06a- Vast te stellen BP.pdf
Tekst van het document
GEMEENTE GOIRLE
B E S T E M M I N G S P L A N B E R G S T R A A T 10 4- 1 0 4A ( G O I R L E )
GEMEENTE BESTEMMINGSPLANNUMMER SCHAAL V AN DE V ERBEELDIN G STATUS PLAN DATU M TERVISI ELEGGING ONTWERP DATU M VAS TS TELLING
DATUM UI TSPRAAK ABRS DATUM IN WER KIN GTR EDIN G DATUM ONHERROEPELIJK NAAM EN ADRES OPS TELLER
`
: : : : : : : : : :
GOIR LE
N L . I M R O . 0 7 8 5 . B P 2 0 2 1 0 0 2 B E R G S T R A A - vg0 1
1:1000 Vastgesteld
16 juni 2022 t/m 27 juli 2022 20 december 2022
IR.B.A. (BART) VAN BERKEL
1
PLANTOELICHTING
2
INHOUDSOPGAVE PLANTOELICHTING
pagina
1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.
Inleiding Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Bij het plan behorende stukken Leeswijzer
5 5 6 6 6
2. 2.1. 2.2. 2.3.
Beschrijving plangebied Historische ontwikkeling Ruimtelijke en functionele structuur Technische infrastructuur
7 9 10
3. 3.1. 3.2. 3.3.
Ruimtelijk beleidskader Rijk Provincie Gemeente
11 13 16
4. 4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5.
Thematische beleidskaders Stedenbouwkundige uitgangspunten Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Volkshuisvesting Groen Verkeer en parkeren
18 19 20 22 22
5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6. 5.7. 5.8. 5.9.
Milieuaspecten Milieuhinder en bedrijven Externe veiligheid Kabels, leidingen en straalpad Geluid Lucht Geur` Bodem Natuur Milieueffectrapportage
25 27 30 30 31 33 34 35 37
6. 6.1. 6.2.
Water Beleid Huidige en toekomstige situatie
39 40
7. 7.1. 7.2. 7.3. 7.4.
Opzet planregels Plansystematiek Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels
44 44 44 47 3
7.5.
Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel
48
8. 8.1. 8.2.
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
49 50
Bijlagen 1. Eindverslag inspraakprocedure 2. Verslag overleg Besluit ruimtelijke ordening 3. Toelichting Staat van bedrijfsactiviteiten
52 57 60
Separate bijlagen Hier alle rapporten/onderzoeken kort noemen waar in de plantoelichting naar verwezen wordt: Bijlage 1; Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
85
4
HOOFDSTUK 1. INLEIDING 1.1.
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De gemeente wenst medewerking te verlenen aan het initiatief om de detailhandelsbestemming die rust op het perceel Bergstraat 104/104A te Goirle definitief te laten vervallen en in plaats daarvoor 1 extra woning in het bestaande bouwvolume toe te staan. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan “Wildackers-Abcoven” noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet immers voor het betreffende perceel in een gedetailleerde en louter op de huidige situatie afgestemde bestemmingsregeling (Detailhandel met ondergeschikt 1 woning) en biedt daarmee onvoldoende mogelijkheden voor het beoogde project. Aanpassing van deze regeling is dan ook gewenst en aan de orde. Het voorzetten van een detailhandel op deze locatie is niet wenselijk. Met het plan wordt de planologische gebruiksmogelijkheid gecreëerd om op het voornoemde perceel invulling te geven aan maximaal twee woningen. Het voorliggende bestemmingsplanherziening voorziet hierin.
1.2.
Ligging en begrenzing plangebied. Op onderstaande afbeeldingen is de ligging van de locatie aan de Bergstraat op kaart en luchtfoto weergegeven. Deze herziening van het bestemmingsplan “Wildackers-Abcoven” heeft betrekking op het perceel Bergstraat 104 en 104A te Goirle.
Afbeelding; kaart plangebied en omgeving (bron; https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/view)
5
Afbeelding; luchtfoto plangebied en omgeving (bron; https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/view) 1.3.
Vigerende bestemmingsplannen Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, gelden in het plangebied de volgende bestemmingsplannen. Bestemmingsplan
Vastgesteld
Inwerking
Onherroeplijk
ABRvS
Wildackers- Abcoven
04-03-2008
21-08-2008
21-08-2008
-
Parapluplan gemeente Goirle
12-03-2019
10- 05-2019
1.4.
Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouwen gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook de inhoud van het vigerend beleid beschreven en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.
1.5.
Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleidskader van rijk, provincie en gemeente. Het thematische beleidskader komt aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.
6
HOOFDSTUK 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, ofwel de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van deze situatie door middel van een beschrijving van de historische ontwikkeling, de ruimtelijke en functionele structuur. Vervolgens wordt de voorgestane ontwikkeling besproken. 2.1.
Historische ontwikkeling De oorsprong De naam Goirle is samengesteld uit de woorden "goer" (goir) en "loo". Het eerste betekent moeras of drassige grond, het tweede bos of open plek in het bos. Als plaatsnaam wordt Goirle voor het eerst genoemd in een charter uit 1298, waarin sprake is van de Ludensvoirt te Goirle. Voorts wordt de naam gebruikt in een oorkonde uit 1312 betreffende het goed Ter Loo op Abcoven aan de Leij en in een charter van 1315 als het goed Ter Venne genoemd wordt. Opgravingen die zijn gedaan bij de afbraak van de oude parochiekerk in 1896, toonden de aanwezigheid van een kerkje in de 12e eeuw. In die tijd maakte het kleine kerkdorpje deel uit van de heerlijkheid Tilburg. Reeds in 1795 bestonden er plannen om Goirle van Tilburg te scheiden, maar hiertegen werd door beide plaatsen geprotesteerd. Pas in 1803 werd Goirle een zelfstandige gemeente.
