CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Bijlage 1 - vast te stellen BP.pdf

Besluitvormend 4 oktober 2022, gemeente GoirleBij agendapunt: 8.: Raadsvoorstel gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Vijfhuizenbaan ong. to 1022.530 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10 -6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico’s en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. 41

Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - De kans op een ongeval; - Het effect van het ongeval; - Het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft; - De mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.

Afbeelding 13. Uitsnede Risicokaart Nederland

42

Inrichtingen In het plangebied liggen geen risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen. Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour, die van invloed is op het onderhavige plangebied. Transport Het niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen in Goirle vindt plaats over de weg. In de gemeente is geen sprake van vervoer per spoor en vervoer over water. De dichtstbijzijnde transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd betreft de A58, die op een afstand van circa 1,6 km van het plangebied is gelegen. Voor deze transportroute is een invloedsgebied van 4 km vastgesteld voor een toxisch scenario. Het plangebied is hier binnen gelegen. Op grond van het Bevt zal het groepsrisico derhalve verwoord moeten worden. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleiding (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de omgeving van het plangebied vindt transport van aardgas plaats via twee buisleidingen (de buisleidingen A-532 en de A-657 van Gasunie). Deze leidingen zijn gelegen ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 500 meter. Het plangebied is derhalve buiten de PR 10-6 contour van de buisleidingen gelegen.

Vuurwerk Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstanden wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. 43

Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een groter afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts). In de direct nabij van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen. Groepsrisicoverantwoording Bij het vaststellen van het bestemmingsplan dient het groepsrisico, conform artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) verantwoord te worden indien het plangebied is gelegen in het invloedsgebied en er sprake is van het toevoegen van een kwetsbaar object. Dat houdt in, dat de hoogte van het groepsrisico bekend moet zijn en tevens de bijdrage van het ruimtelijk plan aan het groepsrisico (verhoging/verlaging). Er moet inzicht gegeven worden in de te verwachten dichtheid van personen in de invloedsgebieden van risicobronnen binnen én buiten het plan. Tevens dienen de maatregelen ter beperking van het groepsrisico te worden meegenomen. Verder dient volgens deze artikelen/regelingen advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio.

Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft voor de gemeente Goirle een standaardadvies opgesteld ten behoeve van kleine bestemmingsplannen die geen bijzondere of zeer kwetsbare objecten mogelijk maken, dan wel op voldoende afstand van een risicovolle inrichting of transportroute/buisleiding zijn gelegen. Zeer kwetsbare gebouwen hebben volgens het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Omgevingswet) een: - Gezondheidsfunctie met bed-gebied; - Woonfunctie voor zorg; - Onderwijsfunctie (basisschool); - Onderwijsfunctie (minderjarigen met lichamelijk of geestelijke beperking); - Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang; - Celfunctie. Met de ontwikkeling wordt geen zeer kwetsbaar object opgericht. De afstand tot het dichtstbijzijnde risicovolle transportroute en buisleidingen is circa 500 meter en er worden met het ruimtelijk plan geen grote groepen personen (>50 personen) aan het plangebied toegevoegd. 44

Voor wat betreft de ligging van het plangebied binnen de invloedsgebieden van de risicovolle transportroute A58 kan derhalve gebruik worden gemaakt van het standaardadvies. De standaard groepsrisicoverantwoording en het standaardadvies van de Veiligheidsregio zijn als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. Conclusie Ten aanzien van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor voorliggend planvoornemen. 5.3.

Kabels, straalpad In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden.

5.4.

Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, industriële activiteiten en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Wegverkeer Het plangebied is gelegen binnen de onderzoekszone van de Vijfhuizenbaan (60 km/h weg). De etmaalintensiteit op de Vijfhuizenbaan wordt ingeschat op maximaal 1.000 voertuigen, zowel voor als na realisering van het plan. De geluidgevoelige functies van de woningen worden gesitueerd op een afstand van minimaal 15 meter (conform de bouwregels van de bestemming ‘Wonen’ uit het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied Goirle”) tot de weg. Op basis van de beperkte verkeersintensiteit en de afstand mag zonder meer aangenomen worden dat de geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Akoestisch onderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Industrie Uit paragraaf 5.1 is gebleken dat het planvoornemen voldoet aan de gestelde richtafstanden op het gebied van geluid uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Een nader akoestisch industrielawaai is daarmee niet noodzakelijk. Railverkeer Binnen de gemeente Goirle bevinden zich geen spoorwegen. Ook laat het bestemmingsplan geen nieuwe spoorwegen toe.

Een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is niet aan de orde. 45

Conclusie In het kader van de Wgh gelden geen restricties voor dit bestemmingsplan. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. 5.5.

