09 05 Bijlage 1 vast te stellen BP.pdf
Tekst van het document
GEMEENTE GOIRLE
B E S T E M M I N G S P L A N H O E K K O E S T R A A T /L O O I E N H O E K O N G E N U M M E R D (RIEL)
GEMEENTE BESTEMMINGSPLANNUMMER SCHAAL VAN DE VERBEELDING STATUS PLAN DATUM TERVISIELEGGING ONTWERP DATUM VASTSTELLING
DATUM UITSPRAAK ABRS DATUM INWERKINGTREDING DATUM ONHERROEPELIJK NAAM EN ADRES OPSTELLER
: : : : : : : : : :
GOIRLE
NL.IMRO.0785.BP2023003KOELOOIJE-VG01 1:1000 VASTGESTELD
23 NOVEMBER 2023 T/M 3 JANUARI 2024 16 APRIL 2024
1
PLANTOELICHTING
2
INHOUDSOPGAVE PLANTOELICHTING
pagina
1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.
Inleiding Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Bij het plan behorende stukken Leeswijzer
5 5 6 6 6
2. 2.1. 2.2. 2.3.
Beschrijving plangebied Historische ontwikkeling Ruimtelijke en functionele structuur Technische infrastructuur
7 7 7
3. 3.1. 3.2. 3.3.
Ruimtelijk beleidskader Rijk Provincie Gemeente
8 10 16
4. 4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5.
Thematische beleidskaders Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Volkshuisvesting Groen Verkeer en parkeren Duurzaamheid
23 26 28 31 32
5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6. 5.7. 5.8. 5.9.
Milieuaspecten Milieuhinder en bedrijven Externe veiligheid Kabels, leidingen en straalpad Geluid Lucht Geur Bodem Natuur Milieueffectrapportage
34 35 39 39 40 43 44 45 49
6. 6.1. 6.2.
Water Beleid Huidige en toekomstige situatie
51 54
7. 7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5.
Opzet planregels Plansystematiek Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel
58 58 58 60 61
3
8. 8.1. 8.2.
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
63 63
Bijlagen 1. Eindverslag inspraakprocedure 2. Verslag overleg Besluit ruimtelijke ordening 3. Toelichting Staat van bedrijfsactiviteiten 4. Certificaat bouwtitel 5. Samenvatting omgevingsdialoog 6. Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan “hoek Koestraat/Looienhoek ong”
4
HOOFDSTUK 1. INLEIDING 1.1.
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Initiatiefnemer is eigenaar van het onbebouwde perceel op de hoek Koestraat Looienhoek te Riel. Dit perceel wordt momenteel gebruikt als weiland voor paarden. Vanwege de beperkte omvang is het perceel niet voldoende geschikt als landbouwgrond. Bovendien ligt de locatie gelegen in het bebouwingscluster ‘Looienhoek’. In dit bebouwingscluster zijn de laatste jaren verschillende woningbouwontwikkelingen mogelijk gemaakt op basis van de ruimte-voorruimte regeling. Om die redenen is bij initiatiefnemer de wens ontstaan om ter plaatse een ruimte-voor-ruimte woning te realiseren en het daarbij behorende bijgebouw gedeeltelijk in gebruik te nemen als bed & breakfast voor maximaal twee eenheden. Ten behoeve van de ontwikkeling van de ruimte-voor-ruimte woning zal een titel worden aangekocht bij de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte-voorruimte, zodat een positieve bijdrage aan de omgevingskwaliteit - door sanering van een intensieve veehouderij elders - is verzekerd. Na realisatie van de ruimtevoor-ruimtewoning zal de bebouwingsstructuur, zoals voor de Koestraat geschetst is in het streefbeeld van de visie “Buitengebied in beweging”, voltooid zijn. Verder zal het perceel zorgvuldig landschappelijk worden ingepast in de omgeving om een ruimtelijke kwaliteitswinst in de directe omgeving te verzekeren.
Aangezien de locatie momenteel nog een agrarische bestemming heeft zal het bestemmingsplan ter plaatse gewijzigd moeten worden om de realisatie van een ruimte-voor-ruimte woning met ondergeschikte recreatieve verblijfsfunctie in het daarbij behorende bijgebouw mogelijk te maken. Dit bestemmingsplan geeft invulling aan het initiatief.
1.2.
Ligging en begrenzing plangebied. Het plangebied ligt op de hoek Koestraat/Looienhoek te Riel, ten zuidwesten van de dorpskern in het buitengebied van de gemeente Goirle. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Goirle, sectie K, nummer 1103 en heeft een oppervlakte van 7.955 m2, waarvan het voorste gedeelte ter grootte van 1420 bestemd wordt voor wonen. Het gedeelte met woonbestemming is identiek aan de naastgelegen kavels met de nummers 1101 en 1102. Op onderstaande afbeelding is een luchtfoto met het plangebied weergegeven.
5
Afbeelding: globale ligging van het plangebied, locatie is met rood aangegeven
1.3.
Vigerende bestemmingsplannen Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, geldt in het plangebied het volgende bestemmingsplan. Bestemmingsplan
Vastgesteld
Goedkeuring GS
Inwerking
Buitengebied Goirle
9 december 2008
14 juli 2009
24 september 2009
1.4.
Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, de planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook de inhoud van het vigerend beleid beschreven en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.
1.5.
Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleidskader van rijk, provincie en gemeente. Het thematische beleidskader komt aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.
6
HOOFDSTUK 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, ofwel de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van deze situatie door middel van een beschrijving van de historische ontwikkeling, de ruimtelijke en functionele structuur. 2.1.
