07 Bijlage 2 - Ontwerpbestemmingplan Zandeind 10-12.pdf
Tekst van het document
G E ME E N T E G O IR L E
B E ST E M MI N G S PL A N Z A N D E IN D 1 0- 12 (R I E L )
GEMEENTE BESTEMMINGPLANNUMMER
: :
GOIRLE NL.IMRO.0785.BP2021008 ZAND1012-OW01
SCHAAL VAN DE VERBEELDING : STATUS PLAN : DATUM TER VISIELEGGING ONTWERP : DATUM VASTSTELLING : DATUM UITSPRAAK ABRS : DATUM INWERKINGTREDING : DATUM ONHEROEPELIJKHEID : NAAM EN ADRES OPSTELLER :
1:1000 ONTWERP
ORDITO, NIEUWSTRAAT 5126 CC TE GILZE
87
PLANTOELICHTING
2
INHOUDSOPGAVE PLANTOELICHTING 1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.
Inleiding Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Bij het plan behorende stukken Leeswijzer
5 5 6 7 7
2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4.
Beschrijving plangebied Historische ontwikkeling Ruimtelijke en functionele structuur Technische infrastructuur Nieuwe situatie
8 8 9 9
3. 3.1. 3.2. 3.3.
Ruimtelijk beleidskader Rijk Provincie Gemeente
11 14 17
4. 4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5.
Thematische beleidskaders Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Volkshuisvesting Groen Verkeer en parkeren
22 22 25 25 25
5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6. 5.7. 5.8.
Milieuaspecten Milieuhinder en bedrijven Externe veiligheid Kabels, leidingen en straalpad Geluid Lucht Geur Bodem Natuur
27 30 35 35 35 37 39 39
6. 6.1. 6.2.
Water Beleid Huidige en toekomstige situatie
42 46
3
7. 7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5.
Opzet planregels Plansystematiek Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel
48 48 48 51 52
8. 8.1. 8.2.
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53 53
Bijlagen 1. Akoestisch onderzoek industrielawaai 2. Standaardadvies groepsrisico 3. Eindverslag inspraakreactie 4. Verslag overleg Besluit ruimtelijke ordening 5. Toelichting Staat van Bedrijfsactiviteiten
4
HOOFDSTUK 1. INLEIDING 1.1.
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is de wens om de bedrijfsbestemming van het perceel Zandeind 10-12 te Riel (gemeente Goirle) te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’. Het betreft uitsluitend een functiewijziging van de bedrijfswoning (Zandeind 10) en de bedrijfsloods (Zandeind 12) waarbij geen sloop- of bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Kom Riel’ (2007). Op basis van dit bestemmingsplan kent het perceel Zandeind 10-12 de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’. Voor het planvoornemen is een principeverzoek bij de gemeente Goirle ingediend. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle heeft op 7 september 2021 besloten mee te willen werken aan een planologische procedure om de huidige bedrijfsbestemming van Zandeind 10-12 te Riel te wijzigen naar een woonbestemming. Om de bestemming te wijzigen is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Middels dit bestemmingsplan wordt het planvoornemen juridischplanologisch mogelijk gemaakt.
1.2.
Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan het Zandeind 10-12 te Riel, ten noorden van de dorpskern Riel. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Goirle, sectie F, nummers 1224. 1225. 1365 en 1366 en heeft een oppervlakte van 856 m2. Het plangebied wordt aan de noordoostzijde begrensd door agrarische gronden, aan de oostzijde door een vakgarage, aan de noordwestzijde door het woonperceel aan het Zandeind 14 en aan de zuidwestzijde door de doorgaande weg Zandeind.
5
Riel
Afbeelding 1. Ligging plangebied
1.3.
Vigerend bestemmingsplan Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, gelden binnen het plangebied de volgende plannen: (Bestemmings)plan
Vastgesteld
Inwerking
ABRvS
Kom Riel
19-06-2007
08-11-2007
n.v.t.
Parapluplan gemeente Goirle
12-03-2019
10-05-2019
n.v.t.
In 2019 is door de gemeente een parapluplan opgesteld. Een parapluplan biedt de mogelijkheid om bestemmingsplannen binnen de gemeente in één keer te herzien voor één of meerdere onderwerpen. Het parapluplan van de gemeente Goirle geeft extra regels over onder andere terrassen, evenementen, parkeren en ruimte tussen bouwwerken. Een paar onderwerpen hebben betrekking op het planvoornemen. Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf 3.3 Gemeentelijke beleid.
6
1.4.
Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoudt en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.
1.5.
Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijke beleidskader van het rijk, de provincie en de gemeente. Het thematische beleidskader komt aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.
