering van de bestemmingsplannen begon de groei van Goirle. Achtereenvolgens kwamen tot stand de woningen ten noorden van de Van Malsenstraat, plan West, de wijk Hoogeind, plan Abcoven en de wijken Grobbendonk, De Hellen en de Grootte Akkers. Tegelijkertijd begon rond 1970 de grootschalige sanering van de oudere wijken en straten. Een voorbeeld daarvan is de aankoop in 1969 van de terreinen en opstallen van de voormalige Pijnenburg's Weverijen met woningen aan de Tilburgseweg, Groeneweg en Molenstraat. Op één villa na zijn alle gebouwen die bij de verkoop betrokken waren, verdwenen om plaats te maken voor de uitvoering van het centrumplan. Later zijn de wijken De Nieuwe Erven en De Hoge Wal tot stand gekomen. De woonwijk Boschkens, aan weerszijden van de Tilburgseweg (ten noorden van de Rillaersebaan) is in het einde van de 20ste eeuw en begin 21ste eeuw gerealiseerd. 2.2.

Ruimtelijke en functionele structuur Ruimtelijke structuur Het plangebied ligt binnen een landelijke structuur in het buitengebied van de gemeente Goirle. De landelijke structuur kenmerkt zich door een lage bebouwingsdichtheid, openheid, rust, natuur en landbouwgrond. Het landelijke gebied kenmerkt zich eveneens door de aanwezigheid van een gemeentelijke weg (N630), die het gebied direct onder de kern Goirle in tweeën verdeelt. Richting Goirle

Turnhoutsebaan (N630) Planlocatie

Richting België

Afbeelding 4: Ruimtelijke structuur omgeving Turnhoutsebaan 8.

10

Functionele structuur De functionele structuur kenmerkt zich door de vele agrarische, bos- en natuurbestemmingen. In noordwestelijke richting wordt het plangebied omgeven door agrarische gronden. Direct ten zuiden van het plangebied bevindt zich het adres Turnhoutsebaan 10 (woonbestemming). Ten westen en zuiden van het woonperceel liggen natuurgronden. Het plangebied is vanuit de kern Tilburg in zuidelijke richting te bereiken via de Turnhoutsebaan (N630). Dit is een gemeentelijke weg met een maximumsnelheid van 80 km/u. Het plangebied ligt ten westen van de Turnhoutsebaan en is ook te bereiken door middel van een parallelweg die evenwijdig loopt aan de Turnhoutsebaan. Deze parallelweg heeft een maximumsnelheid van 60 km/u.

Afbeelding 5: Functionele structuur Turnhoutsebaan 8. Plangebied is rood omlijnd.

Kenmerken plangebied Binnen het huidige plangebied was voorheen een varkenshouderij gevestigd. De bijbehorende agrarische gronden zijn in het verleden gebruikt als voederwinning voor het bedrijf en voor de teelt van gewassen voor akkerbouw. Binnen het plangebied staat één loods van circa 95 m2 en een schuur van circa 285 m2. Aan de voorkant van het plangebied staat de bedrijfswoning met een oppervlakte van circa 140 m2. De bebouwing dateert uit het jaar 1969. Rondom de bebouwing is terreinverharding aanwezig. Het overige deel van het plangebied is onverhard. 11

Aan de voor- en achterzijde van het terrein bevinden zich enkele bomen en struiken.

Afbeelding 6: Het plangebied gezien vanaf de Turnhoutsebaan

2.3.

Toekomstige situatie Bestemmingswijzigingen De initiatiefnemer wil de huidige bestemming wijzigen van ‘Agrarisch – Bedrijf’ naar ‘Bedrijf’ ten behoeve van een klusbedrijf. Daarbij wordt het bestemmingsvlak van vorm veranderd om in de nabije toekomst de huidige bedrijfswoning levensloopbestendig te maken. Ook wil de initiatiefnemer materieel opslaan. De opslag vindt plaats binnen de huidige bebouwing. Dit betreft de loods en de schuur. Het klusbedrijf wordt een eenmanszaak, met maximaal milieucategorie 2. Dit betekent dat hier enkel sprake is van kleinschalige bedrijvigheid. Aan de huidige bebouwing zal niets veranderd worden. Er vinden dus geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats. Vanwege de ruimtelijke ontwikkeling is een landschappelijke inpassing nodig. Hier wordt later in deze paragraaf verder op ingegaan. De landschappelijke inpassing gaat gepaard met de wijziging van ‘Agrarisch – Landschapswaarden’ naar ‘Natuur’. Daarnaast sluiten de huidige bestemmingen niet goed aan bij de ligging van de kadastrale grenzen. Momenteel bevindt zich een kleine strook ‘Wonen’ op het perceel van de initiatiefnemer en ligt de bestemming ‘Agrarisch – Bedrijf’ op de ontsluitingsweg. Op het perceel van de buren (Turnhoutsebaan 10) bevindt zich een strook ‘Agrarisch – Bedrijf’.