Historische ontwikkeling Het dorp Riel is samengesteld uit de gehuchten Brakel, Zandeind en de dorpskom of Kerkeind. Brakel is daarvan het oudste buurtschap, waar al in de prehistorische en Romeinse tijd bewoners gevestigd waren. Zo zijn in 1840 op de heide onder Brakel meer dan 50 urnen opgegraven. Riel is een typisch Brabants esdorp. De dorpen zijn hier niet, zoals in Drenthe, concentrisch van vorm, maar langgerekt. Deze zogenaamde kransakkerdorpen breidden zich uit naarmate de beschikbare bouwgrond rondom de akkers vol raakte. Nieuwe vestigingen vonden dan wat verderop aan de kronkelige weg rondom de akkers plaats. Dit nederzettingspatroon is in Riel goed bewaard gebleven. Een bijzonderheid is dat de eerste ontginningsactiviteiten hier al in de 7e eeuw moeten hebben plaatsgevonden. De blokvormige verkaveling, waarbij akkers door hagen en houtwallen omringd werden om het vee te weren, is in Riel nog steeds te herkennen. In de eeuwen vóór het gebruik van kunstmest werden de akkers vruchtbaarder gemaakt door er zoden op te leggen die met dierlijke mest waren vermengd. Dit verklaart het holle, hoge karakter van de oude akkers. In de 12e eeuw kwam er in Riel een opleving in de ontginning van de woeste gronden, doordat een kerkelijke instelling zich hierop toelegde.
Later, toen Brabant door de Staten-Generaal tot Generaliteitsland was verklaard en als een wingewest werd uitgebuit, hadden de boeren weinig reden en mogelijkheden om hun arsenaal uit te breiden. De meeste boerderijen ter plaatse dateren uit het einde van de 19e eeuw, omdat bij een grote brand in 1877 vele hoeven verloren gingen. Riel maakte deel uit van de heerlijkheid Hilvarenbeek, maar lag echter daarvan gescheiden door het grondgebied van Goirle.
2.2.
Ruimtelijke en functionele structuur Het onbebouwde landbouwperceel is gelegen in het gehucht ‘Looienhoek’ wat zich bevindt ten zuidwesten van de kern Riel, in het buitengebied van de gemeente Goirle. In de directe omgeving bevinden zich burgerwoningen, akkerbouwbedrijven, veehouderijen en niet-agrarisch bedrijven in de vorm van een fitnesscentrum en een kinderdagopvang.
2.3.
Technische infrastructuur Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie.
7
HOOFDSTUK 3. RUIMTELIJK BELEIDSKADER Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader. 3.1.
Rijk Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot gedeelte bij provincie, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in vele gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang, waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de lange termijn visie in beeld.
Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonden regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Conclusie De NOVI richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor onderhavig bestemmingsplan. Verdere afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid In de zogenaamde Realisatieparagraaf (‘Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid’) zijn alle nationale ruimtelijke belangen uit de verschillende Planologische Kern Beslissingen en de voorgenomen verwezenlijking daarvan gebundeld. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. De
8
Realisatieparagraaf is toegevoegd aan de Nota Ruimte en heeft de status van structuurvisie. Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. AMvB Ruimte In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Geen van de in het Barro genoemde onderwerpen hebben echter betrekking op onderhavig bestemmingsplan. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 3.1.6 Bro opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: "De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."(artikel 3.1.6, tweede lid, Bro). Uit jurisprudentie blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State woningbouwontwikkelingen vanaf 12 woningen beschouwt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Het voorliggende initiatief maakt de realisatie van één ruimte-voor-ruimtewoning met ondergeschikte recreatieve verblijfsfunctie in het daarbij behorende bijgebouw mogelijk en wordt daarmee niet beschouwd als stedelijke ontwikkeling waarvoor de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden.
9
Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden. Crisis- en herstelwet Met de Crisis- en herstelwet (Chw) wil het kabinet de procedures voor grote projecten versnellen. Hiermee wordt een stap gezet om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden. De Chw zorgt voor een toename van het aantal kwalitatief goede woningen en bedrijfslocaties. Integrale gebiedsontwikkeling krijgt een belangrijke impuls. Op het gebied van bedrijventerreinen ligt de nadruk op herstructurering. De regels uit de Chw betreffen in deze vooral het bestuursprocesrecht, waardoor de doorlooptijd van procedures voor in de wet aangewezen projecten kan worden verkort. Conclusie De Chw is niet van toepassing op onderhavig bestemmingsplan omdat dit plan niet kan worden aangemerkt als een besluit dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een ruimtelijk project zoals omschreven in de Chw. 3.2.
Provincie Omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met de Brabantse Omgevingsvisie sluit de provincie met de hoofdopgaven aan bij rijksbeleid, Europese en mondiale doelstellingen. Het streven is dat de omgevingsvisie, hoewel formeel alleen zelfbindend, Noord-Brabant samenbindt. Want één ding is zeker; samenwerking is meer dan ooit nodig om de NoordBrabantse omgevingskwaliteit te bewaken en door te ontwikkelen. Waarbij ruimtelijke ordening dienend is aan maatschappelijke doelstellingen. Of het nu gaat om het verkleinen van sociale verschillen, het verbeteren van welvaart, of het gezonder, veiliger en duurzamer maken van onze leefomgeving. In de Omgevingsvisie Noord-Brabant heeft de provincie vier hoofdopgaven benoemd: werken aan de Brabantse energietransitie, werken aan een klimaatproof Brabant, werken aan de slimme netwerkstad en werken aan een concurrerende, duurzame economie. Hieraan ten grondslag ligt één basisopgave; de provincie streeft naar een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. De vier hoofdopgaven hebben een grote ruimtelijke impact. Noord-Brabant is te klein als alles naast elkaar plaatsvindt. Het wordt dus passen en meten, met opgaven naast, onder, boven en met elkaar. Meerwaardecreatie en meervoudig slim ruimtegebruik is noodzaak.
De opgaven moeten we daarom altijd in onderlinge samenhang bezien. Diep, rond en breed bekijken, dus. Als doel voor 2050 heeft de provincie het volgende gesteld: Noord-Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit, doordat de provincie op alle aspecten beter presteert dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Noord-Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. 10
De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal. Voor 2030 streeft de provincie naar het volgende: Noord-Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat de provincie voor alle aspecten voldoet aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak. Conclusie Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van één ruimte-voor-ruimte woning met de mogelijkheid tot ondergeschikte recreatieve verblijfsfunctie in een bijbehorend bijgebouw. De ruimte-voor-ruimte regeling die er specifiek op is gestoeld om de sanering van intensieve veehouderijen in het buitengebied te stimuleren en verdere verstening van het buitengebied te voorkomen. Deze regeling houdt in dat er door de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte- voor-ruimte bouwtitels kunnen worden afgegeven voor de sanering van een intensieve veehouderij. Deze zogenaamde ruimte-voor-ruimte titels kunnen vervolgens worden ingezet in een bebouwingsconcentratie in het buitengebied.
