06 Bijlage 2 - ontwerp BP.pdf
Tekst van het document
G E ME E N T E G O IR L E
B E ST E M MI N G S PL A N V IJ F H UI Z E N B A A N T O 10 (R IE L )
GEMEENTE BESTEMMINGPLANNUMMER
: :
GOIRLE NL.IMRO.0785.BP2021009 VIJFHUIZE-OW01
SCHAAL VAN DE VERBEELDING : STATUS PLAN : DATUM TER VISIELEGGING ONTWERP : DATUM VASTSTELLING : DATUM UITSPRAAK ABRS : DATUM INWERKINGTREDING : DATUM ONHEROEPELIJKHEID : NAAM EN ADRES OPSTELLER :
1:1000 ONTWERP
ORDITO, NIEUWSTRAAT 5126 CC TE GILZE
87
PLANTOELICHTING
2
INHOUDSOPGAVE PLANTOELICHTING 1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.
Inleiding Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Bij het plan behorende stukken Leeswijzer
5 5 6 7 7
2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5.
Beschrijving plangebied Historische ontwikkeling Ruimtelijke en functionele structuur Technische infrastructuur Nieuwe situatie Landschappelijke inpassing
8 8 9 10 10
3. 3.1. 3.2. 3.3.
Ruimtelijk beleidskader Rijk Provincie Gemeente
12 15 20
4. 4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5.
Thematische beleidskaders Stedenbouwkundige uitgangspunten Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Volkshuisvesting Groen Verkeer en parkeren
25 25 30 32 35
5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6. 5.7. 5.8. 5.9.
Milieuaspecten Milieuhinder en bedrijven Externe veiligheid Kabels, leidingen en straalpad Geluid Lucht Geur Endotoxine Bodem Natuur
37 39 44 44 45 46 50 51 53
6. 6.1. 6.2.
Water Beleid Huidige en toekomstige situatie
57 62
3
7. 7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5.
Opzet planregels Plansystematiek Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel
66 66 66 68 69
8. 8.1. 8.2.
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
71 71
Bijlagen 1. Landschappelijk inpassingplan 2. Archeologische onderzoek 3. Standaardadvies Veiligheidsregio 4. Notitie woon- en leefklimaat 5. Verkennend bodemonderzoek 6. Quickscan natuurwetgeving 7. Stikstofberekening 8. Omgevingsdialoog 9. Eindverslag inspraakprocedure 10. Verslag overleg Besluit ruimtelijke ordening 11. Toelichting Staat van bedrijfsactiviteiten
4
HOOFDSTUK 1. INLEIDING 1.1.
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is om de agrarische bestemming die geldt op de locatie Vijfhuizenbaan ongenummerd (tegenover huisnummer 10) te Riel (gemeente Goirle) te wijzigen naar een woonbestemming ten behoeve van twee woningen. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied conform de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Binnen het stedelijk gebied zijn (duurzame) stedelijke ontwikkelingen voor wonen, werken of voorzieningen mogelijk. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle heeft op 24 september 2021 laten weten dat zij een positieve grondhouding hebben aangenomen om een planologische procedure (herziening bestemmingsplan) op te starten om de agrarische bestemming van het betreffende perceel om te zetten naar een woonbestemming ten behoeve van maximaal twee woningen. De volgende voorwaarden zijn daar aan verbonden: - Aangetoond moet worden dat gebruiksmogelijkheden van belendende percelen niet onevenredig worden aangetast; - Er dient een aanmerkelijke kwaliteitsverbetering van het landschap te worden gerealiseerd; - De te realiseren woningen moeten voldoen aan een goed woon- en leefklimaat. Middels dit bestemmingsplan wordt het planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.
1.2.
Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de Vijfhuizenbaan tegenover huisnummer 10 te Riel. Ten westen van de dorpskern Riel in het buitengebied van de gemeente Goirle, maar in het bestaand stedelijke gebied conform het provinciaal beleid. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Vijfhuizenbaan met aan de overzijde de burgerwoningen Vijfhuizenbaan 8, 10 en 12. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan een weiland en de burgerwoningen Vijfhuizenbaan 5 en 3c. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan agrarische gronden met daarachter het opleidingscentrum van het bedrijf ReasEURO; een bedrijf gespecialiseerd in onshore explosieven en opsporing. 5
Direct aan de westkant van het plangebied ligt de oprit behorende bij de burgerwoning Vijfhuizenbaan 7, welke is gelegen ten zuidwesten van het plangebied. Het plangebied betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Goirle, sectie K, nummer 284 (ged.) en heeft een totale oppervlakte van 2.470 m2.
Afbeelding 1. Globale ligging plangebied
1.3.
Vigerend bestemmingsplan Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, gelden binnen het plangebied de volgende plannen: (Bestemmings)plan
Vastgesteld
Inwerking
ABRvS
Buitengebied Goirle
09-12-2008
24-09-2009
20-04-2011
Buitengebied Goirle, correctieve herziening
23-09-2014
23-12-2024
-
Parapluplan gemeente Goirle
12-03-2019
-
-
In 2019 is door de gemeente een parapluplan opgesteld. Een parapluplan biedt de mogelijkheid om bestemmingsplannen binnen de gemeente in één keer te herzien voor één of meerdere onderwerpen. 6
Het parapluplan van de gemeente Goirle geeft extra regels over onder andere terrassen, evenementen, parkeren en ruimte tussen bouwwerken. Een paar onderwerpen hebben betrekking op het planvoornemen. Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf 3.3 Gemeentelijke beleid. 1.4.
Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoudt en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.
1.5.
Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijke beleidskader van het rijk, de provincie en de gemeente. Het thematische beleidskader komt aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.
7
HOOFDSTUK 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, ofwel de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van deze situatie door middel van een beschrijving van de historische ontwikkeling, de ruimtelijke en functionele structuur. 2.1
Historische ontwikkeling Het dorp Riel is samengesteld uit de gehuchten Brakel, Zandeind en de dorpskom of Kerkeind. Brakel is daarvan het oudste buurtschap, waar al in de prehistorische en Romeinse tijd bewoners gevestigd waren. Zo zijn in 1840 op de heide onder Brakel meer dan 50 urnen opgegraven. Riel is een typisch Brabants esdorp. De dorpen zijn hier niet, zoals in Drenthe, concentrisch van vorm, maar langgerekt. De zogenaamde kransakkerdorpen breidden zich uit naarmate de beschikbare bouwgrond rondom de akkers vol raakte. Nieuwe vestigingen vonden dan wat verderop aan de kronkelige weg rondom de akkers plaats. Dit nederzettingspatroon is in Riel goed bewaard gebleven. Een bijzonderheid is dat de eerste ontginningsactiviteiten hier al in de 7 e eeuw hebben plaatsgevonden. De blokvormige verkaveling, waarbij akkers door hagen en houtwallen omringd werden om het vee te weren, is in Riel nog steeds te herkennen. In de eeuwen vóór het gebruik van kunstmest werden de akkers vruchtbaarder gemaakt door er zoden op te leggen die met dierlijke mest waren vermengd. Dit verklaart het holle, hoge karakter van de oude akkers. In de 12e eeuw kwam er in Riel een opleving in de ontginning van de woeste gronden, doordat een kerkelijke instelling zich hierop toelegde.
Later, toen Brabant door de Staten-Generaal tot Generaliteitsland was verklaard en als een wingewest werd uitgebuit, hadden de boeren weinig reden en mogelijkheden om hun arsenaal uit breiden. De meeste boerderijen ter plaatse dateren uit het einde van de 19 e eeuw, omdat bij een grote brand in 1877 vele hoeven verloren gingen. Riel maakt deel uit van de heerlijkheid Hilvarenbeek, maar lag echter daarvan gescheiden door het grondgebied van Goirle.
2.2
Ruimtelijke en functionele structuur Het plangebied ligt aan de Vijfhuizenbaan te Riel tegenover nummer 10 en kent een totale oppervlakte van 2.470 m². Het perceel bestaat volledig uit akkerbouwgrond en kent geen bebouwing en/of verharding.
8
Het plangebied ligt binnen de bestaande bebouwingsconcentratie Spaansehoek/Vijfhuizenbaan met een afwisseling van (agrarisch) bedrijven en woningen. Deze bebouwingsconcentratie bestaat uit een serie kleinere percelen met daarop een diversiteit aan bebouwing en een mix van functies (wonen, agrarisch, werken) en is te beschouwen als een uitloper van de dorpskern Riel.
Afbeelding 2. Zicht op het plangebied vanaf de Vijfhuizenbaan
Afbeelding 3. Zicht op het plangebied vanaf de Vijfhuizenbaan
2.3
Technische structuur Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie.
9
2.4
Nieuwe situatie Beoogd wordt om op het voorste deel van het perceel twee woningen te realiseren. Om dit mogelijk te maken, dient de bestemming ter plaatse gewijzigd te worden van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. Om de openheid in het betreffende gebied zoveel mogelijk te borgen, is een invulling van maximaal twee (vrijstaande) woningen stedenbouwkundig passend. De beoogde woningen beschikken dan over een ruime breedte maat die te vergelijken is met de kavels in de directe omgeving. Daarnaast ontstaat er voldoende plek en maat om de noodzakelijk kwaliteitsverbetering op een goede manier in te passen, zodat het streefbeeld van de bebouwingscluster kan worden nagestreefd. De woningen krijgen een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijke 6 en 10 meter. De hoofdgebouwen worden gesitueerd op een afstand van minimaal 15 meter vanaf de Vijfhuizenbaan en minimaal 5 meter uit de zijdelingse perceelsgrenzen.
2.5
Landschappelijke inpassing Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van de nieuwe situatie is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 1). Landschappelijke inpassing betekent een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op bestaande dan wel nog te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten. Landschappelijke inpassing vindt plaats op of direct aansluitend aan het bouwblok/bestemmingsvlak. Voor het initiatief is het Landschapsbeleid van de gemeente Goirle als basis genomen voor de landschappelijke inpassing. Het Landschapsbeleid van de gemeente Goirle wordt besproken in paragraaf 4.4.
10
Door de ruime breedtemaat is voldoende plek aanwezig om het plangebied op een goede manier landschappelijk in te plassen. Het uitgangspunt voor de landschappelijke inpassing van het plangebied is het duurzaam inrichten van het erf binnen ‘het landschap van esdekken’. Erven worden landschappelijk ingepast binnen dit landschap.