Afbeelding: kaart van de gemeente Goirle uit 1866 (Atlas van J. Kuiper)
18e eeuw: ontwikkeling vanuit de Grootte Akkers richting De Leij De gemeente Goirle heeft een oppervlakte van ruim 2.544 ha en wordt begrensd door de gemeenten Alphen en Riel, Tilburg, Hilvarenbeek en Poppel (B). Zeer bepalend voor de ontwikkeling en vorming van het gebied waren de verschillende waterlopen. Vanaf de tijd dat Goirle nog deel uitmaakte van het hertogdom Brabant, tot aan de totstandkoming van de rijksweg Tilburg-Turnhout in 1853 zou 7
er weinig veranderen in het straten- en wegenplan van het dorp. De waarschijnlijk oudste bebouwing is aangetroffen in het gebied van de vrij hoog gelegen Grootte Akkers. Door de verschuiving in de richting van de Leij ontstaan de wijken of herdgangen Abcoven en Kerk, en ten westen van de Grootte Akkers de herdgangen Dorp en Ven. In 1753 telde het dorp 132 woningen "daeronder begrepen kleijne hutten en keten" en maar een paar "stadsgewijze getimmerde huijzen". Met de aanleg van de rijksweg Tilburg-Turnhout verbeterde de infrastructuur in het dorp. 19e eeuw: groei van Goirle begint Als na 1850 de bevolking van Goirle flink begint te groeien, wordt voornamelijk gebouwd langs de oude kerkwegen en langs de nieuw aangelegde Tilburgseweg. Vooral het aantal arbeiderswoningen nam sterk toe. De voornaamste initiatiefnemers tot de bouw waren de fabrikanten en de landbouwers. Op het einde van de 19e eeuw is ook begonnen met de bouw van woningen langs bestaande akkerwegen, zoals de Molenstraat (achter de heuf), Groeneweg en Koude Pad. 20e eeuw: planmatige woningbouw Aan de woningbouw werd een nieuwe impuls gegeven door de Woningwet, die in 1901 tot stand kwam en waardoor het mogelijk werd om met rijkssteun woningen te bouwen en de volkshuisvesting te verbeteren.
Dit resulteerde onder andere in de Kalverstraat, om de arbeiders dicht bij de fabriek te kunnen huisvesten, de Hoogstraat en de St. Jansstraat. In die periode vindt ook het Oranjeplein haar oorsprong. Het werd aangelegd als groot kermisterrein, met de verwachting dat het centrum van Goirle zich daar zou ontwikkelen. De oorspronkelijk grote maat van het plein is te verklaren doordat er ruimte werd gemaakt voor een parochiekerk die op de plaats van het huidige groene deel zou komen. Rondom is planmatig woningbouw gerealiseerd. Tot in het midden van de 20e eeuw is het dorp binnen de grenzen van het huidige centrumgebied gebleven.
Afbeelding: kaart van de gemeente Goirle uit begin 20e eeuw Na de Tweede Wereldoorlog heeft Goirle grote groei gekend. Met de uitvoering van de bestemmingsplannen begon de groei van Goirle. Achtereenvolgens kwamen tot stand de woningen ten noorden van de Van Malsenstraat, plan West, de wijk Hoogeind, plan Abcoven en de wijken Grobbendonk, De Hellen en de Grootte Akkers. Tegelijkertijd begon rond 1970 de grootschalige sanering van de 8
oudere wijken en straten. Een voorbeeld daarvan is de aankoop in 1969 van de terreinen en opstallen van de voormalige Pijnenburg's Weverijen met woningen aan de Tilburgseweg, Groeneweg en Molenstraat. Op één villa na zijn alle gebouwen die bij de verkoop betrokken waren, verdwenen om plaats te maken voor de uitvoering van het centrumplan. Later zijn de wijken De Nieuwe Erven en De Hoge Wal tot stand gekomen. De woonwijk Boschkens, aan weerszijden van de Tilburgseweg (ten noorden van de Rillaersebaan is op het einde van de 20ste eeuw en begin 21ste eeuw gerealiseerd.
2.2.
Ruimtelijke en functionele structuur De Bergstraat is een woonstraat die als noordelijke ontsluitingsweg dient voor het centrum en de noordelijk gelegen wijken van gemeente Goirle. Het gebied waar de straat doorheen loopt gaat van landelijk aan de ene kant en industrieel aan de andere over naar een straat die richting centrum dichter bebouwd is met voornamelijk woningen. Omdat Goirle een lintbebouwing kent is de Bergstraat in het verleden de belangrijkste doorgaande weg geweest tussen Turnhout en Tilburg, het verklaart daarmee ook het brede wegprofiel. Met de aanleg van de N630 en meerdere ontsluitingswegen zoals Tijvoortsebaan en Nieuwkerksedijk is de Bergstraat niet meer de straat waar al het gemotoriseerde en zware vrachtverkeer over heen gaat. Inmiddels is de Bergstraat nog steeds een belangrijke ontsluitingsweg maar heeft door bovengenoemde verkeersmaatregelen nu meer het profiel van een woonstraat gekregen. In de directe omgeving van de Begstraat 104/104A bevinden zich voornamelijk kavels met een woonbestemming. Ten westen bevind zich het bedrijventerrein Tijvoort. Het plan betreft een het realiseren van 2 woningen binnen de bestaande bouwmassa, waarbij de bestemming Detailhandel vervalt. Woning 1 betreft een woning over 3 bouwlagen en is voorzien van een nieuwe achtertuin met tuinkamer op de begane grondvloer (door het deels slopen van de huidige bouwmassa).
