CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Bijlage 2.2 Vast te stellen plan Leijoever bijlagen bij de toelichting.pdf

Raadsvergadering 17 september 2024, gemeente GoirleBij agendapunt: 10: Raadsvoorstel Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Leijoever (Riel) AANGENOMEN27.927 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 12 van 26

lijk bodemprofiel aangetroffen. In het noordelijke deel was de top van de C-horizont licht verstoord, waardoor eventueel aanwezige sporen nog grotendeels onverstoord zullen zijn. In het plangebied werden indicatoren uit het Mesolithicum en de late Middeleeuwen-B aangetroffen, die mogelijk duiden op een vindplaats. Op basis van deze resultaten behoudt het plangebied een hoge verwachting voor archeologische waarden vanaf de steentijd is een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven aanbevolen. 2150560100 (21794)

650 meter ten westen

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Kerkstraat, De Vier Kwartieren III Riel Uitvoerder: BILAN Bureau Interdisciplinaire Landschapsanalyse Datum: 2-4-2007 Resultaat: Op basis van de resultaten blijft, zeker voor de zones met een gave bodemopbouw, een middelhoge verwachting bestaan voor het aantreffen van archeologische waarden. Een waarderend inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven wordt noodzakelijk geacht om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en relatieve kwaliteit van archeologische resten vast te stellen. Dit vervolgonderzoek dient zich in eerste instantie te richten op de zones met een gaaf bodemprofiel. Indien hierbij archeologische waarden aangetroffen worden, dient het onderzoek uitgebreid te worden tot het volledige plangebied.

2332592100 (47197)

650 meter ten westen

Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek, naar aanleiding van de resultaten van het eerder uitgevoerde bureau- en booronderzoek (zie Zaakidentificatie OMnummer) 2150560100 (21794)) Toponiem: Vier Kwartieren Iii Riel Uitvoerder: Archeologisch Onderzoek Leiden BV Datum: 27-6-2011 Resultaat: De resultaten van het onderzoek worden niet vermeld in ARCHIS.

2231406100 (17457)

850 meter ten zuidwesten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Heisteeg Riel Uitvoerder: Grontmij Datum: 14-6-2006 Resultaat: Uit het BO is gebleken dat het plangebied Heisteeg te Riel een hoge kans heeft op het aantreffen van archeologische waarden. Tijdens het veldwerk is vervolgens gebleken dat er de bodemopbouw grotendeel intact is. Verspreid over het plangebied zijn intacte podzolprofielen waargenomen. Van de 51 gezette boringen vertoonden slechts 6 boringen een duidelijk verstoorde bodemopbouw. Er zijn geen archeologische indicatoren waargenomen. Het niet aantreffen van archeologische indicatoren hoeft echter niet te betekenen dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Omdat het moeilijk is om alle archeologische vindplaatsen in zandgebieden met behulp van boringen aan te tonen, dient de conclusie dan ook te zijn dat, ondanks het ontbreken van archeologische indicatoren, de kans groot is dat zich binnen het plangebied archeologische waarden bevinden. Binnen het plangebied dient een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. Dit zou het best kunnen plaatsvinden door verspreid over het plangebied enkele proefsleuven te graven, aangezien in het gehele plangebied ongestoorde profielen voorkomen. Door middel van het graven van proefsleuven kan in relatief korte tijd inzicht worden verkregen of er binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig zijn.

2243695100 (35014)

850 meter ten zuidwesten

Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek, naar aanleiding van de resultaten van het eerder uitgevoerde bureau- en booronderzoek (zie Zaakidentificatie (OMnummer) 2231406100 (17457)) Toponiem: Heisteeg Riel Uitvoerder: Grontmij Datum: 25-5-2009 Resultaat: Op grond van de resultaten wordt aanbevolen het aangetroffen nederzettingsterrein met eventueel grafveld vlakdekkend op te graven aangezien behoud in situ door planaanpassing of- inpassing niet mogelijk is. Het bevoegd gezag (gemeente Goirle) wijkt af van het selectieadvies en zal geen dubbelbestemming opnemen in het bestemmingsplan Heisteeg en/of geen verdere beheersmaatregelen in de vorm van een definitief archeologisch onderzoek op leggen en het plangebied Heisteeg vrij te geven voor de realisatie van de plannen.

2235943100 (33946)

900 meter ten oosten

Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Sportpark Riels Kwadrant Goirle Uitvoerder: Oranjewoud BV Datum: 10-3-2009 Resultaat: i.v.m. bestemmingsplan voor nieuw sportpark. Voor het gehele gebied is de verwachting laag, daarom geen veldonderzoek aanbevolen.

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 13 van 26

2192924100 (27851)

950 meter ten noordwesten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Riel Uitvoerder: Archeopro Datum: 27-3-2008 Resultaat: Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem op het noordelijke en het westelijke deel van het plangebied tot grote diepte verstoord is. Van het esdek dat hier oorspronkelijk waarschijnlijk aanwezig is geweest, resteert hier niets meer. Langs de noordrand van het zuidoostelijke deel van het plangebied is echter een intact esdek aangetroffen met daarin een aardewerkscherf uit de periode LateMiddeleeuwen tot Nieuwe tijd. Dit betekent dat binnen dit deel van het plangebied kans bestaat op de aanwezigheid van archeologische sporen. Dit stemt overeen met het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel waaruit blijkt dat binnen het plangebied vooral rekening moet worden gehouden met archeologische sporen uit de Middeleeuwen. De aangetroffen verschijnselen zijn vooralsnog onvoldoende om de KNA-onderdelen Waardestelling en Selectieadvies, nader uit te werken. Het verdient daarom aanbeveling om, indien langs de noordrand van het zuidoostelijke deel van het plangebied graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden die dieper reiken dan 0,4 m -mv, deze vooraf te laten gaan door een proefsleuvenonderzoek. Voor alle overige delen van het plangebied geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren.