Afbeelding 4. Landschappelijk inpassingsplan
Hiertoe zal bij de Vijfhuizenbaan t.o. 10 een groene kamer gerealiseerd worden in het open landschap. De beoogde bebouwing wordt landschappelijk ingepast door middel van het aanplanten van een nieuw knip- en scheerhaag (bijv. een meidoorn) als zijdelingse perceelgrenzen (oost- en westzijden). Deze haag krijgt een breedte van circa 1,5 meter en wordt circa 2 meter hoog. Daarnaast zullen circa zes solitaire bomen aangeplant worden. Dit kunnen noot-, kastanje- en fruitbomen, beuken of gewone esdoorns en essen zijn. Aan de voorzijde wordt tevens een knipen scheerhaag aangeplant. Deze haag krijgt een breedte van circa 1 meter en 1 meter hoog. Daarnaast blijven de bestaande solitaire bomen aan de voorzijde van het perceel behouden. Vanaf de woningen wordt verder een zichtlijn in stand gelaten richting het achterliggende agrarische gebied. De realisatie en duurzame instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de opname van een bepaling in de regels van het bestemmingsplan.
11
HOOFDSTUK 3. BELEIDSKADER Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader. 3.1
Rijk Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld.
Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor onderhavig bestemmingsplan.
12
Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. Verdere afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid In de zogenaamde Realisatieparagraaf (Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid) zijn alle nationale ruimtelijke belangen uit de verschillende Planologische Kern Beslissingen en de voorgenomen verwezenlijking daarvan gebundeld. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden (nationale landschappen en Ecologische Hoofdstructuur) en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. AMvB Ruimte In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar).
Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Geen van de in het Barro genoemde onderwerpen hebben echter betrekking op onderhavig bestemmingsplan. Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. Ladder voor duurzame verstedelijking Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de Ladder voor duurzame verstedelijking – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste.
13
Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i van de Bro gedefinieerd als: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Een aantal aspecten is van belang om te bepalen of en hoe de Ladder moet worden toegepast, waaronder de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling en of de ontwikkeling ‘nieuw’ is. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn, dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." Toetsing plangebied De beoogde ontwikkeling van twee woningen is, de jurisprudentie in ogenschouw nemende, niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling waarvoor de ladder voor duurzame ontwikkeling doorlopen hoeft te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter wel wenselijk om aandacht te besteden aan de uitvoerbaarheid en behoefte van het plan. In paragraaf 4.3 wordt hier nader op ingegaan.
14
Conclusie In paragraaf 4.3 Volkshuisvesting wordt nader beschreven in hoeverre met onderhavige plan wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Crisis- en herstelwet Met de Crisis- en herstelwet (Chw) wil het kabinet de procedures voor grote projecten versnellen. Hiermee wordt een stap gezet om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden. De Chw zorgt voor een toename van het aantal kwalitatief goede woningen en bedrijfslocaties. Integrale gebiedsontwikkeling krijgt een belangrijke impuls. Op het gebied van bedrijventerreinen ligt de nadruk op herstructurering. De regels uit de Chw betreffen in deze vooral het bestuursprocesrecht waardoor de doorlooptijd van procedures voor in de wet aangewezen projecten kan worden verkort. Conclusie De Chw is niet van toepassing op onderhavig bestemmingsplan, omdat dit plan niet kan worden aangemerkt als een besluit dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een ruimtelijk project zoals omschreven in de Chw. 3.2
Provincie Omgevingsvisie Noord-Brabant De nieuwe Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultuur erfgoed en water. En regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Vooruitlopend hierop heeft de provincie alvast een provinciale Omgevingsvisie gemaakt. De Omgevingsvisie is door de provinciale staten vastgesteld op 14 december 2018 en geeft de belangrijkste hoofdopgaven van het provinciaal beleid ten opzichte van de fysieke leefomgeving tot 2050. Ook geeft de Omgevingsvisie aan op welke manieren de provincie wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken met betrokkenen en de waarden die daarbij centraal staan. De visie is zelfbindend, dat wil zeggen dat iedere overheidslaag zich aan haar eigen visie moet houden. Een overheid kan de keuzes uit de Omgevingsvisie vastleggen in regels, de Omgevingsverordening.
15
Aan deze regels moeten overheden, bedrijven en burgers zich houden. In de Omgevingsverordening zijn de kaderstellende elementen uit de Omgevingsvisie vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De visie bestaat uit een basisopgave en vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn. De basisopgave is: “werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. De vier hoofdopgaven komen voort uit de basisopgave: •
Hoofdopgave I: werken aan de Brabantse energietransitie
•
Hoofdopgave II: werken aan een klimaatproof Brabant
•
Hoofdopgave III: werken aan de slimme netwerkstad
•
Hoofdopgave IV: werken aan een concurrerende, duurzame economie
Om de doelen voortkomend uit de hoofdopgaven te bereiken, zet de provincie Noord-Brabant in op een samenhangende ruimtelijke koers. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie (PMWP, SVRO, PVVP). Grote delen van die beleidsplannen horen vanuit het systeem van de Omgevingswet straks thuis in de programma’s. Conclusie De beleidsmatige uitgangspunten van de visie zijn, voor de aspecten waarop het provinciaal belang in geding is, zijn uitgewerkt in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is de vervanger van verschillende provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte. De Omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld. De Interim Omgevingsverordening bestaat uit de samenvoeging van bestaande regels uit verschillende verordeningen. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve Omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening gaat tegelijk met de Omgevingswet van kracht. 16
De verordening is één van de uitvoeringsreglementen van de provincie om haar doelen te realiseren. In de Omgevingsverordening vertaalt de provincie kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Het plangebied valt volgens de Interim Omgevingsverordening onder de volgende gebieden: •
Diep grondwaterlichaam (Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen)
•
Geen Attentiezone waterhuishouding (Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen)
•
Grondwaterbeschermingsgebied – maximale boordiepte 20 meter (Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen & instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en - berging)
•
Waterwinning voor menselijke consumptie (Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen)
•
Bescherming Natura 2000 (Rechtstreeks werkende regels: landbouw)
•
Stalderingsgebied (Rechtstreeks werkende regels: landbouw & instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied)
•
Verbod uitbreiding veehouderij (Rechtstreeks werkende regels: landbouw)
•
Concentratiegebied (Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed)
•
Stedelijk gebied (Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed)
•
Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied (Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid, en – berging)
•
Normen wateroverlast (Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid, en – berging)
17
Stedelijk gebied Het plangebied ligt binnen gronden die volgens de Interim Omgevingsverordening zijn aangeduid als ‘Concentartiegebied’ binnen het 'Stedelijk gebied’.
