06 Bijlage 2 - ontwerpbestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat de gemeente Goirle in de jaren 2018-2028 gemiddeld 100 woningen per jaar wil realiseren. 80-90% van dit aantal wordt gerealiseerd in Goirle en 10-20% van dit aantal wordt gerealiseerd in Riel. De woningen die op de locatie Bakertand gerealiseerd mogen worden vallen buiten deze ambities. De gemeentelijke bouwopgave wordt jaarlijks in regioverband berekend. Bij voorkeur voegt de gemeente Goirle woonmilieus toe waar op lange termijn een tekort aan ontstaat en waarvan er onvoldoende vrijkomen door doorstroming. Aanvullend voegt de gemeente Bakertand Pagina 27 van 65
woonmilieus toe die al in relatief ruimte mate beschikbaar zijn. Hierbij gaat het om het strategisch sturen op toevoegingen aan de woningvoorraad en de woonmilieus. Conclusie Onderhavig plan bevat een gedifferentieerd woningaanbod dat aansluit op de vraag naar woningen binnen de gemeente. In paragraaf 3.1.2 is ingegaan op de woningbouwbehoefte. Het te realiseren programma is in overeenstemming met de woonvisie.
4.5
Groen
Op 9 november 2021 is het Programma groen vastgesteld. Dat programma geeft aan wat de ambities van de gemeente zijn op het gebied van groen. Het programma vervangt het Groenstructuurplan uit 2014. De Bakertand is binnen het programma groen slechts op hoofdlijnen opgenomen. Uitgangspunten zijn het inzetten van groen ten gunste van biodiversiteit en klimaatadaptatie. Daarnaast is er het streven naar zoveel mogelijk behoud van bestaande bomen waar dat kan. Verder is Bakertand opgenomen in het landschapsbeleidsplan: Bakertand (Gemeente Tilburg) zal waarschijnlijk over gaan naar de gemeente Goirle. Hierdoor krijgt de gemeente Goirle de mogelijkheid zich aan de A58 te presenteren als vitale, ondernemende en groene gemeente. Inpassing van Bakertand en omgeving in een groen kader langs de A58 biedt kans om de verschillende natte en droge bosgebieden langs de A58 met elkaar te verbinden en de Oostplas te versterken zowel ecologisch als recreatief. Er kan een uitgebreid plas-dras natuurgebied in het beekdal van de Leijen ontstaan in samenhang met de Oostplas. In het noorden van het plangebied zal een natuurontwikkeling plaatsvinden. De groene natuurzone kan mogelijk onderdeel worden van de ecologische hoofdstructuur en is tevens een zone waar water vanuit de wijk wordt opgevangen en waar ruimte is voor recreatie vanuit de woonwijk. In de natuurzone is sprake van extensieve recreatie.
Er komen wel paden maar geen grootschalige elementen of speeltuinen. Om het geluid van de snelweg tegen te houden wordt de noordzijde begrensd met een groene geluidswal. Ook in het plan is groen een belangrijk thema. Dit uit zich in de zogenaamde groene vingers. Dit zijn robuuste groene openbare ruimtes die vanuit de noordelijke zone de wijk in trekken. Deze ruimtes zijn belangrijke collectieve groene ruimtes in het plan. De plekken nodigen uit tot ontmoeting en beweging rondom de speelvoorzieningen en vele wandelpaden in het plangebied. In het plan Bakertand is ruimte gereserveerd voor ten minste 4 speelplekken en een speelveld ten westen van de Abcovenseweg en 1 speelplek en 1 speelveld ten oosten van de Abcovenseweg.
4.6
Verkeer en parkeren
4.6.1
Ontsluiting voor autoverkeer
In het kader van het stedenbouwkundige onderzoek is een aantal ontsluitingsstructuren onderzocht, die van elkaar verschilden ten aanzien van de wijze waarop de wijk is aangesloten op het externe wegennet en de opzet van de interne verkeersstructuur (zie Bijlage 6). Bij de beoordeling is gekeken naar de bereikbaarheid en de belasting voor het wegennet van Goirle en specifiek naar de aansluitpunten op de Abcovenseweg en de Rillaersebaan. Uit de analyse van de verkeersstromen en de verkeersafwikkeling wordt geconcludeerd dat het voor alle varianten noodzakelijk is om maatregelen te nemen. Dit wijst er op dat met name de aangepaste wijze van aansluiten van de Bacseweg/Nieuwe Tilburgseweg, waardoor de verkeersbelasting op het kruispunt wijzigt, nadrukkelijk de afwikkeling op het kruispunt beïnvloedt. Deze aangepaste wijze van aansluiten is uitgangspunt voor alle varianten. Vanwege het effect van de Bacseweg op de verkeersintensiteiten is de wijze van ontsluiten en
Bakertand Pagina 28 van 65
aansluiten van Bakertand niet onderscheidend en is er zo bezien dus vanuit de verkeersafwikkeling geen reden om voor één van de varianten voor de verkeersstructuur te kiezen. De aansluiting op de Rillaerse Baan kan zonder aanvullende maatregelen worden gerealiseerd met een voorrangskruispunt. De Abcovenseweg is de ‘gevoelige schakel’ in de verkenning van de ontsluiting van de wijk Bakertand. Door de realisatie van Bakertand zal de intensiteit van de weg toenemen. De toename van de verkeersintensiteit verschilt tussen de varianten voor de ontsluiting van de wijk maar beperkt (3 à 4 % verschil). De verkeersbelasting van de Abcovenseweg is dan ook geen bepalende factor voor de keuze voor de ontsluiting van de wijk. Dit geldt zowel voor het westelijk deel van de wijk als voor het oostelijk deel. Op basis van dit onderzoek is de verkeersstructuur gekozen.
De nieuwe wijk is op de volgende wijze ontsloten op het externe wegennet: westelijke deel van de wijk: aansluiting op de Abcovenseweg ter hoogte van de huidige aansluiting van de Bakertand aansluiting op de Rillaersebaan tegenover de Guido Gezellelaan oostelijke deel van de wijk: aansluiting op de Abcovenseweg ter hoogte van de huidige aansluiting van de Bakertand; de ontsluitingsstraat van dit deel van de wijk loopt vanaf deze aansluiting naar de Hoge Wal; de Hoge Wal is direct zuidelijk van het punt waar de ontsluitingsstraat aansluit voor autoverkeer onderbroken – er is wel een verbinding met de Lage Wal; het appartementengebouw sluit aan op de Hoge Wal direct nabij het punt waar de Hoge Wal op de Lage Wal aansluit. De aansluiting op de Abcovenseweg zal worden vormgegeven door een rotonde waarbij aan de westelijke tak de ontsluitingsstraat van het westelijke deel van de wijk aansluit waarvan de oude weg Bakertand weer aftakt. Aan de oostelijke tak sluit de Bacseweg aan, waar vervolgens de ontsluitingsstraat van het oostelijke deel van de wijk van aftakt. De verbinding naar de Lage Wal die in de oorspronkelijke situatie verliep via twee wegen met éénrichtingsverkeer (de Nieuwe Tilburgseweg en de Bacseweg) gaat in de nieuwe situatie via de Bacseweg die tweerichtingsverkeer krijgt. Het profiel van de Bacseweg wordt hiertoe aangepast.