Lucht Om de ontwikkeling van nieuwe functies mogelijk te maken dient de luchtkwaliteit in beschouwing te worden genomen. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. Doel ervan is het beschermen van mens en milieu tegen negatieve effecten van luchtverontreiniging. Niet in betekende mate In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing. Voorliggend planvoornemen betreft het omzetten van een agrarische bestemming naar een woonbestemming, waarbij twee woningen mogelijk worden gemaakt. De realisatie van twee woningen draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen betekent dat verder toetsing niet noodzakelijk is.

Luchtkwaliteit ter plaatse Omgekeerd dient aangetoond te worden dat ter plaatse van een het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. In de wet zijn grenswaarden opgenomen ten aanzien van de jaargemiddelde concentraties voor onder andere stikstofdioxide en fijnstof.

46

De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/ m3

Fijnstof (PM10)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/ m3

Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

20 µg/ m3

Om zeker te stellen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse voldoende is, onder andere ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit, is een onderzoek woon- en leefklimaat uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting opgenomen. In het onderzoek woon- en leefklimaat is onder ander getoetst aan de Atlas Leefomgeving. Volgens de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) bedraagt de achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse ongeveer 19 μg/m³ (PM10) en ongeveer 10 μg/m³ (PM2,5) en de achtergrondconcentratie stikstofoxiden ter plaatse ongeveer 15 μg/m³. Er wordt hiermee ruimschoots voldaan aan de normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldaan. Gesteld kan worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Conclusie Er bestaan voor het initiatief geen belemmeringen ten aanzien van het aspect lucht. 5.6.

Geur Industriële geur Het beleid voor industriële geur (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort gezegd komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen: de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden.

47

Er worden in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij “het voorkomen van nieuwe geurhinder” voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een “dosis-effectrelatie” (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonende) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven “normen” vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen bij te worden aangesloten. Voor enkele bedrijfscategorieën is derhalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen de invloedzone van bedrijven met geurhinder. Geurhinder van industriële bedrijvigheid vormt derhalve geen belemmering.

Agrarische geur De Wet geurhinder en veehouderij (hierna Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voorgrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de Wgv). Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de locatie dient in het kader van het aspect geur antwoord gegeven te worden op de vragen: - Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object); - Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

48

Om zeker te stellen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse voldoende is, onder ander ten aanzien van het aspect geur, is een onderzoek woon- en leefklimaat uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting opgenomen. Uit het onderzoeken volgen dan navolgende resultaten: Berekening achtergrondbelasting Als geurgevoelige objecten (receptoren) zijn worst-case de vier hoekpunten van het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’ geselecteerd. De berekeningen zijn uitgevoerd in het programma V-stacks gebied. Alle bedrijven binnen en straal van 2 km van het plangebied zijn meegenomen in het bronbestand. Onderstaand zijn de resultaten van de achtergrondgeurberekening weergegeven.

Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld. Een aanvraag om een milieuvergunning van een veehouderij wordt getoetst aan in de wet vastgelegde standaardwaarden voor maximale voorgrondbelasting of aan standaardwaarden voor vaste afstanden dan wel aan de waarden welke vastgelegd zijn in een gemeentelijke verordening. De in de Wet geurhinder en veehouderij gestelde normen voor de voorgrondbelasting betreffen dan ook alleen wettelijke normen voor de milieuvergunningverlening, niet voor de ruimtelijke ordening. Vanuit de achtergrondgeurbelasting kan de voorgrondgeurbelasting worden afgeleid. De hoogste voorgrondbelasting komt vanuit Vijfhuizenbaan 14 met een voorgrondgeurbelasting van 6,9 OUE/m3.

49

Vaste afstanden Op grond van artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object tenminste 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom gelegen is. Het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’ is gelegen buiten de bebouwde kom. De dichtstbijzijnde veehouderij van derden, betreft de rundveehouderij aan de Spaansehoek 8. Gemeten vanaf de grens van het bouwvlak van deze locatie, bedraagt de afstand tot het plangebied ruim 150 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de vereiste afstanden. Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende agrarische bedrijven Het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’ op de planlocatie mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. De omliggende veehouderijen worden door dit nieuwe bestemmingsvlak niet beperkt in de ontwikkelingsmogelijkheden. Naast dat er aan alle normen voor zowel voorgrondgeurbelasting, achtergrondgeurbelasting en de vaste afstanden wordt voldaan, zijn er op kortere afstand van de veehouderijbedrijven al burgerwoningen gelegen. Deze woningen zijn voor de veehouderijbedrijven bepalend en niet de beoogde woningen binnen het plangebied.