Afbeelding 5. Uitsnede kaart 3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, Stedelijk gebied
Voor het bouwen van woningen binnen het 'Stedelijk gebied' geldt als voorwaarde dat dit past binnen de regionale afspraken die over wonen zijn gemaakt. Het bevorderen van zorgvuldig ruimtegebruik staat hierbij centraal en is uitgangspunt voor elke stedelijke ontwikkeling. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen het ‘Stedelijk gebied’ en dat de ruimte binnen het ‘Stedelijk gebied’ zo goed als mogelijk wordt benut. De beoogde woningbouwontwikkeling past binnen de regionale afspraken die gemaakt zijn over woningbouw en er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. In paragraaf 4.3 Volkshuisvesting wordt beschreven dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Overige gebieden De overige instructieregels en/of rechtstreeks werkende regels behorende bij de gebieden waar het plangebied onder valt zijn niet direct van toepassing op het plangebied en/of voornemen.
18
Daarnaast geldt voor elke ruimtelijke ontwikkeling de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, die zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2, artikel 3.5 van de Interim Omgevingsverordening. Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: •
Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 3.6);
•
De waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering (art. 3.7);
•
Meerwaardecreatie (art. 3.8).
Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel verstaan. De beoogde woningen worden gerealiseerd binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ en voldoet hiermee aan de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit, zoals beschreven in artikel 3.6 van de Interim Omgevingsverordening. De bebouwingsregeling uit vigerende bestemmingsplannen in de dorpskern Riel worden zoveel mogelijk overgenomen. Hiermee wordt voldaan aan de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit zoals beschreven in artikel 3.6 van de Interim Omgevingsverordening. Toepassing van de lagenbenadering (art. 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: •
De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;
•
De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer;
19
•
De bovenste laag, zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.
Door actief de factor tijd te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op de bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in deze toelichting. Meerwaardecreatie (art. 3.8) Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: •
De mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;
•
De bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.
De realisatie van twee duurzaam gebouwde woningen ter plaatse van een agrarisch perceel draagt bij aan een verbetering van de fysieke kwaliteit van de bebouwingsconcentratie Spaansehoek/Vijfhuizenbaan. Conclusie Gezien hetgeen hierboven wordt beschreven is de voorgestane ontwikkeling in overeenstemming met het provinciale beleid. 3.3
Gemeente Structuurvisie De structuurvisie, vastgesteld door de gemeenteraad op 20 juli 2010, biedt het kader voor het te voeren ruimtelijke beleid tot 2020. In de structuurvisie wordt, aan de hand van de te onderscheiden beleidsthema’s en deelgebieden, ingegaan op de toekomstige beleidsdoelstellingen voor de gemeente.
20
De ontwikkeling is gelegen in het deelgebied ‘Buitengebied West’. Dit deelgebied is overwegend in gebruik door de agrarische sector. Daarnaast komen in dit deelgebied ook burgerwoningen, paardenhouderijen en in beperkte mate niet-agrarische bedrijfsvormen voor. Binnen deelgebied Buitengebied West bevinden zich enkele bebouwingsconcentraties met elk een eigen streefbeeld voor de toekomst. Het plangebied is gelegen in de bebouwingsconcentratie Spaansehoek/Vijfhuizenbaan. Samengevat komt het streefbeeld voor deze bebouwingsconcentratie op het volgende neer: •
Versterken van historische structuren en plekken;
•
Verdichting lint langs Spaansehoek beperkt mogelijk;
•
Eventuele stedelijke ontwikkeling slechts mogelijk in zuidoosthoek.
Afbeelding 7. Streefbeeld Spaansehoek/Vijfhuizenbaan
Het initiatief past binnen het streefbeeld voor de ‘Spaansehoek/Vijfhuizenbaan’, doordat de ontwikkeling zorgt voor een verdere verdichting van de bebouwingsconcentratie. Verder wordt bij de inrichting van het plangebied voldoende rekening gehouden met de historische structuren en plekken in de omgeving. De beoogde ontwikkeling draagt hierdoor bij aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Conclusie De onderhavige ontwikkeling is in overeenstemming met de Structuurvisie Goirle.