Evenmin zijn hier tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden

2098998100 (16688)

1.000 meter ten noordwesten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Riel Uitvoerder: Oranjewoud BV Datum: 3-4-2006 Resultaat: De resultaten van het onderzoek worden niet vermeld in ARCHIS.

2310340100 (44199)

1.000 meter ten noordwesten

Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Zandeind 34 Riel Uitvoerder: Becker en Van de Graaf Datum: 30-11-2010 Resultaat: Aan de hand van het bureauonderzoek is geconstateerd dat er voor het plangebied een hoge verwachting geldt voor archeologische resten vanaf het Laat Paleolithicum. Archeologische resten worden verwacht in de top van de C-horizont, direct onder het plaggendek dat naar verwachting minimaal 50 cm dik is. Uit informatie van de opdrachtgever is bekend dat het plangebied met enige regelmaat wordt omgeploegd en omgewoeld, waardoor de bovenste 35 cm van de bodem niet meer intact zullen zijn. Aangezien de graafwerkzaamheden die gepaard gaan met de aanleg van de weg niet dieper zullen reiken dan 25 cm beneden maaiveld en dus niet dieper zullen reiken dan de verstoorde bovengrond is geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te laten voeren en het plangebied voor wat archeologie betreft vrij te geven.

Vondsten en/of grondsporen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondsten en grondsporen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondsten en/of grondsporen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan vijf vondsten en/of grondsporen geregistreerd (zie tabel VII en figuur 13). Tabel VII.

Overzicht ARCHIS-vondsten

Vondstnummer (Waarnemingsnr.)

Locatie t.o.v. plangebied

Datering

2212428100 (419480)

350 meter ten westen

Mesolithicum - Late Middeleeuwen: afslagen en grijsbakkend gedraaid aardewerk. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch booronderzoek (zie Zaakidentificatie (OM-nummer) 2212428100 (30638)).

2332592100 (429024)

650 meter ten westen

IJzertijd - Nieuwe tijd: handgevormd aardewerk, gladwandig aardewerk, paalgaten, waterputten, gedraaid aardewerk, grijsbakkend gedraaid aardewerk, roodbakkend geglazuurd aardewerk en slijpstenen. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch proefsleuvenonderzoek (zie Zaakidentificatie (OM-nummer) 2332592100 (47197))

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 14 van 26

2243695100

900 meter ten zuidwesten

IJzertijd - Nieuwe tijd: kuilen, paalgaten, handgevormd aardewerk en greppels/sloten. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch proefsleuvenonderzoek (zie Zaakidentificatie (OM-nummer) 2243695100 (35014)).

3290977100 (445701)

950 meter ten noordoosten

Bronstijd: dolken

3131713100 (36864)

1000 meter ten zuidwesten

IJzertijd: handgevormd aardewerk en crematieresten

3.8

Aanvullende informatie

Vereniging voor vrijwilligers in de archeologie (AWN), afdeling 24 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Vereniging voor vrijwilligers in de archeologie (AWN), afdeling 24 Midden Brabant (loopt via AWN afdeling 23 Kempen en Peelland). Er zijn geen aanvullende vondsten of bijzonderheden bekend gelegen in of in de directe omgeving van het plangebied. 3.9

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VIII.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

(Laat-)Paleolithicum Vroeg-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars)

Midden- en LaatNeolithicum (Landbouwers)

Bronstijd - Romeinse tijd (Landbouwers)

Middeleeuwen en Nieuwe tijd

Rapport 4013.001 versie 2

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten resten en/of sporen

-Laag

-Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

-Hoog

-Beekgerelateerde resten, zoals attributen voor jacht en visvangst, dumpzones, rituele deposities

-Laag

-Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

-Hoog

-Beekgerelateerde resten, zoals attributen voor jacht en visvangst, dumpzones, rituele deposities, waterkundige structuren (o.a. voorden en bruggen)

-Laag

-Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

-Hoog

-Beekgerelateerde resten, zoals attributen voor jacht en visvangst, dumpzones, rituele deposities, waterkundige structuren (o.a. voorden en bruggen)

-Laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

-Hoog

-Beekgerelateerde resten, zoals, dumpzones en waterkundige structuren (o.a. voorden en bruggen)

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

In de beekdalafzettingen of in de top van de (verspoelde) dekzandafzettingen (waarin zich voornamelijk beekeerd-, gooreerd- en vlakvaaggronden hebben gevormd)

In de beekdalafzettingen of in de top van de (verspoelde) dekzandafzettingen (waarin zich voornamelijk beekeerd-, gooreerd- en vlakvaaggronden hebben gevormd)

In de beekdalafzettingen of in de top van de (verspoelde) dekzandafzettingen (waarin zich voornamelijk beekeerd-, gooreerd- en vlakvaaggronden hebben gevormd)

In de beekdalafzettingen of in de top van de (verspoelde) dekzandafzettingen (waarin zich voornamelijk beekeerd-, gooreerd- en vlakvaaggronden hebben gevormd)

Pagina 15 van 26

Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied binnen een dalvormige laagte van het beekdal en de westelijk gelegen beekdalhelling van de Leij ligt. Deze onder (vrij) natte omstandigheden gevormde landschapselementen vormde geen gunstige (tijdelijke) bewoningslocaties voor Jagers-Verzamelaars (jachtkampementen). De voorkeur werd juist gegeven voor de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen die zich aan weerszijden van het beekdal van de Leij bevinden, en daarmee buiten het plangebied. Ook voor Landbouwers vormden de terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen de meest gunstige bewoningslocaties. De grootte van de dekzandruggen vormde voldoende areaal aan goed ontwaterde gronden voor landbouw. Beekdalen hadden wel een grote aantrekkingskracht op mensen die in het gebied rondtrokken (Jagers-Verzamelaars), omdat de beek mogelijkheden bood tot visvangst en het bejagen van dieren die naar de beek trokken. Daarnaast vormde het beekdal een belangrijke transportroute, was het een bron van (drink)water en was er een rijke vegetatie voorhanden als voedselbron.