Conclusie Op basis van de resultaten uit het onderzoek woon- en leefklimaat kan het volgende worden geconcludeerd: •

Aan het afstandscriterium wordt voldaan.

•

De rechten van geen van de veehouderijen in de omgeving van het plangebied worden aangetast omdat het voornemen voor geen van de bedrijven tot extra belemmeringen leidt. De locatie was vanuit het huidige ook al aan te merken als geurgevoelig object

•

De voorgrondbelasting (6,9 OUE/m3) voldoet aan een acceptabele milieukwaliteit en laat zich kwantificeren als passend voor de omgeving.

•

De achtergrondbelasting (6,9 OUE/m3) voldoet aan een acceptabele milieukwaliteit en laat zich kwantificeren als passend voor de omgeving.

50

Er is voor het aspect geur een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd. Het aspect cumulatie van geur staat daarmee de bestemmingswijziging niet in de weg. 5.7.

Endotoxine Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 2.0' zoals is opgesteld door de provincie Noord-Brabant, de verschillende omgevingsdiensten van Brabant en de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) van Brabant, kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Hierin zijn richtafstanden opgenomen voor varkens- en pluimveehouderijen waarbinnen een nadere afweging van de mogelijke risico's op de volksgezondheid nodig is wanneer er sprake is van het oprichten van gevoelige objecten. Voor varkenshouderijen bedraagt deze afstand 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze afstand 500 meter. Om zeker te stellen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse voldoende is, is het aspect endotoxine tevens behandeld in het onderzoek woon- en leefklimaat. Het onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting opgenomen. Binnen 200 meter van de locatie zijn geen varkenshouderijbedrijven gelegen. Wel is aan de Vijfhuizenbaan 14 op een afstand van circa 200 meter een pluimveehouderij gevestigd. Op basis van de vergunning is er in de feitelijke situatie een totale fijnstof emissie van 2.774 kg/jaar. Het veehouderijbedrijf heeft nog een vergunning om de bestaande stallen te verlengen naar de noordzijde en daarbij de fijnstofuitstoot te verhogen tot 3.653 kg/jaar.

In onderstaande tabel is berekend wat de afstand moet zijn bij de emissie van het bedrijf met vleeskuikens.

51

Volgens bovenstaande tabel met afstanden moet de minimale afstand vanaf het emissiepunt van het pluimveebedrijf (Vijfhuizenbaan 14) tot het gevoelig object (nieuwe woning binnen beoogd bestemmingsvlak ‘Wonen’) bij een emissie van 2.774 kg kg/jaar 320 meter zijn. Hoewel de grens van het bouwvlak op een afstand van 200 meter van het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’ gelegen is, zijn de emissiepunten aan de achterzijden van de stallen gelegen op een afstand van circa 290 meter. Met het verlengen van de stallen komen de emissiepunten op een afstand van circa 320 meter. Het endotoxine toetsingskader is een worst-case benadering, waarbij ervan uitgegaan wordt dat er cumulatie plaatsvindt van meerdere individuele bedrijven. In deze specifieke casus is er slechts sprake van één bedrijf en is cumulatie niet aan de orde. De achtergrondconcentratie fijnstof, waar de endotoxinedruk aan gerelateerd is, bedraagt minder dan 50% van de normwaarde van 40,0 μg/m3. Op grond hiervan mag er geconcludeerd worden dat de richtafstand van 320 meter ook groter is dan noodzakelijk. Bij een beperkte afwijking kan er nog steeds sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat zijn. De toekomstige bewoners zullen er actief op gewezen worden dat zij in de nabijheid van een pluimveebedrijf gaan worden en dat daar mogelijk gezondheidsrisico’s aan kleven.

Tevens zijn er meerdere woningen op kortere afstand gelegen, waardoor het pluimveebedrijf door onderhavige ontwikkeling niet in haar ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt. Conclusie Hoewel de afstand tussen het emissiepunt van het pluimveebedrijf en het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’ niet voldoet aan de richtafstand uit het endotoxinetoetsingskader, kan er toch gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Cumulatie van meerdere bedrijven is namelijk niet aan de orde en de fijnstofconcentratie is dusdanig laag dat de endotoxineconcentratie ook lager is dan de richtlijn aangeeft. Het aspect endotoxine staat daarmee de bestemmingswijziging niet in de weg. 5.8.