21
Toekomstvisie In 2013 is door de gemeenteraad de ‘Toekomstvisie gemeente Goirle 2020’ vastgesteld onder de titel ‘Thuis in Goirle: groen, sociaal, ondernemend’. Deze visie –gebaseerd op de drie kernbegrippen ‘groen, sociaal en ondernemend’– dient als leidraad voor de toekomstige beleidsontwikkeling. De ambitie voor Goirle in 2020 luidt: onze inwoners voelen zich thuis in de gemeente Goirle, want Goirle is een groene, sociale en ondernemende gemeente. Goirle is Groen De gemeente Goirle wordt gekenmerkt door het dorpse en landschappelijke karakter en is een prettige en groene woonomgeving, gelegen in het prachtige groen (bossen, beken, Regte Heide) en nabij de grote stad. Goirle is Sociaal De gemeente Goirle is een dynamische en levendige gemeente. De onderlinge sfeer is goed, open en positief. Ieder handelt vanuit zijn of haar eigen verantwoordelijkheid. Problemen worden door onze inwoners zoveel mogelijk zelf opgelost. In laatste instantie biedt de gemeente een vangnet voor diegenen die daarop zijn aangewezen. We denken aan handelen vanuit de ‘menselijke maat’. De inwoners kennen elkaar en zijn betrokken bij hun direct naaste omgeving maar juist ook in buurten en wijken. We zijn er voor elkaar en zorgen voor elkaar als dat nodig is. Goirle heeft een actief verenigingsleven en er zijn veel vrijwilligers.
We zijn trots op ons eigen karakter en onze eigen identiteit en houden deze graag in stand. Goirle is Ondernemend Binnen de gemeente Goirle zijn voldoende voorzieningen voor wonen, leven, onderwijs, recreatie en zorg aanwezig voor jong en oud, voor ieder wat wils. Economische ontwikkelingen in dat kader worden waar mogelijk ondersteund. In onze afwegingen maken we een verantwoorde keuze gericht op duurzaamheid. Daarbij wegen we economische en ecologische argumenten in samenhang en zorgen we voor balans. We staan voor nieuwe initiatieven van burgers, organisaties en ondernemers; soms initiëren we deze initiatieven zelf als we kansen zien of iets willen bereiken. Als gemeente kiezen we hierbij bij voorkeur een regierol.
22
Conclusie Met de ontwikkeling wordt ruimte gegeven aan een particulier initiatief om een agrarisch perceel te herontwikkelen naar woningbouw in de bebouwingsconcentratie ‘Spaansehoek/Vijfhuizenbaan’. De beoogde ontwikkeling is passend binnen de beleidskaders van de toekomstvisie. Bestemmingsplan Het plangebied is in het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Goirle’ bestemd als ‘Agrarisch’. Binnen deze bestemming zijn gronden uitsluitend bestemd voor agrarische doeleinden.
Afbeelding 8. Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Goirle’, plangebied rood omlijnd
De initiatiefnemer wil in het plangebied twee woningen realiseren. De beoogde activiteiten zijn in strijd met het vigerend bestemmingsplan. Om de plannen van de initiatiefnemer toch mogelijk te maken, dient de vigerende bestemming gedeeltelijk omgezet te worden naar de bestemming ‘Wonen’. In 2019 heeft de gemeente Goirle een parapluplan opgesteld. Een paraplubestemmingsplan biedt de mogelijkheid om bestemmingsplannen binnen de gemeente in één keer te herzien voor één of meerdere onderwerpen.
23
Het parapluplan heeft betrekking op de volgende onderwerpen: •
Terrassen;
•
Standplaatsen
•
Evenementen;
•
Parkeren;
•
Zendmasten;
•
Ruimte tussen bouwwerken.
In afbeelding 9 is weergegeven welke artikelen zijn gewijzigd.
Afbeelding 9: Uitsnede van bijlage 1 uit de plantoelichting van ‘Parapluplan gemeente Goirle’.
Voor het planvoornemen zijn de gewijzigde onderwerpen parkeren en ruimte tussen bouwwerken relevant. Deze zijn verwerkt in dit bestemmingplan. Conclusie Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt het planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.
24
HOOFDSTUK 4. THEMATISCHE BELEIDSKADERS In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema’s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van de kaders. Milieuaspecten en water komen aan bod in de volgende hoofdstukken. 4.1
Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand Stedenbouwkundige uitgangspunten Om qua schaal en maat aan te sluiten bij de omliggende percelen, worden de stedenbouwkundige uitgangspunten uit recente (bestemmings)plannen in de dorpskern Riel aangehouden. Dit betekent dat een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter voor de woningen wordt gehanteerd. De hoofdgebouwen worden gesitueerd op een afstand van minimaal 15 meter vanaf de Vijfhuizenbaan en minimaal 5 meter uit de zijdelingse perceelsgrenzen.
4.2
Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Archeologie Omdat in groeiende mate het Europees archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologische erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologische belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in casu de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald.
25
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende: •
De introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;
•
De verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.
In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld. Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport over te leggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist. Dit bestaat in de eerste plaats uit vooronderzoek: het bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek, elk met bijbehorende standaardrapportages. Tijdens het bureauonderzoek wordt gekeken naar wat er in historische, archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht al bekend is over het plangebied. De volgende fase bestaat in veel gevallen uit een veldonderzoek. Dergelijke onderzoek heeft als doel kansrijke en kansarme zones te karteren. Hierbij kan booronderzoek plaatsvinden alsmede proefsleuvenonderzoek. De resultaten dienen vervolgens te worden gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase wordt van de aangetroffen vindplaatsen, ook wel site genoemd, de omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit vastgesteld om zo tot een oordeel over de behoudenswaardigheid te komen. Op basis van dit oordeel neemt de betrokken overheid een (selectie)besluit hoe met eventuele aanwezige vindplaatsen dient te worden omgegaan.