Langs de aangrenzende zones van het beekdal konden specialistische activiteiten worden ontplooid, zodat archeologische resten van (tijdelijke) nederzettingen, jacht- en visattributen, dumpzones, voorden, bruggen, wegen, winplaatsen van grondstoffen en depositieplaatsen kunnen worden verwacht (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities). De vondsten uit beekdalen bestaan dan ook vaak uit resten van bruggen, voorden en andere aan water gerelateerde structuren, maar ook uit afvaldumps en rituele deposities. Omdat het, vooral bij de structuren, vaak om objecten van hout gaat, is de aanwezigheid van veen of organische beekafzettingen belangrijk. Hierin blijven de vergankelijke objecten goed bewaard, dit in tegenstelling tot de zandgronden waar dergelijke organi17 sche resten niet of nauwelijks bewaard zijn gebleven. In de omgeving van het plangebied zijn enkele archeologische resten uit de Late-Prehistorie ook voornamelijk aangetroffen op hoger gelegen terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen en enkele resten uit de Middeleeuwen/Nieuwe tijd binnen de begrenzing van de historische dorpskern van Riel. Het plangebied ligt echter buiten de historische dorpskern en is in ieder geval vanaf het begin van de e e 19 eeuw in agrarisch gebruik geweest. De huidige situatie is pas vanaf eind jaren ’60 van de 20 eeuw ontstaan.

Op basis van bovenstaande uitgangspunten heeft het plangebied dan ook alleen nog een hoge trefkans op de aanwezigheid van beekdalgerelateerde resten (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities). Deze resten kunnen voorkomen in de beekdalafzettingen en mogelijk ook doorlopend in de onderliggende (verspoelde) dekzandafzettingen voorkomen. Het betreffen wel vaak resten met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties. Vooral diep gelegen organische resten en bot, in de permanent gereduceerde zone (onder grondwaterniveau), zullen goed zijn geconserveerd. Bodemverstoring Als gevolg van bodemingrepen kunnen vindplaatsen geheel of gedeeltelijk verstoord zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin vondsten in situ bewaard zijn gebleven in de bodem en/of grondsporen intact zijn. Van de bestaande loods in de zuidelijke helft van het plangebied is bekend dat deze voorzien is van een strook-/sleuvenfundering tot een diepte van circa 100 cm -mv. Voor de bouw van deze loods als de aanleg van diverse nutsvoorzieningen zullen diepere bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd, waardoor in het verleden eventueel aanwezige archeologische resten en/of sporen niet meer aanwezig zijn of in een verstoorde context kunnen voorkomen.

17

Gerritsen & Rensink, 2004

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 16 van 26

Het overige deel van het plangebied is op basis van geraadpleegd historisch kaartmateriaal nooit bebouwd geweest en alleen in agrarisch gebruik geweest en vervolgens als grasveld/groenstrook. Gegevens van het bodemloket geven wel aan dat het noordoostelijke deel van het plangebied deel heeft uitgemaakt van een terrein waar een leerlooierij heeft gestaan en dat er in het centrale tot zuidwestelijke deel van het terrein een ondergrondse brandstoftank ligt dan wel heeft gelegen. De locatie van de ondergrondse brandstoftank zal naar verwachting een beperkte omvang hebben (alleen verstoring van de bodem daar waar deze tank is ingegraven). De verwachting is vooralsnog dat voor de huidige inrichting van de onbebouwde delen van het plangebied de mate van verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel beperkt is geweest. 3.10 Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is een drietal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het bureauonderzoek de daarvoor benodigde gegevens hebben opgeleverd. 

Wat is er bekend over bodemverstorende ingrepen binnen het plangebied uit het verleden? Is er bijvoorbeeld informatie bekend over vroegere ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen of landinrichting? Van de bestaande loods in de zuidelijke helft van het plangebied is bekend dat deze voorzien is van een strook-/sleuvenfundering tot een diepte van circa 100 cm -mv. Voor de bouw van deze loods als de aanleg van diverse nutsvoorzieningen zullen diepere bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd, waardoor in het verleden eventueel aanwezige archeologische resten en/of sporen niet meer aanwezig zijn of in een verstoorde context kunnen voorkomen. Het overige deel van het plangebied is op basis van geraadpleegd historisch kaartmateriaal nooit bebouwd geweest en alleen in agrarisch gebruik geweest en vervolgens als grasveld/groenstrook. Gegevens van het bodemloket geven wel aan dat het noordoostelijke deel van het plangebied deel heeft uitgemaakt van een terrein waar een leerlooierij heeft gestaan en dat er in het centrale tot zuidwestelijke deel van het terrein een ondergrondse brandstoftank ligt dan wel heeft gelegen. De locatie van de ondergrondse brandstoftank zal naar verwachting een beperkte omvang hebben (alleen verstoring van de bodem daar waar deze tank is ingegraven).