Naast de begane grondvloer bestaat deze woning uit de huidige bovenwoning, waarbij de ontsluiting opnieuw wordt vormgegeven. Aan de achterzijde wordt een groot deel van het huidige dakterras verwijderd en blijft een kleinere tweede buitenruimte over in de vorm van een dakterras. Woning 2 betreft een woning over 1 bouwlaag welke voornamelijk is gesitueerd in de voormalige magazijn en werkplaatsen. Deze woning wordt tevens aan de voorzijde ontsloten (enige toegang tot openbaar terrein) binnen de oude bouwmassa (links vanaf de straatzijde) en beschikt over een inpandige parkeervoorziening. De woning heeft meerdere patiotuinen. De bestaande sheddakstructuur blijft bestaan en daarmee behoud de woning de bestaande spanten en kenmerkende dakvorm.
9
Afbeelding; Tekening situatie met 2 woningen en bijhorende buitenruimte
Afbeelding; Tekening aanzicht voorgevel
2.3.
Technische infrastructuur Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie.
10
HOOFDSTUK 3. RUIMTELIJK BELEIDSKADER Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader. 3.1.
Rijk Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 zou moeten uitzien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daarbij streeft het Rijk naar een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Daarnaast verstevigt de SVIR het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de SVIR nog meer bij de provincies en gemeenten gelegd. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het bestemmingsplangebied zodoende zeer beperkt blijft. De SVIR richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor onderhavig bestemmingsplan.
Door decentralisatie van bevoegdheden wordt het relevante beleidskader gevormd door de provincie Noord-Brabant en de gemeente Goirle. Conclusie. Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vind voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid In de zogenaamde Realisatieparagraaf (‘Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid’) zijn alle nationale ruimtelijke belangen uit de verschillende Planologische Kern Beslissingen en de voorgenomen verwezenlijking daarvan gebundeld. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. De Realisatieparagraaf is toegevoegd aan de Nota Ruimte en heeft de status van structuurvisie.
11
Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. AMvB Ruimte In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Geen van de in het Barro genoemde onderwerpen hebben echter betrekking op onderhavig bestemmingsplan. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 3.1.6 Bro opgenomen, de ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: "De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."(artikel 3.1.6, tweede lid, Bro). Uit jurisprudentie blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State woningbouwontwikkelingen vanaf 12 woningen beschouwt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Het voorliggende initiatief maakt de realisatie van twee (1 extra) woningen mogelijk en wordt daarmee niet beschouwd als stedelijke ontwikkeling waarvoor de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden.
12
Crisis- en herstelwet Met de Crisis- en herstelwet (Chw) wil het kabinet de procedures voor grote projecten versnellen. Hiermee wordt een stap gezet om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden. De Chw zorgt voor een toename van het aantal kwalitatief goede woningen en bedrijfslocaties. Integrale gebiedsontwikkeling krijgt een belangrijke impuls. Op het gebied van bedrijventerreinen ligt de nadruk op herstructurering. De regels uit de Chw betreffen in deze vooral het bestuursprocesrecht waardoor de doorlooptijd van procedures voor in de wet aangewezen projecten kan worden verkort. Conclusie De Chw is niet van toepassing op onderhavig bestemmingsplan omdat dit plan niet kan worden aangemerkt als een besluit dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een ruimtelijk project zoals omschreven in de Chw. 3.2.
Provincie Omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met de Brabantse Omgevingsvisie sluit de provincie met de hoofdopgaven aan bij rijksbeleid, Europese en mondiale doelstellingen. Het streven is dat de omgevingsvisie, hoewel formeel alleen zelfbindend, Noord-Brabant samenbindt. Want één ding is zeker; samenwerking is meer dan ooit nodig om de NoordBrabantse omgevingskwaliteit te bewaken en door te ontwikkelen. Waarbij ruimtelijke ordening dienend is aan maatschappelijke doelstellingen. Of het nu gaat om het verkleinen van sociale verschillen, het verbeteren van welvaart, of het gezonder, veiliger en duurzamer maken van onze leefomgeving. In de Omgevingsvisie Noord-Brabant heeft de provincie vier hoofdopgaven benoemd: werken aan de Brabantse energietransitie, werken aan een klimaatproof Brabant, werken aan de slimme netwerkstad, werken aan een concurrerende, duurzame economie. Hieraan ten grondslag ligt één basisopgave; de provincie streeft naar een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. De vier hoofdopgaven hebben een grote ruimtelijke impact. Noord-Brabant is te klein als alles naast elkaar plaatsvindt. Het wordt dus passen en meten, met opgaven naast, onder, boven en met elkaar. Meerwaardecreatie en meervoudig slim ruimtegebruik is noodzaak. De opgaven moeten we daarom altijd in onderlinge samenhang bezien.
Diep, rond en breed bekijken, dus. Als doel voor 2050 heeft de provincie het volgende gesteld: Noord-Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat de provincie op alle aspecten beter presteert dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Noord-Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal. Voor 2030 streeft de provincie naar het volgende: Noord-Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat de provincie voor alle aspecten voldoet aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle 13
cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak. Conclusie De omgevingsvisie van de provincie werkt niet direct door in dit bestemmingsplan, er wordt wel nadrukkelijk aansluiting gevonden bij de energietransitie door het hergebruik en verduurzamen van bestaande verouderde bouwmassa. Nadere regels van de provincie Noord-Brabant voor ruimtelijke projecten zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierna wordt ingegaan op deze verordening. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 hebben Provinciale Staten de “Interim omgevingsverordening Noord-Brabant” (hierna; IOV) vastgesteld. De IOV is op 5 november 2019 inwerking getreden. De IOV is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De IOV is daarbij een eerste stap op weg naar een omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 januari 2021 in werking. De IOV vervangt zes provinciale verordeningen en heeft de status van: Milieuverordening gebaseerd op artikel 1.2.
