06a- Vast te stellen BP.pdf
Tekst van het document
69
31. omgevingsvergunning voor het afwijken; omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met dit plan met toepassing van de in dit plan opgenomen regels inzake afwijking, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo. 32. omgevingsvergunning voor het bouwen: omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. 33. omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo. 34. ondergeschikte bouwdelen / bouwdelen van ondergeschikt belang: bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten de hoofdmassa van het gebouw uitsteken zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, licht-, antenne- en vlaggenmasten, windvanen, wolfseinden, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons, balkon- en terrashekken, en dergelijke, dakkapellen, andere ondergeschikte dakopbouwen, liftschachten, en overige overstekende ondergeschikte daken. 35. ondergronds: beneden het peil. 36. overig bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 37.
Staat van bedrijfsactiviteiten een als bijlage bij deze voorschriften behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en installaties 38. uitvoeren: het uitvoeren, doen uitvoeren en laten uitvoeren. 39. uitwerking: een uitwerking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid , sub a, van de Wet ruimtelijke ordening. 40. verharden van wegen: het aanbrengen van een dichte deklaag in de vorm van bijvoorbeeld klinkers, asfalt of beton. 41. verkoopvloeroppervlak: de totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief de etalageruimte en de ruimte achter de toonbank.
70
42. vloeroppervlak: de totale oppervlakte, buitenwerks gemeten, van alle ruimten op de begane grond, de verdiepingen, de zolder en de aangebouwde bijgebouwen. 43. voorgevel: de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie, dan wel gelet op de uitstraling ervan, als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 44. voorgevelrooilijn: a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg. 45. voorste bouwgrens: de naar het verkeers- of verblijfsgebied gekeerde (deel van de) bouwgrens. 46. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 47.
wet/wettelijke regelingen: indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen dan wel verordeningen en dergelijke, dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van vaststelling van het plan, tenzij anders is bepaald. 48. woning: een (gedeelte van een) gebouw, dat bestaat uit een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van niet meer dan één afzonderlijk huishouden. a. gestapelde woning: een appartement binnen een gebouw, dat als gebouw de verschijningsvorm heeft van een eenheid, maar dient voor de huisvesting van meerdere huishoudens in afzonderlijke woonruimten (appartementen), eventueel op afzonderlijke bouwlagen; b. patiowoning: een woning met een geheel of gedeeltelijk omsloten binnenplaats of binnentuin, gevormd door de gevel van belendende dan wel op het eigen bouwperceel aanwezige bebouwing; 49. wijziging: een wijziging als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid , sub a, van de Wet ruimtelijke ordening;
71
Artikel 2 Wijze van meten 2.1. Meetregels Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 1. afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse grens van het bouwperceel: tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en enig punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 3. goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 4. bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen. 5. horizontale diepte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel. 6. inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 7. oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 8. verticale diepte van een bouwwerk: vanaf het peil tot het laagste punt van het bouwwerk, fundering niet meegerekend. 9.
lengte, breedte en diepte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de buitenste verticale projecties van bouwdelen en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren, boven peil 10. peil: a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
72
2.2. Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten de hoofdmassa van het gebouw uitsteken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- dan wel bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. Onder ondergeschikte bouwdelen worden in ieder geval verstaan plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, licht, antenne- en vlaggenmasten, windvanen, wolfeinden, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons, balkon- en terrashekken en dergelijke, dakkapellen, andere ondergeschikte dakopbouwen, liftschachten, en overige overstekende daken.
73
HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Wonen 3.1.
Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, met dien verstande dat kamerverhuur niet is toegestaan b. tuinen, erven en verhardingen; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan watergangen en andere waterpartijen, reserveringen voor infiltratievoorzieningen (zoals bijvoorbeeld wadi's), retentievoorzieningen, (compenserende) waterberging, waterbuffers en bergbezinkbassins, alsmede kunstwerken ten behoeve van waterhuishoudkundige voorzieningen; d. parkeervoorzieningen; Met dien verstande dat e. de woning en/of daarbij behorende bijgebouwen tevens mogen worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep, met dien verstande, dat maximaal 30% van het bestaande vloeroppervlak van de woning en/of bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 60 m², mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep; f. de woning en/of daarbij behorende bijgebouwen tevens mogen worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf, met dien verstande, dat maximaal 30% van het bestaande vloeroppervlak van de woning en/of de bijgebouwen, tot een oppervlakte van maximaal 60 m², mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf; g. aangebouwde bijgebouwen mogen worden gebruikt ten behoeve van de woonfunctie.