Na realisatie van de onderhavige ruimte-voor-ruimtewoning zal de bebouwingsstructuur, zoals voor de Koestraat geschetst is in het streefbeeld van de visie “Buitengebied in beweging”, voltooid zijn. Op deze manier is een milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst verzekerd. Het initiatief past derhalve in de kaders die gesteld worden door de Omgevingsvisie Noord-Brabant. Nadere regels van de provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke projecten zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierna wordt ingegaan op deze verordening. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 27 november 2020 hebben Provinciale Staten de “Interim omgevingsverordening Noord-Brabant” (hierna; IOV) vastgesteld. De IOV is op 5 december 2020 in werking getreden. De IOV is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De IOV is daarbij een eerste stap op weg naar een omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 januari 2023 in werking. De IOV vervangt zes provinciale verordeningen en heeft de status van: • Milieuverordening gebaseerd op artikel 1.2.
Wet milieubeheer; • Verordening wegen gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2A Wegenverkeerswet; • Verordening Ontgronden gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet; 11
• Verordening natuurbescherming gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming; • Verordening ruimte gebaseerd op artikel 4.1. Wet ruimtelijke ordening en de • Verordening water gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet. De IOV is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Enkele inhoudelijke wijzigingen zijn echter wel aangebracht. In hoofdlijnen gaat het om: o een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen; o aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de Omgevingswet; o aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. Zo wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor gemeenten. De instructieregels voor gemeenten hebben tot doel dat de gemeenteraad de, in de omgevingsverordening opgenomen voorwaarden betrekt bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Vooruitlopende op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen).
Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. In dit geval ligt de planlocatie in de werkingsgebieden ‘Grondwaterbeschermingsgebied’, ‘Gemengd landelijk gebied’, ‘Landelijk gebied’ en ‘Stalderingsgebied’, zie Afbeelding 5.
12
Afbeelding: uitsnede kaart Interim omgevingsverordening met aanduiding plangebied, locatie met het rode kruis aangegeven
Voor wat betreft het grondwaterbeschermingsgebied zijn de voorwaarden vervat in artikel 3.11. Tevens gelden de rechtstreeks werkende regels uit artikel 2.7 tot en met 2.17 en in algemene zin ten aanzien van de ‘Zorgplicht waterwinning voor menselijke consumptie’, aldus vervat in artikel 2.1. Afdeling 3.6 bevat de voorwaarden voor een vitaal platteland, die onder andere van toepassing zijn op het gemengd landelijk gebied. In artikel 3.68, eerste lid, is vastgelegd dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. Hiervan kan worden afgeweken met ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het kader van rood voor groen, zoals ruimte-voor-ruimte woningen. De voorwaarden hiervoor zijn vervat in artikel 3.80. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: • zorgvuldig ruimtegebruik; • de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; • meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de IOV nader uitgewerkt in de artikelen 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel.
3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag
13
In artikel 3.80 van hoofdstuk 3 van de IOV is echter bepaald dat een bestemmingsplan in landelijk gebied kan voorzien in een ruimte-voor-ruimtekavel, ten behoeve van de bouw van één woning. Derhalve kan worden afgeweken van artikel 3.6 voor wat betreft het gebruik van gronden buiten bestaand ruimtebeslag of buiten stedelijk gebied. Omdat het plan hoek Koestraat/Looienhoek voldoet aan de bepalingen die gesteld worden in artikel 3.80 van de IOV is het toevoegen van een ruimte-voor-ruimte woning hier mogelijk. De waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering. (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: • de ondergrond • de netwerklaag • de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen.
Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het plan op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Uit deze toetsing blijkt dat de beoogde ontwikkeling in het heden en in de toekomst geen beperkingen zal opleveren voor de omgeving. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 3.9 van de IOV kan deel uit maken van de meerwaardecreatie. Middels dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de aankoop van een ruimte voor ruimte titel, daarnaast vind er landschappelijke inpassing plaats. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd. 14
Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Voor de realisatie van ruimte-voor-ruimte woningen is in artikel 3.77 van de IOV bepaald dat artikel 3.9 (kwaliteitsverbetering van het landschap) niet van toepassing is mits voldaan wordt aan de voorwaarden uit artikel 3.80. De ruimtevoor-ruimte regeling voorziet - door de sanering van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing elders – namelijk al in een verbetering voor de omgevingskwaliteit. Ruimte-voor-ruimte (artikel 3.80) In artikel 3.80 van de Iov zijn de voorwaarden opgenomen voor realisatie van ruimte-voor-ruimte kavels in het landelijk gebied. Dit is toegestaan indien 1. Er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; Voor deze ruimte-voor-ruimte woningen worden titels aangekocht bij de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte-voor-Ruimte. In het verleden is voor het verkrijgen van deze titels een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit behaald door sanering van bedrijfsgebouwen van een intensieve veehouderij op een externe locatie. 2. De ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt: Als naar de definitie van een bebouwingsconcentratie zoals opgenomen in de Iov wordt gekeken, is de locatie gelegen in een bebouwingsconcentratie. Er is namelijk sprake van een bebouwingscluster, een vlakvormige verzameling van bebouwing buiten bestaand stedelijk gebied.
In de directe omgeving komen veel (burger)woningen en VAB-locaties voor. De bebouwingsdichtheid is hier dus relatief hoog. De ligging van het plangebied in een bebouwingsconcentratie maakt het een planologisch aanvaardbare locatie voor woningbouw. Na realisatie van de ruimte-voor-ruimtewoning zal de bebouwingsstructuur, zoals voor de Koestraat geschetst is in het streefbeeld van de visie “Buitengebied in beweging”, voltooid zijn. 3. Een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; Zoals reeds uiteen is gezet zal de planlocatie zorgvuldig landschappelijk worden ingepast door middel van een groene erfafscheiding en het plaatsen van bomen. Het landschappelijke inpassingsplan is nader uitgewerkt in paragraaf 4.3 groen, onder het kopje landschappelijk inpassingsplan (pagina 28), tevens is er een verbeelding als bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd. 4. Er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar; De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van 1 ruimte-voor-ruimte woning. Door de toevoeging van 1 woning is geen sprake van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling.