De verwachting is vooralsnog dat voor de huidige inrichting van de onbebouwde delen van het plangebied de mate van verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel beperkt is geweest.

Ligt het plangebied binnen een landschappelijke eenheid die vanuit archeologisch oogpunt een specifieke aandachtslocatie kan betreffen (zoals een relatief hoge dekzandkop of -rug, nabij een veengebied of een beekdal)? Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied binnen een dalvormige laagte van het beekdal en de westelijk gelegen beekdalhelling van de Leij ligt. Deze onder (vrij) natte omstandigheden gevormde landschapselementen vormde geen gunstige (tijdelijke) bewoningslocaties voor Jagers-Verzamelaars (jachtkampementen). De voorkeur werd juist gegeven voor de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen die zich aan weerszijden van het beekdal van de Leij bevinden, en daarmee buiten het plangebied. Ook voor Landbouwers vormden de terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen de meest gunstige bewoningslocaties. De grootte van de dekzandruggen vormde voldoende areaal aan goed ontwaterde gronden voor landbouw. Beekdalen hadden wel een grote aantrekkingskracht op mensen die in het gebied rondtrokken (Jagers-Verzamelaars), omdat de beek mogelijkheden bood tot visvangst en het bejagen van dieren die naar de beek trokken.

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 17 van 26

Daarnaast vormde het beekdal een belangrijke transportroute, was het een bron van (drink)water en was er een rijke vegetatie voorhanden als voedselbron. Langs de aangrenzende zones van het beekdal konden specialistische activiteiten worden ontplooid, zodat archeologische resten van (tijdelijke) nederzettingen, jacht- en visattributen, dumpzones, voorden, bruggen, wegen, winplaatsen van grondstoffen en depositieplaatsen kunnen worden verwacht (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities). De vondsten uit beekdalen bestaan dan ook vaak uit resten van bruggen, voorden en andere aan water gerelateerde structuren, maar ook uit afvaldumps en rituele deposities. Omdat het, vooral bij de structuren, vaak om objecten van hout gaat, is de aanwezigheid van veen of organische beekafzettingen belangrijk. Hierin blijven de vergankelijke objecten goed bewaard, dit in tegenstelling tot de zandgronden waar dergelijke organische resten niet of nauwelijks bewaard 18 zijn gebleven. In de omgeving van het plangebied zijn enkele archeologische resten uit de Late-Prehistorie ook voornamelijk aangetroffen op hoger gelegen terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen en enkele resten uit de Middeleeuwen/Nieuwe tijd binnen de begrenzing van de historische dorpskern van Riel.

Het plangebied ligt echter buiten de historische dorpskern en is in e ieder geval vanaf het begin van de 19 eeuw in agrarisch gebruik geweest. De huidige situatie e is pas vanaf eind jaren ’70 van de 20 eeuw ontstaan. 

Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? Het plangebied heeft alleen nog een hoge trefkans op de aanwezigheid van beekdalgerelateerde resten (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities). Deze resten kunnen voorkomen in de beekdalafzettingen en mogelijk ook doorlopend in de onderliggende (verspoelde) dekzandafzettingen voorkomen. Het betreffen wel vaak resten met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties. Vooral diep gelegen organische resten en bot, in de permanent gereduceerde zone (onder grondwaterniveau), zullen goed zijn geconserveerd.

3.11 Aanbevolen onderzoeksmethode Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een geo-archeologisch verkennend booronderzoek, vanwege de ligging van het plangebied binnen een dalvormige laagte van een beekdal dan wel deels binnen de westelijk gelegen beekdalhelling. Beekdalgerelateerde resten betreffen vaak resten met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties die niet met behulp van een karterend booronderzoek zijn op te sporen. Door middel van een geo-archeologisch verkennend booronderzoek kan inzicht worden gekregen in de toestand van het bodemprofiel en wat de opbouw van het deel van het beekdal en wat de opbouw van fossiele beeklopen is die zich niet aan de oppervlakte manifesteren maar wel in de ondergrond kunnen worden getraceerd. Dit kan gedaan worden door boringen in raaien te zetten haaks op mogelijk fossiele beeklopen van het beekdal van de Lei en met een afstand van 10 meter tussen de boringen binnen elke raai. Daarmee kan een uitspraak worden gedaan of er binnen het plangebied nog archeologische resten nog in situ te verwachten zijn.

18

Gerritsen & Rensink, 2004

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 18 van 26

4

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

4.1

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een geo-archeologisch verkennend booronderzoek, conform de eisen van de BRL SIKB 4000 (versie 4.0, 07-06-2016) en KNA, versie 4.0, specificatie VS03. Tevens is het booronderzoek uitgevoerd deels volgens de "KNA leidraad ar19 cheologisch onderzoek van beekdalen in Pleistoceen Nederland, versie 1.0" . Voor het inventariserend veldonderzoek is op 11 april 2017 door ir. E.M. ten Broeke (senior prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Voor het geo-archeologisch verkennend booronderzoek zijn de boringen haaks op mogelijk fossiele beeklopen van het beekdal van de Leij. Binnen het plangebied zijn twee raaien met ieder zes boringen haaks op het beekdal gezet. Hierbij staan de boringen 10 m uit elkaar. De zuidwestelijk gelegen raai verspringt in noordoostelijke richting vanwege de aanwezige loods (hierbinnen kon niet worden geboord). In totaal zijn er dus twaalf boringen worden gezet (zie figuur 15). Hiermee is getracht de opbouw van fossiele beeklopen te kunnen bepalen en beeklopen die zich niet aan de oppervlakte manifesteren in de ondergrond te kunnen traceren.