Op de Rillaersebaan wordt aangesloten met een rotonde. De Abcovenseweg en de Rillaersebaan zijn de belangrijkste verbindingen voor verkeer van de nieuwe wijk. Daarnaast zal de bestaande route via de Lage Wal door autoverkeer worden gebruikt als verbinding met de aansluiting op de A58 via de N269 (aansluiting Tilburg Centrum). De Abcovenseweg heeft een functie als gebiedsontsluitingsweg. De bebouwde-komgrens zal worden verlegd naar het punt ten noorden van de nieuwe rotonde. Op het gedeelte tussen de rotonde Bakertand en de rotonde Rillaersebaan zal als nieuwe maximum snelheid gelden 50 km/uur. De functie van de weg blijft in de nieuwe situatie gebiedsontsluitingsweg. De interne ontsluitingsweg van het westelijke deel van de wijk is vormgegeven als een lang 'lint' waar bebouwingsclusters op zijn aangesloten. Het gebied is zo in twee richtingen ontsloten. De woningclusters zijn grotendeels via U-structuren ontsloten – zo is het mogelijk om de meeste woningen via twee routes te bereiken. Een klein deel van de woningen is bereikbaar via een doodlopende weg. Op de oude Bakertand zijn de nieuwe woningen via doodlopende zijwegen ontsloten en in het oostelijke wijkdeel is een deel van de woningen via een U-vormige route bereikbaar en een deel via een korte doodlopende ontsluiting.
Bakertand Pagina 29 van 65
4.6.2
Verkeersintensiteiten
In 2021 is door Goudappel Coffeng een verkeersonderzoek voor de ontwikkeling Bakertand afgerond. Bij het verkeersonderzoek is toentertijd gebruik gemaakt van het Tilburgse verkeersmodel Tilburg V13 (BBMA2014). De afgelopen jaren is de provincie Noord-Brabant bezig geweest met het opstellen van nieuwe regionale verkeersmodellen (BBMA2018). Dit verkeersmodel is momenteel beschikbaar. Om de zorgvuldigheid/keuzes in het onderzoek verder te verstevigen heeft Goudappel Coffeng eind 2022 een update van het verkeersonderzoek Bakertand uitgevoerd aan de hand van het nieuwe verkeersmodel. In dit onderzoek (zie Bijlage 7 voor de rapportage en Bijlage 8 voor de bijbehorende uitgangspunten) zijn de verkeerseffecten van het voorkeursalternatief Bakertand beschreven. De ontwikkeling Bakertand voorziet in de realisatie van 700 woningen. De verkeerseffecten van deze ontwikkeling zijn met behulp van het verkeersmodel inzichtelijk gemaakt. Het verkeersmodel voor het prognosejaar 2030 (BBMA 2018 Midden-Brabant) is hiervoor gebruikt. Hierbij zijn de ruimtelijke ontwikkelingen in Goirle (tot 2030) aangeleverd door de gemeente en toegevoegd aan de referentiesituatie. Daarnaast is de ontwikkeling Stappegoor in het zuiden van Tilburg meegenomen in de verkeersmodelberekeningen (1.000 woningen).
In totaal zijn er twee verkeersmodelberekeningen uitgevoerd, te weten een nieuwe referentiesituatie 2030 en het voorkeursalternatief Bakertand 2030 (inclusief 700 woningen in Bakertand). Voorafgaand aan de verkeersmodelberekeningen is een validatie uitgevoerd van de modelwaarden. Op elf wegvakken is een vergelijking gemaakt tussen telcijfers (aangeleverd door de gemeente Goirle) en de modelwaarden in het basisjaar 205 en prognosejaar 2030. Hieruit bleek dat in het verkeersmodel sprake is van een overschatting van de verkeersintensiteiten op de Tilburgseweg en een onderschatting op de Rillaerse Baan. De overige telpunten zijn grofweg overeenkomstig met de modelwaarden zoals voorzien in het verkeersmodel (BBMA 2018; VKA Bakertand). In het verkeersonderzoek is rekening gehouden met deze afwijkende telwaarden op beide wegen. Toename verkeersintensiteiten In totaal genereert de ontwikkeling Bakertand 3.800 extra verkeersbewegingen per etmaal ten opzichte van de referentiesituatie 2030 (afgerond op 100-tallen). Dit is omgerekend circa 5,4 autoritten per dag per woning. De grootste toenames in verkeersintensiteiten zijn zichtbaar op de twee ontsluitende wegen (Rillaerse Baan en de Abcovenseweg) en de daaraan gelegen Lage Wal (+1.000) en Stappegoorweg (+1.300).
Vanaf De Lage Wal verspreid het verkeer zich verder over de N269 terwijl het verkeer vanaf de Stappegoorweg verder ontsluit over de Ringbaan Zuid. In het zuidwesten rijdt het grootste gedeelte van het nieuwe verkeer over de Rillaerse Baan waarover het zich verder over het netwerk verspreid.
Verkeersveiligheid Voor de wegvakken met verkeerstoenames van minimaal 500 motorvoertuigen per etmaal, uitgezonderd de A58 en N269 (stroomfunctie), is de verkeersveiligheid getoetst op het gebied van grenswaarden voor intensiteiten, de veiligheid van de fietsvoorzieningen en de oversteekbaarheid. Kijkend naar de grenswaarden van de verkeersintensiteiten en veiligheid van de fietsvoorzieningen is de toename van het aantal verkeersbewegingen op de Lage Wal een aandachtspunt. Vanuit de basisprincipes van Duurzaam Veilig zouden bij de toekomstige intensiteiten op deze weg (4.100 motorvoertuigen per etmaal) gescheiden fietsvoorzieningen gerealiseerd moeten worden ten behoeve van de verkeersveiligheid. De gemeente Goirle is reeds voornemens om een vrijliggend fietspad te realiseren. Van de getoetste wegvakken is er op de Stappegoorweg en de Ambrosiusweg sprake van enkele oversteken waar de mate van oversteekbaarheid vanwege hoge verkeersintensiteiten een aandachtspunt is. Dit zijn echter autonome knelpunten die reeds bestaan zonder de ontwikkeling Bakertand. De ontwikkeling Bakertand draagt hier slechts met enkele procenten aan bij.
Bakertand Pagina 30 van 65
Verkeersafwikkeling Om in beeld te brengen of de woningbouwontwikkeling effect heeft op de mate van verkeersafwikkeling zijn in totaal negen kruispuntberekeningen uitgevoerd. Voor drie rotondes op de Rillaerse Baan zijn kruispunttellingen uitgevoerd in de avondspits; voor de overige getoetste kruispunten is gebruik gemaakt van verkeerscijfers uit het verkeersmodel. Uit de kruispuntberekeningen blijkt dat twee kruispunten niet in staat zijn om het extra verkeer af te wikkelen. De rotondes Rillaerse Baan – Boschring – Kempenlaan en Rillaerse Baan – Tilburgseweg hebben (o.b.v. de uitgevoerde kruispunttellingen) reeds een matige verkeersafwikkeling. In de referentiesituatie 2030 stijgt de verzadigingsgraad tot boven de gestelde grenswaarde en is sprake van een slechte verkeersafwikkeling. Deze verslechtering van de verkeersafwikkeling is toe te rekenen aan de autonome verkeersgroei in Goirle. Bij realisatie van Bakertand stijgt de verzadigingsgraad licht op beide rotondes en wordt het circa 2 tot 4% drukker. Het planeffect van de ontwikkeling Bakertand is zodoende beperkt. De verkeersafwikkeling verslechterd dus wel bij realisatie van Bakertand, maar dit is met name een autonoom knelpunt dat niet toe te rekenen is aan de ontwikkeling Bakertand. 4.6.3
Parkeren
Voor het voorzien in parkeerplaatsen zijn de gemeentelijke parkeernormen gehanteerd. Deze zijn weergegeven in tabel 4-2: Functie
Parkeernorm incl. bezoek
CPO woningen
2,1 pp per woning
Rij-/hoekwoningen
1,9 pp per woning
2/1 kapwoningen en vrijstaande woningen
2,1 pp per woning
Rijwoningen sociaal
1,65 pp per woning
Tiny houses
1,6 pp per woning
Appartementen sociaal
1,55 pp per woning
Maatschappelijke functies (school) Tabel 4-2
0,75 pp per klaslokaal
Parkeernormen (Nota Parkeernormen en uitvoeringsregels, augustus 2011)
Het stedenbouwkundige plan is getoetst op het aantal parkeerplaatsen dat aanwezig is op eigen terrein bij de woningen plus het parkeren in openbaar gebied. Bij parkeren op eigen terrein is rekening gehouden met gedeeltelijk gebruik van garages en opritten op basis van het beleid van de gemeente. In het plangebied zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig, zoals blijkt uit het schetsboek (bijlage 4). In de regels van dit bestemmingsplan wordt geborgd dat voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd en in stand gehouden.