Wet milieubeheer; Verordening wegen gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2A Wegenverkeerswet; Verordening Ontgronden gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet; Verordening natuurbescherming gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming; Verordening ruimte gebaseerd op artikel 4.1. Wet ruimtelijke ordening en de Verordening water gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet. De IOV is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Enkele inhoudelijke wijzigingen zijn echter wel aangebracht. In hoofdlijnen gaat het om: o een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minde losse bijlagen; o aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de Omgevingswet; o aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. Zo wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor gemeenten. De instructieregels voor 14
gemeenten hebben tot doel dat de gemeenteraad de, in de omgevingsverordening opgenomen voorwaarden betrekt bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Vooruitlopende op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die wordt bepaald door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Op de kaart bij de omgevingsverordening wordt onderscheid gemaakt ins “Stedelijke gebied” en “Landelijk gebied”.
Afbeelding: uitsnede kaart interim omgevingsverordening met aanduiding plangebied (bron; https://noord-brabant.terceraro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO9930InterimOvrgc-0320 ) *in paars het concentratiegebied – instructieregels gemeenten stedelijke ontwikkeling en erfgoed aangegeven Conclusie Het plangebied is binnen de IOV aangeduid als 'bestaand stedelijk gebied: stedelijk concentratiegebied'. Bestaand stedelijk gebied is gebied dat het bestaande ruimtebeslag van een kern bevat ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies. Op deze gronden mogen stedelijke ontwikkelingen plaatsvinden. De voorgestane ontwikkeling is zodoende in overeenstemming met het provinciale beleid.
15
3.3.
Gemeente Omgevingsvisie De gemeente Goirle bereidt zich voor op de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2023 in werking treedt. Een van de (verplichte) instrumenten voor gemeenten, die voortvloeit uit de aankomende Omgevingswet, is de omgevingsvisie. In de omgevingsvisie zet de gemeente, samen met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en partners, de integrale koers uit op weg naar de toekomst, gericht op een fysieke leefomgeving waarin mensen gelukkiger, gezonder en veiliger zijn. De gemeente Goirle neemt de bestaande kwaliteiten van de gemeente als vertrekpunt en houdt daarbij rekening met uitdagingen die op ons afkomen in de aankomende decennia. Daarnaast bouwt de omgevingsvisie verder op eerder opgesteld beleid van de gemeente en andere overheden. De omgevingsvisie is op 21 december 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De locatie aan de Bergstraat is gelegen aan de rand van bedrijventerrein Tijvoort binnen het gebied woonwijken Goirle (Omgevingsvisie paragraaf 4.6). Het plan voorziet in het realiseren van een extra levensloopbestendige woning in een duurzame herontwikkeling. Conclusie. Het onderhavige bestemmingsplan past binnen de kaders van de Omgevingsvisie.
Bestemmingsplan Dit vigerende bestemmingsplan voorziet voor het betreffende perceel de huidige situatie bestemming; Detailhandel met ondergeschikt 1 woning en biedt daarmee onvoldoende mogelijkheden voor het beoogde project. De ambitie is om de Detailhandelfunctie te laten vervallen ten gunste van een woonbestemming met twee wooneenheden. Conclusie. Om de gewenste ontwikkeling bestemmingsplan opgesteld.
mogelijk
te
maken,
is
onderhavig
Toekomstvisie In 2013 is door de gemeenteraad de “Toekomstvisie gemeente Goirle 2020” vastgesteld onder de titel “Thuis in Goirle: groen, sociaal, ondernemend” vastgesteld. Kortweg werd aan dit document de subtitel “Toekomstvisie 2020”gegeven. Deze visie -gebaseerd op de drie kernbegrippen ‘groen, sociaal en ondernemend’- dient als leidraad voor de toekomstige beleidsontwikkeling. De ambitie voor Goirle in 2020 luidt: Onze inwoners voelen zich thuis in de gemeente Goirle, want Goirle is een groene, sociale en ondernemende gemeente. Goirle is Groen
16
De gemeente Goirle wordt gekenmerkt door het dorpse en landschappelijke karakter en is een prettige en groene woonomgeving, gelegen in het prachtige groen (bossen, beken, Regte Heide) en nabij de grote stad. Goirle is Sociaal De gemeente Goirle is een dynamische en levendige gemeente. De onderlinge sfeer is goed, open en positief. Ieder handelt vanuit zijn of haar eigen verantwoordelijkheid. Problemen worden door onze inwoners zoveel als mogelijk zelf opgelost. In laatste instantie biedt de gemeente een vangnet voor diegenen die daarop zijn aangewezen. We denken en handelen vanuit de ´menselijke maat´. De inwoners kennen elkaar en zijn betrokken bij hun directe naaste omgeving maar juist ook in buurten en wijken. We zijn er voor elkaar en zorgen voor elkaar als dat nodig is. Goirle heeft een actief verenigingsleven en er zijn veel vrijwilligers. We zijn trots op ons eigen karakter en onze eigen identiteit en houden deze graag in stand. Goirle is Ondernemend Binnen de gemeente Goirle zijn voldoende voorzieningen voor wonen, leven, onderwijs, recreatie en zorg aanwezig voor jong en oud, voor ieder wat wils. Economische ontwikkelingen in dat kader worden waar mogelijk ondersteund. In onze afwegingen maken we een verantwoorde keuze gericht op duurzaamheid. Daarbij wegen we economische en ecologische argumenten in samenhang en zorgen we voor balans.