7
HOOFDSTUK 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, ofwel de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van deze situatie door middel van een beschrijving van de historische ontwikkeling, de ruimtelijke en functionele structuur. 2.1
Historische ontwikkeling Het dorp Riel is samengesteld uit de gehuchten Brakel, Zandeind en de dorpskom of Kerkeind. Brakel is daarvan het oudste buurtschap, waar al in de prehistorische en Romeinse tijd bewoners gevestigd waren. Zo zijn in 1840 op de heide onder Brakel meer dan 50 urnen opgegraven. Riel is een typisch Brabants esdorp. De dorpen zijn hier niet, zoals in Drenthe, concentrisch van vorm, maar langgerekt. De zogenaamde kransakkerdorpen breidden zich uit naarmate de beschikbare bouwgrond rondom de akkers vol raakte. Nieuwe vestigingen vonden dan wat verderop aan de kronkelige weg rondom de akkers plaats. Dit nederzettingspatroon is in Riel goed bewaard gebleven. Een bijzonderheid is dat de eerste ontginningsactiviteiten hier al in de 7e eeuw hebben plaatsgevonden. De blokvormige verkaveling, waarbij akkers door hagen en houtwallen omringd werden om het vee te weren, is in Riel nog steeds te herkennen. In de eeuwen vóór het gebruik van kunstmest werden de akkers vruchtbaarder gemaakt door er zoden op te leggen die met dierlijke mest waren vermengd. Dit verklaart het holle, hoge karakter van de oude akkers. In de 12e eeuw kwam er in Riel een opleving in de ontginning van de woeste gronden, doordat een kerkelijke instelling zich hierop toelegde.
Later, toen Brabant door de Staten-Generaal tot Generaliteitsland was verklaard en als een wingewest werd uitgebuit, hadden de boeren weinig reden en mogelijkheden om hun arsenaal uit breiden. De meeste boerderijen ter plaatse dateren uit het einde van de 19 e eeuw, omdat bij een grote brand in 1877 vele hoeven verloren gingen. Riel maakt deel uit van de heerlijkheid Hilvarenbeek, maar lag echter daarvan gescheiden door het grondgebied van Goirle.
2.2
Ruimtelijke en functionele structuur Het Zandeind in Riel behoort tot het historische lint Alphenseweg – Kerkstraat – Dorpsstraat – Zandeind, waar de kern aan is ontstaan. Langs het deel van het Zandeind waar het plangebied is gelegen bestaat de bebouwing overwegend uit vrijstaande en aaneengebouwde bouwvolumes. Aan het lint is een mix aan functies (wonen, bedrijven) te zien. 8
In de omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk burgerwoningen. Daarnaast zijn er enkele bedrijfslocaties en voorzieningen zoals horeca aanwezig in de omgeving. Op het perceel is een voormalige bedrijfswoning (Zandeind 10) en bedrijfshal (Zandeind 12) aanwezig, bestaande uit twee bouwlagen. De bedrijfswoning heeft een kap. De bedrijfshal heeft een plat dak. De voormalige bedrijfswoning heeft een oppervlakte van circa 120 m2. De voormalige bedrijfshal heeft een oppervlakte van circa 100 m2. Verder bestaat het perceel uit verhardingen en een tuin ten behoeve van de woning.
Afbeelding 2. Zicht op het plangebied vanaf het Zandeind
2.3
Technische structuur Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie.
2.4
Nieuwe situatie Beoogd wordt om de bedrijfsbestemming van het perceel Zandeind 10-12 te Riel te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’. Het betreft uitsluitend een functiewijziging van de voormalige bedrijfswoning en bedrijfshal, waarbij geen sloop- en bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Voor de beoogde woonbestemming wordt aansluiting gezocht bij de bouwregels van de omliggende woningen en recente (bestemmings)plannen binnen de dorpskern Riel. De woning (hoofdgebouw) mag alleen binnen het bouwvlak worden gesitueerd met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4,5 meter en 7,5 meter. 9
Bijgebouwen mogen zowel binnen het bouwvlak als binnen het gebied ‘bijgebouwen’ worden gebouwd. Binnen de aanduiding ‘bijgebouwen’ mag maximaal 100 m2 aan bijgebouwen worden gebouwd. Voor het bouwvlak geldt dat het gehele bouwvlak mag worden bebouwd. Voor bijgebouwen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,65 meter en 5 meter. Per woning (hoofdgebouw) mag maximaal één carport van maximaal 30 m2 worden opgericht, welke minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning moet worden gebouwd. De hoogte van een carport mag niet meer dan 3,25 meter bedragen.
10
HOOFDSTUK 3. BELEIDSKADER Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader. 3.1
Rijk Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld.
Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Conclusie De NOVI richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor onderhavig bestemmingsplan. Verdere afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats.
11
Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid In de zogenaamde Realisatieparagraaf (Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid) zijn alle nationale ruimtelijke belangen uit de verschillende Planologische Kern Beslissingen en de voorgenomen verwezenlijking daarvan gebundeld. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden (nationale landschappen en Ecologische Hoofdstructuur) en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. AMvB Ruimte In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan.