26
Afbeelding 10. Uitsnede IKAW (met rood omcirkeld de globale ligging van het plangebied)
Het plangebied is op de Archeologische monumenten kaart (AMK) niet aangemerkt als een locatie van bekende archeologische waarde. Het plangebied heeft op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) een hoge archeologische verwachtingswaarde. Bij bodemingrepen is de kans op het aantreffen van archeologische vondsten dermate groot en dat maakt een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Op 2 maart 2021 is door Aeres Milieu een archeologische bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd conform de richtlijnen van de BRL SIKB 4000 (protocol 4002 en 4003), KNA 4.1. Het archeologische onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie. Aanvullend hierop is een verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen op het perceel uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. Op basis van het uitgevoerde verkennend velonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden aanwezig is.
27
Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel) op terrasafzetting van Formatie van Sterksel. Het dekzand bestaat uit zwak siltig matig fijn, goed gesorteerd zand. De natuurlijke ondergrond bevindt zich op een diepte van circa 40 tot 80 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een gemiddelde diepte van circa 16,11 tot 17,32 meter +NAP. Ter plaatse van boringen 2, 4, 5 en 6 zijn (deels) intacte bodems aangetroffen. In deze boringen is nog een B- en/of BC-horizont aanwezig. Het podzolprofiel is dus afgetopt maar door de aanwezigheid van de B- of BC-horizont blijft de archeologische verwachting gehandhaafd (hoog – laat-paleolithicum vroege middeleeuwen en laag tot middelhoog – late middeleeuwen – nieuwe tijd).
Afbeelding 11. Boorpuntenkaart
Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat de bodem in het westelijk deel van het plangebied in meer of minder mate verstoord is. De mate van verstoring is met een verkennend veldonderzoek niet vast te stellen. Ter plaatse van boringen 1 en 3 is sprake van een AC-profiel. De scherpe overgang naar de C-horizont is mogelijk het gevolg van een egalisatie voorafgaand aan de ontginning van het gebied en/of door opname in het bovenliggend dek middels ploegen van de akker. Dit betekent dat de top van de C-horizont ontbreekt en het potentieel archeologisch niveau voor de periode jagers-verzamelaars niet meer intact is. Deze vindplaatsen zijn immers erg kwetsbaar en zullen, indien deze aanwezig zijn geweest, alleen nog ex-situ kunnen worden aangetroffen. 28
Op basis van de voorstaande conclusie, worden de navolgende aanbevelingen meegegeven. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw in het grootste deel van het plangebied bestaat uit (deels) intacte enkeerdgronden. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting (hoog voor laatpaleolithicum vroege middeleeuwen en laag tot middelhoog voor late middeleeuwen - nieuwe tijd) blijft dan ook gehandhaafd. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen onder de humushoudende bovengrond (0-40 centimeter beneden maaiveld) archeologische resten aanwezig zijn. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt. Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn.
Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing. Ter bescherming van de ter plaatse voorkomende archeologische waarden is in het bestemmingsplan een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. Archeologisch (vervolg)onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlak groter dan 100 m² en dieper dan 40 cm. Cultuurhistorie en monumentenzorg Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven. Hierbij zijn vooral de Erfgoedwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.
29
Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing In het plangebied komt geen cultuurhistorische waardevolle bebouwing voor. Rijksmonumenten In het plangebied komen geen rijksmonumenten voor. Gemeentelijke monumenten In het plangebied komen geen gemeentelijke monumenten voor. 4.3
Volkshuisvesting Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' (Actualisering 2017) geeft inzicht in de veranderingen in de omvang, groei en samenstelling van de bevolking van de provincie Noord-Brabant. Deze prognoses zijn voor beleidmakers op elk maatschappelijk terrein, waaronder woningbouw en volkshuisvesting, van belang. Volgens de nieuwe provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose neemt het inwonertal van Noord-Brabant toe van 2.513.500 in 2017 tot een maximum van ruim 2.645.000 mensen aan het begin van de jaren ’40. Dit betekent dat de Brabantse bevolking de komende 25 jaar naar verwachting nog met ruim 130.000 personen zal groeien. De woningvoorraad bereikt eveneens een hoger maximum vergeleken met de vorige prognose uit 2014. De hogere bevolkingsgroei speelt hierbij uiteraard een rol. Samen met de vergrijzing en de individualisering leidt dit tot een sterke groei van het aantal huishoudens (en dus woningen). Verwacht wordt dat er in Brabant anno 2050 iets meer dan 1.260.000 woningen nodig zijn om in de woningbehoefte te kunnen voorzien, ruim 20.000 woningen meer dan de ramingen uit 2014. Dat betekent een toename van een kleine 160.000 woningen ten opzichte van de 1.104.000 die er aan het begin van 2017 in de provincie moeten staan.
De woningvoorraad blijft tot aan het einde van de prognoseperiode groeien, al vlakt de groei in de loop van de prognoseperiode wel sterk af. Al met al wacht Brabant de komende tijd nog een flinke woningbouwopgave, met een accent op de eerstkomende jaren. Tot 2030 zal de woningvoorraad nog met ruim 120.000 woningen moeten toenemen, gemiddeld genomen bijna 10.000 woningen (netto) per jaar. Dit om de verwachte groei van het aantal huishoudens op te kunnen vangen en bestaande woningtekorten terug te dringen.
30
In lijn met het provinciale verstedelijkingsbeleid concentreert de groei van de woningvoorraad zich in de stedelijke gebieden. Het beleid richt zich onder meer op: •
Het bouwen van voldoende woningen en;
•
Het voorzien in een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus.