15
De realisatie van een ruimte-voor-ruimte woning op de hoek Koestraat/Looienhoek past binnen artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening.
Grondwaterbeschermingsgebied (artikel 2.1, 2.7 – 2.17 en 3.11) Het grondwaterbeschermingsgebied strekt mede tot bescherming van de kwaliteit van het grondwater en de bodem. Functies en activiteiten die risico’s geven voor de kwaliteit van het grondwater, zoals stedelijke ontwikkelingen, het houden van evenementen en milieubelastende activiteiten die (potentieel) schadelijke stoffen gebruiken moeten worden beperkt. Het risico op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater moet worden voorkomen. Het gebruik van schadelijk uitloogbaar bouwmateriaal, zoals zink, lood, koper, gewolmaniseerd hout en teerbitumen, is verboden. In het onderhavige plan mag slechts 1 woning met daarbij behorende bijgebouwen worden gebouwd. De bouwwerkzaamheden blijven hierdoor beperkt en er zal geen gebruik worden gemaakt van uitloogbaar bouwmateriaal. Binnen het plangebied worden ook geen functies en activiteiten mogelijk gemaakt die risico’s geven voor de kwaliteit van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater. De kwaliteit van het grondwater en de bodem ter plaatse wordt tevens beschermd middels een gebiedsaanduiding. Conclusie Gelet op bovenstaande is de ontwikkeling in overeenstemming met het provinciale beleid.
3.3.
Gemeente Het perceel bevindt zich op de hoek Koestraat/Looienhoek in het gehucht ‘Looienhoek’. Dit gebied ligt in buitengebied West van de gemeente Goirle. Het buitengebied West kenmerkt zich als een relatief grootschalig, open landbouwgebied met akkers en weiden, op de grens van zandgrond en het beekdal. Hier zijn ook enkele kleine gehuchten zoals Vijfhuizen, Brakel en Looienhoek en het Bels Lijntje te vinden. Structuurvisie Goirle Tot 2020 was de structuurvisie Goirle van toepassing. De structuurvisie, welke is vastgesteld door de gemeenteraad van Goirle op 20 juli 2010, biedt het kader voor het te voeren ruimtelijke beleid tot 2020. Uit deze structuurvisie blijkt dat de Koestraat/Looienhoek gelegen is binnen het deelgebied ‘Buitengebied West’ van de gemeente Goirle. Dit deelgebied is overwegend open van karakter en de verkaveling is met name gericht op de landbouw. Daarnaast komen in dit deelgebied ook burgerwoningen, paardenhouderijen en in beperkte mate nietagrarische bedrijfsvormen voor. Binnen het deelgebied zijn vier bebouwingsconcentraties aanwezig. Het perceel hoek Koestraat/Looienhoek ligt binnen één van deze bebouwingsconcentraties, namelijk binnen 16
bebouwingsconcentratie ‘Looienhoek’. Op de afbeelding hieronder is het streefbeeld (zoals opgenomen in de structuurvisie) voor de Koestraat/Looienhoek opgenomen. Hierin komen verschillende functies voor. In de structuurvisie wordt voor de bebouwingsconcentratie ‘Looienhoek’ het volgende bepaald: - Verdere verdichting noordelijk deel behoort tot mogelijkheden; - Rekening houden met landschappelijke en historische structuren bij eventuele verdichting; - Behoud waardevolle zichten richting omliggende landschap. Doordat de hoek Koestraat/Looienhoek in Riel op grond van de structuurvisie gelegen ligt binnen een bebouwingsconcentratie kan geconcludeerd worden dat het mogelijk is om op grond van de structuurvisie Goirle een drietal Ruimte-voorRuimtewoningen te realiseren op deze locatie waaronder onderhavig initiatief voor 1 Ruimte-voor-Ruimte woning. Na realisatie van de ruimte-voorruimtewoning zal de bebouwingsstructuur, zoals voor de Koestraat geschetst is in het streefbeeld van de visie “Buitengebied in beweging”, voltooid zijn.
Afbeelding: Uitsnede structuurvisie Goirle streefbeeld Looienhoek
Omgevingsvisie De gemeente Goirle bereidt zich voor op de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2024 in werking treedt. Een van de (verplichte) instrumenten voor gemeenten, die voortvloeit uit de aankomende Omgevingswet, is de omgevingsvisie. In de omgevingsvisie zet de gemeente, samen met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en partners, de integrale koers uit op weg naar de toekomst, gericht op een fysieke leefomgeving waarin mensen gelukkiger, gezonder en veiliger zijn. De gemeente Goirle neemt de bestaande kwaliteiten van de gemeente als vertrekpunt en houdt daarbij rekening met uitdagingen die op ons afkomen in de aankomende decennia. Daarnaast bouwt de omgevingsvisie verder op eerder opgesteld beleid van de gemeente en andere overheden. De omgevingsvisie is op 21 december 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. 17
Volgens de Omgevingsvisie Goirle valt de Koestraat/Looienhoek binnen het gebied ‘Buitengebied West’. Dit gebied wordt binnen de visie beschreven als relatief grootschalig, open landbouwgebied met akkers en weiden op de grens van zandgronden en het beekdal. Binnen het gebied zijn ook een aantal kleine gehuchten (Vijfhuizen, Brakel en Looienhoek) aanwezig. Ook het Bels Lijntje is in dit gebied te vinden. In het gebied ligt bovendien het beekdal van de Hultensche Leij en er zijn enkele (kleine) bospercelen. Op de afbeelding hieronder is een overzichtskaart van het gebied ‘Buitengebied West’ weergegeven. Op voornoemde overzichtskaart is duidelijk te zien is dat de agrarische gronden en de aspecten natuur en water de overhand hebben. Zoals te zien op de overzichtskaart zijn er wel een aantal bebouwingsclusters aanwezig aan de Koestraat/Looienhoek waarbinnen woningen passend zijn.