3.2. Bouwregels 3.2.1. Algemeen Bouwen is uitsluitend toegestaan ten dienste van de in lid 3.1 omschreven bestemmingsomschrijving en met inachtneming van de volgende regels: a. toegestaan zijn: 1. woningen; 2. daarbij behorende bijgebouwen; 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. buiten het bouwvlak en buiten het gebied ter plaatse van de aanduiding 'achtererf’ mogen geen gebouwen worden gebouwd; c. ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, tot een verticale diepte van maximaal 5 meter; d. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; e. De bestaande bebouwing welke krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is opgericht en in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar afwijkend van één of meer bebouwingsregels, wordt geacht aan het plan te voldoen. Hieronder wordt tevens vergunde bebouwing verstaan, die nog moet worden opgericht.
74
3.2.2. Hoofdgebouwen Voor het bouwen van het hoofdgebouw, zijnde de woningen, gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels: a. Uitsluitend toegestaan zijn; 1. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld': gestapelde woningen; 2 woningen zijn uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak; b. binnen een bouwvlak mag het aantal woningen niet meer bedragen dan zoals ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' staat aangegeven; het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; c. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' mag de goothoogte van woningen niet meer bedragen dan in het bouwvlak is aangegeven; d. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte van woningen niet meer bedragen dan in het bouwvlak is aangegeven; e. de woning dient met de voorgevel in of op een afstand van niet meer dan 2 meter uit het naar de weg gekeerde deel van de begrenzing van het bouwvlak te worden gebouwd; 3.2.3. Bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels: a. bijgebouwen mogen niet voor de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen toegestaan" mag bij een bouwperceel kleiner dan 150 m² niet meer bedragen dan 50 m²; c.
de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen toegestaan" mag bij een bouwperceel van 150 m² tot 200 m² niet meer bedragen dan 60 m²; d. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen toegestaan" mag bij een bouwperceel van 200 m² tot 250 m² niet meer bedragen dan 68 m²; e. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen toegestaan" mag bij een bouwperceel van 250 m² tot 500 m² niet meer bedragen dan 75 m²; f. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen toegestaan" mag bij een bouwperceel van 500 m² of meer niet meer bedragen dan 100 m²; g. de goothoogte van bijgebouwen mag maximaal 3,65 meter bedragen; h. de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen.
75
3.2.4. Carports Voor het bouwen van een carport gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels: a. de oppervlakte van een carport mag niet meer dan 30 m2 bedragen; b. de carport dient minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning te worden gebouwd; c. carports moeten grotendeels worden opgericht naast de zijgevel van de woning; d. op een bouwperceel mag maximaal één carport worden opgericht; e. de bouwhoogte van een carport mag niet meer dan 3,25 meter bedragen. 3.2.5. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel niet meer dan 1 meter mag bedragen; b. de bouwhoogte van antenne- en vlaggenmasten mag niet meer dan 6 meter bedragen; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 1,5 meter bedragen; d. zwembaden mogen uitsluitend worden gebouwd op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘achtererf'. 3.3.
Nadere eisen Het bevoegd gezag is bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de situering en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van; 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; 2. de ruimtelijke of landschappelijke inpassing; 3. de verkeersveiligheid; 4. de sociale veiligheid; 5. de brandveiligheid; 6. de milieusituatie; 7. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen.
3.4. Specifieke gebruiksregels 3.4.1. Strijdig gebruik van de gronden Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen als zelfstandige woning; b. het gebruik van gronden voor de naar de weg gekeerde bouwgrens voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit.
76
3.4.2. Voorwaardelijke verplichting waterberging a. Het gebruik van de bebouwing binnen deze bestemming is niet toegestaan, zonder dat de aanleg van voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd conform het beleid zoals neergelegd in het op 15 december 2020 door de raad van de gemeente Goirle vastgestelde “Programma Water & Riolering 2021-2025, Op weg naar een klimaatrobuust Goirle” of de rechtsopvolger daarvan. b. de waterberging als bedoeld onder a, dient na realisatie duurzaam in stand te worden gehouden.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 5 Algemene bouwregels 5.1.