Er is geboord tot een diepte van 220 cm -mv met een Edelmanboor met een diameter van 10 cm en vervolgens tot een diepte van maximaal 400 cm -mv met een zuigerboor met een diameter van 3 cm en/of een guts met een diameter van 3 cm (afhankelijk van de aan- of afwezigheid van leem- en/of veenlagen die met een zuigerboor niet doorboord kunnen worden). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrij20 vingsmethode beschreven. De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In Bijlage 4 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven. 4.2

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 5 weergegeven. De bodemopbouw wordt als volgt weergegeven: Tabel IX.

19 20

Algemene bodemopbouw plangebied Diepte (cm -mv)

Samenstelling

Interpretatie

Vanaf maaiveld dan wel onder de klinkerverharding tot minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv

Witgeel tot donkergrijsbruin gekleurd, merendeels zwak tot sterk humeus, zwak siltig, zeer fijn zand

Geroerde/verstoorde lagen, dikke laag opgebrachte grond humeuze grond/plaggendek en cunetzand, vooral binnen het terreindeel waar de bestaande loods staat (zuidwestelijke en centrale deel plangebied).

In de oostelijke helft van het plangebied (boringen 3 t/m 6 en 10 t/m 12) onder het verstoringsniveau, vanaf minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv en niet meer dan 10 tot 20 cm dik

Donkerzwartbruin gekleurde, matig humeuze, sterk zandige leem

1C-horizont, beekdalafzettingen, beekleem.

Onder het verstoringsniveau dan wel de leemlaag tot 400 cm -mv (maximale einddiepte boringen)

Lichtgrijs tot grijs gekleurd, matig fijn tot matig grof zand met vooral in de onderste meter voorkomende laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen (veel hout- en plantenresten aanwezig)

1C/1Cr-horizont, beekdalafzettingen, sterke afwisseling in lithologie/textuur, Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven. Laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen zeer waarschijnlijk onderkant van beekgeulen/verlaten beekmeanders.

Rensink, 2008 Bosch, 2005

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 19 van 26

De boringen laten zien dat het plangebied opgehoogd is, vooral binnen het terreindeel waar de bestaande loods staat (zuidwestelijke en centrale deel plangebied). Vanaf het maaiveld dan wel onder de aanwezige klinkerverharding rondom de loods, bestaat de bodemopbouw tot minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv uit witgeel tot donkergrijsbruin gekleurd, merendeels zwak tot sterk humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Deze dikke laag opgebrachte grond bestaat deels uit cunetzand (vooral ter plaatse van de met tegels/klinkers verharde terreindelen) en verder vooral opgebrachte humeuze grond. Een deel van deze ophoging met humeuze grond/plaggenbesmesting zal hebben plaatsgevonden toen het plangebied nog in agrarisch gebruik was (zie geraadpleegd historisch kaartmateriaal), maar het merendeel heeft waarschijnlijk plaatsgevonden tijdens de huidige inrichting van het plangebied, waarbij goed te zien is dat het terreindeel waar de bestaande loods staat (zuidwestelijke en centrale deel plangebied) duidelijk verhoogd is aangelegd ten opzichte van het niveau van het naastgelegen gekanaliseerde beekdal van de Leij en de ten oosten hiervan gelegen agrarische gronden. In de oostelijke helft van het plangebied (boringen 3 t/m 6 en 10 t/m 12) komt onder de opgebrachte lagen grond een circa 10 tot 20 cm dikke laag donkerzwartbruin gekleurde, matig humeuze, sterk zandige beekleem voor.

Deze laag beekleem is niet aangetroffen in de boringen 1, 2 en 7 t/m 9, mogelijk omdat deze ter plaatse al vergraven en als zodanig niet meer herkenbaar is, of het betrof een iets hoger deel binnen het beekdal waar beekleem niet is gesedimenteerd. Bij alle boringen komen onder de opgebrachte lagen grond beekdalafzettingen voor. Deze bestaan uit lichtgrijs tot grijs gekleurd, matig fijn tot matig grof zand met vooral in de onderste meter laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen (veel hout- en plantenresten aanwezig). De sterke afwisseling in lithologie/textuur is kenmerkend voor beekdalafzettingen. De laagjes grindrijk, zeer grof zand (concentratie van grind in de vorm van een zogenaamde “gravel lag”) met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen betreffen de onderkant van beekgeulen/verlaten beekmeanders. De beekdalafzettingen, inclusief de laag sterk zandige leem en dunne laagjes zandige veen, behoren tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven. Het van nature gevormde bodemprofiel is moeilijk te herkennen op basis van het opgeboorde materiaal.

In de boringen waar de beekleem de top van de beekdalafzettingen betreft, zal het gaan om een gooreerdgrond, waarbij in het verleden een hoge productie van organisch materiaal en een geremde afbraak plaatsvonden als gevolg van de lage, relatief natte ligging. Hierdoor is de beekleem matig humeus geworden. Er zijn geen veenlagen van enige dikte aangetroffen waardoor er ergens sprake is van een moerige eerdgrond onder de dikke laag opgebrachte humeuze grond/plaggendek. De aangetroffen bodemopbouw laat wel zien dat er geen diepe bodemverstorende ingrepen hebben plaatsgevonden, waardoor er dan ook geen aanwijzingen zijn dat (een deel van) de natuurlijke beekdalafzettingen aangetast/geroerd dan wel afgegraven zouden zijn. Door de aanwezige dikke laag opgebrachte humeuze grond/plaggendek liggen deze wel op een vrij grote diepte ten opzichte van het huidige maaiveld, ter plaatse van de terreindelen rondom de bestaande loods pas op een diepte van minimaal 185 cm -mv.