H e t i n i t Afbeelding: Overzichtskaart ‘Buitengebied West
Het initiatief is in strijd met de Omgevingsvisie, maar valt op de grens van oud naar nieuw beleid aangezien het voor vaststelling van de visie is ingediend. Het initiatief past binnen het beleidskader “Buitengebied in beweging”, hierin staat dat verdere verdichting mogelijk wordt geacht, mits er rekening wordt gehouden met landschappelijke en historische structuren en het behoud van waardevolle zichten richting omliggend landschap. Op basis van de Omgevingsvisie kan vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) beperkt veranderen in woningen. Dan moet het wel in (of aan de randen van) de bestaande lintbebouwing of de 18
bebouwingsclusters zijn. Hoewel deze locatie wel aan de rand van bestaande lintbebouwing ligt en onderdeel uitmaakt van de bebouwingscluster Looienhoek, is hier geen sprake van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Hierdoor is de gewenste ontwikkeling op grond van de omgevingsvisie Goirle niet passend, maar wel mogelijk indien er sprake is van maatschappelijke meerwaarde. In de omgevingsvisie is echter geen standpunt ingenomen over de ontwikkeling van Ruimte-voor-Ruimtewoningen binnen het deelgebied ‘Buitengebied West’. Zoals blijkt uit de structuurvisie, zoals voorheen geldend, is de ontwikkeling van een drietal Ruimte-voor-Ruimtewoningen passend op de locatie aan de Koestraat/Looienhoek. Bij de eerstvolgende actualisatieronde van de Omgevingsvisie zal de beoogde ontwikkelrichting van het gebied worden ingepast. Maatschappelijke meerwaarde: De maatschappelijke meerwaarde ligt in het gebruik maken van de ruimte-voorruimteregeling. Doordat het een ruimte-voor-ruimtewoning betreft draagt deze bij aan een sanering van een veehouderij elders in Brabant. De woning draagt ook bij aan de kwalitatieve behoefte aan vrijstaande woningen in Riel, zoals in de Woonvisie wordt aangeduid. Ten slotte ligt er nog een maatschappelijke meerwaarde doordat deze ruimte-voor-ruimtewoning zorgt voor de afronding van de stedenbouwkundige structuur.
Het bebouwingscluster Looienhoek is in de afgelopen jaren verder verdicht. Na het realiseren van de ruimte-voorruimtewoning zal de bebouwingsstructuur, zoals voor de Koestraat is geschetst in het streefbeeld van de visie ”Buitengebied in Beweging” voltooid zijn. Dit is te zien in de afbeelding onder toekomstige situatie. In deze afbeelding zijn twee kavels in rood weergegeven. Het ene kavel betreft een op 25 mei 2021 door het college goedgekeurd principeverzoek voor twee Ruimte-voor -Ruimte woningen (voorontwerp van dit plan heeft al ter inzage gelegen), het andere kavel betreft onderhavig initiatief voor het realiseren van 1 Ruimte-voor-Ruimtewoning. Raadsbesluit afwijking omgevingsvisie ten behoeve van één Ruimte-voorRuimtewoning. In de raadvergadering van 5 juli 2022 heeft de raad van de gemeente Goirle besloten om eenmalig af te wijken van de omgevingsvisie en het realiseren van de Ruimte-voor-Ruimtewoning op het perceel op de hoek van de Koestraat/Looienhoek mogelijk te maken. Er is afgeweken van de Omgevingsvisie, omdat het plan is ingediend op de grens van oud naar nieuw beleid. Het plan voldoet aan het oude beleid en omdat er sprake is van maatschappelijke meerwaarde heeft de gemeenteraad op grond van hoofdstuk 5 van de Omgevingsvisie besloten om af te wijken van de visie en het initiatief mogelijk te maken.
De raad heeft tevens besloten dat na realisatie van de ruimte-voor-ruimtewoning de bebouwingsstructuur, zoals voor de Koestraat geschetst is in het streefbeeld van de visie “Buitengebied in beweging”, voltooid zal zijn.
Toekomstige situatie De gemeente heeft blijkens vorenstaande (het principebesluit en het Raadbesluit) besloten medewerking te verlenen aan het realiseren van een drietal Ruimte-voor-Ruimtewoningen aan de Koestraat/Looienhoek te Riel. De 19
percelen aan de Koestraat/Looienhoek zijn bestemd als ‘Agrarisch’ en worden in de toekomstige situatie omgevormd tot wonen voor de realisatie van een drietal Ruimte-voor-Ruimtewoningen. De gewenste woningen zijn in het rood weergegeven op onderstaande afbeelding. De beoogde woningen mogen geen belemmering vormen voor de reeds aanwezige (agrarische) bedrijvigheden in de omgeving. Dit geld visa versa ook zodat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de gewenste Ruimte-voor-Ruimtewoningen. In de directe omgeving is één agrarisch bedrijf aanwezig, aan de Akkerweg 1. Dit bedrijf dient in het buitengebied op meer dan 50 meter afstand van een gevoelig object (zoals een woning) te liggen. Het bedrijf aan de Akkerweg 1 is gelegen op meer dan 100 meter afstand van de beoogde woningen. Hierdoor blijft een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voorgesteld.