Overschrijding van bouwgrenzen Bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen, in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 van deze regels, worden overschreden ten behoeve van tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), liftkokers en -schachten, galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits: a. de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 meter; b. de bouwhoogte van erkers, entreeportalen en veranda's niet meer bedraagt dan de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van het betreffende gebouw; c. de breedte van erkers, entreeportalen en veranda's niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de betreffende gevel van het gebouw; d. de afstand van deze bouwdelen tot de bestemmingsgrens minimaal 3 meter bedraagt, daar waar het bestemmingsvlak grenst aan de weg.
5.2. Ruimte tussen bouwwerken 5.2.1. Algemeen De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van het bouwperceel zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende bouwperceel aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die: a. vanaf de hoogte van het bouwperceel tot 2,20 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn; b. niet toegankelijk zijn.
77
5.2.2. Afwijken Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.1. indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging van onderhoud van de vrij te laten ruimte. 5.3 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen 5.3.1 Parkeergelegenheid Bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw geldt dat ten behoeve van het parkeren en/of het stallen van auto's in de juiste mate ruimte wordt aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort, met dien verstande dat: a. de juiste mate van ruimte wordt bepaald op basis van de parkeernormen en berekeningsmethoden zoals opgenomen in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van het CROW van oktober 2012; b. de in lid 5.3.1, onder a, bedoelde ruimten voor het parkeren en/of stallen van auto's moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan als de parkeervoorzieningen ten minste de afmetingen hebben zoals bepaald in de 'Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom 2012' (ASVV 2012) van het CROW van december 2012; c. de in de aanhef bedoelde parkeerruimte duurzaam in stand gehouden wordt. 5.3.2.
Laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor laden en lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort. 5.3.3. Afwijking Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.3.1 en/of lid5.3.2: a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- en/of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. Artikel 6 Algemene gebruiksregels 6.1
Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, wordt in ieder geval gerekend: a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/ of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van 78
een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; c. de vestiging van inrichtingen als bedoeld in 2.1, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (inrichtingen die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken); d. een gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel, met uitzondering van een zodanig gebruik dat uitdrukkelijk is toegestaan in of krachtens deze regels; e. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van prostitutie, escortbedrijf, prostitutiebedrijf en/of seksinrichting.
79
Artikel 7 Algemene aanduidingsregels 7.1.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande beplanting; b. een en ander met dien verstande dat geen omgevingsvergunning is vereist voor het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande beplanting die, als zij volgroeid is, niet hoger is dan de hoogte van de gebouwen zoals in het plan is toegestaan.
7.1.1. Criteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.1 mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van het werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de windvang voor de molen en/of de beeldbepalende waarde van de molen. 7.1.2. Advies Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in lid 7.1 wint het bevoegd gezag daarover een schriftelijk advies in bij een deskundige moleninstantie, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning de windvang voor de molen of de waarde van de molen als beeldbepalend element niet onevenredig in gevaar wordt of kan worden gebracht. 7.1.3. Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.1 is niet vereist voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die : a. het normale onderhoud en beheer betreffen danwel gericht zijn op realisering van de doeleinden van de bestemming; b. op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.
80
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, bij een omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van: a. het gebruik van een vrijstaand of aangebouwd bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits: 1. het een vrijstaand of aangebouwd bijgebouw betreft behorende bij een woning binnen een bestemming waarbinnen een permanente (bedrijfs)woning is toegestaan; 2. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring van in ieder geval de behandelende huisarts; 3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; 4. de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m2; 5. het bijgebouw een onlosmakelijk geheel vormt met de woning van waaruit de mantelzorg wordt verleend; 6.