Om de bestemmingsgrenzen beter op de kadastrale grenzen aan te sluiten, worden de volgende correcties toegepast:  ‘Agrarisch – Bedrijf’ naar ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ en ‘Verkeer’;  ‘Wonen’ naar ‘Bedrijf’. De bewoners van het perceel Turnhoutsebaan 10 zijn hiervan op de hoogte gesteld door de initiatiefnemer. Zij zijn akkoord gegaan met de bestemmingswijzigingen op hun perceel.

12

Afbeelding 7: Huidige (boven) en gewenste (onder) situatie

13

Naast de bestemmingswijzigingen zullen voor de nieuwe bestemming ‘Bedrijf’ onder andere de volgende vigerende planologische (bebouwings)mogelijkheden in stand gehouden worden: -

Goothoogte bedrijfsgebouw en bedrijfswoning: 6 meter; Bouwhoogte bedrijfsgebouw: 12 meter; Bouwhoogte bedrijfswoning: 10 meter; Functieaanduiding ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’; Functieaanduiding ‘Hydrologisch waardevolle buffer’.

Landschappelijke inpassing In de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant is als uitgangspunt opgenomen dat bij iedere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling buiten Bestaand Stedelijk Gebied (BSG) en buiten de ecologische hoofdstructuur gezorgd moet worden voor een kwaliteitsverbetering van het landschap. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Het planvoornemen ligt buiten Bestaand Stedelijk Gebied en de ecologische hoofdstructuur. De ruimtelijke ontwikkeling dient dus gepaard te gaan met een fysieke verbetering van het landschap. De ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’ en het Landschapsbeleid van de gemeente Goirle zijn daarbij als uitgangspunt aangehouden. Hier wordt verder op ingegaan in het provinciale beleid (paragraaf 3.2). Voor het planvoornemen is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 2). In dit plan is de landschappelijke inpassing en de benodigde investering voor de kwaliteitsverbetering uitgewerkt. Het uitgangspunt voor de landschappelijke inpassing is het duurzaam inrichten van de flanken van de beekdalen door middel van coulissen. De erven worden landschappelijk ingepast binnen deze coulissen.

14

HOOFDSTUK 3. RUIMTELIJK BELEIDSKADER Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader. 3.1.

Rijk Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028), met een doorkijk naar 2040:  Het vergroten van de concurrentiekracht door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland:  Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Daarnaast verstevigt de SVIR het motto “decentraal wat kan, centraal wat moet”.

De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de SVIR nog meer bij de provincies en gemeenten gelegd. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het bestemmingsplangebied zodoende zeer beperkt blijft. De SVIR richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor onderhavig bestemmingsplan. Door decentralisatie van bevoegdheden wordt het relevante beleidskader gevormd door de provincie Noord-Brabant en de gemeente Goirle. Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats.

15

Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid In de zogenaamde Realisatieparagraaf (‘Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid’) zijn alle nationale ruimtelijke belangen uit de verschillende Planologische Kern Beslissingen en de voorgenomen verwezenlijking daarvan gebundeld. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden (nationale landschappen en Ecologische Hoofdstructuur) en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. AMvB Ruimte In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Geen van de in het Barro genoemde onderwerpen hebben echter betrekking op onderhavig bestemmingsplan.

Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. Ladder voor duurzame verstedelijking Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de Ladder voor duurzame verstedelijking – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en onaanvaardbare leegstand de voorkomen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is herzien en per 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder in werking getreden. Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ is artikel 1.1.1, lid 1, sub i van de Bro gedefinieerd als: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.

Een aantal aspecten zijn van belang om te bepalen of en hoe de Ladder moet worden toegepast, waaronder de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling en of de 16

ontwikkeling ‘nieuw’ is. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voorziet het plan in de toevoeging van een gebouw, dan ligt de ondergrens ‘in beginsel’ bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m2. Uit jurisprudentie blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State woningbouwontwikkelingen vanaf 12 woningen beschouwt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet aan te merken als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. De huidige bebouwingsmogelijkheden blijven in stand en worden niet uitgebreid. Er is enkel sprake van een functieverandering. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden. Crisis- en herstelwet Met de Crisis- en herstelwet (Chw) wil het kabinet de procedures voor grote projecten versnellen. Hiermee wordt een stap gezet om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden. De Chw zorgt voor een toename van het aantal kwalitatief goede woningen en bedrijfslocaties. Integrale gebiedsontwikkeling krijgt een belangrijke impuls. Op het gebied van bedrijventerreinen ligt de nadruk op herstructurering. De regels uit de Chw betreffen in deze vooral het bestuursprocesrecht waardoor de doorlooptijd van procedures voor in de wet aangewezen projecten kan worden verkort.

Conclusie De Chw is niet van toepassing op onderhavig bestemmingsplan omdat dit plan niet kan worden aangemerkt als een besluit dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een ruimtelijk project zoals omschreven in de Chw. 3.2.