We staan open voor nieuwe initiatieven van burgers, organisaties en ondernemers; soms initiëren we deze initiatieven zelf als we kansen zien of iets willen bereiken. Als gemeente kiezen we hierbij bij voorkeur een regierol. Conclusie De gemeentelijke toekomstvisie werkt direct door in onderhavig bestemmingsplan, in het onderhavige plan is aanvullende ruimte mogelijk voor groen binnen de bestaande bebouwing onder andere door het toevoegen van de (patio)tuinen.
17
HOOFDSTUK 4. THEMATISCHE BELEIDSKADERS In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema's. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van de kaders. Milieuaspecten en water komen aan bod in de volgende hoofdstukken. 4.1.
Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand Stedenbouwkundige uitgangspunten De stedenbouwkundige uitgangspunten blijven ongewijzigd, Het plan betreft een herziening van enkel de bestemming en niet de bouwmassa of ruimtelijke inpassing in haar plangebied. Op onderstaande afbeelding is deze massa weergegeven.
Afbeelding; bestaande bouwmassa
18
4.2.
Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Archeologie Omdat in groeiende mate het Europese archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in casu de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende: - de introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologische onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder; - de verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening. In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld.
Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport over te leggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist. Dit bestaat in de eerste plaats uit vooronderzoek: het bureauonderzoek en/of inventariserende veldonderzoek, elk met bijbehorende standaardrapportages. Tijdens het bureauonderzoek wordt gekeken naar wat er in historisch, archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht al bekend is over het plangebied. De volgende fase bestaat in veel gevallen uit een veldonderzoek. Dergelijk onderzoek heeft als doel kansrijke en kansarme zones te karteren. Hierbij kan booronderzoek plaatsvinden alsmede proefsleuvenonderzoek. De resultaten dienen vervolgens te worden gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase wordt van de aangetroffen vindplaatsen, ook wel site genoemd, de omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit vastgesteld om zo tot een oordeel over de behoudenswaardigheid te komen. Op basis van dit oordeel neemt de betrokken overheid een (selectie)besluit hoe met eventueel aanwezige vindplaatsen dient te worden omgegaan. Het plangebied kent een laag archeologische verwachtingswaarde. Conclusie Het plangebied is geheel bebouwd. Dit betekent dat de gronden bij het bouwrijp maken en het bodemarchief al is verstoord.
Dit in combinatie met de lage verwachtingswaarde van het plangebied, maakt het aantreffen van mogelijke archeologische waarden nihil waardoor verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. 19
4.3.
Volkshuisvesting Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' (Actualisering 202020) geeft inzicht in de veranderingen in de omvang, groei en samenstelling van de bevolking van de provincie Noord-Brabant. Deze prognoses zijn voor beleidmakers op elk maatschappelijk terrein, waaronder woningbouw en volkshuisvesting, van belang. Volgens de nieuwe provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose neemt het inwonertal van Noord-Brabant toe van 2.513.500 in 2017 tot een maximum van ruim 2.645.000 mensen aan het begin van de jaren ’40. Dit betekent dat de Brabantse bevolking de komende 25 jaar naar verwachting nog met ruim 130.000 personen zal groeien. De woningvoorraad bereikt eveneens een hoger maximum vergeleken met de vorige prognose uit 2014. De hogere bevolkingsgroei speelt hierbij uiteraard een rol. Samen met de vergrijzing en de individualisering leidt dit tot een sterke groei van het aantal huishoudens (en dus woningen). Verwacht wordt dat er in Brabant anno 2050 iets meer dan 1.260.000 woningen nodig zijn om in de woningbehoefte te kunnen voorzien, ruim 20.000 woningen meer dan de ramingen uit 2014. Dat betekent een toename van een kleine 160.000 woningen ten opzichte van de 1.104.000 die er aan het begin van 2017 in de provincie moeten staan.
De woningvoorraad blijft tot aan het einde van de prognoseperiode groeien, al vlakt de groei in de loop van de prognoseperiode wel sterk af. Al met al wacht Brabant de komende tijd nog een flinke woningbouwopgave, met een accent op de eerstkomende jaren. Tot 2030 zal de woningvoorraad nog met ruim 120.000 woningen moeten toenemen, gemiddeld genomen bijna 10.000 woningen (netto) per jaar. Dit om de verwachte groei van het aantal huishoudens op te kunnen vangen en bestaande woningtekorten terug te dringen. In lijn met het provinciale verstedelijkingsbeleid concentreert de groei van de woningvoorraad zich in de stedelijke gebieden Het beleid richt zich onder meer op: -het bouwen van voldoende woningen en -het voorzien in een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus. Het is dan ook van provinciaal belang, dat de regionale woningmarkt goed functioneert. Daarvoor worden in regionaal verband afspraken gemaakt. De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' geeft daarvoor, aangevuld met regionale woningbehoefteonderzoeken, waaronder het 'Woningbehoefteonderzoek Hart van Brabant' van 2017, de input. Regionaal perspectief op wonen De gemeente Goirle maakt samen met de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk deel uit van de regio 20
Hart van Brabant. Jaarlijks stelt deze regio, samen met de provincie NoordBrabant, het Regionaal Perspectief op Wonen vast. In dit perspectief zijn afspraken opgenomen over de kwantitatieve woningbouwopgave, voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de, hiervoor genoemde, periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkingsen woningbehoefteprognose. Op de ontwikkeldag (voorheen Regionaal Ruimtelijke Overleg) van 18 december 2019 zijn afspraken gemaakt over het maximum aantal te bouwen woningen tot 2029. Ook is afgesproken welke locaties regionale afstemming behoeven. Dit document is te vinden op de website van de provincie Noord-Brabant (https://groepen.pleio.nl/file/group/23150792/all#61258411). Op basis van de provinciale behoefteprognose is in de gemeente Goirle de kwantitatieve woningbehoefte voor de periode 2019-2020 840 woningen.