het bevoegd gezag verleent bedoelde omgevingsvergunning zowel op naam van de mantelzorgverlener als de mantelzorgontvanger onder de voorwaarden dat binnen vier weken na beëindiging van het gebruik van het vrijstaand of aangebouwd bijgebouw als afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg hiervan schriftelijk melding wordt gemaakt bij het bevoegd gezag en de gebruiksmogelijkheden van het vrijstaand of aangebouwd bijgebouw binnen twaalf weken na beëindiging van het gebruik als afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg ongedaan wordt gemaakt voor bewoning; b. het afwijken van de voorgeschreven maten voor de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en afstand van bouwwerken, dan wel een voorgeschreven bebouwingspercentage, eventueel met overschrijding van de bouwgrenzen binnen een bestemmingsvlak, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10% van de in deze regels voorgeschreven maten; c. het afwijken van bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak op de verbeelding, niet zijnde bestemmingsgrenzen, indien en voor zover afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen op de verbeelding is aangegeven niet meer dan 2,5 meter bedraagt; d.
de bouw van hogere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dan toegestaan ingevolge deze regels, met dien verstande dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag worden vergroot tot niet meer dan 10 meter; e. het oprichten van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, gedenktekens, geen gebouwen zijnde, en monumenten , geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van niet meer dan 15 meter;
81
f. het oprichten van zend-, ontvang-, sirenemasten en masten en installaties ten behoeve van telecommunicatie, al dan niet op of aan gebouwen of andere bouwwerken, met een oppervlakte van niet meer dan 60 m2 en een bouwhoogte van niet meer dan 40 meter, waarbij de mogelijkheden van gezamenlijk gebruik van deze voorzieningen zo veel mogelijk moeten worden benut; g. het realiseren van gebouwen en bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen en/of het opwekken van duurzame energie, tot maximaal 100 m2 (bruto vloeroppervlak) en een bouwhoogte van maximaal 3 meter; h. gevelisolatie en toestaan dat de aanduiding 'bouwvlak' wordt overschreden met maximaal 30 centimeter ten behoeve van gevelisolatie om energie te besparen.
Artikel 9 Algemene wijzigingsregels 9.1.
Algemene wijzigingen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening: a. de ligging van grenzen van bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen te wijzigen, met inachtneming van de volgende regels: 1. de bij de wijziging betrokken grenzen mogen ten hoogste 5 meter worden verschoven; 2. de oppervlakte van de bij de wijziging betrokken bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen mag ten hoogste 5% worden verkleind of vergroot ten opzichte van de oppervlakte vóór de wijziging; 3. door een wijziging mogen het straat-, bebouwings- en landschapsbeeld, het woon- en leefklimaat, de waterstaatkundige belangen, de ontwikkeling van omliggende bedrijven, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, niet onevenredig worden aangetast. b. het plan te wijzigen ten aanzien van het aanpassen van opgenomen regels in de voorafgaande artikelen, waarbij wordt verwezen naar regels in wettelijke regelingen en/of publicaties, indien deze wettelijke regelingen en/of publicaties na het moment van vaststelling van het plan worden gewijzigd.
82
Artikel 10 Algemene procedureregel 10.1. Nadere eis Bij het nemen van een besluit omtrent een nadere eis overeenkomstig een in het plan opgenomen regels over nadere eisen nemen burgemeester en wethouders de volgende regels in acht: a. het ontwerp-besluit ligt, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, twee weken ter inzage; b. van de terinzagelegging wordt tevoren in één of meer dag-, nieuws-, of huis-aanhuisbladen, of op een andere geschikte wijze kennis gegeven; c. de kennisgeving dient tevens langs elektronische weg te geschieden; d. de kennisgeving houdt mededeling in van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen; e. gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij het college van burgemeester en wethouders zienswijzen indienen tegen het ontwerp-besluit. Artikel 11 Overige regels De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, worden toegepast zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan, tenzij expliciet anders is geregeld.
83
HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS
Artikel 12 Overgangsrecht 12.1. Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 12.1, onder a, een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 12.1, onder a, met maximaal 10%. c. Lid 12.1, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2. Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder lid 12.2, onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in lid 12.2, onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Lid 12.2, onder a, is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
84
Artikel 13. Slotregel Deze regels worden aangehaald als: regels van het bestemmingsplan Bergstraat 104-104A (Goirle)
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van <datum vaststelling> .