Afbeelding: Afgerond bebouwingscluster na het realiseren van onderhavig initiatief Conclusie Er is afgeweken van de Omgevingsvisie, omdat het plan is ingediend op de grens van oud naar nieuw beleid. Het plan voldoet aan het oude beleid en omdat er sprake is van maatschappelijke meerwaarde heeft de gemeenteraad op grond van hoofdstuk 5 van de Omgevingsvisie besloten om af te wijken van de visie en het initiatief mogelijk te maken. Na realisatie van de ruimte-voor-ruimtewoning zal de bebouwingsstructuur, zoals voor de Koestraat geschetst is in het streefbeeld van de visie “Buitengebied in beweging”, voltooid zijn. Bestemmingsplan ‘Buitengebied Goirle’ Het vigerende planologische regime ter plaatse is vervat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Goirle’, aldus in werking getreden op 24 september 2009. In dit 20
bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming ‘Agrarisch’ en de lettertekenaanduiding ‘archeologische verwachtingswaarde’. De locatie is derhalve enkel bestemd voor agrarische doeleinden. Het vigerende bestemmingsplan biedt geen binnenplanse mogelijkheden om het plangebied voor woondoeleinden met ondergeschikte recreatieve verblijfsfunctie te gebruiken. Er is derhalve een bestemmingsplanherziening noodzakelijk om het initiatief mogelijk te maken. Conclusie Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Toekomstvisie In 2013 is door de gemeenteraad de “Toekomstvisie gemeente Goirle 2020” vastgesteld onder de titel “Thuis in Goirle: groen, sociaal, ondernemend” vastgesteld. Kortweg werd aan dit document de subtitel “Toekomstvisie 2020”gegeven. Deze visie -gebaseerd op de drie kernbegrippen ‘groen, sociaal en ondernemend’- dient als leidraad voor de toekomstige beleidsontwikkeling. De ambitie voor Goirle in 2020 luidt: Onze inwoners voelen zich thuis in de gemeente Goirle, want Goirle is een groene, sociale en ondernemende gemeente. Goirle is Groen De gemeente Goirle wordt gekenmerkt door het dorpse en landschappelijke karakter en is een prettige en groene woonomgeving, gelegen in het prachtige groen (bossen, beken, Regte Heide) en nabij de grote stad. Goirle is Sociaal De gemeente Goirle is een dynamische en levendige gemeente.
De onderlinge sfeer is goed, open en positief. Ieder handelt vanuit zijn of haar eigen verantwoordelijkheid. Problemen worden door onze inwoners zoveel als mogelijk zelf opgelost. In laatste instantie biedt de gemeente een vangnet voor diegenen die daarop zijn aangewezen. We denken en handelen vanuit de ´menselijke maat´. De inwoners kennen elkaar en zijn betrokken bij hun directe naaste omgeving, maar juist ook in buurten en wijken. We zijn er voor elkaar en zorgen voor elkaar als dat nodig is. Goirle heeft een actief verenigingsleven en er zijn veel vrijwilligers. We zijn trots op ons eigen karakter en onze eigen identiteit en houden deze graag in stand. Goirle is Ondernemend Binnen de gemeente Goirle zijn voldoende voorzieningen voor wonen, leven, onderwijs, recreatie en zorg aanwezig voor jong en oud, voor ieder wat wils. Economische ontwikkelingen in dat kader worden waar mogelijk ondersteund. In onze afwegingen maken we een verantwoorde keuze gericht op duurzaamheid. Daarbij wegen we economische en ecologische argumenten in samenhang en zorgen we voor balans. We staan open voor nieuwe initiatieven van burgers, organisaties en ondernemers; soms initiëren we deze initiatieven zelf als we 21
kansen zien of iets willen bereiken. Als gemeente kiezen we hierbij bij voorkeur een regierol. Conclusie Middels het initiatief wordt een ruimte-voor-ruimte woning met ondergeschikte recreatieve verblijfsfunctie in het daarbij behorende bijgebouw mogelijk gemaakt in de bebouwingsconcentratie ‘Looienhoek’. Deze ontwikkeling is passend binnen de beleidskaders van de Toekomstvisie.
22
HOOFDSTUK 4. THEMATISCHE BELEIDSKADERS In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema's. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van de kaders. Milieuaspecten en water komen aan bod in de volgende hoofdstukken. 4.1.
Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Archeologie Omdat in groeiende mate het Europese archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in casu de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende: - de introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologische onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder; - de verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening. In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld.
Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport over te leggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist. Dit bestaat in de eerste plaats uit vooronderzoek: het bureauonderzoek en/of inventariserende veldonderzoek, elk met bijbehorende standaardrapportages. Tijdens het bureauonderzoek wordt gekeken naar wat er in historisch, archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht al bekend is over het plangebied. De volgende fase bestaat in veel gevallen uit een veldonderzoek. Dergelijk onderzoek heeft als doel kansrijke en kansarme zones te karteren. Hierbij kan booronderzoek plaatsvinden alsmede proefsleuvenonderzoek. De resultaten dienen vervolgens te worden gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase wordt van de aangetroffen vindplaatsen, ook wel site genoemd, de omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit vastgesteld om zo tot een oordeel over de behoudenswaardigheid te komen. Op basis van dit oordeel neemt de betrokken overheid een (selectie)besluit hoe met eventueel aanwezige vindplaatsen dient te worden omgegaan.
23
Bureauonderzoek en verkennend onderzoek De volgende werkinstrumenten zijn hoofdzakelijk gebruikt bij het archeologische deel van het bureauonderzoek: - de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek; - de database van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (Archis, Archeologisch informatiesysteem); - de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Goirle’ heeft de locatie de letteraanduiding ’archeologische verwachtingswaarde’ toegekend gekregen. Dit komt voort uit de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Monumenten (IKAW) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed waarop het plangebied een hoge trefkans op archeologische waarden toegekend heeft gekregen. Dit betekend dat het plangebied mede bestemd is voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse. Met de beoogde ontwikkeling wordt binnen het plangebied de realisatie van één woning mogelijk gemaakt met de daarbij behorende bijgebouwen. Om de archeologische waarden in de gronden ter plaatse van het plangebied vast te stellen is door Transect: archeologie, erfgoed, ruimte op 27 januari 2023 een archeologisch bureauonderzoek (BO) en een inventariserend veldonderzoek (IOV-O) uitgevoerd.
Bureauonderzoek Het plangebied bevindt zich in een zone van terras afzettingswelvingen, dat waarschijnlijk door een dikke laag dekzand wordt afgedekt. Hierbij bevindt het zich op de overgang van een hoge dekzandrug naar een vlakte en/of beekdal. Dit zijn over het algemeen relatief gunstige locaties voor bewoning en landgebruik geweest voor de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum. Het plangebied bevindt zich echter op enige afstand van beekdalen, waardoor de verwachting voor deze periode middelhoog is. Bovendien vormen de (hoge) dekzandgebieden van Brabant vanaf het Neolithicum een gunstige locatie voor bewoning en akkerbouw. In de omgeving van Riel zijn tevens sporen van begraving uit de IJzertijd aangetroffen in de vorm van enkele urnen. Deze maken echter geen deel uit van urnenvelden. Vanaf de Late Middeleeuwen heeft het plangebied deel uit gemaakt van het historisch akkerbouwgebied van Looienhoek en Brakel. Op basis van de historische ontwikkeling van het gebied uit de cultuuranalyse van De Bont (1993) en de historische kaarten zijn er geen aanwijzingen voor bebouwing. Daarom geldt voor de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd een lage verwachting op de aanwezigheid van resten, voornamelijk sporen van landgebruik, uit deze periode.