Provincie Omgevingsvisie Noord-Brabant De nieuwe Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultuur erfgoed en water. En regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Vooruitlopend hierop heeft de provincie alvast een provinciale omgevingsvisie gemaakt. Volgens de laatste informatie treedt de nieuwe Omgevingswet in 2021 in werking. In december 2018 is de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De omgevingsvisie geeft antwoord op de vraag hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien en waar Noord-Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

17

De visie bestaat uit een basisopgave en vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn. De basisopgave is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De vier hoofdopgaven komen voort vanuit de basisopgaven. Het gaat om de volgende hoofdopgaven:  Hoofdopgave I: werken aan de Brabantse energietransitie  Hoofdopgave II: werken aan een klimaatproof Brabant  Hoofdopgave III: werken aan de slimme netwerkstad  Hoofdopgave IV: werken aan een concurrerende, duurzame economie Om de doelen voortkomend uit de hoofdopgaven te bereiken zet de provincie Noord-Brabant in op een samenhangende ruimtelijke koers. De omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie. Het betreft het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP), de Structuurvisie ruimtelijke ordening (SVRO) en het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP). Grote delen van die beleidsplannen horen vanuit het systeem van de Omgevingswet straks thuis in de programma’s. De beleidsmatige uitganspunten van de structuurvisie zijn, voor de aspecten waarop het provinciaal belang in geding is, uitgewerkt in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 hebben de Provinciale Staten de “Interim omgevingsverordening Noord-Brabant” (hierna; IOV) vastgesteld. De IOV is op 5 november 2019 in werking getreden, waarna twee wijzigingen hebben plaatsgevonden. De eerste wijziging heeft betrekking op de Brabantse aanpak omtrent stikstof. De tweede en meest recente wijziging heeft betrekking op een termijnverlenging waarbij boeren langer de tijd krijgen een vergunning rond te krijgen voor nieuwe stalsystemen. Deze laatste wijziging is vastgesteld op 14 februari 2020. De IOV is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De IOV is daarbij een eerste stap op weg naar een omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2021 in werking. De IOV is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Enkele inhoudelijke wijzigingen zijn echter wel aangebracht.

In hoofdlijnen gaat het om: o een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen; 18

o aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de Omgevingswet; o aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. Zo wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor gemeenten. De instructieregels voor gemeenten hebben tot doel dat de gemeenteraad de in de omgevingsverordening opgenomen voorwaarden betrekt bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Vooruitlopend op de Omgevingswet, richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die wordt bepaalde door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het plangebied valt volgens de Interim Omgevingsverordening binnen de onderstaande relevante gebieden. Deze zijn voor het planvoornemen nader uitgewerkt.

 Attentiezone stiltegebied;  Attentiezone waterhuishouding;  Beperkingen veehouderij;  Cultuurhistorisch waardevol gebied;  Diep grondwaterlichaam;  Groenblauwe mantel;  Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied. Attentiezone stiltegebied (art. 2.39 t/m 2.48, 3.13 en 3.14) Binnen de attentiezone stiltegebied moet een eventuele verstoring van de stilte en/of rust zo veel mogelijk voorkomen worden. Binnen het stiltegebied geldt een streefwaarde van 40 dB(A) LAeq, 24 uur. Als grenswaarde voor een aanvaardbare geluidbelasting vanwege een locatiegebonden milieubelastende activiteit in de Attentiezone stiltegebied geldt 50 dB(A) LAeq, 24 uur, op 1,5 meter hoogte op de grens van het Stiltegebied, als de locatie van de activiteit 50 meter of meer van de grens van het Stiltegebied ligt. Het bevoegd gezag houdt rekening met de grenswaarden, al zijn afwijkingen en ontheffingen mogelijk. Een bestemmingsplan binnen dit gebied strekt mede tot behoud van stilte en rust door rekening te houden met de toedeling van functies en activiteiten. Het planvoornemen voorziet in een bestemmingsplanwijziging, ten behoeve van een voormalig agrarisch bedrijf naar een kleinschalig klusbedrijf (eenmanszaak) met maximaal milieucategorie 2, waar opslag van materieel voor het klusbedrijf

19

plaatsvindt. Op het perceel van het klusbedrijf vinden geen milieubelastende activiteiten plaats. Daarnaast komt de grens van de nieuwe bedrijfsbestemming op circa 70 meter van het stiltegebied te liggen. Gezien de functiewijziging en de afstand tot het stiltegebied, wordt de grenswaarde van 50 db(A) op de grens van het stiltegebied niet overschreden. Attentiezone waterhuishouding (art. 3.26) Een bestemmingsplan van toepassing op de Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Daarnaast dient een bestemmingsplan onder andere regels te stellen over het verzetten van grond, de aanleg van drainage en het verlagen van de grondwaterstand. Met het planvoornemen blijft de functieaanduiding ‘hydrologisch waardevolle buffer’ behouden. Binnen deze aanduiding zijn regels opgesteld over onder andere het verzetten van grond, de aanleg van drainage en het verlagen van de grondwaterstand. Middels deze waarborging worden functies en activiteiten uitgesloten die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen. Beperkingen veehouderij (art.