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 20 van 26

Archeologie In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen in het opgeboorde en vervolgens verkruimelde bodemmateriaal. Er dient echter gemeld te worden te worden dat het inventariserend veldonderzoek een (geo-archeologisch) verkennend booronderzoek betreft, dat zich richt op de bodemopbouw (specifiek de aanwezigheid en locatie van fossiele beeklopen, zandkoppen) en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. Daarbij zijn beekdalgerelateerde resten (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities) zeer moeilijk zo niet onmogelijk op te sporen door middel van een booronderzoek. Het betreffen namelijk vaak resten met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties. 4.3

Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek

Voor het veldonderzoek is een aantal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het veldonderzoek de daarvoor benodigde gegevens heeft opgeleverd; 

Wat is de bodemopbouw binnen de locatie? Het plangebied is opgehoogd, vooral binnen het terreindeel waar de bestaande loods staat (zuidwestelijke en centrale deel plangebied). Vanaf het maaiveld dan wel onder de aanwezige klinkerverharding rondom de loods, bestaat de bodemopbouw tot minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv uit witgeel tot donkergrijsbruin gekleurd, merendeels zwak tot sterk humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Deze dikke laag opgebrachte grond bestaat deels uit cunetzand (vooral ter plaatse van de met tegels/klinkers verharde terreindelen) en verder vooral opgebrachte humeuze grond. Onder deze ophogingslagen komen beekdalafzettingen voor. Deze bestaan uit lichtgrijs tot grijs gekleurd, matig fin tot matig grof zand met vooral in de onderste meter voorkomende laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen (veel hout- en plantenresten aanwezig). De sterke afwisseling in lithologie/textuur is kenmerkend voor beekdalafzettingen. De laagjes grindrijk, zeer grof zand (concentratie van grind in de vorm van een zogenaamde “gravel lag”) met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen betreffen de onderkant van beekgeulen/verlaten beekmeanders.

In de oostelijke helft van het plangebied bestaat de top van de beekdalafzettingen uit donkerzwartbruin gekleurde, matig humeuze, sterk zandige beekleem. Het van nature gevormde bodemprofiel is moeilijk te herkennen op basis van het opgeboorde materiaal. In de boringen waar de beekleem de top van de beekdalafzettingen betreft, zal het gaan om een gooreerdgrond, waarbij in het verleden een hoge productie van organisch materiaal en een geremde afbraak plaatsvonden als gevolg van de lage, relatief natte ligging. Hierdoor is de beekleem matig humeus geworden. Er zijn geen veenlagen van enige dikte aangetroffen waardoor er ergens sprake is van een moerige eerdgrond onder de dikke laag opgebrachte humeuze grond.

Is het bodemprofiel binnen de locatie intact of (binnen een deel van de locatie) verstoord, en indien verstoord tot hoe diep gaat deze verstoring? De aangetroffen bodemopbouw laat wel zien dat er geen diepe bodemverstorende ingrepen hebben plaatsgevonden, waardoor er dan ook geen aanwijzingen zijn dat (een deel van) de natuurlijke beekdalafzettingen aangetast/geroerd dan wel afgegraven zouden zijn. Door de aanwezige dikke laag opgebrachte humeuze grond/plaggendek liggen deze wel op een vrij grote diepte ten opzichte van het huidige maaiveld, ter plaatse van de terreindelen rondom de bestaande loods pas op een diepte van minimaal 185 cm -mv.

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 21 van 26

Hoe is de opbouw van het beekdal en de ligging van fossiele beeklopen? Op basis van de aangetroffen bodemopbouw ligt het gehele plangebied binnen het beekdal van de Leij. Onder het beekdal wordt verstaan de huidige beekloop en de beekdalvlakte waar doorheen het beekdal gemeanderd heeft en restgeulen/-meanders heeft achtergelaten en vervolgens zijn opgevuld, dan wel waar veengroei heeft kunnen plaatsvinden (de zogenaamde beekdalbodem). Tevens worden de beekdalhellingen ook tot het beekdal gerekend. Ter plaatse van het plangebied is door menselijk handelen een dik pakket humeuze grond aangebracht, vooral binnen het terreindeel waar de bestaande loods staat (zuidwestelijke en centrale deel plangebied). De hieronder aanwezige beekdalafzettingen varieren in lithologie/textuur en bestaan uit lichtgrijs tot grijs gekleurd, matig fijn tot matig grof zand met vooral in de onderste meter laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen (veel hout- en plantenresten aanwezig). De laagjes grindrijk, zeer grof zand (concentratie van grind in de vorm van een zogenaamde “gravel lag”) met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen betreffen de onderkant van beekgeulen/verlaten beekmeanders.

De beekdalafzettingen komen ten opzichte van het huidige maaiveld dus pas voor op grote diepte, vanaf minimaal 90 cm -mv en veelal op een diepte tussen 150 en 200 cm -mv. Tevens lijken de beekdalafzettingen door te lopen dieper dan 400 cm -mv, waarbij wel gemeld dient te worden dat het onderscheid tussen beekdalafzettingen en verspoelde afzettingen uit de laatste ijstijd (sneeuwsmeltwaterafzettingen die onder de Holocene beekdalafzettingen worden verwacht) qua bodemopbouw moeilijk van elkaar te onderscheiden zullen zijn.