Woonvisie 2019-2022 Het gemeentelijk woonbeleid volgt uit de vierjaarlijkse woonvisie. De Woonvisie is vastgesteld door de gemeenteraad op 2 juli 2019. De behoefte aan kwalitatieve woningen “De afgelopen jaren hebben zich meer mensen in Goirle gevestigd dan dat er zijn vertrokken. De vertrekkers zijn vaker jongeren tussen de 15 en 25 jaar. Een deel vertrekt om werk- of studieredenen en een deel omdat ze in de gemeente geen passende woning kan vinden.” De verhuisgeneigde huishoudens met kinderen bestaat de voorkeur voor een grondgebonden woning, daar spelen wij met dit plan bewust op in. Wij brengen op bijzondere wijze binnen de bouwmassa bewust de herkenbare structuur van de woning met achtertuin terug gecombineerd met een renovatie van de huidige bovenwoning. Hiermee sluiten wij aan bij doelstelling 2 uit de woonvisie; zorgen voor kansen voor huishoudens die willen doorstromen Ook bij de tweede woning (voornamelijk gelegen binnen de bouwmassa in de oude werkplaatsen) is binnen het voorstel ruimte om de buitenruimte te optimaliseren en vergroten. Er wordt voorgesteld een deel van de bouwmassa te verwijderen ten behoeve van enkele nieuwe patiotuinen. Deze woning is gelijksvloer en sluit met zijn ruim opgezette open karakter goed in op doelstelling 2 uit de woonvisie; zorgen voor voldoende geschikte huisvesting voor ouderen en zorgbehoevenden.
Conclusie Binnen het voorstel ontstaat ruimte om de bestaande bebouwing te herwaarderen en voorzien van nieuwe geïsoleerde gevels, daken en vloeren. Het de volwaardige splitsing in 2 nieuwe woningen ontstaat de mogelijkheid tot het inbrengen van nieuwe duurzame installatietechniek, met het maken van 2 toekomstbestendige woningen sluit het voorstel goed aan bij doelstelling 7 uit de
21
woonvisie; het energieverbruik in woningen moet omlaag en de energie die wordt gebruikt moet duurzaam worden opgewekt Binnen de gemeente zijn veel potentiële woningbouwlocaties. Er moet daarom een zorgvuldige afweging plaatsvinden. Niet alleen omdat er niet meer woningen gebouwd 'mogen' worden, maar ook omdat wanneer er meer capaciteit wordt geboden dan er behoefte is, de kans groot is dat er uiteindelijk minder wordt gebouwd dan die behoefte. Bij te veel aanbod tegelijkertijd kunnen plannen elkaar onderling beconcurreren of zelfs elkaar in gijzeling nemen omdat bij geen van de plannen voldoende wordt afgenomen om te starten. 4.4.
Groen De gemeenteraad heeft op 11 maart 2014 het Groenstructuurplan vastgesteld. In dit plan wordt een lange termijn visie voor het gemeentelijk groen binnen de bebouwde kom weergegeven. De waardevolle groenstructuren uit dit plan zijn opgenomen op de Groene kaart. De Groene kaart is de basis voor het wel of niet verlenen van een kapvergunning voor bomen binnen de bebouwde kom. Er wordt binnen de huidige bebouwing ruimte gemaakt voor de toevoeging van groen buitenruimte. Ten behoeve van beide woningen zal ‘grijs’ worden opgeofferd voor ‘groen’ doormiddels van het toevoegen van verscheiden (patio) tuinen aan nieuwe buitenruimte ne onbebouwd oppervlakte. In 2016 heeft de gemeente Goirle het Landschapsbeleidsplan vastgesteld. Het landschapsbeleidsplan bestaat uit een robuust groen raamwerk, wat verschillende ontwikkelingen in de tijd kan opvangen, wat een aantrekkelijk, beleefbaar en gevarieerd buitgebied oplevert en wat het natuurnetwerk ondersteunt en aanvult. Het raamwerk bestaat uit de volgende lagen: het natuurnetwerk, de vier landschapsdelen, de drie beken, de lange lijnen van een aantal doorgaande routes en het routenetwerk. Elke laag heeft zijn eigen ruimtelijke karakteristiek en eigen spelregels ter ontwikkeling. Het Landschapsbeleidsplan bestaat uit twee delen.
In deel A wordt de visie op hoofdlijnen aangegeven en in deel B zijn inspirerende spelregels opgenomen, die richting geven aan toekomstige ontwikkelingen. In het landschapsplan wordt ook aandacht besteed aan biodiversiteit en klimaatadaptatie. Conclusie Het Landschapsbeleidsplan is niet van toepassing op het plangebied
4.5.
Verkeer en parkeren Verkeer Op 10 december 2013 heeft de gemeenteraad van Goirle een nieuw Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van het GVVP is het vastleggen van het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Goirle voor de periode 2013 tot 2023. Het beleid moet aansluiten bij de ambities en de speerpunten die de gemeente heeft en moet tevens passen binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen.
22
In het GVVP worden de thema's verkeersveiligheid, fiets, bereikbaarheid en verkeerscirculatie, voetgangers/minder validen, parkeren, openbaar vervoer en leefbaarheid en milieu besproken. Verkeer De verkeersdruk in de Bergstraat zal als gevolg van de beoogde planontwikkeling (netto toename van een woning: één bestaande woning) en het verwijderen van een detailhandel functie slechts in zeer beperkte mate toenemen. Aangezien er ruim voldoende capaciteit op de Bergstraat is kan geconcludeerd worden dat deze straat deze extra verkeersdruk aan kan. De ontwikkeling heeft geen verregaande negatieve gevolgen voor de verkeersdruk in de omliggende straten en wegen. Bereikbaarheid openbaar vervoer De dichtstbijzijnde bushalte is; Gorile Paralleleweg op circa 140 meter lopen afstand (Arriva) Conclusie. Het plangebied is voorzien van een goede aansluiting op openbaar vervoer en voegt zeer beperkt vervoerbewegingen toe aan de huidige verkeersituatie.