3.47) Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt voor geitenhouderijen dat de vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar en een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor geiten is uitgesloten. Het bestemmingsplan voorziet in functieverandering, waarbij de agrarische bestemming wordt omgezet naar een bedrijfsbestemming. De vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar een dierenverblijf voor een geitenhouderij is daarmee binnen het plangebied uitgesloten. Cultuurhistorisch waardevol gebied (art. 3.29) Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart en stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Met het planvoornemen blijft de functieaanduiding ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’ behouden. Daarnaast verandert enkel de functie van de huidige bebouwing en vinden geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats. Zodoende blijft de bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van het gebied gewaarborgd. Diep grondwaterlichaam (art. 2.20) Boven, in of onder een diep grondwaterlichaam is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden. Met het planvoornemen worden echter geen

20

koolwaterstoffen gewonnen. Zodoende vormt dit verbod geen belemmering voor het planvoornemen. Groenblauwe mantel (art. 3.32) Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel stelt onder andere regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied. Ook borgt het dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Het planvoornemen wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast op basis van een landschappelijk inpassingsplan met bijbehorende kwaliteitsverbetering. Hier wordt later in deze paragraaf op ingegaan. Dit geeft een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Daarnaast blijven de functieaanduidingen ‘hydrologisch waardevolle buffer’ en ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’ behouden en wijzigt met het planvoornemen alleen de functie. Er vinden geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats. Hiermee blijven de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken behouden en worden deze waarden en kenmerken verder versterkt door het landschappelijk inpassingsplan. Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied (art.

4.4) De regels omtrent de normen van wateroverlast zijn instructieregels voor waterschappen betreffende overstromingskansen buiten Stedelijk gebied en de daarbij behorende inspanningsverplichting. Zo moet de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren bestendig zijn tegen een overstromingskans van 1/10 per jaar voor grasland. Voor bebouwing die is gelegen buiten Stedelijk gebied geldt de norm van het omringende landgebruik. Het omringende landgebruik rond het plangebied is hoofdzakelijk als grasland. Met het planvoornemen neemt het aandeel verharding niet toe. Er is slechts sprake van een functieverandering, waarbij geen sloop- of bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Daarbij is er voldoende natuur binnen het plangebied aanwezig om de hoeveelheid water in de bodem op te nemen of af te voeren naar omliggende sloten.

Daarnaast gelden voor elke ruimtelijke ontwikkeling de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2). Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, die zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2 van de Interim Omgevingsverordening. Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met:  Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 3.6); 21

 

Toepassing van de lagenbenadering (art. 3.7); Meerwaardecreatie (art. 3.8).

Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 3.6) In artikel 3.6 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is gesteld dat het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving bijdraagt aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied. In het landelijk gebied wordt hiermee een bestaand bouwperceel bedoeld. De toedeling van nieuwe functies moet in beginsel plaatsvinden binnen bestaand ruimtebeslag. Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. Het planvoornemen voorziet in een functieverandering binnen het bestaande ruimtebeslag. Daarmee is het planvoornemen in lijn met artikel 3.6 van de Interim Omgevingsverordening. Toepassing van de lagenbenadering (art. 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.

De lagenbenadering omvat de effecten op:  de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;  de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer;  de bovenste laag, zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Door actief de factor tijd te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op de bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in deze toelichting. Meerwaardecreatie (art. 3.8) Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:  de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;  de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening kan deel uit maken van de

22

meerwaardecreatie. In de beoogde situatie wordt invulling gegeven aan de meerwaardecreatie door middel van een Landschappelijk Inpassingsplan. Kwaliteitsverbetering (art. 3.9) Voor iedere ‘ruimtelijke ontwikkeling’ dient onderbouwd te worden hoe invulling wordt gegeven aan artikel 3.9 lid 1 van de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant. Met dit artikel benadrukt de provincie dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling in Landelijk Gebied ook verzekerd moet worden dat een verbetering van de fysieke ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt. Artikel 3.9 lid 3e geeft aan dat de afspraken uit het regionaal overleg nagekomen moeten worden. De locatie van het plangebied valt binnen de regio Hart van Brabant. De provincie heeft samen met deze regio in een notitie afspraken gemaakt omtrent kwaliteitsverbetering. Deze afspraken staan genoteerd in het document ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant, actualisering 2015’. De afspraken tussen de provincie en de regio Hart van Brabant bepalen een methodiek voor de tegenprestatie. In deze notitie worden drie categorieën onderscheiden:  

Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkeling waarvoor geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist); Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist); Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist). Categorisering Het planvoornemen voorziet in een bestemmingsplanwijziging, waarbij geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaatsvinden en alleen een functieverandering plaatsvindt. Daarnaast worden de bouwmogelijkheden niet uitgebreid of versoepeld. Onder categorie 2 valt de wijziging van de bestemming ‘Agrarisch Agrarisch Bedrijf’ in een andere bestemming, mits het bestemmingsvlak met ten minste 60% wordt verkleind, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500 m² aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing resteert.