Bakertand Pagina 31 van 65
4.6.4
Ontsluiting voor fiets en voetganger
Goede bereikbaarheid per fiets is een belangrijke kwaliteit voor de wijk. Het draagt bij aan het zo laagdrempelig mogelijk maken van het fietsgebruik. Zo worden de bewoners gestimuleerd om in plaats van de auto de fiets te gebruiken. Een zo milieuvriendelijk mogelijk vervoerspatroon draagt bij aan het zo laag mogelijk houden van de milieubelasting. Verder is de fietsroute langs de muurzone belangrijk voor de veilige fietsverbinding vanuit Bakertand en Boschkens naar centrum Goirle. De belangrijkste fietsverbindingen lopen via de ongelijkvloerse kruising over de Rillaersebaan naar het vrijliggende fietspad Doctor Willem Dreespad (aan de uiterste westzijde, verbinding naar het centrum van Goirle), via de Abcovenseweg / rotonde Rillaersebaan (fietspaden aan weerszijden van de weg) en via de Hoge Wal (een rustige straat zonder fietsvoorzieningen). Fietsers richting Tilburg kunnen gebruik maken van de Abcovenseweg of (voor het westelijke deel van de stad) via de Bakertand naar de Tilburgseweg. In de toekomst wordt wellicht in het plangebied tevens een fietsverbinding richting Tilburg, over de A58, gerealiseerd. Hiervoor is ruimte gereserveerd in dit plan. Ten tijde van het opstellen van dit bestemmingsplan is deze fietsverbinding nog in studie. Er heeft nog geen definitieve besluitvorming over plaatsgevonden.
Voor voetgangers is de verbinding via het Doctor Willem Dreespad ook voorzien van een aanliggend voetpad. Het oostelijke deel van de wijk is voor voetgangers verbonden met het centrum van Goirle via de Abcovenseweg-zuid. 4.6.5
Openbaar vervoer
De ontwikkeling van 700 woningen in Bakertand geeft aanleiding om de OV-voorzieningen in de nabije omgeving onder de loep te nemen. De voorgenomen woningbouwontwikkeling is immers gebaat bij voldoende en kwalitatief goede OV-voorzieningen als volwaardig alternatief voor de auto. De dichtstbijzijnde bushalte is gelegen aan de Abcovenseweg (ter hoogte van nummer 47A). Dit betekent dat een groot deel van de te realiseren woningen in Bakertand op meer dan 400 meter afstand zijn gelegen van de dichtstbijzijnde OV-halte. Een deel van de OV-reizigers uit Bakertand zullen daarom met de fiets naar de bushalte willen reizen. Daarom is het gewenst om een aantal fietsenstallingen te realiseren bij de bushalte Abcovenseweg. De huidige voorzieningen van de bushalte aan de Abcovenseweg zijn minimaal. Er is geen overkapping (abri) of zitgelegenheid en de fietsrekken zijn gesitueerd in de berm (onverhard). Bij realisatie van 700 woningen in Bakertand is het wenselijk om het voorzieningenniveau van de bushalte aan de Abcovenseweg te verbeteren. Bijvoorbeeld door goede fietsenstallingen, een zitgelegenheid met overkapping (abri) en voorzieningen voor blinden/slechtzienden zoals blindengeleide-tegels.
Bakertand Pagina 32 van 65
Hoofdstuk 5
Milieuaspecten
Dit hoofdstuk gaat in op de relevante milieuaspecten die van invloed kunnen zijn op de planontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. In het kader van de ontwikkeling Bakertand zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. De uitkomsten zijn, voor zover relevant, in onderstaande paragrafen beschreven. Tevens zijn alle uitgevoerde onderzoeken opgenomen als bijlage bij deze toelichting.
5.1
Bedrijven en milieuzonering
5.1.1
Relevant kader
In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan hinder door bedrijven in algemene zin. Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder veroorzaken door onaangename geuren, lawaai, stof, trillingen of drukke verkeersbewegingen. Het is daarom wenselijk dat bedrijfsactiviteiten of andere milieubelastende functies op een zekere afstand van woningen en andere hindergevoelige functies worden gesitueerd. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor een handreiking opgesteld: de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In deze handreiking wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. Niet ieder bedrijf heeft evenveel invloed op de omgeving. In de handreiking worden bedrijfsactiviteiten daarom ingedeeld in zes categorieën. Per milieucategorie zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden kunnen worden om hinder te voorkomen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. In tabel 5.1 zijn de richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur.
De bedrijvigheid kan volgens de handreiking van de VNG ingedeeld worden in categorieën die lopen van 1 tot en met 6. Hierbij lopen de richtafstanden uiteen van 0 meter tot 1500 meter.
Tabel 5-1
Richtafstanden per milieucategorie
De VNG-publicatie blijft een richtlijn, waarin in algemene zin richtafstanden zijn bepaald op basis van gemiddelde productieprocessen. Het kan daarom zinvol zijn om in specifieke situaties de bewuste bedrijven nader te beschouwen op hun bedrijfsactiviteiten. Het kan immers zo zijn dat een specifiek bedrijf er een andere bedrijfsvoering op nahoudt, waardoor de hinder minder is dan wat op grond van de VNG-publicatie wordt ingeschat. Bovendien moeten bedrijven op basis van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer (milieuvergunning) of op basis van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) aan voorschriften voldoen. Deze voorschriften hebben onder meer als doel de hinder voor de omgeving te reguleren en op een acceptabel niveau te houden. Deze voorschriften bieden daarom ook inzicht in de hindersituatie. Bakertand Pagina 33 van 65
5.1.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
In en rondom het plangebied bevinden zich diverse bedrijven: Tankstation Total (Hoge Wal 1) De Walhoeve (Hoge Wal 15) Humankind - Kinderdagverblijf/BSO (Waterput 56) Opslag timmerbedrijf (Bakertand 2) Tankstation Total/Vakgarage Goirle Aan de Hoge Wal 1 is een tankstation gelegen inclusief carwash en garagebedrijf. Het betreft geen LPG-station. Het bedrijf valt in milieucategorie 2, waar vanuit de categorie 'rustige woonwijk' een richtafstand van 30 meter voor zou gelden en vanuit de categorie 'gemengd gebied' een richtafstand van 10 meter. Van oudsher is dit deel van het plangebied te kenmerken als gemengd gebied, gelegen aan een drukkere weg en er is al langere tijd sprake van functiemenging. Derhalve kan ook gemotiveerd worden dat er sprake is van gemengd gebied en daarmee kan uitgegaan worden van een richtafstand van 10 meter in plaats van 30 meter. Het feit dat binnen 30 meter van het bestemmingsvlak meerdere bestaande woningen zijn gelegen bevestigt deze constatering. Binnen 10 meter van het bestemmingsvlak 'Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen' (Bakertand, Abcovenseweg eo 2015) zijn geen woningen gelegen en worden ook geen nieuwe woningen beoogd met het planvoornemen. Ook de bestaande bedrijfswoning ligt buiten deze richtafstand. Met voorliggend bestemmingsplan wordt deze woning omgezet in een burgerwoning.