De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 3.1.6 Bro opgenomen, de ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: "De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. 12
Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."(artikel 3.1.6, tweede lid, Bro). Uit jurisprudentie blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State woningbouwontwikkelingen vanaf 12 woningen beschouwt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing plangebied Het voorliggende initiatief maakt het gebruik van een bestaande voormalige bedrijfswoning en bedrijfshal als burgerwoning mogelijk en wordt daarmee niet beschouwd als nieuwe stedelijke ontwikkeling waarvoor de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. Het planvoornemen voorziet niet in de toevoeging van een nieuwe woning. Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden.
Crisis- en herstelwet Met de Crisis- en herstelwet (Chw) wil het kabinet de procedures voor grote projecten versnellen. Hiermee wordt een stap gezet om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden. De Chw zorgt voor een toename van het aantal kwalitatief goede woningen en bedrijfslocaties. Integrale gebiedsontwikkeling krijgt een belangrijke impuls. Op het gebied van bedrijventerreinen ligt de nadruk op herstructurering. De regels uit de Chw betreffen in deze vooral het bestuursprocesrecht waardoor de doorlooptijd van procedures voor in de wet aangewezen projecten kan worden verkort.
13
Conclusie De Chw is niet van toepassing op onderhavig bestemmingsplan, omdat dit plan niet kan worden aangemerkt als een besluit dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een ruimtelijk project zoals omschreven in de Chw. 3.2
Provincie Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met de Brabantse Omgevingsvisie sluit de provincie met de hoofdopgaven aan bij rijksbeleid, Europese en mondiale doelstellingen. Het streven is dat de omgevingsvisie, hoewel formeel alleen zelfbindend, Noord-Brabant samenbindt. Want één ding is zeker; samenwerking is meer dan ooit nodig om de NoordBrabantse omgevingskwaliteit te bewaken en door te ontwikkelen. Waarbij ruimtelijke ordening dienend is aan maatschappelijke doelstellingen. Of het nu gaat om het verkleinen van sociale verschillen, het verbeteren van welvaart, of het gezonder, veiliger en duurzamer maken van onze leefomgeving. In de Omgevingsvisie Noord-Brabant heeft de provincie vier hoofdopgaven benoemd: werken aan de Brabantse energietransitie, werken aan een klimaatproof Brabant, werken aan de slimme netwerkstad, werken aan een concurrerende, duurzame economie. Hieraan ten grondslag ligt één basisopgave; de provincie streeft naar een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. De vier hoofdopgaven hebben een grote ruimtelijke impact. Noord-Brabant is te klein als alles naast elkaar plaatsvindt. Het wordt dus passen en meten, met opgaven naast, onder, boven en met elkaar. Meerwaardecreatie en meervoudig slim ruimtegebruik is noodzaak.
De opgaven moeten we daarom altijd in onderlinge samenhang bezien. Diep, rond en breed bekijken, dus. Als doel voor 2050 heeft de provincie het volgende gesteld: Noord-Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat de provincie op alle aspecten beter presteert dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Noord-Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal. 14
Voor 2030 streeft de provincie naar het volgende: Noord-Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat de provincie voor alle aspecten voldoet aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak. Conclusie Het voorliggende initiatief maakt het gebruik van een bestaande voormalige bedrijfswoning en bedrijfshal als burgerwoning mogelijk. Ter plaatse van het perceel vervalt de gehele bedrijfsbestemming. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het zorgvuldig ruimtegebruik. De ruimtelijke kwaliteit van het perceel en de directe leefomgeving van het plangebied zal door de herbestemming verbeteren. Nadere regels van de provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke projecten zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierna wordt ingegaan op deze verordening. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 hebben Provinciale Staten de “Interim omgevingsverordening Noord-Brabant” (hierna; IOV) vastgesteld. De IOV is op 5 november 2019 inwerking getreden. De IOV is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen.
Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De IOV is daarbij een eerste stap op weg naar een omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2022 in werking. De IOV vervangt zes provinciale verordeningen en heeft de status van: • Milieuverordening gebaseerd op artikel 1.2. Wet milieubeheer; • Verordening wegen gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2A Wegenverkeerswet; • Verordening Ontgronden gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet; • Verordening natuurbescherming gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming; • Verordening ruimte gebaseerd op artikel 4.1. Wet ruimtelijke ordening en de; • Verordening water gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet. 15
De IOV is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Enkele inhoudelijke wijzigingen zijn echter wel aangebracht. In hoofdlijnen gaat het om: o een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minde losse bijlagen; o aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de Omgevingswet; o aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. Zo wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor gemeenten. De instructieregels voor gemeenten hebben tot doel dat de gemeenteraad de, in de omgevingsverordening opgenomen voorwaarden betrekt bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Vooruitlopende op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit).
De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die wordt bepaald door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Op de kaart bij de omgevingsverordening wordt onderscheid gemaakt in “Stedelijke gebied” en “Landelijk gebied”.