Verkennend onderzoek Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat er dekzand in het gebied aanwezig is en dat het plangebied op waarschijnlijk op de flank van een dekzandrug ligt. Op het dekzand is ofwel een geroerde laag, ofwel de bouwvoor aanwezig. Er is een verploegde-BC-horizont vast te stellen (inspoelingshorizont; 60 – 120 cm -Mv; 15,80 – 16,50 m +NAP). De bodemopbouw in het plangebied is archeologisch gezien nog maar zeer beperkt intact; de verploegde sporen van bodemvorming 24
wijzen erop dat circa 30 cm van het oorspronkelijk profiel is verdwenen en hoogstwaarschijnlijk ook een deel van de C-horizont verstoord is geraakt. Waarschijnlijk bevindt het plangebied zich iets lager op de flank van de dekzandrug, waardoor ploegen en ontginning voor een sterkere mate van verstoring van de toch al geringere bodemvorming verstoord zullen hebben. Aangezien sporen en vondstconcentraties uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum zich voornamelijk in het hogere deel van het bodemprofiel bevinden (A- en E-horizonten) kan voor deze periode de verwachting wel naar laag bijgesteld worden. Vanaf het Neolithicum kunnen diepere grondsporen worden verwacht, die te relateren zijn aan zowel bewoning als landgebruik. Gezien de verstoring van de ondergrond zullen hiervan echter uitsluitend nog de zeer diep reikende onderdelen, zoals waterputten, intact aanwezig zijn zonder de verdere context die de rest van het erf kan bieden. Zodoende is de archeologische verwachting op resten uit de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen laag. Er is geen reden om de lage verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd bij te stellen.
Conclusie Voor het plangebied is vastgesteld dat sprake is van een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen. In het kader van een bestemmingsplanwijziging adviseren wij om geen nieuwe dubbelbestemming op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan. In het kader van de voorgenomen bodemingrepen in het plangebied adviseren wij om geen verder onderzoek in het plangebied uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor de beoogde ontwikkeling, het bouwen van één woning . Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan wijzen wij de uitvoerder van de werkzaamheden en de initiatiefnemer op de wettelijke plicht dergelijke toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid (conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10).
Cultuurhistorie en monumentenzorg Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven. Hierbij zijn vooral de Erfgoedwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader. Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing In het plangebied komt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing voor. Rijksmonumenten In het plangebied komen geen rijksmonumenten voor. Gemeentelijke monumenten In het plangebied komen geen gemeentelijke monumenten voor.
25
4.2.
Volkshuisvesting Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' (Actualisering 2020) geeft inzicht in de veranderingen in de omvang, groei en samenstelling van de bevolking van de provincie Noord-Brabant. Deze prognoses zijn voor beleidmakers op elk maatschappelijk terrein, waaronder woningbouw en volkshuisvesting, van belang. Volgens de nieuwe provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose groeit e Brabantse bevolking tot 2050 nog met bijna 280.000 mensen, tot ruim 2,84 miljoen inwoners. Volgens de nieuwe provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose neemt het inwonertal van NoordBrabant toe van ruim 2.563.000 in 2020 tot bijna 2.842.000 mensen in 2050. Dit betekent dat de Brabantse bevolking de komende 30 jaar naar verwachting nog met bijna 280.000 personen zal groeien. Vergeleken met de vorige provinciale prognose uit 2017 ligt de bevolkingsgroei beduidend hoger, zal een hoger ‘bevolkingsmaximum’ worden bereikt en komt het omslagpunt van groei naar krimp naar verwachting buiten de prognoseperiode (na 2050) te liggen De woningvoorraad bereikt eveneens een grotere omvang in vergelijking met de vorige prognose. De hogere bevolkingsgroei speelt hierbij uiteraard een rol. Samen met de vergrijzing en de individualisering leidt dit tot een sterke groei van het aantal huishoudens (en dus woningen).
Verwacht wordt dat er in Brabant anno 2050 ca. 1.360.000 woningen nodig zijn om in de woningbehoefte te kunnen voorzien, bijna 100.000 woningen meer dan de ramingen uit 2017. Dat betekent een toename van een kleine 220.000 woningen ten opzichte van de ruim 1.140.000 die er aan het begin van 2020 in onze provincie staan. De woningvoorraad blijft tot aan het einde van de prognoseperiode groeien, al vlakt de groei in de loop van de prognoseperiode wel (sterk) af. Al met al wacht Brabant de komende tijd nog een flinke woningbouwopgave, met een accent op de eerstkomende jaren. Tot 2035 zal de woningvoorraad nog met bijna 160.000 woningen moeten toenemen, waarvan 120.000 in de eerstkomende 10 jaar. Dit betekent dat er tot 2030 jaarlijks zo’n 12.000 woningen (netto) aan de voorraad zullen moeten worden toegevoegd. Dit om de verwachte groei van het aantal huishoudens op te kunnen vangen en bestaande woningtekorten terug te dringen.