Om ook richting de toekomst te voorkomen dat bebouwing wordt gerealiseerd op 10 meter afstand van het bouwvlak van de bedrijfsbestemming, is een bouwaanduiding binnen de omliggende woonbestemmingen opgenomen die regelt dat bebouwing binnen deze zone is uitgesloten. Daarmee treedt ook in de toekomst geen onevenredige beperking en hinder op, doordat de uitbreidingsmogelijkheden zowel feitelijk als planologisch beperkt zijn. Concluderend kan daarmee worden gesteld dat de bedrijfsmatige activiteiten niet beperkt worden door de bestaande én nieuwe woningen. Anderzijds wordt ook geen hinder verwacht door de aanwezigheid van het bedrijf.
Figuur 5-1
Bedrijfsbestemming Bakertand, Abcovenseweg eo 2015
Bakertand Pagina 34 van 65
De Walhoeve De Walhoeve is een boerderijwinkel waar verse producten zoals vlees, groenten en fruit en kaas gekocht kan worden. Er wordt ter plaatse niet geslacht. De winkel valt in milieucategorie 1, daarom geldt een richtafstand van 10 meter ten opzichte van woningen. In de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is hier rekening mee gehouden. Kinderopvang/BSO en nieuw toe te voegen voorziening Aan de Waterput 56 is een maatschappelijke voorziening in de vorm van een kinderopvang/BSO aanwezig. Ook in het plangebied wordt een maatschappelijke voorziening mogelijk gemaakt voor bijvoorbeeld een school. De richtafstand voor een school met bijbehorende voorzieningen tot bestaande en nieuwe woningen bedraagt op basis van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' 30 meter. Deze afstand wordt ingegeven hoofdzakelijk bepaald door de aanwezigheid van geluidproducerende voorzieningen bij scholen zoals speelterreinen. Het speelterrein van Humankind is op grotere afstand gelegen van de beoogde woningen in het plangebied. Derhalve wordt daarvan geen hinder verwacht. Voor de woningen die boven de nieuwe maatschappelijke voorziening worden gerealiseerd geldt dat geluidhinder mogelijk een negatief effect heeft. De overschrijdingen hebben echter enkel betrekking door de buitenspeelactiviteiten van de kinderen, op enkele momenten op doordeweekse dagen.
Dit betreft dus slechts een beperkt deel van de dagperiode dat daadwerkelijk de rust wordt doorbroken. Ten tijde van de omgevingsvergunning voor bouwen dient aangetoond te worden dat sprake is van een goed binnenklimaat. De indeling van de nieuwe maatschappelijke voorziening is nog niet bekend. Voor de nieuw op te richten voorziening moet daarom bij de inrichting van het terrein rekening gehouden worden met de geluidproducerende voorzieningen. Deze dienen op een afstand van 30 meter van bestaande en nieuwe woningen te worden gerealiseerd, tenzij onderbouwd kan worden dat de hinder in praktijk minder is. Opslag Bakertand 2 De twee loodsen worden gebruikt ten behoeve van opslag van hout ten behoeve van timmerwerk. Er is sprake van statische opslag; het timmerwerk zelf vindt elders plaats. Voor een dergelijke functie is geen aparte milieucategorie opgenomen. Wel kan worden gesteld dat de functie maximaal behoort tot milieucategorie 2, op basis van de referentie van een 'groothandel in houten bouwmaterialen kleiner dan 2000 m2'. De richtafstanden tot bestaande en nieuwe woningen bedraagt op basis van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' dan 30 meter. Het aspect geluid is daarbij doorslaggevend. Voor alle andere aspecten geldt een richtafstand van 10 meter.
Nieuwe woningen dienen in beginsel op een afstand van 30 meter te worden gerealiseerd, tenzij onderbouwd kan worden dat de hinder in praktijk minder is. Aangezien hier sprake is van enkel statische opslag van hout en dus geen (groot)handel, de opslag beduidend kleiner is dan 2000 m2 en er op locatie geen bewerking van hout plaatsvindt, kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstand. Het is dan voor de hand liggend om één afstandstrap minder te hanteren, te weten een richtafstand van 10 meter. Primagaz In het plangebied was het gasbedrijf Pirmagaz aanwezig. Primagaz is inmiddels niet langer aanwezig, en vormt zodoende geen belemmering voor de ontwikkeling. De bedrijven aan de overzijde van de oostplas hebben geen invloed op het plan, de afstand bedraagt meer dan 500 meter.
Bakertand Pagina 35 van 65
5.2
Water
5.2.1
Relevant kader
De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2011. De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. De relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn de Europese Kaderrichtlijn Water, Nationaal Waterplan 2016-2021, Nationaal Bestuursakkoord Water Actueel, Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 'Sámen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant', het Waterbeheerplan 2022-2027, omgevingsvisie Gorile 2021, Programma Water en Riolering Goirle 2021-2025, de verordening hemel- en grondwater en de gezamenlijke keur van de Brabantse Waterschappen (2015/20194). De belangrijkste gezamenlijke punten uit deze beleidstukken zijn dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening en dat de verdroging en wateroverlast bestreden dienen te worden. In het kort schrijven al deze plannen de voorkeursvolgorde 1. hergebruik, 2. vasthouden/infiltreren, 3. bergen en afvoeren, 4. afvoeren naar het oppervlaktewater (direct of indirect), 5.
afvoeren naar de riolering voor en het voorkomen van afwentelen van problemen in ruimte en tijd (duurzaamheidbeginsel). De voorkeursvolgorde betekent dat neerslag bij voorkeur wordt vastgehouden op de plaats waar het valt. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Er worden drie principes gehanteerd die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; wat schoon is moet schoon blijven. Keurbeleid Binnen de keur wordt onderscheid gemaakt tussen vergunningsplichtige- en de meldings-plichtige handelingen, die binnen de algemene regels van het waterschap vallen.
Bevoegd gezag voor de vergunningverlening is waterschap De Dommel. Bij de voorgenomen ontwikkeling vallen naar verwachting de volgende handelingen onder de vergunningsplicht. Bij de verdere detaillering van de plannen wordt dit nader in beeld gebracht: het geheel of gedeeltelijk dempen, aanleggen van nieuwe, aanbrengen van wijzigingen in en met elkaar verbinden van oppervlaktewater: binnen het gebied worden mogelijk sloten/greppels met een B-status gedempt, verlegd en/of gekruist en aanbrengen van wijzigingen in een watergang met een A-status; toename aan verhard oppervlak: binnen het gebied neemt het verhard oppervlak als gevolg van de woonkavels en ontsluitingswegen toe; werken binnen de beschermingszone van een A-water: er vinden ingrepen plaats binnen de
Bakertand Pagina 36 van 65
beschermingszone van de A-watergang NL-19 en A-watergang NL-45; Reservering waterberging: Het plangebied is aan de noordzijde binnen een Regionale Waterberging en Reservering Waterberging gelegen. Dit is vastgelegd in de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant (IOV) artikel 3.35 en 3.36. De gebieden moeten aantonen dat het bergend vermogen beschikbaar behouden blijft. Op basis van aangeleverde informatie van het waterschap komt de Regionale Waterberging overeen met het waterpeil bij een T10HK situatie en Reservering Waterbergingsgebied bij de afvoersituatie T100WH+. onttrekkingen van grondwater die nodig zijn voor het drooghouden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken, die groter zijn dan 50.000 m3/maand, die groter zijn dan 200.000 m3 in totaal en die langer duren dan zes maanden. Dit geldt niet voor saneringen: of dit van toepassing is dient later in een bemalingsadvies te worden bepaald. De Keur bevat tevens eisen en regels ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen. Hieronder een opsomming van de bepalingen die relevant zijn voor de ontwikkeling van de Bakertand. Bergingsnorm toename verhard oppervlak: Vanaf 1 maart 2015 geldt de bergingsnorm voor de toename aan verhard oppervlak, conform de bepalingen uit de Keur 2015 van de gezamenlijke Brabantse Waterschappen.