Een verkleining van het bestemmingsvlak met ten minste 60% en de sloop van overtollige voormalige bedrijfsbebouwing is echter geen onderdeel van het planvoornemen. Zodoende valt het planvoornemen onder categorie 3: “Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het 23

landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist).” Categorie 3 vereist het volgende:  een goede landschappelijke inpassing van het bouw-, of bestemmingsvlak;  een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. In dit kader wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, op basis van de huidige landschappelijke structuren van de omgeving. Het landschappelijk inpassingsplan bevat naast het gewenste ruimtelijke en landschappelijk beeld ook twee berekeningen. Enerzijds is dit een berekening van de benodigde investering op basis van de kwaliteitsverbetering van het landschap. De benodigde investering bij een geval van categorie 3 is in de regel 20% van de waardevermeerdering van de gronden. Anderzijds is een berekening noodzakelijk van de aanleg- en beheerskosten van de (nieuwe) landschapselementen. Deze maakt inzichtelijk of aan de vereiste kwaliteitsverbetering van 20% van de waardevermeerdering van de gronden voldaan kan worden. Landschappelijk Inpassingsplan en berekening kwaliteitsverbetering Het uitgangspunt voor de landschappelijke inpassing van de Turnhoutsebaan 8 is het duurzaam inrichten van de flanken van de beekdalen door middel van coulissen. De erven worden landschappelijk ingepast binnen deze coulissen. Hiertoe zal bij de Turnhoutsebaan 8 een groene kamer gerealiseerd worden op de beekdalflank.

De bestaande bebouwing en het erf wordt landschappelijk ingepast door de aanplant van een nieuwe houtsingel aan de noord- en westzijde met een lengte van ca. 100 meter. De houtsingel heeft een breedte van ca. 5 meter. De struikenlaag wordt 3-5 meter hoog, maar daarin staan boomvormers die op den duur hoger worden, tot ca. 20m. De boomvormers moeten goed onderhouden worden om tot boom uit te groeien, zonder dat ze verdrukt worden door de struiken. Bij voorkeur aanplanten in een grotere maat. De beplanting bestaat uit inheemse struik- en boomvormende beplanting, zoals ruwe berk, wilde lijsterbes, vuilboom, gewone esdoorn, zwarte els, noot of kastanje. Hoewel in het Landschapsbeleid van de gemeente voor dit gebied eiken staan vermeld, worden er vanwege de eikenprocessierups bij voorkeur andere boomsoorten toegepast. Vanaf de woning en het er zijn een aantal zichtlijnen in stand gelaten richting het achterliggende bosgebied en beekdal. Aan de zuidzijde van het perceel wordt op de kadastrale grens met het naastgelegen woonperceel Turnhoutsebaan 10 over een lengte van ca. 100 meter een knip- en scheerhaag aangeplant, in de vorm van een beukenhaag. Deze haag heeft een breedte van ca. 1 meter en een hoogte van ca. 2 meter. De bestaande bomen op het erf blijven behouden. De fruitboomgaard aan de zuidoostzijde wordt aangevuld met 2 nieuwe fruitbomen.

Aan de noord- en westzijde wordt een deel van de huidige agrarische gronden ingericht als een open, ruig, bloemrijk grasland. Op deze wijze wordt direct aangesloten op het bestaande natuurgebied aan de zuidzijde van het perceel, waar enkele poelen zijn gelegen in open en ruig grasland.

24

Langs de bestaande watergang langs de parallelweg van de Turnhoutsebaan wordt een bomenrij aangeplant van Zwarte Els. Deze bomen zijn geschikt voor een vochtige plek langs watergangen en verwijzen naar de historische naam van het gebied “Elsbosch”. Tevens wordt met de bomenrij aangesloten bij de laanstructuur van de Turnhoutsebaan. In de nieuwe situatie is sprake van een waardevermeerdering van €42.133. Bij een waardevermeerdering dient 20% geïnvesteerd te worden als tegenprestatie. In dit geval bedraagt dat een bedrag van 20% van €42.133 = €8.426,60. Uit het Landschappelijke Inpassingsplan en de bijbehorende kostenraming voor aanleg en beheer blijkt dat sprake is van een totale investering van € 9.123,54. Er wordt daarmee voldaan aan de vereiste investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap. De aanleg, het onderhoud en de duurzame instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de opname van een bepaling in de regels van het bestemmingsplan. In afbeelding 8 is een uitsnede te zien van het Landschappelijk Inpassingsplan.