16
Afbeelding 3. Uitsnede kaart 3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant met aanduiding plangebied
Het plangebied is binnen de IOV aangeduid als 'bestaand stedelijk gebied: stedelijk concentratiegebied'. Bestaand stedelijk gebied is gebied dat het bestaande ruimtebeslag van een kern bevat ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies. Op deze gronden mogen stedelijke ontwikkelingen plaatsvinden. De voorgestane ontwikkeling is zodoende in overeenstemming met het provinciale beleid. 3.3
Gemeente Omgevingsvisie De gemeente Goirle bereidt zich voor op de Omgevingswet, die naar verwachting dit najaar of 1 januari 2023 in werking treedt. Een van de (verplichte) instrumenten voor gemeenten, die voortvloeit uit de aankomende Omgevingswet, is de omgevingsvisie. In de omgevingsvisie zet de gemeente, samen met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en partners, de integrale koers uit op weg naar de toekomst, gericht op een fysieke leefomgeving waarin mensen gelukkiger, gezonder en veiliger zijn. De gemeente Goirle neemt de bestaande kwaliteiten van de gemeente als vertrekpunt en houdt daarbij rekening met uitdagingen die op ons afkomen in de aankomende decennia. Daarnaast bouwt de omgevingsvisie verder op eerder opgesteld beleid van de gemeente en andere overheden. De omgevingsvisie is op 21 december 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. 17
Onderhavig planvoornemen betreft een functiewijziging van een bedrijfswoning naar burgerwoning aan het dorpslint Alphenseweg – Kerkstraat – Dorpstraat – Zandeind. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het zorgvuldige ruimtegebruik in de kern Riel. Conclusie De onderhavige ontwikkeling is in overeenstemming met de Omgevingsvisie. Toekomstvisie In 2013 is door de gemeenteraad de ‘Toekomstvisie gemeente Goirle 2020’ vastgesteld onder de titel ‘Thuis in Goirle: groen, sociaal, ondernemend’. Deze visie –gebaseerd op de drie kernbegrippen ‘groen, sociaal en ondernemend’– dient als leidraad voor de toekomstige beleidsontwikkeling. De ambitie voor Goirle in 2020 luidt: onze inwoners voelen zich thuis in de gemeente Goirle, want Goirle is een groene, sociale en ondernemende gemeente. Goirle is Groen De gemeente Goirle wordt gekenmerkt door het dorpse en landschappelijke karakter en is een prettige en groene woonomgeving, gelegen in het prachtige groen (bossen, beken, Regte Heide) en nabij de grote stad. Goirle is Sociaal De gemeente Goirle is een dynamische en levendige gemeente. De onderlinge sfeer is goed, open en positief. Ieder handelt vanuit zijn of haar eigen verantwoordelijkheid. Problemen worden door onze inwoners zoveel mogelijk zelf opgelost. In laatste instantie biedt de gemeente een vangnet voor diegenen die daarop zijn aangewezen.
We denken aan handelen vanuit de ‘menselijke maat’. De inwoners kennen elkaar en zijn betrokken bij hun direct naaste omgeving maar juist ook in buurten en wijken. We zijn er voor elkaar en zorgen voor elkaar als dat nodig is. Goirle heeft een actief verenigingsleven en er zijn veel vrijwilligers. We zijn trots op ons eigen karakter en onze eigen identiteit en houden deze graag in stand. Goirle is Ondernemend Binnen de gemeente Goirle zijn voldoende voorzieningen voor wonen, leven, onderwijs, recreatie en zorg aanwezig voor jong en oud, voor ieder wat wils. Economische ontwikkelingen in dat kader worden waar mogelijk ondersteund. In onze afwegingen maken we een verantwoorde keuze gericht op duurzaamheid. 18
Daarbij wegen we economische en ecologische argumenten in samenhang en zorgen we voor balans. We staan voor nieuwe initiatieven van burgers, organisaties en ondernemers; soms initiëren we deze initiatieven zelf als we kansen zien of iets willen bereiken. Als gemeente kiezen we hierbij bij voorkeur een regierol. Conclusie Met de ontwikkeling wordt ruimte gegeven aan een particulier initiatief om de functie van een bedrijfswoning en bedrijfshal te wijzigen in een burgerwoning. De beoogde ontwikkeling is passend binnen de beleidskaders van de toekomstvisie. Bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Kom Riel’ (2007). Op basis van dit bestemmingsplan kent het perceel Zandeind 10-12 de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ met bouwvlak en een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4,5 en 8 meter. Zandeind 12 heeft de aanduiding ‘bedrijfswoning’ gekregen, terwijl dit eigenlijk Zandeind 10 had moeten zijn. Binnen deze bedrijfsdoeleinden bestemming zijn gronden uitsluitend bestemd voor de uitoefening van bedrijfsactiviteiten die voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, evenals het gebruik van daarbij behorende installaties in dezelfde bedrijfscategorieën. Wonen binnen de bestemming is alleen toegestaan ten dienste van het bedrijf.
Doordat de bedrijfswoning bewoond wordt door een derden, is sprake van strijdig gebruik.