23
Parkeren Bij de vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Dit is in de planregels opgenomen. De parkeerruimte in dit deel van de Bergstraat is ruimschoots aanwezig. De parkeerbalans is gebaseerd op de normering van het CROW. In de parkeernormen voor Wonen is opgenomen dat er minimaal 1,4 parkeerplaats per woning (klein) moet worden gerealiseerd (kleine gestapelde woning). Deze parkeernorm is inclusief het aandeel dat benodigd is voor de parkeerbehoefte van het bezoek van bewoners. De norm voor de woningtypen in de Bergstraat is gesteld op 1,7-1,9 parkeerplaats per woningen. Daarvan wordt 0,3 beschouwd als het bezoekersaandeel. De oorspronkelijke bebouwing heeft een parkeerbehoefte van Woongedeelte )woning 1); 1,7 Bedrijfsdoeleinden; 1,66 x 3-4,5 (166 m2 commerciële ruimte) Totaal
6,7 – 9,2
Het voorgestelde plan heeft een parkeerbehoefte van Woning 1 1,7 Woning 2 1,9 Totaal
3,6
Voor de nieuwe ontwikkeling wordt netto 1 woning extra gebouwd en wordt de belasting van de detailhandel weggenomen uit het plangebied. Als resultaat zal overdag de parkeerbelasting afnemen. In het voorstel wordt aan de voorzijde een nieuwe inpandige garage gerealiseerd (ter plaatse van de oude onderdoorgang). Zo is voor de nieuwe woning in het achterste deel een op eigen terrein aanwezige parkeervoorziening voorzien en neemt de parkeerbelasting op openbaar terrein verder af. Conclusie. Het plan heeft een positieve bijdrage in de reductie van de parkeerbelasting aan de Bergstraat
24
HOOFDSTUK 5 MILIEUASPECTEN Dit hoofdstuk geeft aan hoe de milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. 5.1.
Milieuhinder en bedrijven Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakte van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie "Bedrijven en milieuzonering". In deze publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd.
Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van richtafstanden). Twee omgevingstypen De toelaatbaarheid van milieubelastende functies die volgende de VNG worden gehanteerd zijn afhankelijk van het type gebied. Er bestaan twee type gebieden: 1. een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied) of 2. een gebied met functiemenging. Binnen de gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies.
25
Invloed van de omgeving op het voornemen De ten zuidwesten aan het plangebied grenzende woningen aan de Bergstraat (even straatzijde) dienen als een 'rustige woonwijk' te worden aangemerkt. Ook de woningen aan de T-splitsing met de Parallelweg hebben die kenmerken. De locatie van het plangebied kan echter aangemerkt worden als gebiedstype 'gemengd gebied'. De volgende (bedrijfs)activiteiten bevinden zich in de directe nabijheid; Aan de Bergstraat 103 (direct aan de overzijde op de T-splitsing met de Besterdstraat) bevind zich Nemas Uitvaartverzorging en het afscheidhuis (locatie met bestemming gemend). Geldende regels conform het bestemmingsplan Tijvoort; Bedrijven op de begane grondlaag van de gebouwen, voor zover voorkomend in de categorie 1 en 2 van de 'Staat van bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein'. Voor betreffende activiteiten gelden geen beperkingen voor geur en stof. Voor geluid is het wegverkeer maatgevend, voor gevaar geldt voor enkele bedrijfsactiviteiten een straat van 10 meter, deze wordt ruimschoots gehaald. Aan de Besterdstaat 1(direct aan de overzijde op de T-splitsing met de Besterdstraat bevind zich Handelsonderneming Walsmits A.J. (locatie met bestemming bedrijventerrein).
Geldende regels conform het bestemmingsplan Tijvoort; ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met 2': bedrijven uit categorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein, evenals het gebruik van daarbij behorende installaties in dezelfde bedrijfscategorie; Voor betreffende activiteiten gelden geen beperkingen voor geur en stof. Voor geluid is het wegverkeer aan de Bergstraat maatgevend, voor gevaar geldt voor enkele bedrijfsactiviteiten een straat van 10 meter, deze wordt ruimschoots gehaald. Aan de Bergstraat 98-4 (binnengebied tussen huisnummer 96 en 102) bevind zich Stichting Hobbysoos Goirle. Geldende regels conform het bestemmingsplan Wildackers – Abcoven; Maatschappelijke doeleinden. Voor betreffende activiteiten gelden geen beperkingen voor geur, stof, geluid of gevaar. Aan de Bergstraat 100 (binnengebied tussen huisnummer 96 en 102) bevind zich aannemerij Vekemans BV. Geldende regels conform het bestemmingsplan Wildackers – Abcoven; ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met 2': bedrijven uit categorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein, evenals het gebruik van daarbij behorende installaties in dezelfde bedrijfscategorie; Voor betreffende activiteiten gelden geen beperkingen voor geur en stof.
Voor geluid is het wegverkeer aan de Bergstraat maatgevend op de voorgevel, de gevels die Noord zijn georiënteerd (naar betreffende plangebied) zijn gesloten gevels, voor gevaar geldt voor enkele bedrijfsactiviteiten een straat van 10 meter, deze wordt ruimschoots gehaald (tussenliggende bebouwing op nummer 102). In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen agrarische bedrijven waarvan de milieuzonering van invloed is op de plannen voor het 26
plangebied. Voor betreffende activiteiten gelden dus geen beperkingen voor geur, stof, geluid of gevaar.