Bodem Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet –ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening- worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. 52

In het belang van de bescherming van het milieu, zijn om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt te zijn voor de nieuwe bestemming. Door Aeres Milieu is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de richtlijnen van NEN5740. Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een bodemonderzoek op het perceel. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Uit het onderzoek zijn de volgende conclusies en aanbevelingen naar voren gekomen: Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuigelijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde gemeten zijn. In het freatisch grondwater zijn sterk verhoogde gehalten kobalt en nikkel en tevens licht verhoogde gehalten aan barium, cadmium, zink, xylenen en naftaleen aangetoond.

Gezien het agrarische gebruik en een eerder in de omgeving uitgevoerd bodemonderzoek met sterk verhoogde gehalten in het grondwater kunnen naar inziens van het onderzoeksbureau de gehalten in het grondwater worden beschouwd als verhoogde achtergrondgehalten. Rekening houdend met bovenstaande vormen de resultaten van dit bodemonderzoek geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. 53

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied ondervindt ten aanzien van bodem geen belemmeringen. 5.9.

Natuur De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt per 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn door het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. Bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. Decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. Vereenvoudiging van de regels. Gebiedsbescherming In het kader van de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het NNN gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld.

Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

54

Soortenbescherming De soorten beschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet.

Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Quickscan natuurwetgeving Door Aeres Milieu is een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. In de quickscan is nagegaan welke effecten het planvoornemen heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed het planvoornemen heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden. Uit de scan zijn de volgende conclusies naar voren gekomen: Natura 2000 De plannen zullen naar mening van het onderzoeksbureau waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is een stikstofberekening uitgevoerd. Zie paragraaf ‘Stikstof’.

55

Natuurnetwerk Nederland De bouw en het gebruik van de woningen en de toenemende verkeersbewegingen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Beschermde planten en dieren Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd.

Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de werkzaamheden buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Stikstof Met de uitspraak van de Raad van State (29 mei 2019) is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. Een nieuwe stikstofrekentoepassing maakt sommige bouwprojecten toch mogelijk. Het kabinet heeft een nieuwe rekenmethode naar buiten gebracht (de ‘AERIUS Calculator 2020’) welke het verlenen van vergunning voor projecten mogelijk moet maken. Daarnaast is het door intreding van de wet Stikstofreductie op 1 juli 2021 niet langer nodig een activiteit met tijdelijke emissies op de lokale effecten te toetsen. Het gaat hierbij om de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bebouwing. 56

Voor de realisatie van twee woningen is een berekening gemaakt met behulp van de Aerius calculator 2020. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 7 bij de toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat gedurende de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. De ontwikkelingen in het plangebied hebben dus geen invloed op de omliggende Natura 2000-gebieden. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied ondervindt ten aanzien van natuur geen belemmeringen.

57

HOOFDSTUK 6 WATER De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan. 6.1.

Beleid Rijk en provincie Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Men werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Regionaal Water en Bodemprogramma Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP_ van de provincie Noord-Brabant in werkging getreden. Veilig, schoon en voldoende water en een gezonde bodem zijn de streefdoelen van het programma. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaatrobuust wateren bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu- en Waterplan en onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland.

58

Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het water van onder andere de gemeente Goirle en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt, voor zover relevant, hierna kort besproken: - Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Kadernota 2018-2027; - Ruimte voor de Rivier; - Keur Waterschap Brabantse Delta. Waterbeheerprogramma Brabantse Delta 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in de periode 2022 – 2027 uitvoert. Er staan doelstellingen en ambities in. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet. Bij het opstellen van het Waterbeheerprogramma hebben we aan organisaties en andere belanghebbenden om hun inbreng gevraagd. Maar ook met trends en maatschappelijke ontwikkelingen, zoals klimaat, de inrichting van de ruimte en economische activiteiten is rekening gehouden in het Waterbeheerprogramma. Kadernota 2018-2027 Deze nota beschrijft hoe het waterschap onder meer omgaat met een aantal uitdagingen waarvoor ze gesteld wordt. In eerste instantie gaat het om klimaatadaptie.

De effecten van klimaatverandering zijn groter dan door velen gedacht en er zal een tandje bijgezet moeten worden. Een tweede uitdaging is de waterkwaliteit. Het waterschap is inmiddels gestart met het uitvoeren van een eerste serie watersysteemanalyses, die de komende jaren worden uitgebreid. Het waterschap evalueert daarbij de huidige aanpak en combineert dit met de nieuwste, lokale en (inter)nationale kennisinzichten. Daarbij zoekt het waterschap actief de samenwerking met bedrijven, inwoners, terreinbeheerders en medeoverheden.

59

Keur Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsplicht op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijk invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd. Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is, zijn: - Het dempen of wijzigen van een watergang; - Het aanleggen van kabels of leidingen; - Het planten van bomen en struiken; - Het brengen van water in en een watergang. Gemeente Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle’ Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad het Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle’ (PWR) vastgesteld.

Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR leggen we vast wat we willen bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/bedrijven ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De wettelijke en beleidskaders die ten grondslag liggen aan dit PWR zijn beschreven in hoofdstuk 2. Het PWR vervult vier hoofdfuncties: •

Kader gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater.

•

Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. 60

•

Externe afstemming: met o.a. bewoners en bedrijven, ontwikkelaars en bouwbedrijven.

•

Continuïteit en voortgangsbewaking: vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie).

Verordening Hemel- en grondwater Goirle 2021 Op 21 september 2021 heeft de gemeenteraad de Verordening Hemel- en grondwater Goirle 2021 vastgesteld. De verordening is de vertaling van het PWR naar regels om de doelstellingen in het PWR te kunnen behalen. Bijvoorbeeld door klimaatrobuust handelen te verplichten bij de (her)aanleg van bouwwerken en verharding. Daarnaast biedt de verordening de mogelijkheid tot het aanpakken van bestaande situatie die door de tand des tijds niet meer wenselijk zijn. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en droogte toe. Dat vraagt om maatregelen waarin niet alleen de gemeente een verantwoordelijkheid heeft. Samen met inwoners, ondernemers en ontwikkelaars moet het verschil gemaakt gaan worden. Gidsprincipes water In het verleden hebben gemeenten en waterschappen strategieën opgesteld om meer duurzaam om te gaan met afval- en hemelwater. Deze strategieën zijn inmiddels gemeengoed geworden en beschouwen we dan ook als gidsprincipes voor de komende jaren: •

We zamelen in principe het stedelijk afval- en hemelwater gescheiden in en ontvlechten zo de (schone en vuile) waterstromen;

•

We streven ernaar om het hemelwater zoveel als mogelijk bovengronds en zichtbaar te verwerken;

•

We weren de lozing van hemelwater afkomstig van inrichtingen op vuilwater riolering;

•

We betrekken de kenmerken en knelpunten van zowel het regionale (stroomgebiedsbenadering) als het stedelijke watersysteem in de omgang met hemelwater. We streven naar watersysteemherstel;

•

We wentelen water- en waterbergingsopgaven niet af naar andere locaties/gebieden, tenzij dit doelmatig is;

•

We kiezen voor robuuste (zo min mogelijk onderhoudsgevoelige) oplossingen;

61

•

We gaan doelmatig en maatschappelijk kostenbewust om met de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van het watersysteem;

•

We streven naar meer centrale, robuuste en goed te beheren rioolvoorzieningen;

•

We hanteren de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren voor de omgang met hemelwater: 1. Vasthouden: doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, enz.; 2. Bergen: overtollig hemelwater bergen we eerst in het stedelijk watersysteem; 3. Afvoeren: pas bij volledige benutting van de berging voeren we het overtollige hemelwater af naar het regionale watersysteem

•

We streven naar grootschalige goed beheersbare infiltratievoorzieningen in openbaar gebied. Kleinschalige infiltratievoorzieningen worden na het einde van de levensduur niet hersteld;

•

Voor grondwaterbeschermingsgebieden volgen we het provinciaal beleid conform de gebiedsdossiers.

Waterberging Bij ruimtelijke inrichtingen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering om zo waterschade te voorkomen en de gevolgen indien er schade optreedt te beperken. Om toe te werken naar een robuust Goirle worden bij elke ontwikkeling van de openbare ruimte klimaatadaptieve maatregelen en waterrobuustheid meegenomen als overweging. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente Goirle de 70 mm/h bui uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) als norm om inpandig geen waterschade te hebben. Deze bui wordt ook gebruikt om de robuustheid / kwetsbaarheid van de hoofdinfrastructuur (ontsluitingsrouten, calamiteitenverkeer, etc.) te toetsen. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m² hanteert het Waterschap Brabantse Delta een compensatie van 60 mm conform de Brabantse Keur. Dit zal worden geborgd door in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen. Dit zal worden geborgd door in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen. Daarnaast hanteert de gemeente Goirle bij herontwikkelingen een compensatie van 20 mm waterberging (indien realiseerbaar) conform bui 8 uit de Kennisbank Stedelijk water.

62

6.2.