19
Afbeelding 4. Uitsnede vigerend bestemmingsplan “Kom Riel”, plangebied rood omlijnd
Het planvoornemen betreft een functiewijziging van een bedrijfswoning en bedrijfshal naar een burgerwoning. Het betreft uitsluitend een functiewijziging van de bedrijfswoning en bedrijfshal, waarbij geen sloop- of bouwwerkzaamheden plaatsvinden. De beoogde activiteit is in strijd met het vigerend bestemmingsplan, doordat de bedrijfswoning alleen ten dienste van het bedrijf, en niet door derden, mag worden bewoond. Daarbij mag in de bedrijfshal niet gewoond worden. Derhalve dient de vigerende bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ omgezet te worden naar de bestemming ‘Wonen’ met een bouwvlak. In 2019 heeft de gemeente Goirle een parapluplan opgesteld. Een paraplubestemmingsplan biedt de mogelijkheid om bestemmingsplannen binnen de gemeente in één keer te herzien voor één of meerdere onderwerpen. Het parapluplan heeft betrekking op de volgende onderwerpen: •
Terrassen;
•
Standplaatsen;
•
Evenementen;
•
Parkeren;
•
Zendmasten;
• Ruimte tussen bouwwerken. In afbeelding 5 is weergegeven welke artikelen zijn gewijzigd.
20
Afbeelding 5: Uitsnede van bijlage 1 uit de plantoelichting van ‘Parapluplan gemeente Goirle’.
Voor het planvoornemen zijn de gewijzigde onderwerpen parkeren en ruimte tussen bouwwerken relevant. Deze zijn verwerkt in dit bestemmingplan. Conclusie Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt het planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.
21
HOOFDSTUK 4. THEMATISCHE BELEIDSKADERS In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema’s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van de kaders. Milieuaspecten en water komen aan bod in de volgende hoofdstukken. 4.1
Stedenbouwkundige uitgangspunten Om qua schaal en maat aan te sluiten bij de omliggende percelen, worden de stedenbouwkundige uitgangspunten uit recente (bestemmings)plannen in de dorpskern Riel zo veel mogelijk overgenomen. Dit betekent dat een maximale goothoogte van 4,5 meter en een maximale bouwhoogte van 7,5 meter voor de woning (hoofdgebouw) wordt gehanteerd. Het hoofdgebouw dient ter plaatse van het bouwvlak te worden gebouwd. Bijgebouwen mogen zowel binnen het bouwvlak als binnen het gebied ‘bijgebouwen’ worden gebouwd. Binnen de aanduiding ‘bijgebouwen’ mag maximaal 100 m2 aan bijgebouwen worden gebouwd. Voor het bouwvlak geldt dat het gehele bouwvlak mag worden bebouwd. Voor bijgebouwen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,65 meter en 5 meter. Per woning (hoofdgebouw) mag maximaal één carport van maximaal 30 m2 worden opgericht, welke minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning moet worden gebouwd. De hoogte van een carport mag niet meer dan 3,25 meter bedragen.
4.2
Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Archeologie Omdat in groeiende mate het Europees archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologische erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologische belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in casu de kosten voor 22
inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende: •
De introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;
•
De verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.
In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld. Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport over te leggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist. Dit bestaat in de eerste plaats uit vooronderzoek: het bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek, elk met bijbehorende standaardrapportages. Tijdens het bureauonderzoek wordt gekeken naar wat er in historische, archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht al bekend is over het plangebied. De volgende fase bestaat in veel gevallen uit een veldonderzoek. Dergelijke onderzoek heeft als doel kansrijke en kansarme zones te karteren. Hierbij kan booronderzoek plaatsvinden alsmede proefsleuvenonderzoek. De resultaten dienen vervolgens te worden gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase wordt van de aangetroffen vindplaatsen, ook wel site genoemd, de omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit vastgesteld om zo tot een oordeel over de behoudenswaardigheid te komen. Op basis van dit oordeel neemt de betrokken overheid een (selectie)besluit hoe met eventuele aanwezige vindplaatsen dient te worden omgegaan.
23
Afbeelding 6. Uitsnede IKAW (met rood omcirkeld de globale ligging van het plangebied)
Het plangebied is op de Archeologische monumenten kaart (AMK) niet aangemerkt als een locatie van bekende archeologische waarde. Het plangebied heeft op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) een hoge archeologische verwachtingswaarde. Bij bodemingrepen is daarom een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Met het planvoornemen vindt alleen een functiewijziging plaats (geen bouw- of sloopwerkzaamheden), waarbij de grond niet wordt geroerd. Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Cultuurhistorie en monumentenzorg Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven. Hierbij zijn vooral de Erfgoedwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader. Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing In het plangebied komt geen cultuurhistorische waardevolle bebouwing voor.