Het is dan ook van provinciaal belang, dat de regionale woningmarkt goed functioneert. Daarvoor worden in regionaal verband afspraken gemaakt. De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' geeft daarvoor, aangevuld met regionale woningbehoefteonderzoeken, waaronder het 'Woningbehoefteonderzoek Hart van Brabant' van 2017, de input. Regionale afspraken Hart van Brabant De gemeente Goirle maakt samen met de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk deel uit van de regio Hart van Brabant. Binnen deze regio maken deze gemeenten jaarlijks gezamenlijke afspraken met de provincie Noord-Brabant over de kwantitatieve woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de, hiervoor genoemde, periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkingsen woningbehoefteprognose. In het Regionaal Ruimtelijk Overleg Midden Brabant van 19 december 2018, zijn afspraken gemaakt tussen gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk over het maximum aantal te bouwen woningen tot en met 2027. Op basis van de provinciale behoefteprognose is in de gemeente Goirle de kwantitatieve woningbehoefte voor de periode 2017-2027 840 woningen. Plannen binnen stedelijk gebied waartoe ook het plangebied behoort, behoeven geen regionale afstemming.
Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022 Het gemeentelijk woonbeleid volgt uit de vierjaarlijkse woonvisie. Op 2 juli 2019 is de Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022 vastgesteld door de gemeenteraad. In de woonvisie zijn de volgende ambities benoemd: 1. Doelgroepen: De gemeente luistert goed naar woningzoekenden in de gemeente Goirle. 2. Duurzaamheid: De gemeente wil zorgvuldig omgaan met energie, water en grondstoffen zoals beschreven in het Milieubeleidsplan Duurzaam Goirle 2017-2022. Nieuwe woningen moeten weinig tot geen energie verbruiken en zo min mogelijk CO2 uitstoten. 31
3. Woonomgeving: De gemeente wil aantrekkelijk zijn voor jong en oud en een prettige alsmede groene omgeving bieden. Dit geldt zowel voor de woning zelf, maar ook voor de locatie, diens omgeving en de voorzieningen. 4. Nieuwbouw: De gemeente wil voldoende en de juiste woningen bouwen en de gewenste woonmilieus toevoegen. De gemeente neemt de woningbehoefte van Goirlenaren als uitgangspunt bij het bouwen en realiseren van nieuwe woningen. Bij de woningprogrammering houdt de gemeente rekening met de woningen en woonmilieus die door verhuizing beschikbaar komen. De woonvisie is tot stand gekomen op basis van een kwalitatief woonbehoefteonderzoek uit 2018 en twee bijeenkomsten (1 in Goirle en 1 in Riel) waar inwoners aan konden geven wat zijn belangrijk vinden in hun woonplaats. Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat de gemeente Goirle in de jaren 2018-2028 gemiddeld 100 woningen per jaar wil realiseren. 80-90% van dit aantal wordt gerealiseerd in Goirle en 10-20% van dit aantal wordt gerealiseerd in Riel. Bij voorkeur voegt de gemeente Goirle woonmilieus toe waar op lange termijn een tekort aan ontstaat en waarvan er onvoldoende vrijkomen door doorstroming. Aanvullend voegt de gemeente woonmilieus toe die al in relatief ruime mate beschikbaar zijn.
Concreet zet de gemeente de komende jaren in op de toevoeging van koopwoningen in middeldure en dure categorieën om een verhuisstroom op gang te brengen. De realisatie van twee vrijstaande woningen aan de rand van de dorpskern van Riel behoort tot het middeldure tot dure segment. De nieuw te bouwen woningen worden daarnaast zo energiezuinig mogelijk uitgevoerd. Gesteld kan worden dat het planvoornemen aan sluit bij de ambities uit de Woonvisie gemeente Goirle 20192022. 4.4
Groen In 2016 heeft de gemeente Goirle het Landschapsbeleidsplan vastgesteld. Het Landschapsbeleidsplan bestaat uit een robuust groen raamwerk, wat verschillende ontwikkelingen in de tijd kan opvangen, wat een aantrekkelijk, beleefbaar en gevarieerd buitgebied oplevert en wat het natuurnetwerk ondersteunt en aanvult.
32
Het raamwerk bestaat uit de volgende lagen: het natuurnetwerk, de vier landschapsdelen, de drie beken, de lange lijnen van een aantal doorgaande routes en het routenetwerk. Elke laag heeft zijn eigen ruimtelijke karakteristiek en eigen spelregels ter ontwikkeling. Het Landschapsbeleidsplan bestaat uit twee delen. In deel A wordt de visie op hoofdlijnen aangegeven en in deel B zijn inspirerende spelregels opgenomen, die richting geven aan toekomstige ontwikkelingen. In het Landschapsbeleidsplan wordt ook aandacht besteed aan biodiversiteit en klimaatadaptatie. Het plangebied ligt in het deelgebied ‘Noord’: Het landschap van esdek en beemden van Riel met het Beekdal van de Leij. Dit deelgebied bestaat uit een bijzondere compositie van diverse aspecten van een middeleeuws agrarisch landschap in de hedendaagse tijd. Riel, Zandeind en Spaanse Hoek vormen een bijzonder historisch ensemble met het omringende landschap van esdekken, beemden en beekdal van de Leij. De kleinschalige linten omranden de open esdekken. Het beekdal is deels natuurlijk ingericht.