Huidige en toekomstige situatie Verdeling verhard oppervlak Op dit moment bestaat het gehele plangebied uit landbouwgrond. Het plangebied is onbebouwd en kent geen oppervlakte verhardingen. In de beoogde situatie worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd. Uitgaande van de landschappelijke inpassing krijgen de hoofdgebouwen een oppervlakte van circa 170 m2. Hierbij is een totale oppervlakte aan bijgebouwen van maximaal 100 m2 en een carport van maximaal 30 m2 per woning toegestaan. Voor de aan te leggen erfverharding wordt uitgegaan van circa 100 m2 per woning (worst-case scenario). In de onderstaande tabel is de geschatte toename aan verhardingen weergegeven. Hieruit blijkt dat in de beoogde situatie een toename van verhard oppervlakte plaatsvindt van maximaal 800 m2. Oppervlaktes Daken

Huidige m2 0

Toekomstige m2 600

Terrein verhardingen

0

200

Onverhard terrein Totaal

5.765 5.765

4.965 5.765

Voor het bepalen van de waterbergingsopgave geldt een compensatie-eis van 60 mm. Voor onderhavig planvoornemen betekent dit een waterbergingsopgaven van 48 m3 (800 m2 x 0,06). Hier kan invulling aan gegeven door het hemelwater af te wateren op de voortuin. Dit water kan dan oppervlakkig overlopen richting de aangrenzende waterloop. Daarnaast is binnen het perceel voldoende ruimte in de tuin om hemelwater ook in de toekomst te laten infiltreren. Dit is conform de voorkeursvolgorde vasthouden, bergen van de gemeente Goirle. Omdat er op eigen terrein voldoende ruimte is voor de infiltratie van hemelwater, hoeft de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling niet te worden afgewenteld op het bestaande watersysteem en rioolstelsel.

63

Bodem en grondwater In het kader van de Wro dient aangetoond te worden of de bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de nieuwe functie en hoe toekomstige verontreinigingen voorkomen kunnen worden. Het plangebied ligt op circa 16 meter boven Nieuw Amsterdams Peil (NAP). Het gebied ligt op riviergrind met een zanddek dat tot de Formatie van Sterksel wordt gerekend. De Formatie van Sterksel is een rivierafzetting afkomstig van de Rijn en later van de Maas en wordt gekenmerkt door een groep van grofkorrelige sedimenten in de vorm van grindhoudende zanden aan de oppervlakte die later bedekt zijn met een dun laagje dekzand.

Afbeelding 14. Uitsnede afbeelding Landschapsbeleidsplan, geomorfologie Goirle (met rood omcirkeld de globale ligging van het plangebied)

De waterdoorlatendheid (k-waarde) van ‘fijn grind’ en ‘dekzand’ is respectievelijk 1.000 tot 10.000 en 1 tot 5 meter per etmaal. Daarmee is de doorlatendheid van ‘fijn grind’ zeer goed en van ‘dekzand’ goed. Het grondwater bevindt zich twee tot drie meter onder maaiveld. De bodem heeft ruime infiltratiemogelijkheden. Grondwater Binnen het plangebied worden geen werkzaamheden uitgevoerd die de grondwaterstand beïnvloeden (zoals drainages en onttrekkingen).

64

Oppervlaktewater en watergangen

Afbeelding 15. Uitsnede Legger Brabantse Delta

Aan de noordzijde van het plangebied is een waterloop aanwezig. Deze waterloop is door Brabant Keur gecategoriseerd als B-water. Een categorie-B waterloop is vooral van lokaal belang om voor een goede waterhuishouding te zorgen. Voor dergelijke watergangen geldt dat de onderhoudsplicht in het algemeen berust bij de eigenaar of gebruiker van de aan het oppervlaktewaterlichaam grenzende gronden, voor de halve breedte van dat oppervlaktewaterlichaam. Via het Omgevingsloket zal een vergunning aangevraagd worden van de aanleg van de inritten over de waterloop. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijke afvalwater wordt geloosd op de gemeentelijke drukriolering. Er vindt door de realisering van twee woningen geen substantiële toename plaats van de hoeveelheid afvalwater. Derhalve zijn geen nadere aanpassingen vereist. Hemelwater In de algemene regels en de hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater is bepaald dat bij een toename van het verharde oppervlak tot 500 m2 geen compensatie geëist wordt.