De voorzitter,
De griffier,
85
Bijlage 1; Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Hierbij een overzicht van de geluidwerende voorzieningen waarmee kan worden voldaan aan de eisen die in het Bouwbesluit 2012 worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de gevel Eisen Karakteristieke geluidswering gevel Conform artikel 3.1 en 3.2 van het Bouwbesluit geldt voor nieuwbouw voor de vereiste karakteristieke geluidwering van de gevel (GA,k): Woonfunctie, verblijfsgebied: GA;k > geluidbelasting -33 dB met een minimum van 20 dB Woonfunctie, verblijfsruimte: GA;k > geluidbelasting -35 dB met een minimum van 18 dB Toetsing is gedaan op verblijfsgebiedniveau Geluidsbelasting De cummulatieve geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer op de gevel van Bergstraat 104 en 104a bedraagt 66 dB (rapport kenmerk 13.059). Bij een maximale geluidsbelasting van 66 dB ten gevolge van weg/railverkeerslawaai geldt: GA:k ≥ 33 dB(A) Bouwkundige uitgangspunten Gevelopbouw Uitgangspunt voor de gevel is van de woonkamer is een spouwmuur met een massa van minimaal 400 kg/m2. Geluidsisolatie RA 51 dB(A) (spectrum wegverkeerslawaai). Uitgangspunt voor de slaapkamer is een steensmuur met een massa van minimaal 400 kg/m². Geluidisolatie RA weg > 49 dB(A) (spectrum wegverkeerslawaai) Beglazing Bij de berekening is uitgegaan beglazing met opbouw 6-40-12 mm. Geluidsisolatie RA >35 dB(A) (geluidsisolatie spectrum wegverkeer).
Andere beglazingen met een minimaal gelijke geluidsisolatie zijn mogelijk. Bij door leverancier verstrekte laboratoriumgegevens moet rekening worden gehouden met een standaardcorrectie van –1.5 dB op de geluidsisolatiewaarde. Gerekend is met een luchtgevulde beglazing. Een gasvulling met Argon (zoals vaak bij HR++glas) heeft geen aantoonbaar effect op de geluidsisolatie en kan daarom gelijk worden gesteld aan een luchtgevulde beglazing. Kozijnen Houten, stalen of dubbelwandig kunststof kozijnen hebben een RA,weg ≥ 35 dB(A). Deze kozijnen hebben een geluidsisolatie die gelijk is aan de R A,weg van het glas dat in de berekeningen is aangehouden. De kozijnen zijn daarmee niet maatgevend ten opzichte van het glas. Kier- en naaddichting Bij de kozijnen moet rondom een goede dubbele kier- en naaddichting worden toegepast. De volgende zaken zijn van belang:
86
een goede kierdichting (buisprofiel met minimale indrukking van 3.5 mm) moet worden toegepast. Het is daarnaast noodzakelijk om meerpuntsknevelsluitingen aan te brengen en de kierdichtingsprofielen op de hoeken van het raam aan elkaar te lassen. De bewegende delen moeten zodanig zijn afgehangen dat de kierdichtingprofielen voldoende worden ingedrukt; naaddichting dient aan de binnenzijde te worden aangebracht. Om te kunnen spreken van goed gedichte naden (tussen niet bewegende delen), is toepassen van flexibele of duurzame, elastisch blijvende kitsoorten, bij voorkeur op siliconenbasis, vereist; de naaddichting bij de diverse bouwkundige aansluitingen dient zorgvuldig te worden uitgevoerd en bestaat uit een plastisch/elastische kit op rugvulling; maximale naadbreedte 10 mm; bij naadbreedten groter dan 5 à 6 mm verdient, in verband met de kitdosering, een opencellig kunststof schuimband als rugvulling aanbeveling. Opencellig schuimband is op zich niet geluiddicht. Dit is alleen het geval als het zodanig gebruikt wordt dat het sterk gecomprimeerd is in de eindsituatie (tot circa 25% van de oorspronkelijke dikte). Naden breder dan 20 à 30 mm kunnen niet goed worden gedicht en dienen daarom te worden vermeden; beglazing van alle gevels dient droog of met een tweezijdige kitafdichting te worden aangebracht.