Zijn er zandkoppen aanwezig? Vanuit de boringen zijn geen aanwijzingen dat binnen het plangebied zandkoppen aanwezig zijn die juist konden worden gebruikt als geschikte bewoningslocatie naast het beekdal. Onder het dikke opgebrachte pakket humeuze grond/plaggendek zijn bij alle boringen beekdalafzettingen aangetroffen aangebracht. Op basis van het hoogtebeeld van het plangebied als de omgeving moeten dekzandkoppen naast het beekdal meer ten westen van het plangebied worden gezocht. Binnen het plangebied hoeven dan ook geen archeologische bewoningssporen/-resten te worden verwacht. Wel blijft de kans bestaan op de aanwezigheid van beekdalgerelateerde resten.

Wat zijn de gevolgen van de/het in het plangebied aangetroffen bodemopbouw/bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied. Door het aantreffen van beekdalafzettingen behoudt het plangebied zijn verhoogde trefkans op beekdalgerelateerde resten (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities). Archeologische resten en/of sporen kunnen in het gehele pakket beekdalafzettingen voorkomen en mogelijk ook doorlopen in de (top van het) te verwachten onderliggende pakket (verspoelde) dekzandafzettingen. De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat er geen diepgaande bodemverstorende ingrepen in het pakket beekdalafzettingen hebben plaatsgevonden, waardoor beekdalgerelateerde resten dus nog in situ kunnen worden aangetroffen.

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 22 van 26

Volgens de initiatiefnemer zullen de nieuwe woningen op palen worden geplaatst. Hiermee wordt archeologisch vriendelijk gebouwd en zal gravend vervolgonderzoek niet noodzakelijk zijn. Indien er toch voor wordt gekozen om een staalfundering toe te passen, welke dan wordt aangelegd tot minimaal aan dan wel in de top van het pakket “gele” zand (top van de Chorizont), dan zullen de nieuwbouwwerkzaamheden verstoringen van de aanwezige beekdalafzettingen veroorzaken. Eventueel aanwezige beekdalgerelateerde resten zullen dan in exsitu behouden moeten worden, waardoor gravend vervolgonderzoek noodzakelijk is (aangezien beekdalgerelateerde resten vaak resten betreffen met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties). De beekdalafzettingen bevinden zich wel op een aanzienlijke diepte ten opzichte van het huidige maaiveld, vanwege de aanwezige dikke laag opgebrachte humeuze grond. Deze dikte is minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv, en is in veel gevallen tussen 150 en 200 cm dik, vooral ter plaatse van de terreindelen rondom de bestaande loods.

5 5.1

CONCLUSIE EN ADVIES Conclusie

Op basis van het archeologisch bureauonderzoek werd verwacht dat het plangebied binnen een dalvormige laagte dan wel deels binnen de westelijk gelegen beekdalhelling van de Leij zou liggen. Deze onder (vrij) natte omstandigheden gevormde landschapselementen vormde geen gunstige (tijdelijke) bewoningslocaties, maar er konden wel specialistische activiteiten worden ontplooid, zodat het plangebied wel een verhoogde trefkans heeft op de aanwezigheid van beekdalgerelateerde resten (resten van zogenaamde off-site activiteiten en rituele deposities, zodat archeologische resten van jacht- en visattributen, dumpzones, voorden, bruggen, wegen, winplaatsen van grondstoffen en depositieplaatsen). In de omgeving van het plangebied zijn enkele archeologische resten uit de Late-Prehistorie voornamelijk aangetroffen op hoger gelegen terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen en enkele resten uit de Middeleeuwen/Nieuwe tijd binnen de begrenzing van de historische dorpskern van Riel. Het plangebied ligt echter buiten de historische dorpskern en is in ieder geval vanaf het begin van de e e 19 eeuw in agrarisch gebruik geweest. De huidige situatie is pas vanaf eind jaren ’60 van de 20 eeuw ontstaan. De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat het plangebied is opgehoogd, vooral binnen het terreindeel waar de bestaande loods staat (zuidwestelijke tot centrale deel plangebied).

Vanaf het maaiveld dan wel onder de aanwezige klinkerverharding rondom de loods, bestaat de bodemopbouw tot minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv uit witgeel tot donkergrijsbruin gekleurd, merendeels zwak tot sterk humeus, zwak siltig, zeer fijn zand. Deze dikke laag opgebrachte grond bestaat deels uit cunetzand (vooral ter plaatse van de met tegels/klinkers verharde terreindelen) en verder vooral opgebrachte humeuze grond. Onder deze ophogingslagen komen beekdalafzettingen voor. Deze varieren in lithologie/textuur en bestaan uit lichtgrijs tot grijs gekleurd, matig fijn tot matig grof zand met vooral in de onderste meter voorkomende laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen (veel hout- en plantenresten aanwezig). De laagjes grindrijk, zeer grof zand (concentratie van grind in de vorm van een zogenaamde “gravel lag”) met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen betreffen de onderkant van beekgeulen/verlaten beekmeanders. In de oostelijke helft van het plangebied bestaat de top van de beekdalafzettingen uit donkerzwartbruin gekleurde, matig humeuze, sterk zandige beekleem. Op basis van deze bodemopbouw ligt het gehele plangebied binnen het beekdal van de Leij.