Verbod afvoer door verhard oppervlak: Het is verboden zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak (algemene regels, artikel 15): Voor plangebied Bakertand betreft de toename aan verharding meer dan 10.000 m2 en is de Beleidsregel (vergunningen) van toepassing, waarbij maatwerk wordt geleverd om de retentie-eis te bepalen. Bepalen omvang compensatie (beleidsregels, artikel 13.4.2): De compensatieplicht is 600 m3 per hectare toename verhard oppervlak, tenzij uit het waterhuishoudkundig onderzoek blijkt dat minder compensatie nodig is. Voorzieningen (beleidsregels, artikel 13.4.3): De afvoer uit een voorziening mag maximaal 2 l/s/ha zijn. De maximale toegestane vertraagde afvoer verschilt per locatie en is onder andere afhankelijk van de heersende grondwaterstanden en bodemopbouw. De afvoernorm voor het plangebied ligt tussen de 0,33 en 1 l/sec/ha. In nadere uitwerking zal de exacte toegestane afvoer berekend worden. Indien gebruik wordt gemaakt van een kleinere opvangcapaciteit omdat infiltratie in de voorziening plaatsvindt, moet de voorziening binnen vijf dagen waarbinnen maximaal 2 mm hemelwater per etmaal is gevallen, leeggelopen zijn.
Er moet een noodoverloopconstructie op de voorziening aanwezig zijn. Deze moet worden aangelegd conform de Algemene regel voor lozingsconstructies. Beleid gemeente Goirle Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad het Programma Water & Riolering 2021-2025, 'Op weg naar een klimaatrobuust Goirle (PWR) vastgesteld. Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Het PWR schept de kaders gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater. Gidsprincipes water In het verleden hebben gemeenten en waterschappen strategieën opgesteld om meer duurzaam om te gaan met afval- en hemelwater. Deze strategieën zijn inmiddels gemeengoed geworden en beschouwt de gemeente dan ook als gidsprincipes voor de komende jaren: We zamelen in principe het stedelijk afval- en hemelwater gescheiden in en ontvlechten zo de (schone en vuile) waterstromen; We streven ernaar om het hemelwater zoveel als mogelijk bovengronds en zichtbaar te Bakertand Pagina 37 van 65
verwerken; We weren de lozing van hemelwater afkomstig van inrichtingen op vuilwater riolering; We betrekken de kenmerken en knelpunten van zowel het regionale (stroomgebiedsbenadering) als het stedelijke watersysteem in de omgang met hemelwater. We streven naar watersysteemherstel; We wentelen water- en waterbergingsopgaven niet af naar andere locaties/gebieden, tenzij dit doelmatig is; We kiezen voor robuuste (zo min mogelijk onderhoudsgevoelige) oplossingen; We gaan doelmatig en maatschappelijk kostenbewust om met de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van het watersysteem; We streven naar meer centrale, robuuste en goed te beheren rioolvoorzieningen; We hanteren de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren voor de omgang met hemelwater: Vasthouden: doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, enz.; Bergen: overtollig hemelwater bergen we eerst in het stedelijk watersysteem. 5.2.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
In 2021 heefts Sweco een watertoets uitgevoerd om te komen tot een inhoudelijke beoordeling van de waterhuishoudkundige gevolgen van het bestemmingsplan (Bijlage 9). De beoogde woningbouwontwikkeling van plangebied Bakertand vindt plaats aan de noordkant van de kern Goirle. Het plangebied is circa 50 hectare groot. In de huidige situatie bestaat het gebied overwegend uit landbouwgrond. In het plangebied worden woningen, appartementen en de benodigde infrastructuur gerealiseerd. Binnen het plan worden de bestaande regionale waterberging en reserveringsgebied waterberging in het plan gescheiden aangelegd van de HNO-bergingsopgave. Nadere inpassing van de regionale bergingsopgave is uitgevoerd middels een Sobek-berekening (Bijlage 10). Deze Sobekberekening vormt de basis voor het ontwerpbestemmingsplan. Hoogteligging Er komen grote maaiveldverschillen binnen het plangebied voor. Dit is grotendeels te verklaren door de ligging in een beekdal. Het zuidelijke deel van het plangebied ligt het hoogst, op NAP +15,50 m. Het maaiveld loopt af in noordelijke richting, waarbij het gebied langs de snelweg het laagst ligt, op NAP +12,0 m. Daarbij geldt het noordelijk gebied als inundatiezone die neutraal ontwikkeld moet worden. Bodem Op basis van de beschikbare informatie kan opgemaakt worden dat in de bodemopbouw lokaal storende lagen aanwezig kunnen zijn van veen, leem en klei.
In het noordoosten van het plangebied bevindt zich veen tot circa 2,0 m -mv. De aanvangsdiepte en dikte variëren sterk in het gebied. De aanvangsdiepte van de klei- en leemlagen ligt globaal tussen de 0,5 en 2,5 m -mv. De klei- en leemlagen komen waarschijnlijk niet aaneengesloten voor. Grondwater Voor het vaststellen van de grondwaterstanden in de noordelijke zone van het plangebied is deze zone verdeeld in meerdere afgravingsvlakken. Deze afgravingsvlakken, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding, dienen voor de compensatie van de Regionale Waterberging, waarop verderop in deze paragraaf wordt teruggekomen.
Bakertand Pagina 38 van 65
Figuur 5-2
Ligging afgravingsvlakken ten behoeve van de waterbergingscompensatie
Er zijn grote verschillen in GHG aanwezig binnen het gebied, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding. Langs de noordrand van het gebied de GHG erg dicht aan maaiveld ligt. In het zuidelijke deel van het plangebied ligt de GHG op 200-250 cm-mv.
Figuur 5-3
GHG-kaart Waterschap De Dommel [cm-mv]
De haalbaarheid voor het infiltreren van hemelwater is afhankelijk van de grondwaterstanden en van de waterdoorlatendheid van de bodem. Voor het creëren van een infiltratievoorziening is een doorlaatfactor (k) van minimaal 0,5 m/dag nodig. Na verloop van tijd zal de doorlatendheid afnemen als gevolg van dichtslibben. Daarom wordt bij voorkeur een minimale doorlaatfactor aangehouden van 1,0 m/dag. Op basis van grondboringen is ingeschat dat de horizontale doorlatendheid geheel goed is. De verticale doorlatendheid is buiten de gebieden met storende lagen redelijk tot goed te noemen, oftewel minstens 0,5 m/dag. Dit betekent dat er in de praktijk enige infiltratie zal optreden, maar dat dit niet voldoende is om mee te kunnen rekenen in de waterbergingssopgave. Oppervlaktewatersysteem / watergangen In en buiten het plangebied zijn wateren gelegen, die zijn opgenomen in de legger van Waterschap De Dommel. Aan de plangebiedszijde van de Rillaersebaan en ten zuiden van de rijksweg liggen watergangen met een A-status. In de watergang langs de Rillaersebaan is een overstort uit het gemengd stelsel aanwezig vanuit het stedelijk gebied ten zuiden van het plangebied. Aan de noordzijde liggen een aantal B-watergangen die het gebied ontwateren. De A-watergangen worden in de huidige situatie onderhouden door het waterschap. De B-watergangen worden door aangelanden onderhouden.
De afvoerrichting van het watersysteem is oostelijk gericht naar de Oostplas. De watergangen staan in directe verbinding met de Nieuw Leij.