24
Rijksmonumenten In het plangebied komen geen rijksmonumenten voor. Gemeentelijke monumenten In het plangebied komen geen gemeentelijke monumenten voor. 4.3
Volkshuisvesting Het planvoornemen voorziet in de functieverandering van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. De voormalige bestaande bedrijfswoning en bedrijfshal zijn al in gebruik genomen als burgerwoning. Er worden geen extra woningen toegevoegd aan de gemeentelijke woonvoorraad.
4.4
Groen De gemeenteraad heeft op 11 maart 2014 het Groenstructuurplan vastgesteld. In dit plan wordt een lange termijn visie voor het gemeentelijk groen binnen de bebouwde kom weergegeven. Ten behoeve van het plan worden geen bomen gekapt. De bomen aan het Zandeind vormen in het kader van het Groenstructuurplan een groene erftoegangsweg. In het plangebied wordt niets nieuws aangeplant en de bestaande beplanting wordt in stand gehouden. Vanuit dit plan bestaan er dan ook geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.5
Verkeer en parkeren Verkeer Op 10 december 2013 heeft de gemeenteraad van Goirle een nieuw Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van het GVVP is het vastleggen van verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Goirle voor de periode 2013 tot 2023. Het beleid moet aansluiten bij de ambities en de speerpunten die de gemeente heeft en moet tevens passen binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen. In het GVVP worden de thema’s verkeersveiligheid, fiets, bereikbaarheid en verkeerscirculatie, voetgangers/minder validen, parkeren, openbaar vervoer en leefbaarheid en milieu besproken. Ten aanzien van deze thema's is van belang dat het onderhavige bestemmingsplan niet leidt tot een onevenredige toename van de verkeersgeneratie. 25
Op basis van de CROW-publicatie kan de verkeersgeneratie van een ruimtelijke ontwikkeling bepaald worden. Voor een vrijstaande woning in de centrum schil wordt een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 vervoersbewegingen per dag voorgeschreven. De woning is gelegen aan het Zandeind, welke wordt ontsloten door de provinciale weg N630 richting Tilburg. Deze weg beschikt over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met personenvervoer af te wikkelen. Daarbij wordt opgemerkt dat de verkeersgeneratie van de bedrijfswoning gelijk is aan het huidige gebruik als burgerwoning. Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied zal gelijk blijven. Parkeren Bij de vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de CROW-publicatie. Bij iedere nieuwe ontwikkeling waar nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van woningen wordt gerealiseerd geldt namelijk als voorwaarde dat het parkeren op eigen terrein wordt opgevangen. Volgens het CROW geldt voor een vrijstaande woning in een weinig stedelijk gebied in de centrum schil een parkeernorm van 1,7 – 2,5 parkeerplaatsen per woning. Dit betekent dat binnen het plangebied voorzien moet worden in minimaal 1,7 parkeerplaatsen en maximaal 2,5 parkeerplaatsen. Hiervoor is voldoende ruimte om aan deze eisen te voldoen.
Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zullen er geen belemmeringen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer. Er is voldoende ruimte om te kunnen voorzien in de benodigde parkeergelegenheid. Bovendien is de verplichting om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid geborgd in de regels behorende bij dit bestemmingsplan, conform het “Parapluplan gemeente Goirle”.
26
HOOFDSTUK 5 MILIEUASPECTEN Dit hoofdstuk geeft aan hoe de milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. 5.1.
Milieuhinder en bedrijven Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakte van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. In deze publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd.
Voorbeelden van objecten met gevoelige functies zijn woningen, ziekenhuizen en scholen.
27
Twee omgevingstypen De toelaatbaarheid van milieubelastende functies die volgende de VNG worden gehanteerd zijn afhankelijk van het type gebied. Er bestaan twee type gebieden: 1. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied); 2. Een gebied met functiemenging. Binnen de gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een gemengd gebied, er komen naast woningen functies zoals horeca en (kleine) bedrijven voor. De minimale afstand per categorie is als volgt: Categorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand tot rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.5000 m
Richtafstand tot gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
28
De volgende bedrijven en inrichtingen zijn in de omgeving van het plangebied aanwezig: Locatie
Soort bedrijf
Cat.
Zandeind 4a Zandeind 6a
Horecabestemming Handboog-vereniging (bedrijfsbestemming) Autobedrijf
2 1
Richt-afstand Werkelijke afstand 10 meter 63 meter 0 meter 63 meter
2
10 meter
Zandeind 8
0 meter
De horecabestemming ter plaatse van de locaties Zandeind 4a is niet meer actief. Deze locatie is momenteel in gebruik als burgerwoning. De handboogvereniging (6a) is nog wel actief. Ongeacht het al dan niet actief zijn van deze (bedrijfs)activiteiten wordt wel voldaan aan de vereiste richtafstanden conform de publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. De naastgelegen bedrijfslocatie (Vakgarage Jan van Riel) ligt op echter een kleinere afstand dan 10 meter van het plangebied en voldoet daarmee niet aan de vereiste richtafstand conform de publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Het maatgevende aspect is hierbij ‘geluid’. Ten aanzien van het aangrenzende autobedrijf is derhalve een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Akoestisch onderzoek industrielawaai In opdracht van de bewoners van Zandeind 6d, is door Anteagroup een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoegd. De woning betreft een bedrijfswoning behorende bij het garagebedrijf ‘Vakgarage Jan van Riel’. Initiatiefnemer voornemens is om de bestaande bedrijfswoning te wijzigen in een burgerwoning. Hiervoor is een apart bestemmingsplan opgesteld (bestemmingsplan Zandeind 6d Riel). Derhalve is in dit akoestisch onderzoek ook getoetst op het nieuwe bouwvlak van de toekomstige woonbestemming aan het Zandeind 10-12.