5.2.
Externe veiligheid
Afbeelding; risico analyse omgeving Bergstraat te Goirle (bron; https://www.risicokaart.nl/ ) Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron.
Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de
27
punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10 -6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - de kans op een ongeval; - het effect van het ongeval; - het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; - de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht. Inrichtingen In dit bestemmingsplan liggen geen risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen. Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour, die van invloed is op het onderhavige plangebied. Het bestemmingsplan maakt voorts geen ontwikkelingen mogelijk, die een vergroting van het groepsrisico met zich brengen. Transport Het niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen in de gemeente Goirle vindt plaats over de weg.
In de gemeente is geen sprake van vervoer per 28
spoor en vervoer over water. De dichtstbijzijnde transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd betreft de A58, die op een afstand van circa 2,5 km ten noorden van het plangebied is gelegen. Voor deze transportroute is een invloedsgebied van 4 km vastgesteld voor een toxisch scenario. Hier ligt het plangebied dus in. Op grond van het Bevt zal het groepsrisico derhalve verantwoord moeten worden. Om de externe veiligheidsaspecten vanwege transport over de weg van gevaarlijke stoffen te boordelen is gebruikgemaakt van de Risicoatlas wegtransport gevaarlijke stoffen (Rijkswaterstaat, 2003). De risicoatlas kan worden gebruikt om na te gaan waar er aandachtspunten voor de externe veiligheid er zijn, die bij lokale planontwikkeling gedetailleerd dienen te worden beoordeeld. De aandachtspunten voor het plaatsgebonden risico betreffen de wegvakken waar het plaatsgebonden risico groter is dan 1.0 10 -6 /jr. De aandachtspunten voor het groepsrisico betreffen de kilometervakken van wegen waar het groepsrisico groter is dan de oriënterende waarde. Voor het gedeelte van de rijksweg A58 ten noorden van Goirle geldt dat het groepsrisico lager is dan de oriënterende waarde. Voor het plaatsgebonden risico geldt voor het wegvak van de A58 ten noorden van Goirle dat de 10E-7 contour ligt op 50 meter en meer gemeten tot midden van de weg.
Aangezien de afstand van deze transportas tot het plangebied groot genoeg is, is er geen sprake van een overschrijding van de normen voor externe veiligheidsrisico's. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het oogpunt van externe veiligheid vanwege transport van gevaarlijke stoffen geen belemmeringen bestaan voor een goed woon- en leefmilieu. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In en rond het plangebied liggen geen leidingen welke relevant zijn voor de externe veiligheid Vuurwerk Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstand wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst.
De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 8 meter in de voorwaartse richting tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten.
29
Voor bedrijven die meer dan 10.000 kg opslaan, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een grotere afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts). In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen.
Groepsrisicoverantwoording Bij het vaststellen van het bestemmingsplan dient het groepsrisico, conform artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) verantwoord te worden. Dat houdt in, dat de hoogte van het groepsrisico bekend moet zijn en tevens de bijdrage van het ruimtelijk plan aan het groepsrisico (verhoging/verlaging). Er moet inzicht gegeven worden in de te verwachten dichtheid van personen in de invloedsgebieden van risicobronnen binnen èn buiten het plan. Tevens dienen de maatregelen ter beperking van het groepsrisico te worden meegenomen. Verder dient volgens deze artikelen/regelingen advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio. Het plangebied ligt echter niet binnen een invloedsgebied. Derhalve is een verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde. Conclusie Ten aanzien van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling.
5.3.
Kabels, leidingen en straalpad In of nabij het plangebied liggen geen planologische relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden.
5.4.
Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, industriële activiteit en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Wegverkeer Binnen het plangebied zijn geluidsgevoelige bestemmingsplannen gelegen binnen de zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen"). Het betreft woningen. Voor deze geluidsgevoelige bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door mevr. Ir. E. Granneman) en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wgh. 30
Conform artikel 3.1 en 3.2 van het Bouwbesluit geldt voor nieuwbouw voor de vereiste karakteristieke geluidwering van de gevel (GA,k): • Woonfunctie, verblijfsgebied: GA;k > geluidbelasting -33 dB met een minimum van 20 dB • Woonfunctie, verblijfsruimte: GA;k > geluidbelasting -35 dB met een minimum van 18 dB De cumulatieve geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer op de gevel van Bergstraat 104 en 104a bedraagt 66 dB (rapport kenmerk 13.059). Bij een maximale geluidsbelasting van 66 dB ten gevolge van weg/railverkeerslawaai geldt: GA:k ≥ 33 dB(A)
In bijlage 1 is het akoestisch onderzoek opgenomen. Industrie Het plangebied ligt niet binnen en zone/contour van een ingevolgde de Wgh gezoneerd industrieterrein. Ook zijn er in of in de directe omgeving van het plangebied geen nieuwe industrieën voorzien. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van andere geluidhinderlijke inrichtingen die van invloed zijn op de ontwikkelingen binnen het plangebied.
Railverkeer Binnen de gemeente Goirle bevinden zich geen spoorwegen. Ook laat het bestemmingsplan geen nieuwe spoorwegen toe. Een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is niet aan de orde. Conclusie Een indicatieve berekening van de karakteristieke geluidwering van de gevel is gemaakt. Met de beschreven uitgangspunten bedraagt de karakteristieke geluidwering van de gevel waarmee wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. - Woonkamer: GA;k = 34 dB(A) - Slaapkamer GA;k = 34 dB(A) Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting van 66 dB op de gevel boven de voorkeurgrenswaarden ligt. De karakteristieke geluidwering van de gevel (GA;k) is 34 dB. In het kader van de Wgh gelden geen restricties voor het onderhavig bestemmingsplan. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan 5.5.