Bakertand Pagina 39 van 65
In het plangebied worden zowel de gebieden voor de waterberging en A- en B-watergangen geraakt. De volgende maatregelen zullen hiervoor worden getroffen: Voor de aanleg van de grondwal moeten een aantal B-watergangen langs de snelweg gedempt worden. De geraakte watergangen zijn in de totaalopgave voor de waterberging meegenomen. Aan de oostzijde van het plan steekt de bestaande A-watergang nu dwars over het plangebied. Deze zal langs het plangebied heen (om)gelegd worden. Het hydrologisch functioneren van het watersysteem dient daarbij geborgd te blijven. Daarbij is het uitgangspunt dat de totale berging in de omgelegde A-watergang minimaal gelijk blijft. Bij de omlegging blijft de huidige (overloop)verbinding met de Oostplas bestaan, en zal de A-watergang hydrologisch op dezelfde manier in contact blijven met de Oostplas. Ook het functioneren van de Nieuwe Leij en het regionaal watersysteem dient geborgd te zijn. Dit betekent dat er geen peilstijging mogen ontstaan in de stedelijke gebieden van Goirle en Tilburg. In het huidige planontwerp is al een verbreding van de A-watergang langs de noordgrens voorzien. Het westelijke deel van de watergang (ten westen van de Nieuwe Tilburgseweg) wordt met 1 meter verbreed. Het onderhoud van de A-watergang wordt uitgevoerd door het waterschap.
Deze bredere watergang betekent dat onderhoud mogelijk met speciaal materiaal uitgevoerd moet worden (lange giek). Een bredere watergang is klimaatrobuuster, en het waterschap heeft de voorkeur voor klimaatrobuustheid boven onderhoud. De drooglegging van het onderhoudspad blijft gelijk aan de huidige droogleging. Omdat dit onderhoudspad in de huidige situatie al binnen de inundatiezone ligt, betekent dit vanzelfsprekend dat het onderhoudspad gedurende natte perioden niet bereikbaar is. Deze inundatiefrequentie zal niet veranderen door de aanleg van het plangebied. Voor het onderhoudspad wordt een minimale breedte van 5 meter aangehouden. De aanpassingen aan deze watergangen vinden plaats op grondeigendom van Rijkswaterstaat. De watervergunning kan alleen worden verleend als de grondeigenaar toestemming geeft voor de aanpassingen.
Figuur 5-4 Demping B-watergangen (rood omcirkeld) en verlegging A-watergang (donkerblauw gestreept in noordoosthoek)
Oppervlaktewaterkwaliteit Bij de inrichting, bouw en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen te worden toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Waterschap De Dommel
Bakertand Pagina 40 van 65
hanteert de trits 'schoonhouden – scheiden – schoonmaken'. Onderzoek naar het nemen van bronmaatregelen ('schoonhouden') is daarom een belangrijk onderdeel. Bij de inrichting van het plangebied dient rekening te worden gehouden met de te gebruiken materialen in de te realiseren gebouwen of bouwwerken en verhardingen. Er dient gebruik te worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen om schoon regenwater in het gebied te conserveren. Dit houdt in dat er geen uitlogende materialen worden toegepast (zink, lood, koper, zacht PVC). Hemelwater wordt oppervlakkig verzameld en zal infiltreren via bodeminfiltratie vanuit de infiltratievoorzieningen/hemelwaterbergingen. Tijdens de infiltratie zal via bodempassage het regenwater grotendeels gefilterd worden. De gemeente zal toezien op de borging voor het behoud van de waterkwaliteit. Afvalwatersysteem Uitgangspunt is het niet aankoppelen van hemelwater. Daarnaast zijn uitgangspunten het niet verslechteren (van onder meer de totale vuiluitworp, of immissies), of overbelasten van bestaande riool- watersystemen. In het plan worden maximaal 703 woningen gerealiseerd. Dit betekent dat het vuilwater van deze wooneenheden afzonderlijk van het hemelwater moet worden ingezameld (geen hemelwaterafvoer naar de rioolwaterzuivering).
Op basis van 703 woningen is de verwachte gemiddelde afvoer van vuilwater van de gehele ontwikkeling ingeschat op (2-3 inwoners*12 l/h) 21 m3/uur. In een nadere uitwerking (Waterhuishoudkundig plan (WHHP)) wordt het inprikpunt, etc. bepaald. Het toekomstig vuilwaterstelsel zal onder vrijverval van zuid naar noord aangelegd worden. In het noorden van het plangebied zal er een rioolgemaal komen om de afvoer te verpompen. Waar dit gemaal precies komt, en waar de DWA-afvoer naartoe afgevoerd wordt, wordt in het WHHP uitgewerkt en wordt tevens de impact getoetst.
HNO-waterberging De HNO-waterberging houdt in dat per ha toename in verhard oppervlak er 600 m3 hemelwater moet worden geborgen. Dit staat gelijk aan een bui van 60 mm. Om de hoeveelheid waterberging te bepalen is de toename aan verhard oppervlak berekend. Deze berekening is gedaan op basis van het stedenbouwkundig plan. De locaties met bestaande bebouwing hebben een oppervlak van ongeveer 25.000 m2. Hiervoor is 50% bestaande verharding aangehouden. Dit betekent dat er 800 m3 waterberging extra gecreëerd moet worden om het afstromend hemelwater van de bestaande bebouwing op te vangen. In de watertoets is berekend dat 5.100 m3 hemelwaterberging voor de openbare en bestaande verharding moet worden gerealiseerd in het plangebied. Voor het verhard oppervlak op de kavels is 6.734 m3 waterberging nodig. Dit maakt het totaal 11.834 m3 benodigde HNO-waterberging. Overeenkomstig het beleid van de gemeente Goirle is het uitgangspunt dat 50% van de HNO-waterberging op eigen kavel gerealiseerd wordt, om waterbewustzijn en het eigen verantwoordelijkheidsbesef te vergroten. Dit komt neer op de halve bergingsopgave voor het verhard oppervlak op de kavels, oftewel 3.367 m3. Om tot deze totale waterbergingscapaciteit op de kavels te komen is een onderverdeling naar woningtypen gemaakt, zoals weergegeven in onderstaande tabel.
Bakertand Pagina 41 van 65
Figuur 5-5 Eis waterberging op eigen kavel per woningtype (*cijfers betreffen het totale aantal woningen binnen het plan) In de planregels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te borgen dat hieraan wordt voldaan. Daarbij wordt verwezen naar de uitgangspunten uit de watertoets, waaruit bovenstaande tabel afkomstig is. Daarnaast is voor de woningbouwkavels in de planregels opgenomen dat er een maximaal percentage van de kavel verhard mag worden, waarbij een afwijkingsbevoegdheid voor het college van B&W is opgenomen om hiervan af te wijken indien wordt aangetoond dat de benodigde waterberging op andere wijze is geborgd op de eigen kavel. De maximale percentages verharding zijn daarbij als volgt: Vrije kavels, vrijstaande woningen en tweekappers: maximaal 50% verharding. Rijwoningen en patio-woningen: maximaal 70% verharding Appartementen: uitgezonderd (oftewel maximaal 100% verharding) Het restant van de totale bergingsopgave, oftewel 8.467 m3, wordt in het openbaar gebied opgelost. Voor de hemelwaterverwerking in het openbaar gebied is er een greppelstructuur in het plangebied ontworpen. Het principe achter deze greppels is om water zoveel mogelijk "bovenop de berg" vast te houden, en pas bij extreme regenbuien af te voeren richting het noorden. In onderstaande figuur is deze structuur indicatief weergegeven.