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 23 van 26

Geconcludeerd wordt dat door het aantreffen van beekdalafzettingen het plangebied zijn verhoogde trefkans op beekdalgerelateerde resten behoud. Archeologische resten en/of sporen kunnen in het gehele pakket beekdalafzettingen voorkomen en mogelijk ook doorlopen in de (top van het) te verwachten onderliggende pakket (verspoelde) dekzandafzettingen. De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat er geen diepgaande bodemverstorende ingrepen in het pakket beekdalafzettingen hebben plaatsgevonden, waardoor beekdalgerelateerde resten dus nog in situ kunnen worden aangetroffen. Volgens de initiatiefnemer zullen de nieuwe woningen op palen worden geplaatst. Hiermee wordt archeologisch vriendelijk gebouwd en zal gravend vervolgonderzoek niet noodzakelijk zijn. Indien er toch voor wordt gekozen om een staalfundering toe te passen, welke dan wordt aangelegd tot minimaal aan dan wel in de top van het pakket “gele” zand (top van de C-horizont), dan zullen de nieuwbouwwerkzaamheden verstoringen van de aanwezige beekdalafzettingen veroorzaken. Eventueel aanwezige beekdalgerelateerde resten zullen dan ex-situ behouden moeten worden, waardoor gravend vervolgonderzoek noodzakelijk is (aangezien beekdalgerelateerde resten vaak resten betreffen met een beperkte omvang, zogenaamde puntlocaties).

De beekdalafzettingen bevinden zich wel op een aanzienlijke diepte ten opzichte van het huidige maaiveld, vanwege de aanwezige dikke laag opgebrachte humeuze grond. Deze dikte is minimaal 90 cm en maximaal 205 cm -mv, en is in veel gevallen tussen 150 en 200 cm dik, vooral ter plaatse van de terreindelen rondom de bestaande loods. 5.2

Advies

Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om ten aanzien van de geplande ontwikkeling geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Volgens de initiatiefnemer zullen de nieuwbouwwoningen op palen worden geplaatst. De mate van verstoring van de beekdalafzettingen door de palen zal minimaal zijn (archeologisch vriendelijk/besparend bouwen). Indien er toch voor wordt gekozen om een staalfundering toe te passen, welke dan wordt aangelegd tot minimaal aan dan wel in de top van het pakket “gele” zand (top van de C-horizont), dan zal dit een verstoring van beekdalafzettingen veroorzaken. Eventueel aanwezige beekdalgerelateerde resten zullen dan ook ex-situ behouden moeten worden, waardoor vervolgonderzoek noodzakelijk is. Dit vervolgonderzoek dient dan te worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P). Voorafgaand aan het IVO-P zal een Programma van Eisen (PvE) moeten worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE zal voorgaand aan de uitvoering van het proefsleuvenonderzoek moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Goirle).

Econsultancy Doetinchem, 14 februari 2019

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 24 van 26

LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000 Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bakker, H. de & Locher, W.P., 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Berendsen, H.J.A. 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A. 2005: Fysische Geografie van Nederland, deel 4: Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio's. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Gerritsen, F., & Rensink, E. (red.), 2004: Beekdallandschappen in archeologisch perspectief. Een kwestie van onderzoek en monumentenzorg. Nederlandse Archeologische Rapporten 28, Amersfoort. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & Bakker, H. de, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. e Malmberg Den Bosch, 2 druk. Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E. & Wong, T.E., 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen.

Rensink, E., 2008: KNA Leidraad Beekdalen in Pleistoceen Nederland. RACM, Amersfoort. Stichting voor Bodemkartering, 1980: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 50 Oost/Tilburg. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 25 van 26

BRONNEN AHN; internetsite, april 2017. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, april 2017. https://zoeken.cultureelerfgoed.nl/#/cho/search Beeldbank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, april 2017. http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl/ Beknopte geschiedenis van Riel; internetsite, april 2017. http://wijgoirlenaren.nl/beknopte-geschiedenis-van-riel/ Bodemloket; internetsite, april 2017. http://www.bodemloket.nl/kaart Dinoloket; internetsite, april 2017. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, april 2017. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, april 2017. http://www.topotijdreis.nl/ SIKB; internetsite, april 2017. http://www.sikb.nl Wateratlas provincie Noord/Brabant; internetsite, april 2017. http://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/wateratlas

Rapport 4013.001 versie 2

Pagina 26 van 26

Figuur 1.

Situering van het plangebied binnen Nederland

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen Nederland (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 2.

Detailkaart van het plangebied

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Detailkaart van het plangebied (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 3.

Luchtfoto van het plangebied

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Luchtfoto van het plangebied (bron: gspot:LUFO_2014) Legenda

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 4.

Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1827 (Minuutplan)

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1827 (Minuutplan) (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl) Legenda Plangebied

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 5.

Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1869 (Bonneblad)

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1869 (Bonneblad) (bron: www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 6.

Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1900 (Bonneblad)

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1900 (Bonneblad) (bron: www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 7.

Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1921 (Bonneblad)

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1921 (Bonneblad) (bron: www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 8.

Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1967

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1967 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 9.

Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1980

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1980 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 10.

Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland Legenda Plangebied

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 11.

Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 12.

Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Legenda Plangebied

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 13.

Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met het AHN als achtergrond

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN)

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 14.

Situering van het plangebied binnen de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW)

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Situering van het plangebied binnen de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) Legenda Plangebied

Rapport 4013.001 versie 2

Figuur 15.

Boorpuntenkaart van het plangebied

Riel (gemeente Goirle) – Locatie Leijoever Boorpuntenkaart van het plangebied Legenda Plangebied

Rapport 4013.001 versie 2

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 4013.001 versie 2

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

1950

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 4013.001 versie 2

Bijlage 2

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat zich voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, dat plaats maakte voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine spitse vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.

Rapport 4013.001 versie 2

Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.

Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.

Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.

Rapport 4013.001 versie 2

De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van hane delscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de 3 eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen e voortduurde tot in de 5 eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1666/documents/27805