Resultaten Een indicatieve berekening van de karakteristieke geluidwering van de gevel is gemaakt. Met de beschreven uitgangspunten bedraagt de karakteristieke geluidwering van de gevel waarmee wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. - Woonkamer: GA;k = 34 dB(A) - Slaapkamer GA;k = 34 dB(A) Ir. Ellen Granneman
87
88
Woonkamer Karakteristieke Geluidwering van de Gevel (GA;k)
gevelelementen spouwmuur beglazing 6-40-12 kierterm geluidsisolatie samengestelde gevel Ri [dB]
oppervlakte [m²] 10,6 6,1 4,5
125 41 25 0,0001 28,3
gevelstructuurcorrectie Cg [-] referentie nagalmtijd [sec] volume ruimte [m³]
0 0,5 73,138
geluidsisolatie samengestelde gevel Ri [dB] geluidwering gevel Gi [dB]
125 28,3 28,9
spectrum wegverkeerslawaai Ci [dB] Gi - Ci [dB]
-14 42,9
geluidwering gevel GA [dB(A)]
37,2
karakteristieke geluidwering gevel GA;k [dB(A)]
33,6
middenfrequentie octaafbanden [Hz] 250 500 1000 2000 46 52 59 64 31 39 40 40 0,0001 0,0001 0,0001 0,0001 33,5
38,0
38,4
n 1 R j ;i Dn ;e ;i 10 10 10 K 10 log S j 10 10 Ri j 1 S tot
51 35 40
38,5
V
G R 10 log 6 S 3 c T i
i
g
0
middenfrequentie octaafbanden [Hz] 250 500 1000 33,5 38,0 38,4 34,1 38,7 39,1 -10 44,1
-6 44,7
-5 44,1
Gi ci 10 log 10 10 GA V GA;k GA 10 log6 S T0
2000 38,5 39,1 -7 46,1
Snellere methode waarbij voor de geluidwering van de gevel in plaats van over alle vijf octaafbanden wordt gerekend met één getal (standaardspectrum voor wegverkeerslawaai):
gevelelementen
125
spectrum wegverkeerslawaai Ci [dB] spouwmuur beglazing 6-40-12 mm kierterm
-14 -55,0 -39,0
geluidisolatie gevel RA [dB(A)] geluidwering gevel GA [dB(A)]
36,2 36,8
karakteristieke geluidwering gevel GA;k [dB(A)]
33,2
middenfrequentie octaafbanden [Hz] 250 500 1000 -10 -56,0 -41,0
-6 -58,0 -45,0
-5 -64,0 -45,0
2000 -7 -71,0 -47,0
geluidsisolatie RA ;weg [dB(A) 51 35 0,0001
40
89
Woonkamer kozijn apart Karakteristieke Geluidwering van de Gevel (GA;k) kozijenen apart, 20% kozijnopv gevelelementen spouwmuur beglazing 6-40-12 kozijn kierterm geluidsisolatie samengestelde gevel Ri [dB]
oppervlakte [m²] 10,6 6,1 3,6 0,9
125 41 25 26 0,0001 28,4
gevelstructuurcorrectie Cg [-] referentie nagalmtijd [sec] volume ruimte [m³]
0 0,5 73,138
geluidsisolatie samengestelde gevel Ri [dB] geluidwering gevel Gi [dB]
125 28,4 29,1
spectrum wegverkeerslawaai Ci [dB] Gi - Ci [dB]
-14 43,1
geluidwering gevel GA [dB(A)]
37,0
karakteristieke geluidwering gevel GA;k [dB(A)]
33,3
middenfrequentie octaafbanden [Hz] 250 500 1000 2000 46 52 59 64 31 39 40 40 28 34 36 40 0,0001 0,0001 0,0001 0,0001 32,9
37,4
38,1
51 35 33 40
n 1 R j ;i Dn;e;i 10 10 10 K 10 log S 10 Ri j 10 j 1 S tot
38,5
V
G R 10 log 6 S 3 c T i
i
g
0
middenfrequentie octaafbanden [Hz] 250 500 1000 32,9 37,4 38,1 33,5 38,1 38,7 -10 43,5
-6 44,1
-5 43,7
Gi ci 10 10 log GA 10 V GA;k GA 10 log6 S T0
2000 38,5 39,1 -7 46,1