De daken van de woningen, verharding op de kavels en de openbare infrastructuur watert zoveel mogelijk bovengronds af naar de bermsloten of de bergingsvoorzieningen in de groenzones. Alleen waar het bovengronds afvoer principe niet doelmatig is kan hemelwaterriolering worden toegepast. Hemelwater zal deels ook in de bodem infiltreren. In geval van extreme neerslag, boven de ontwerpnorm, kan hemelwater afvoeren via de bergingszones waarin tevens de afvoerstructuur wordt gerealiseerd naar de noordelijke groenzone. HNO-waterberging en regionale waterberging zijn van elkaar gescheiden. De greppels van de HNO-waterbering lozen vertraagd op het regionaal watersysteem en de regionale bergingszone. Gereduceerde afvoer naar het regionale watersysteem vindt plaats naar de regionale bergingszone in het noorden van het plangebied met maximaal de landelijke afvoer á 2 l/s/ha van het aangesloten oppervlak. Een landelijke afvoer naar de bergingszone in het noorden heeft de voorkeur, zodat het water zo lang mogelijk in het plangebied blijft en niet versneld tot afvoer komt naar het landelijk gebied. Deze regio heeft namelijk al met veel droogte te maken. Uit de berekening in de watertoets blijkt dat er in totaal 9.154 m3 berging in de greppelstructuur past. Dit is voldoende om de benodigde 8.467 m3 op te vangen en te infiltreren dan wel af te voeren.
Bakertand Pagina 42 van 65
Figuur 5-6 Globale greppelstructuur plangebied (donkerblauw is grote greppel, lichtblauw is kleine greppel). In de nadere uitwerking dient het hemelwatersysteem verder gedimensioneerd en getoetst te worden aan de hand van de richtlijnen van de gemeente Goirle. Voor de situatie "geen water op straat" (WOS) dient het HWA-systeem te voldoen aan RIONED bui 09. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente Goirle de 70 mm/h blokbui uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) als norm om inpandig geen waterschade te hebben.
Regionale waterberging Vanuit de Interim Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant ligt er een zone Regionale Waterberging en Reserveringsgebied Waterberging binnen het plangebied. Voor de Regionale waterberging (donkerblauw) geldt dat bij maaiveldophoging in deze zone, de waterdiepte behorende bij de T10HK afvoersituatie moet worden gecompenseerd. Voor het Reserveringsgebied Waterberging (lichtblauw) is dit de T100WH afvoersituatie. De contouren in de huidige situatie zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.
Bakertand Pagina 43 van 65
Figuur 5-7 Ligging Regionale Waterberging (donkerblauw) en Reservering Waterberging (lichtblauw) in de huidige situatie Binnen het plangebied zijn er een aantal functies die vallen binnen deze bergingsgebieden. Dit gaat om de grondwal langs de noordrand, het appartementengebouw in de noordoosthoek, en een aantal kavels die de zuidrand van bergingsgebied snijden. In onderstaande figuur zijn de gebieden gearceerd die door wijzigingen in het plangebied niet meer beschikbaar zijn als waterberging en derhalve worden gecompenseerd. Voor de T100-situatie betreft de conmpensatieopgave 12.400 m3.
Figuur 5-8 Te compenseren Regionale Waterberging (donkerblauw) en Reservering Waterberging (lichtblauw)
Bakertand Pagina 44 van 65
Met een Sobekberekening is aangetoond dat deze compensatieopgave in te passen is binnen het plan en het watersysteem ook dynamisch niet tot verslechteringen leidt. Dit onderzoek is uitgevoerd door Antea en opgenomen in Bijlage 10. In deze rapportage zijn de bouwstenen benoemd, die gezamenlijk ervoor zorgen dat er voldoende waterberging bij de ontwikkellocatie aanwezig is om het verlies aan waterberging te compenseren. Voor een aantal bouwstenen is nadere afstemming met de gemeente Tilburg en/of andere perceeleigenaren nodig. Daarom is gekozen voor de opzet in bouwstenen, waarbij bij de nadere uitwerking en de vergunningenprocedure pas vastgelegd wordt uit welke bouwstenen de waterberging definitief gaat bestaan. Uit deze analyse blijkt dat er totaal tussen de 10.462 en 45.362 m3 bergingsvolume beschikbaar is en/of gemaakt kan worden, waarbij ter nuance wel opgemerkt dient te worden dat de haalbaarheid van enkele bouwstenen (nog) onzeker is. Dit toont dus de totale potentie aan. De regionale bergingsopgave betreft 12.400 m3, waarmee zeer aannemelijk is gemaakt dat hieraan voldaan kan worden. Dit is nader aangetoond door de uitwerking van twee concrete varianten die allemaal boven de regionale bergingsopgave uitkomen (namelijk 13.862 en 12.962 m3).
De voorkeursvariant (13.862 m3) is daarbij volledig uitgewerkt binnen beschikbare en reeds verworven gronden binnen het plangebied en tevens planologisch vastgelegd binnen dit bestemmingsplan. Deze variant bestaat uit een viertal maatregelen (zie ook onderstaande tabel): Afgravingsgebied maximaal ontgraven (zie figuur 5-2 voor de vlakken) Geluidswal maximaal versmallen (8 m) Percelen nabij Oostplas afgraven (die reeds verworven zijn) Omleggen en verbreden A-watergang
De exacte uitwerking van deze maatregelen wordt gedurende het vervolgproces vormgegeven in het waterhuishoudkundig plan, die in samenspraak met waterschap De Dommel wordt opgesteld. In onderstaande figuur is weergegeven hoe de begrenzing van de Regionale Waterberging en Reservering Waterberging er in deze situatie na planrealisatie uit komt te zien.
Bakertand Pagina 45 van 65
Figuur 5-9 Ligging Regionale Waterberging (donkerblauw) en Reservering Waterberging (lichtblauw) na planrealisatie (compensatie conform de voorkeursvariant)
Beheer en onderhoud Waterberging particulier terrein: Hemelwatervoorzieningen (berging, hemelwatervoer en HWA) in particulier gebied wordt door de eigenaar beheerd. Dit wordt geborgd door een voorwaardelijke verplichting in de algemene regels en vastgelegd in de koopovereenkomsten en leveringsakten met betreffende partijen door een kettingbeding. Waterberging openbare ruimte: Hemelwatervoorzieningen (berging, hemelwatervoer en HWA) in het openbaar gebied worden door de gemeente Goirle beheerd en onderhouden (overeenkomstig een nog op te stellen beheerplan). De A-watergangen aan de noord- en zuidgrens van het plangebied worden in de huidige en toekomstige situatie door waterschap De Dommel onderhouden. Hiervoor dient een 5 meter obstakelvrije zone ten behoeve van onderhoud beschikbaar te blijven. Regionale waterberging: De laag gelegen groenzones maken in de toekomst onderdeel uit van de regionale waterberging en worden in de toekomstige situatie door de grondeigenaren beheerd en onderhouden. Dit beheer en onderhoud dient te worden geborgd in koopovereenkomsten en leveringsakten met betreffende partijen.