In lijn met het provinciale verstedelijkingsbeleid concentreert de groei van de woningvoorraad zich in de stedelijke gebieden. Het beleid richt zich onder meer op: -het bouwen van voldoende woningen en -het voorzien in een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus. Het is dan ook van provinciaal belang, dat de regionale woningmarkt goed functioneert. Daarvoor worden in regionaal verband afspraken gemaakt. De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' geeft daarvoor,
26
aangevuld met regionale woningbehoefteonderzoeken, 'Woningbehoefteonderzoek Hart van Brabant', de input.
waaronder
het
Regionaal Perspectief Wonen en Woningbouw 2021 De gemeente Goirle maakt samen met de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk deel uit van de regio Hart van Brabant. Jaarlijks stelt deze regio, samen met de provincie NoordBrabant, ‘het Regionaal Perspectief op Wonen’ vast. In dit perspectief zijn afspraken opgenomen over de kwantitatieve woningbouwopgave, voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. De Basis hiervoor vormt de, hiervoor genoemde, periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkings- en woningbehoefteprognose. Op de ontwikkeldag (voorheen Regionaal Ruimtelijke Overleg) van 15 december 2021 is het perspectief op ‘Bouwen en Wonen 2022’ vastgesteld. Hierin staat hoe regionaal wordt afgestemd over woningbouw. Uitzondering hierop zijn nieuwe woningen die mogelijk worden gemaakt op basis van de ruimte-voor-ruimte regeling. Dergelijke initiatieven worden niet meegerekend in de kwantitatieve woningbouwopgave. Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022 Het gemeentelijk woonbeleid volgt uit de vierjaarlijkse woonvisie. Op 2 juli 2019 is de Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022 vastgesteld door de gemeenteraad. In de woonvisie zijn de volgende ambities benoemd: 1. Doelgroepen: De gemeente luistert goed naar woningzoekenden in de gemeente Goirle. 2.
Duurzaamheid: De gemeente wil zorgvuldig omgaan met energie, water en grondstoffen zoals beschreven in het ‘Milieubeleidsplan Duurzaam Goirle 2017-2022’. Nieuwe woningen moeten weinig tot geen energie verbruiken en zo min mogelijk CO2 uitstoten. 3. Woonomgeving: De gemeente wil aantrekkelijk zijn voor jong en oud en een prettige alsmede groene omgeving bieden. Dit geldt zowel voor de woning zelf, maar ook voor de locatie, diens omgeving en de voorzieningen. 4. Nieuwbouw: De gemeente wil voldoende en de juiste woningen bouwen en de gewenste woonmilieus toevoegen. De gemeente neemt de woningbehoefte van Goirlenaren als uitgangspunt bij het bouwen en realiseren van nieuwe woningen. Bij de woningprogrammering houdt de gemeente rekening met de woningen en woonmilieus die door verhuizing beschikbaar komen. 5. De woonvisie is tot stand gekomen op basis van een kwalitatief woonbehoefteonderzoek uit 2018 en twee bijeenkomsten (1 in Goirle en 1 in Riel) waar inwoners aan konden geven wat zijn belangrijk vinden in hun woonplaats. Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat de gemeente Goirle in de jaren 2018-2028 gemiddeld 100 woningen per jaar wil realiseren. 80-90% van dit aantal wordt gerealiseerd in Goirle en 10-20% van dit aantal wordt gerealiseerd in Riel. De woningen die op de locatie Bakertand gerealiseerd mogen 27
worden vallen buiten deze ambities. De gemeentelijke bouwopgave wordt jaarlijks in regioverband berekend. Bij voorkeur voegt de gemeente Goirle woonmilieus toe waar op lange termijn een tekort aan ontstaat en waarvan er onvoldoende vrijkomen door doorstroming. Aanvullend voegt de gemeente woonmilieus toe die al in relatief ruime mate beschikbaar zijn. Concreet zet de gemeente de komende jaren in op de toevoeging van koopwoningen in middeldure en dure categorieën om een verhuisstroom op gang te brengen. De afspraken over de woningbouw in de Zuidrand zijn getoetst aan de bepalingen uit de woonvisie over de woningen die in specifieke categorieën gerealiseerd moeten worden en voldoen aan die afspraken en de woonbehoefte. Conclusie Een ruimte-voor-ruimte kavel in het buitengebied behoort tot het duurdere segment. Hierdoor sluit het initiatief aan bij de Woonvisie gemeente Goirle 20192022. Ladder van Duurzame verstedelijking Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een motiveringsplicht opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de plantoelichting moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden (de "ladder duurzame verstedelijking"). De eerste trede in deze ladder is een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.
Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. De beide vervolgstappen uit de genoemde ladder hebben betrekking op de vraag of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ingepast kan worden en als dat niet mogelijk is op andere locaties, die vooral goed ontsloten moeten zijn. In het Bro wordt een stedelijke ontwikkeling als volgt gedefinieerd: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onderhavig initiatief betreft een stedelijke ontwikkeling daar het een woningbouwlocatie betreft. Echter daar het hier een dusdanig kleinschalig initiatief betreft, te weten de bouw van één woning binnen het bestaand stedelijk gebied, is de ladder niet van toepassing. Diverse jurisprudentie onderschrijft dit. 4.3.
Groen In 2016 heeft de gemeente Goirle het Landschapsbeleidsplan vastgesteld. Het landschapsbeleidsplan bestaat uit een robuust groen raamwerk, wat verschillende ontwikkelingen in de tijd kan opvangen, wat een aantrekkelijk, beleefbaar en gevarieerd buitengebied oplevert en wat het natuurnetwerk ondersteunt en aanvult. Het raamwerk bestaat uit de volgende lagen: het natuurnetwerk, de vier landschapsdelen, de drie beken, de lange lijnen van een aantal doorgaande routes en het routenetwerk. Elke laag heeft zijn eigen ruimtelijke karakteristiek en eigen spelregels ter ontwikkeling. Het Landschapsbeleidsplan bestaat uit twee delen. In deel A wordt de visie op 28
hoofdlijnen aangegeven en in deel B zijn inspirerende spelregels opgenomen, die richting geven aan toekomstige ontwikkelingen. In het landschapsplan wordt ook aandacht besteed aan biodiversiteit en klimaatadaptatie. De locatie is gelegen binnen het deelgebied ‘West: Rielsche Heideontginning met het Beekdal van de Hultensche Leij’. Het deelgebied West bestaat uit het open landschap van de jonge heideontginning. Hier wordt ingezet op een efficiënte duurzame landbouw in combinatie met een optimalisatie van het gebied als biotoop voor akker- en weidevogels. Landbouw combineren we met akkerkruidenranden, incidentele stoppelvelden of braakliggende akkers. De openheid wordt benadrukt door enkele solitaire bomen en lijnvormige struwelen. Deze openheid is belangrijk voor weidevogels. In het beleidsplan wordt verwezen naar de Stimuleringsregeling Landschap.