Snellere methode waarbij voor de geluidwering van de gevel in plaats van over alle vijf octaafbanden wordt gerekend met één getal (standaardspectrum voor wegverkeerslawaai):
gevelelementen
125
spectrum wegverkeerslawaai Ci [dB] spouwmuur kozijn beglazing 6-40-12 mm kierterm
-14 -55,0 -40,0 -39,0
geluidisolatie gevel RA [dB(A)] geluidwering gevel GA [dB(A)]
36,2 36,8
karakteristieke geluidwering gevel GA;k [dB(A)]
33,2
middenfrequentie octaafbanden [Hz] 250 500 1000 -10 -56,0 -38,0 -41,0
-6 -58,0 -40,0 -45,0
-5 -64,0 -41,0 -45,0
2000 -7 -71,0 -47,0 -47,0
geluidsisolatie RA ;weg [dB(A) 51 33 35 0,0001
90
Slaapkamer Karakteristieke Geluidwering van de Gevel (GA;k)
gevelelementen spouwmuur beglazing 6-40-12 kierterm geluidsisolatie samengestelde gevel Ri [dB]
oppervlakte [m²] 10,5 7,7 2,8
125 41 25 0,0001 30,0
gevelstructuurcorrectie Cg [-] referentie nagalmtijd [sec] volume ruimte [m³]
0 0,5 29,4
geluidsisolatie samengestelde gevel Ri [dB] geluidwering gevel Gi [dB]
125 30,0 26,7
spectrum wegverkeerslawaai Ci [dB] Gi - Ci [dB]
-14 40,7
geluidwering gevel GA [dB(A)]
34,2
karakteristieke geluidwering gevel GA;k [dB(A)]
34,5
middenfrequentie octaafbanden [Hz] 250 500 1000 2000 44 49 54 58 31 39 40 40 0,0001 0,0001 0,0001 0,0001 34,7
38,5
38,9
49 35 40
n
R j ;i Dn ;e ;i 1 10 10 10 K S 10 10 j j 1 S tot
R 10 log i
38,9
V 10 log 3 cg Gi Ri 6 T 0 S middenfrequentie octaafbanden [Hz] 250 500 1000 34,7 38,5 38,9 31,4 35,2 35,6 -10 41,4
-6 41,2
-5 40,6
Gi ci 10 log 10 10 GA V GA;k GA 10 log6 S T0
2000 38,9 35,6 -7 42,6
Snellere methode waarbij voor de geluidwering van de gevel in plaats van over alle vijf octaafbanden wordt gerekend met één getal (standaardspectrum voor wegverkeerslawaai):
gevelelementen
125
spectrum wegverkeerslawaai Ci [dB] spouwmuur beglazing 6-40-12 mm kierterm
-14 -55,0 -39,0
geluidisolatie gevel RA [dB(A)] geluidwering gevel GA [dB(A)]
37,3 34,0
karakteristieke geluidwering gevel GA;k [dB(A)]
34,3
middenfrequentie octaafbanden [Hz] 250 500 1000 -10 -54,0 -41,0
-6 -55,0 -45,0
-5 -59,0 -45,0
2000 -7 -65,0 -47,0
geluidsisolatie RA ;weg [dB(A) 49 35 0,0001
91
VERBEELDING
92
Legenda Plangebied
10 2
Be rgs tra at
5469
6915
10 4a 10 4 6 10 9 6
9
8 8-9
aEnkelbestemmingen 98 W Wonen
a
2
Bouwvlakken
[gs] 10 8
bouwvlak
Bouwaanduidingen
0a 11
0
7059
11
2624
2
7058
[bg]
bijgebouwen
[gs]
gestapeld
Maatvoeringen maximum aantal wooneenheden maximum goothoogte (m) maximum bouwhoogte (m)
11
2
3135
6
16 1
14
9
5721
3134
6a 1
3185
W
3186 4644 3187
[bg]
6954
Bestemmingsplan Bergstraat 104 - 104a
5720
Gemeente Bestemmingsplannummer Schaal van de verbeelding Status plan
: Goirle : NL.IMRO.0785.BP2021002BERGSTRAA-ow01 : 1:500 : ontwerp Datum tervisielegging ontwerp : 16-06-2022 Datum vaststelling : Datum uitspraak ABRS : Datum inwerkingtreding : : Datum onherroepelijk : BraGIS bv Getekend door
4306
6566
Blad
6995
:1
BESTANDSNAAM:
BergstraatGoirle.dwg