Communicatie De verplichting tot waterberging op eigen kavel is vastgelegd in dit bestemmingsplan. Voor de realisatie van de waterberging op eigen kavel is borging van dit principe bij toekomstige gebruikers erg belangrijk. Communicatie hierover richting de toekomstige bewoners vereist extra aandacht vanuit de gemeente en ontwikkelde partijen. Dit betreft zowel de aanleg van de waterberging, maar ook de instandhouding daarvan. De aanleg en de instandhouding van de waterberging wordt in de verkoopaktes vastgelegd richting nieuwe grondeigenaren en middels een kettingbeding wordt geborgd dat ook toekomstige grondeigenaren hiervan op de hoogte blijven. Daarnaast dient tijdens de bouwfase al rekening gehouden te worden met de toekomstige waterberging en infiltratie. Verdichting van de bodem ter plaatse van de toekomstige beringsvoorzieningen dient te worden voorkomen. Conclusie Met inachtneming van de benodigde maatregelen heeft de woningbouwlocatie Bakertand geen negatieve effecten op de waterhuishouding. Het plan voorziet in de potentie om een robuust
Bakertand Pagina 46 van 65
watersysteem te realiseren. Deze robuustheid is gevalideerd middels detailberekeningen (Sobekberekening) die in samenspraak tussen initiatiefnemer, waterschap De Dommel en gemeente Goirle zijn gemaakt. De zones waar in de voorkeursvariant waterbergingscapaciteit is voorzien zijn middels gebiedsaanduidingen (voor gebieden met de aanduiding Reservering waterberging) en een dubbelbestemming Waterstaat - Waterbergingsgebied (voor de gebieden met de aanduiding Regionale waterberging) vastgelegd in de verbeelding en de regels van dit bestemmingsplan. Tevens is een voorwaardelijke verplichting voor de realisatie van voldoende waterberging opgenomen in de planregels. Daarmee is geborgd dat de maatregelen uitgevoerd dienen te worden vóórdat de nieuwe functies (woningen en geluidswal) in gebruik mogen worden genomen. Om voorafgaand aan de werkzaamheden de hemelwaterafvoerstructuur, benodigde ophoging, infiltratiecapaciteit en definitieve watercompensatie nauwkeuriger te bepalen dient het waterhuishoudkundig plan nader uitgewerkt te worden aan de hand van het definitief stedenbouwkundig ontwerp. Het plan is tenslotte vergunningplichtig op basis van de Keur, bevoegd gezag voor de vergunningverlening is waterschap De Dommel.
5.3
Natuur
5.3.1
Relevant kader
Bescherming van natuurwaarden vindt plaats conform de Wet natuurbescherming 2017. Handelingen of projecten dienen worden getoetst aan de volgende kaders: Natura 2000-gebieden Soorten Natuurnetwerk Nederland 5.3.2
Betekenis voor het bestemmingsplan
In 2021 heeft Sweco een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (Bijlage 11). De belangrijkste conclusies zijn hieronder opgesomd. Wet natuurbescherming: onderdeel Natura 2000-gebieden Gelet op de grote afstand van het plangebied tot de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (Regte Heide & Riels laag), zijn directe effecten, zoals verdroging, vernatting, optische-, licht- en geluidsverstoring, met zekerheid op voorhand uitgesloten. Een nadere effectbepaling in de vormt van een Voortoets is hierdoor niet noodzakelijk. Negatieve effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn, gelet op de werkzaamheden en de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet met zekerheid op voorhand uitgesloten. Om de effecten hiervan in beeld te brengen dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Stikstofdepositie Sweco heeft in 2023 onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie van het voorgenomen plan (Bijlage 13). Het plan leidt in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase niet tot een toename van de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden met een (naderende) overschrijding van de Kritieke Depositie Waarde (KDW).
Op basis van bovenstaande zijn negatieve effecten op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden gedurende uitgesloten en is er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmering om het plan vast te stellen. Wet natuurbescherming: onderdeel soortenbescherming Er zijn soorten aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van het plangebied die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming en die mogelijkerwijs negatief beïnvloed Bakertand Pagina 47 van 65
worden met de voorgenomen ingreep. Dit betreft de volgende raakvlakken tussen beiden: Het plangebied heeft mogelijk een functie als leefgebied voor vleermuizen (beschermd conform art. 3.5 Wnb). De aanwezige gebouwen (woningen en/of schuren) zijn in potentie geschikt als rust- en voortplantingsplaatsen voor vleermuizen. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen achten wij dan ook noodzakelijk indien amoveren van betreffende gebouwen aan de orde is. Men dient hierbij rekening te houden met de periode waarin vleermuisonderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit betreft doorgaans de onderzoeksperiode tussen half mei tot en met september. De bomenrijen langs de Abcovenseweg en Lage Wal vormen mogelijk een vliegroute en dienen mogelijk als (essentieel) foerageergebied voor vleermuizen (beschermingsregime Habitatrichtlijn art. 3.5 Wnb). Dit maakt het mogelijkerwijs ook van essentieel belang voor de functionaliteit van (mogelijk) aanwezige verblijfplaatsen in de omgeving. Indien kap van deze bomen is voorzien, treden mogelijk negatieve effecten op voor de functionaliteit van rust- en voortplantingsplaatsen in de omgeving. De uitvoering van aanvullend onderzoek naar vleermuizen achten wij noodzakelijk. Men dient hierbij rekening te houden met de periode waarin vleermuisonderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit betreft doorgaans de onderzoeksperiode tussen half mei tot en met september.
Het plangebied heeft mogelijk een functie als leefgebied voor de steenuil en kerkuil (beschermd conform Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb). De schuur in het westelijk deel van het plangebied heeft gelet op het aantreffen van een kerkuil en de aanwezigheid van braakballen en krijtsporen, een functie als roestplaats voor de kerkuil. Overige boerderijen met aangrenzende tuinen en erven zijn tevens geschikt als leefgebied van de steenuil. Aanvullend onderzoek naar de daadwerkelijke functie van het plangebied voor de kerkuil en steenuil achten wij noodzakelijk. Men dient hierbij rekening te houden met de periode waarin onderzoek naar steenuil en kerkuil uitgevoerd dient te worden. Dit betreft doorgaans de onderzoeksperiode februari tot en met april. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor de (kleine) marterachtigen als bunzing, wezel en steenmarter, met beschermingsregime Andere soorten artikel 3.10 Wnb. Aanvullend onderzoek achten wij noodzakelijk. Onderzoek dient met voorkeur te worden uitgevoerd conform de Handreiking kleine marters van de Provincie Noord-Brabant in de periode maart tot oktober. Vervolgonderzoek soorten Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend onderzoek is vervolgonderzoek uitgevoerd naar diverse soorten (Bijlage 12).
Binnen het plangebied zijn op basis van de uitgevoerde aanvullende (veld)onderzoeken, enkele beschermde soorten vastgesteld die leefgebied hebben binnen het plangebied en de directe omgeving. De beschermde soorten waarvoor maatregelen nodig zijn om negatieve effecten te ondervangen zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Er zijn geen essentiele leefgebieden (foerageergebied, rust- en/of verblijfsplaatsen/nestplaatsen) Bakertand Pagina 48 van 65
van de wezel, hermelijn en steenuil vastgesteld binnen het plangebied. Leefgebied van de huismus is wel aanwezig binnen het plangebied, namelijk rondom de bestaande te behouden woningen/boerderijen, maar zal niet worden aangetast door het planvoornemen. Realisatie van de beoogde woningbouw binnen Bakertand, zal gedeelteijk het leefgebied van de steenmarter en de bunzing aantasten. Er kan daarbij niet worden voorkomen dat er rust- en voortplantingsplaatsen worden beschadigd, en foerageergebied verdwijnt waardoor er sprake is van een overtreding van Artikel 3.10 lid 1a en 1b van de Wet natuurbescherming. Daarnaast zal de schuur met een kerkuil rustplaats (roestplaats) worden gesloopt, waardoor die verbodsbepaling vanuit de Wet natuurbescherming (artikel 3.1 lid 2 en 4) wordt overtreden. Het aanvragen van een ontheffing bij de provincie Noord-Brabant is derhalve noodzakelijk. Tevens zullen mitigerende en compenserende maatregelen getroffen dienen te worden. In dat kader is een activiteitenplan opgesteld en een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming ingediend bij het bevoegd gezag. Op 24 oktober 2022 is de ontheffingaanvraag in behandeling genomen. De verwachting is dat de ontheffing op grond van het activeiteitenplan verleenbaar is.