Voor de ruimtelijke procedure is in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is om de geluidbelasting ten gevolge van het garagebedrijf vast te stellen op de gevels van de woning aan het Zandeind 10-12 te Riel. Hierbij wordt getoetst aan de geluidnormen uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Daarnaast zijn de berekende geluidbelastingen vergeleken met de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.
29
Langetijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) Op de gevels van de woning bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 46 dB(A) in de dagperiode. Deze waarde voldoet aan de toetswaarden uit de toetsingskaders van zowel de VNG-publicatie als het Activiteitenbesluit. Een dergelijk langtijdgemiddeld beoordelingsniveau levert ter hoogte van de woning geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat op. Maximaal geluidniveau (LAmax) Op de gevels van de woning bedraagt het maximaal geluidniveau ten hoogste 68 dB(A) in de dagperiode. Deze waarde voldoet aan de toetswaarden uit de toetsingskaders van zowel de VNG-publicatie als het Activiteitenbesluit. Een dergelijk maximaal geluidniveau levert ter hoogte van de woning geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat op. Conclusie Vanuit het aspect milieuhinder en bedrijven bestaat er geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2.
Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. 30
Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10 -6 per jaar.
Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico’s en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - De kans op een ongeval; - Het effect van het ongeval; - Het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft; - De mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. 31
Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.
A58 Z-528-03 Z-528-04
Afbeelding 7. Uitsnede Risicokaart Nederland
Inrichtingen In het plangebied liggen geen risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen. Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour, die van invloed is op het onderhavige plangebied. Transport Het niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen in Goirle vindt plaats over de weg. In de gemeente is geen sprake van vervoer per spoor en vervoer over water. De dichtstbijzijnde transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd betreft de A58, die op een afstand van circa 1 km van het plangebied is 32
gelegen. Voor deze transportroute is een invloedsgebied van 4 km vastgesteld voor een toxisch scenario. Het plangebied is hier binnen gelegen. Op grond van het Bevt zal het groepsrisico derhalve verwoord moeten worden. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleiding (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de omgeving van het plangebied vindt transport van aardgas plaats via twee buisleidingen (de buisleidingen Z-528-03 en Z-528-04 van Gasunie). Deze leidingen zijn gelegen ten noorden (Z-528-03) en ten oosten (Z-528-04) van het plangebied op een afstand van respectievelijk 1,2 km en 840 meter. Het plangebied is derhalve buiten de PR 10-6 contour van de buisleidingen gelegen. Vuurwerk Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan.
Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstanden wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een groter afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts). In de direct nabij van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen. Groepsrisicoverantwoording Bij het vaststellen van het bestemmingsplan dient het groepsrisico, conform artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en artikel 7 en 8 van het 33
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) verantwoord te worden indien het plangebied is gelegen in het invloedsgebied en er sprake is van het toevoegen van een kwetsbaar object. Dat houdt in, dat de hoogte van het groepsrisico bekend moet zijn en tevens de bijdrage van het ruimtelijk plan aan het groepsrisico (verhoging/verlaging). Er moet inzicht gegeven worden in de te verwachten dichtheid van personen in de invloedsgebieden van risicobronnen binnen én buiten het plan. Tevens dienen de maatregelen ter beperking van het groepsrisico te worden meegenomen. Verder dient volgens deze artikelen/regelingen advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio. Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft voor de gemeente Goirle een standaardadvies opgesteld ten behoeve van kleine bestemmingsplannen die geen bijzondere of zeer kwetsbare objecten mogelijk maken, dan wel op voldoende afstand van een risicovolle inrichting of transportroute/buisleiding zijn gelegen. Zeer kwetsbare gebouwen hebben volgens het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Omgevingswet) een: - Gezondheidsfunctie met bed-gebied; - Woonfunctie voor zorg; - Onderwijsfunctie (basisschool); - Onderwijsfunctie (minderjarigen met lichamelijk of geestelijke beperking); - Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang; - Celfunctie. Met de beoogde functiewijziging wordt geen zeer kwetsbaar object opgericht.