Agrarisch bedrijf -> Verkeer ca. 239 m2

Afbeelding 8: Uitsnede Landschappelijk Inpassingsplan Turnhoutsebaan 8

25

Conclusie Uit de toetsing van het plangebied aan de regels van de relevante gebieden (uit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant), blijkt dat deze gebieden geen belemmeringen vormen voor het planvoornemen. De gebiedsaanduidingen ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’ en ‘hydrologisch waardevolle buffer’ blijven behouden en het planvoornemen wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast op basis van een landschappelijk inpassingsplan met bijbehorende kwaliteitsverbetering. Er wordt daarbij ruimschoots voldaan aan de vereiste investering die nodig is ten behoeve van het landschap. Het planvoornemen past hiermee binnen de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. 3.3.

Gemeente Structuurvisie De structuurvisie, vastgesteld door de gemeenteraad op 20 juli 2010, biedt het kader voor het te voeren ruimtelijke beleid tot 2020. Ten tijde van schrijven maakt de gemeente Goirle nog steeds gebruik van deze structuurvisie. In de structuurvisie wordt, aan de hand van de te onderscheiden beleidsthema’s en deelgebieden, ingegaan op de toekomstige beleidsdoelstellingen voor de gemeente. De ontwikkeling is gelegen binnen het deelgebied ‘Midden’. Dit deelgebied is in hoofdzaak een bos- en natuurgebied. Een deel van dit natuurgebied doet ook dienst als militair oefenterrein. Daarnaast zijn buiten het bos- en natuurgebied agrarische bedrijven aanwezig en doet het gebied dienst als extensief recreatiegebied. De belangrijkste infrastructurele lijn die het buitengebied van de gemeente Goirle doorsnijdt, is de Turnhoutsebaan (N630). Daarnaast liggen er een groot aantal plattelandswegen en (onverharde) wegen door het deelgebied.

Afbeelding 9: Toekomstbeeld buitengebied gemeente Goirle. (Plangebied rood omlijnd.)

26

Accenten binnen het deelgebied ‘Midden’ worden gelegd op natuur en extensieve recreatie. Voor het planvoornemen is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Hierbij wordt het planvoornemen zorgvuldig landschappelijk ingepast en worden de bebouwingsmogelijkheden niet uitgebreid of versoepeld (alleen een functieverandering vindt plaats). Hierdoor gaat het perceel op in de rest van de landelijke omgeving. Dit draagt bij aan het accent ‘natuur’, wat in de structuurvisie gegeven is aan het deelgebied waar het planvoornemen binnen ligt. Conclusie De onderhavige ontwikkeling is in overeenstemming met de Structuurvisie Goirle. Toekomstvisie In 2013 is door de gemeenteraad de “Toekomstvisie gemeente Goirle 2020” vastgesteld onder de titel “Thuis in Goirle: groen, sociaal, ondernemend”. Kortweg werd aan dit document de subtitel “Toekomstvisie 2020” gegeven. Deze visie, gebaseerd op de drie kernbegrippen ‘groen, sociaal en ondernemend’, dient als leidraad voor de toekomstige beleidsontwikkeling. De ambitie voor Goirle in 2020 luidt: Onze inwoners voelen zich thuis in de gemeente Goirle, want Goirle is een groene, sociale en ondernemende gemeente. Goirle is Groen De gemeente Goirle wordt gekenmerkt door het dorpse en landschappelijke karakter en is in een groene woonomgeving gelegen (bossen, beken, Regte Heide) en nabij de grote stad.

Goirle is Sociaal De gemeente Goirle is een dynamische en levendige gemeente. De onderlinge sfeer is goed, open en positief. Ieder handelt vanuit zijn of haar eigen verantwoordelijkheid. Problemen worden door de inwoners zoveel als mogelijk zelf opgelost. In laatste instantie biedt de gemeente een vangnet voor diegenen die daarop zijn aangewezen. De gemeente denkt en handelt vanuit de ‘menselijke maat’. De inwoners kennen elkaar en zijn betrokken bij hun directe naaste omgeving maar juist ook in buurten en wijken. Goirle heeft een actief verenigingsleven en er zijn veel vrijwilligers. De gemeente is trots op het eigen karakter en zijn eigen identiteit en houden deze graag in stand. Goirle is Ondernemend Binnen de gemeente Goirle zijn voldoende voorzieningen voor wonen, leven, onderwijs, recreatie en zorg aanwezig voor jong en oud, voor ieder wat wils. Economische ontwikkelingen in dat kader worden waar mogelijk ondersteund. In de afwegingen maakt de gemeente een verantwoorde keuze gericht op duurzaamheid. Daarbij worden economische en ecologische argumenten in samenhang gewogen en wordt gezorgd voor balans. De gemeente staat open voor nieuwe initiatieven van burgers, organisaties en ondernemers; soms initieert