65

Deze oppervlakten leiden hydrologisch gezien tot dermate kleine afvoeren dat deze geen probleem vormen voor de afvoercapaciteit van het afwateringsstelsel. Zoals reeds uiteen is gezet is het plangebied in de huidige situatie volledig onbebouwd. In de beoogde situatie wordt naar schatting maximaal 800 m2 verhard oppervlak aangebracht. Hiermee blijft de toename in verhard oppervlak onder de grens van het waterschap. Desalniettemin is het wenselijk dat het hemelwater in eerste instantie op het perceel verwerkt wordt. Voor onderhavig planvoornemen betekent dit een waterbergingsopgaven van 48 m3 (800 m2 x 0,06). Hier kan invulling aan gegeven door het hemelwater af te wateren op de voortuin. Dit water kan dan oppervlakkig overlopen richting de aangrenzende waterloop. Daarnaast is binnen het perceel voldoende ruimte in de tuin om hemelwater ook in de toekomst te laten infiltreren. Dit is conform de voorkeursvolgorde infiltrerenbufferen-afvoeren zoals opgenomen in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan van de gemeente Goirle. Omdat er op eigen terrein voldoende ruimte is voor de infiltratie van hemelwater, hoeft de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling niet te worden afgewenteld op het bestaande watersysteem en rioolstelsel. Milieuvriendelijke bouwmaterialen Bij de bouwwerkzaamheden zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen.

Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

66

HOOFDSTUK 7. OPZET PLANREGELS In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen. 7.1.

Plansystematiek Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkebare Bestemmingsplannen (SVBP).

7.2.

Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan betreffende begrippen toegerekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomen dan geldt de uitleg/interpretatie die daarin in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven. Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

7.3.

Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels De standaard opbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP betreft: - Bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming; - Bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken; - Nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken; - Afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels; - Specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming; 67

-

Afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid.

Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen. Wonen De bestemming 'Wonen' is toegekend aan gronden waarop het wonen de hoofdfunctie is. Daarnaast zijn in de woning en in de bijgebouwen onder voorwaarden aan huis gebonden beroepen en bedrijven als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan. Bouwregels Bouwen is uitsluitend toegestaan ten dienste van woningen, daarbij behorende bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Daarbij geldt dat buiten het bouwvlak en buiten het gebied ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ geen gebouwen mogen worden gebouwd. Voor het bouwen van het hoofdgebouw, geldt dat als hoofdgebouw uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan, woningen uitsluitend zijn toegestaan binnen een bouwvlak en per bouwvlak het aantal woningen niet meer dan één mag bedragen. De goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 6 en 10 meter. Voor de bouw van vrijstaande bijgebouwen geldt dat deze mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak en binnen het gebied ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’. De gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m2 en de goot- en bouwhoogte niet meer dan respectievelijk 3,25 en 5,5 meter. Carports In de bouwregels is een afzonderlijke regeling opgenomen voor carports.

In artikel 1 wordt het begrip carport omschreven. Op elk bouwperceel mag maximaal één carport van maximaal 30 m² worden opgericht, welke minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning moet worden gebouwd. 68

Daarnaast geldt, dat een carport grotendeels moet worden opgericht naast de zijgevel van de woning. De hoogte van een carport mag niet meer dan 3,25 meter bedragen. Erfafscheidingen In de bouwregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde is een regeling opgenomen voor erfafscheidingen. Erfafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel van de woning mogen niet hoger zijn dan 1 meter; overige erfafscheidingen niet hoger dan 2 meter. Beroep / bedrijf aan huis Het plan bevat verder specifieke gebruiksregels ten aanzien van een aan huis verbonden bedrijf en een aan huis verbonden beroep. Hierbij geldt, dat maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning of aangebouwde bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 60 m² mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of bedrijf. Het percentage van 30% wordt berekend over het bestaande totale vloeroppervlak van de woning en de aangebouwde bijgebouwen. Waarde – Archeologie De bestemming ‘Waarde – Archeologie’ ziet tot op de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. Derhalve worden er eisen gesteld aan het uitvoeren van werken en werkzaamheden binnen het betreffende bestemmingsvlak. 7.4.

Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied te weten de anti-dubbeltebepaling, algemeen geldende bouw-, gebruiks-, procedure-, afwijkings- en wijzigingsregels. Anti-dubbeltebepaling In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. De antidubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan. Algemene bouwregels Deze regels bevatten een regeling voor een beperkte overschrijding van bouwgrenzen en algemene parkeerregels. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de ruimte tussen bouwwerken. 69

Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen en aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen, indien het bestemmingsplan dat toestaat, als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan afwijken, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een opening in de zijgevel van het gebouw. Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de algemene gebruiksregels voor wat betreft strijdig gebruik. Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn aanduidingsregels opgenomen. Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het corrigeren van de bestemmingsgrenzen ten behoeve van een praktische uitvoering van het plan. Algemene procedureregels In dit artikel zijn de regels opgenomen die burgemeester en wethouders in acht dienen te nemen bij het nemen van een besluit omtrent een nadere eis overeenkomstig een in het plan opgenomen regel over andere eisen.

Overige regels Dit artikel bevat de nadere eisen die burgemeester en wethouders kunnen stellen aan de plaats en afmetingen van bouwwerken. 7.5.

Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. 70

Gebruik dat strijdig was met het vorige bestemmingsplan blijft strijdig. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds worden gehandhaafd. Ook bouwwerken die op het peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Het overgangsrecht volgt uit het Besluit ruimtelijke ordening, dat verplicht tot het opnemen van een standaard overgangsregel voor bouwwerken en gebruik. Slotregel Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

71

HOOFDSTUK 8. UITVOERBAARHEID 8.1.

Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening moet een exploitatieplan worden vastgesteld voor gronden waarop een bouwplan is voorzien, tenzij het verhaal van grondexploitatiekosten over de in het bestemmingsplan begrepen gronden anderszins, zoals bijvoorbeeld door middel van een overeenkomst, is verzekerd, of, zoals hier het geval is, er geen kosten in het openbaar gebied worden gemaakt. Nu deze laatste situatie zich voordoet kan gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan worden besloten dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld. Het project wordt op kosten van de initiatiefnemer gerealiseerd. Het bestemmingsplan is opgesteld op kosten van de initiatiefnemer. Alleen de kosten voor begeleiding van de planologische procedure komen voor rekening van de gemeente (waarvoor leges bij initiatiefnemer in rekening worden gebracht). Omdat het verhaal van kosten daarmee is verzekerd, is het op- en vaststellen van een exploitatieplan niet vereist en kan als zodanig worden besloten. Met initiatiefnemer is een planschadeverhaalovereenkomst gesloten.

8.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog Initiatiefnemers hebben op 14 januari 2022 een omgevingsdialoog gevoerd met de omwonende aangaande het bestemmingsplan. De verslaglegging van het gevoerde omgevingsdialoog is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Inspraak en vooroverleg Het plan wordt ter inzage gelegen aangeboden voor ingezetenen van de gemeente Goirle en belanghebbenden. Tijdens deze periode kunnen zij schriftelijk een zienswijze indienen bij het college van burgemeester en wethouders van Goirle. Van deze gevoerde inspraakprocedure wordt een eindverslag opgesteld dat als bijlage in deze toelichting wordt opgenomen. Van het gevoerde overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordeningen wordt een verslag gemaakt dat eveneens in de bijlagen wordt opgenomen.

72

PLANREGELS

1

INHOUDSOPGAVE PLANREGELS

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

Artikel 3 Artikel 4

Wonen Waarde – Archeologie

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregel Algemene procedureregels Overige regels

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Artikel 13

Overgangsrecht Slotregel

3 10

12 16

18 19 21 22 24 26 27 28

29 30

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2

Staat van Bedrijfsactiviteiten Landschappelijk inpassingsplan

2

HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan: het bestemmingsplan "Vijfhuizenbaan to 10” met identificatienummer NL.IMRO.0785.BP2021009Vijfhuize-vg01 van de gemeente Goirle. 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan huis verbonden bedrijf: het verlenen van diensten c.q.

het uitoefenen van ambachtelijke -geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen- bedrijvigheid dat door tenminste één bewoner in die woning en/of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit in de woning of de daarbij behorende bijgebouwen past, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie, in ruimtelijke en visuele zin blijft behouden, en de activiteit ter plaatse kan worden uitgeoefend, waaronder een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan huis verbonden bedrijfsactiviteit behoort, met dien verstande dat de activiteit niet vergunningplichtig is ingevolge de Wet milieubeheer en is vermeld in categorie A van de Staat van bedrijfsactiviteiten of voor wat betreft de aard en omvang in relatie tot de milieuhinder die de bedrijfsactiviteit veroorzaakt, gelijk gesteld kan worden met een bedrijf dat behoort tot één van deze categorieën.

1.6 aan huis verbonden beroep: een beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, ontwerptechnisch, kunstzinnig of hiermee te vergelijken gebied, niet zijnde detailhandel, dat door tenminste één bewoner van een woning in die woning en/of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie blijft behouden, en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke en visuele uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie.

3

1.7 afhankelijke woonruimte: een (gedeelte van een) bijgebouw, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning, waarbij dit bijgebouw hoort, en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest. 1.8 afgewerkt bouwterrein: de gemiddelde hoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, omringende grond. 1.9 ander werk: een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid. 1.10 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.11 bedrijf: een inrichting of instelling, gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. 1.12 begane grond: de bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau danwel waarvan de bovenkant van de vloer maximaal 1,50 meter boven meetniveau is gelegen. Onder een begane grondlaag wordt eveneens een souterrain verstaan. 1.13 bestaande situatie (bebouwing en gebruik): a. legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel bouwwerken zoals deze mogen worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning; b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1304/documents/23662