De afstand tot het dichtstbijzijnde transportroute en buisleidingen is circa 840 meter en er worden met het ruimtelijk plan geen grote groepen personen (>50 personen) aan het plangebied toegevoegd. Voor wat betreft de ligging van het plangebied binnen de invloedsgebieden van de risicovolle transportroute A58 kan derhalve gebruik worden gemaakt van het standaardadvies. De standaard groepsrisicoverantwoording en het standaardadvies van de Veiligheidsregio zijn opgenomen als bijlage bij de toelichting. Conclusie Ten aanzien van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor voorliggend planvoornemen.
34
5.3.
Kabels, straalpad In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden.
5.4.
Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, industriële activiteiten en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Wegverkeer Onderhavig planvoornemen betreft een functiewijziging van een bedrijfswoning en bedrijfshal naar een burgerwoning. Hierdoor is er geen sprake van een nieuwe geluidsgevoelige functie. Akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Industrie Uit paragraaf 5.1 is gebleken dat het planvoornemen niet voldoet aan de gestelde richtafstanden op het gebied van geluid uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Derhalve is een nader akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. In paragraaf 5.1 staat het akoestisch onderzoek industrielawaai beschreven. Railverkeer Binnen de gemeente Goirle bevinden zich geen spoorwegen. Ook laat het bestemmingsplan geen nieuwe spoorwegen toe. Een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is niet aan de orde. Conclusie In het kader van de Wgh gelden geen restricties voor dit bestemmingsplan. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.5.
Lucht Om de ontwikkeling van nieuwe functies mogelijk te maken dient de luchtkwaliteit in beschouwing te worden genomen. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. Doel ervan is het beschermen van mens en milieu tegen negatieve effecten van luchtverontreiniging. 35
Niet in betekende mate In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing. Voorliggend planvoornemen betreft de functiewijziging van een bedrijfswoning en bedrijfshal naar een burgerwoning, waarbij geen nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt. De bestemmingswijziging naar ‘Wonen’ draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen betekent dat verder toetsing niet noodzakelijk is. Luchtkwaliteit ter plaatse Omgekeerd dient aangetoond te worden dat ter plaatse van een het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. In de wet zijn grenswaarden opgenomen ten aanzien van de jaargemiddelde concentraties voor onder andere stikstofdioxide en fijnstof. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven.
Stof Stikstofdioxide (NO2)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/ m3
Fijnstof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/ m3
Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
20 µg/ m3
Volgens de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bedraagt de achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse ongeveer 18 μg/m³ (PM10) en ongeveer 10 μg/m³ (PM2,5) en de achtergrondconcentratie stikstofoxiden (NO2) ter plaatse ongeveer 16 μg/m³.
36
Er wordt hiermee ruimschoots voldaan aan de normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldaan. Gesteld kan worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Conclusie Er bestaan voor het initiatief geen belemmeringen ten aanzien van het aspect lucht. 5.6.
Geur Industriële geur Het beleid voor industriële geur (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort gezegd komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen: de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er worden in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij “het voorkomen van nieuwe geurhinder” voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een “dosis-effectrelatie” (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonende) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven “normen” vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen bij te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is derhalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen de invloedzone van bedrijven met geurhinder. Geurhinder van industriële bedrijvigheid vormt derhalve geen belemmering. Agrarische geur Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv). De Wgv geeft normen voor de 37
geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheidt gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald. Locatie geurgevoelig object Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom
Ten hoogste toegestane geurbelasting 3,0 OUe/m3 14,0 OUe/m3 2,0 OUe/m3 8,0 OUe/m3
Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buitende bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn. Vanwege de ligging van de locatie aan het Zandeind 10-12 binnen de bebouwde kom dient de afstand tussen een veehouderij en het geurgevoelige object daarom ten minste 100 meter te zijn. Voor de inventarisatie van de veehouderijen is gebruik gemaakt van de kaart ‘veehouderijbedrijf’ van de provincie Noord-Brabant. Het dichtstbijzijnde actieve agrarische bedrijf in de omgeving betreft het perceel Zandeind 32a, op een afstand van circa 270 meter. Voldaan wordt aan de vaste afstand van de Wgv. In onderhavige situatie is daarnaast sprake van een bestaande (bedrijfs)woning, waarbij de situatie voor de woning niet wijzigt. De woning komt niet dichter bij de veehouderij te liggen. Gesteld kan worden dat het planvoornemen geen belemmering vormt voor de nabijgelegen veehouderij(en). Conclusie Het aspect geur staat daarmee de bestemmingswijziging niet in de weg.
38
5.7.
Bodem Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet –ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening- worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu, zijn om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt te zijn voor de nieuwe bestemming. Op de onderhavige locatie vindt sinds jaren al bewoning plaats. De bestemmingswijziging naar ‘Wonen’ vindt plaats binnen de bestaande bebouwing. De beoogde ontwikkeling is daarmee beperkt van karakter en de nieuwe functie wijkt qua gebruik niet af van het huidige gebruik. Een bodemonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Conclusie De bodemkwaliteit is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.