27

de gemeente deze initiatieven zelf als kansen worden gezien of als er iets bereikt moet worden. De gemeente kiest hierbij bij voorkeur een regierol. Conclusie Het planvoornemen is in lijn met de Toekomstvisie van de gemeente Goirle. De gemeente heeft middels een principebesluit aangegeven onder voorwaarden mee te willen werken. De voorwaarden in het principebesluit geven aan dat de opslag van materieel uitsluitend plaats moet vinden ten behoeve van het eigen klusbedrijf. Dit moet een eenmanszaak zijn, met maximaal milieucategorie 2. Daarnaast wordt verwezen naar de artikelen 3.2 (kwaliteitsverbetering van het landschap) en artikel 6.10 (niet-agrarische functies binnen de groenblauwe mantel) uit de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant (geconsolideerd 15 juli 2017). De kwaliteitsverbetering van het landschap is behandeld in het provinciale beleid (paragraaf 3.2). Aan de voorwaarden die gesteld worden bij de vestiging van een niet-agrarische functie, wordt middels deze herziening voldaan. De uitwerking van de voorwaarden vindt plaats in deze toelichting, of is indien noodzakelijk gewaarborgd in de regels. Bestemmingsplan Vigerende bestemmingsplannen Binnen het plangebied zijn twee bestemmingsplannen vigerend, namelijk ‘Buitengebied Goirle’ en ‘Buitengebied Goirle, herziening 2014’.

In de correctieve herziening van 2014 zijn enkele locatiespecifieke wijzigingen opgenomen. Daarnaast zijn enkele algemene wijzigingen aangebracht aan de regels. Een wijziging die betrekking heeft op het planvoornemen, is een toevoeging aan de bestemming 'Bedrijf’. Zo wordt in de herziening rechtstreeks geregeld dat in de bestemmingsomschrijving van de bestemming ‘Bedrijf‘, bedrijven van categorie 1 en 2 zijn toegestaan. Deze wijziging is verwerkt in dit bestemmingplan. In 2019 heeft de gemeente Goirle een parapluplan opgesteld. Een paraplubestemmingsplan biedt de mogelijkheid om bestemmingsplannen binnen de gemeente in één keer te herzien voor één of meerdere onderwerpen. Het vigerende parapluplan heeft betrekking op de volgende onderwerpen:  Terrassen;  Standplaatsen  Evenementen;  Parkeren;  Zendmasten;  Ruimte tussen bouwwerken.

28

In afbeelding 10 is weergegeven welke artikelen zijn gewijzigd.

Afbeelding 10: Uitsnede van bijlage 1 uit de plantoelichting van ‘Parapluplan gemeente Goirle’.

Voor het planvoornemen zijn de gewijzigde onderwerpen parkeren, zendmasten en ruimte tussen bouwwerken relevant. Deze zijn verwerkt in dit bestemmingplan. Bestemmingen plangebied Het plangebied heeft de volgende vigerende enkelbestemmingen:   

‘Agrarisch – Bedrijf’; ‘Agrarisch – Landschapswaarden’; ‘Wonen’.

Afbeelding 11: Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Goirle’ met kadastrale grenzen. Plangebied is rood omlijnd.

29

Binnen de enkelbestemming ‘Agrarisch – Bedrijf’ valt de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Binnen de enkelbestemming ‘Agrarisch – Landschapswaarden’ vallen de functieaanduidingen ‘cultuurhistorisch waardevol gebied (cwg)’ en ‘hydrologisch waardevolle buffer (hwb)’. De initiatiefnemer wil de bestemming van het plangebied wijzigen in ‘Bedrijf’ om binnen het plangebied (statische) opslag te realiseren ten behoeve van zijn klusbedrijf. De beoogde activiteiten zijn echter in strijd met het vigerend bestemmingsplan, wat enkel een agrarisch bedrijf mogelijk maakt. Om de opslag toch mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Conclusie Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Middels dit bestemmingsplan wordt het planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

30

HOOFDSTUK 4. THEMATISCHE BELEIDSKADERS In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema's. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van de kaders. Milieuaspecten en water komen aan bod in de volgende hoofdstukken. 4.1.

Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand Stedenbouwkundige uitgangspunten Het planvoornemen voorziet in een bestemmingsplanwijziging, waarbij geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaatsvinden en alleen een functieverandering aan de orde is. Daarbij worden de bouwmogelijkheden niet uitgebreid of versoepeld. Hierdoor worden de stedenbouwkundige uitgangspunten uit het vigerend bestemmingsplan aangehouden. Dit betekent dat voor de bedrijfswoning een maximale goot- en bouwhoogte geldt van respectievelijk 6 en 10 meter. Voor bedrijfsgebouwen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 12 meter. Ook voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen blijven de stedenbouwkundige uitgangspunten aangehouden. Hier geldt dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m². De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 5,5 m. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde blijft de maximale bouwhoogte van 5 meter gelden. Welstand Bouwplannen moeten onder meer worden getoetst aan 'redelijke eisen van welstand', aldus de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de bouwplannen die in de gemeente worden gerealiseerd.

Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de gemeenteraad moet worden vastgesteld. In Goirle is dat gebeurd op 11 maart 2014. De welstandsnota heeft een duidelijke relatie met bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan beschrijft naast de toegelaten functies in stedenbouwkundige termen de toegestane bouwmassa's in een gebied en de plaats waar deze mogen worden gebouwd. Het is de taak van welstandsbeleid te borgen dat bij veranderingen de verschijning van de bouwmassa's passend is en blijft in de omgeving. De Welstandsnota verdeelt de gemeente hiertoe in verschillende soorten gebieden, ieder met hun eigen gebiedsgerichte criteria. Voor de gedetailleerde regeling wordt verwezen naar de welstandsnota. Het planvoornemen voorziet niet in het bouwen of slopen van bebouwing, maar enkel in een functieverandering. Zodoende hoeft het planvoornemen niet getoetst te worden aan de ‘redelijke eisen van welstand’.

31

4.2.

Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Archeologie Omdat in groeiende mate het Europese archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in casu de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende:  De introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologische onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;  De verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening. In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld.

Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport te overleggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt.

Afbeelding 12: Uitsnede kaart Archeologische Waarden (IKAW). Plangebied is rood omlijnd.

32

Het plangebied heeft op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) een lage trefkans. Daarnaast zijn voor het planvoornemen geen bodemingrepen noodzakelijk, omdat voorliggend bestemmingsplan enkel voorziet in een functiewijziging. Er zullen geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaatsvinden. Daarnaast worden de bouwmogelijkheden niet uitgebreid of versoepeld. Archeologisch onderzoek is dus niet noodzakelijk. Cultuurhistorie en monumentenzorg Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven. Hierbij zijn vooral de Erfgoedwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader. Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing Binnen het plangebied komt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing voor. Rijksmonumenten Binnen het plangebied komen geen rijksmonumenten voor. Gemeentelijke monumenten Binnen het plangebied komen geen gemeentelijke monumenten voor. 4.3.

Groen en landschap In 2016 heeft de gemeente Goirle het Landschapsbeleidsplan vastgesteld. Het landschapsbeleidsplan bestaat uit een robuust groen raamwerk, wat verschillende ontwikkelingen in de tijd kan opvangen, wat een aantrekkelijk, beleefbaar en gevarieerd buitgebied oplevert en wat het natuurnetwerk ondersteunt en aanvult. Het raamwerk bestaat uit de volgende lagen: het natuurnetwerk, de vier landschapsdelen, de drie beken, de lange lijnen van aantal doorgaande routes en het routenetwerk. Elke laag heeft zijn eigen ruimtelijke karakteristiek en eigen spelregels ter ontwikkeling. Het Landschapsbeleidsplan bestaat uit twee delen. In deel A wordt de visie op hoofdlijnen aangegeven en in deel B zijn inspirerende spelregels opgenomen, die richting geven aan toekomstige ontwikkelingen. Het plangebied ligt binnen het deelgebied ‘midden’: “Het landschap van Regte Heide, Bossen en landgoederen en Passtuk de Katsbogte”. Dit deelgebied bestaat uit een grote diversiteit aan landschappen en geschiedenissen. Zo bestaat het uit het landschap van de Regte Heide, Riels Laag, bossen en landgoederen met het Beekdal van de Leij en de Poppelsche Leij. Dit deelgebied is het natuurhart van de gemeente. De Regte Heide wordt ingekaderd door twee beekdalen aan de westen oostzijde en een landgoederenstrook aan de zuidzijde.

Door middel van een uitgekiend netwerk van routes kan men dit beleven, waarbij de kwetsbare natuur wordt ontzien.

33

Afbeelding 13: Kenmerken deelgebied ‘midden’. (Uitsnede Landschapsbeleidsplan 2016 Goirle.)

Als concrete spelregels voor dit deelgebied worden aangedragen: -

-

Zo groot mogelijk aaneengesloten gebied; Relatie met de beekdal van de Poppelsche Leij versterken; Inzetten op vernatten van de directe omgeving van het heidecomplex op de flanken, in de bossen en de beekdalen; Ontwikkeling van kwelgerelateerde natuur en waterberging in gebied Katsbogte, m.b.v. duurzame economische drager; Zonering van recreatie in het gebied. Kansen voor recreatieve ontwikkelingen rond Natuurpoort Roovertsche Leij; Flanken van de beekdalen duurzaam inrichten door middel van coulissen; Erven, (duurzame) agrarische bedrijven, recreatieondernemingen en overige functies worden landschappelijk ingepast binnen deze coulissen; Eventueel ontwikkelen van nieuw plas-dras groengebied in de Katsbogte, met de functie van waterberging en kwelzone door middel van een economische drager.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1167/documents/19648