Afbeelding 12. Kenmerken van het landschap deelgebied Noord
33
Als concrete spelregels voor dit deelgebied worden aangedragen: - Essen openhouden; - Bebouwing langs de randen van de essen en kampen in ruime beplanting; - Wegen rond essen in laanbeplanting; - Netwerk van ommetjes, o.a. over verdwenen zandpaden creëren; - Beekdalranden verdichten met beplanting; - Versterking van de ecologische verbindingszone langs de Leij; - In beekdalen beplantingstructuur aanbrengen op twee manier: o Bij de beemden lijnvormige houtwallen, loodrecht op de beek of parallel aan de kavelgrenzen; o Bij de moerassige laagtes en waterbergingen beekbegeleidend bos laten ontwikkelen. Voor erven en tuinen kan dit worden gecreëerd met onderstaande basisspelregels, beplantingssoorten en beheer:
Voor het plangebied is op basis van bovenstaande een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Dit inrichtingsplan is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Zie ook paragraaf 2.5.
34
4.5
Verkeer en parkeren Verkeer Op 10 december 2013 heeft de gemeenteraad van Goirle een nieuw Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van het GVVP is het vastleggen van verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Goirle voor de periode 2013 tot 2023. Het beleid moet aansluiten bij de ambities en de speerpunten die de gemeente heeft en moet tevens passen binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen. In het GVVP worden de thema’s verkeersveiligheid, fiets, bereikbaarheid en verkeerscirculatie, voetgangers/minder validen, parkeren, openbaar vervoer en leefbaarheid en milieu besproken. Ten aanzien van deze thema's is van belang dat het onderhavige bestemmingsplan niet leidt tot een onevenredige toename van de verkeersgeneratie. Het plangebied wordt ontsloten via de Vijfhuizenbaan. Deze verharde weg heeft een maximum snelheid van 60 kilometer per uur en verbindt de kern Riel met het ten westen gelegen buitengebied. Vanuit Riel is de provinciale weg N630, richting Tilburg goed bereikbaar. Op basis van de CROW-publicatie kan de verkeersgeneratie van een ruimtelijke ontwikkeling bepaald worden. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied wordt een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 vervoersbewegingen per dag voorgeschreven.
Voor de realisatie van twee woningen resulteert het initiatief dus in een maximale verkeersgeneratie van 17,2 vervoersbewegingen per etmaal. De Vijfhuizenbaan heeft voldoende capaciteit om deze minimale toename aan verkeersbewegingen, welke hoofdzakelijk bestaat uit personenvervoer, af te kunnen wikkelen. Extra verkeersmaatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. Parkeren Bij de vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de CROW-publicatie. Bij iedere nieuwe ontwikkeling waar nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van woningen wordt gerealiseerd geldt namelijk als voorwaarde dat het parkeren op eigen terrein wordt opgevangen.
35
Volgens het CROW geldt voor een vrijstaande woning in het buitengebied een minimale parkeernorm van 2,0 en een maximale parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen per woning. Dit betekent dat binnen het plangebied voorzien moet worden in minimaal 4,0 parkeerplaatsen en maximaal 5,6 parkeerplaatsen. Het plangebied biedt voldoende ruimte om aan deze eisen te voldoen. Conclusie Het planvoornemen is in lijn met het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan van de gemeente Goirle. Met de beoogde ontwikkeling zullen er geen belemmeringen ontstaan voor de afwikkeling van personenvervoer. Aanpassingen aan de bestaande infrastructuur zijn niet noodzakelijk. Het parkeren zal daarnaast volledig plaatsvinden op eigen terrein.
36
HOOFDSTUK 5 MILIEUASPECTEN Dit hoofdstuk geeft aan hoe de milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. 5.1.
Milieuhinder en bedrijven Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. In deze publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd.
Voorbeelden van objecten met gevoelige functies zijn woningen, ziekenhuizen en scholen.
37
Twee omgevingstypen De toelaatbaarheid van milieubelastende functies die volgende de VNG worden gehanteerd zijn afhankelijk van het type gebied. Er bestaan twee type gebieden: 1. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied); 2. Een gebied met functiemenging. Binnen de gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies. Gezien de ligging van het plangebied in het buitengebied van de gemeente Goirle, wordt aangesloten bij het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De minimale afstand per categorie is als volgt: Categorie Richtafstand tot rustige woonwijk 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.5000 m
Richtafstand tot gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
38
De volgende bedrijven en inrichtingen zijn in de omgeving van het plangebied aanwezig: Locatie
Soort bedrijf
Cat.
Vijfhuizenbaan 1-3
Trainingscentrum voor honden voor opsporen explosieven Opslag Loonwerkbedrijf Pluimveehouderij Veehouderij Rundveehouderij
2
Richtafstand Werkelijke afstand 30 80
1 3.1 3.2 3.2 3.2
10 50 100 100 100
Vijfhuizenbaan 6B Vijfhuizenbaan 11 Vijfhuizenbaan 14 Vijfhuizenbaan 16 Spaanse Hoek 8
15 105 200 200 150
Bij de ontwikkeling van de woningen in het plangebied wordt voldaan aan de vereiste richtafstanden tot de omliggende bedrijven en inrichtingen. Door het planvoornemen wordt daarnaast een agrarische bestemming opgeheven, waardoor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied verbeterd. Andersom worden de omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden beperkt. In de nabijheid van het plangebied bevindt zich een aantal veehouderijen, die ten aan van het aspect geur en endotoxine gevolgen kunnen hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. De aspecten geur en endotoxine worden nader beschreven in paragraaf 5.6 Geur en 5.7 Endotoxine. Conclusie Vanuit het aspect milieuhinder en bedrijven bestaat er geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2.
Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). 39
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour).
Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10 -6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico’s en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. 40