CConstaterende datGoirle
Koppel je AI →
Document · PDF

05b- ontwerp BP.pdf

Besluitvormend 20 december 2022, gemeente GoirleBij agendapunt: 19: Raadsvoorstel gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Hoek Tilburgseweg-Kalverstraat32.529 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

24

In het vigerende bestemmingsplan “Centrumgebied” zijn reeds de horecacategorieën B en C toegestaan. Categorie A betreft de zwaarste categorie (discotheek/partycentrum) en categorie D de lichtste horeca (restaurant/theehuis/ijssalon). In de regels van voorliggend bestemmingsplan wordt, naast categorie B en C, ook categorie D toegestaan. Dit betreft een lichtere categorie dan al was toegestaan, waardoor geen verslechtering van woon- en leefklimaat plaatsvindt. Daarnaast biedt de verruiming meer flexibiliteit en is het soort horeca passend bij de omgeving en de wensen. Aan de zuidzijde van het plan, langs de Tilburgseweg, bevinden zich al diverse horecavoorzieningen in categorie D, zoals restaurants en lunchrooms. De nieuwe commerciële ruimte komt in het verlengde van deze horeca-plint. Bedrijven van categorie B zijn toelaatbaar als ze bouwkundig zijn afgescheiden van woningen. De woningen worden bouwkundig afgescheiden van de commerciële ruimten, doordat de woningen op de eerste verdieping komen. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 5.2.

Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.

Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan.

Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat 25

afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - de kans op een ongeval; - het effect van het ongeval; - het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; - de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht. Inrichtingen In dit bestemmingsplan liggen geen risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen. Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour, die van invloed is op het onderhavige plangebied.

Het bestemmingsplan maakt voorts geen ontwikkelingen mogelijk, die een vergroting van het groepsrisico met zich brengen. Transport Het niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen in de gemeente Goirle vindt plaats over de weg. In de gemeente is geen sprake van vervoer per spoor en vervoer over water. Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicobronnen in de omgeving aanwezig: • vervoer gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A58; • vervoer gevaarlijke stoffen over de provinciale wegen N269 en N630. Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter en een invloedsgebied voor toxische stoffen van meer dan 4.000 meter voor vervoer over de weg. De locatie bevindt zich voor bovengenoemde risicobronnen binnen het invloedsgebied van toxische stoffen. Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. ¬Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen.

In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen gaan wonen/aanwezig zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen. Scenario toxische gassen Door een incident op de weg kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario.

26

Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie naar de bewoners is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract dient op de externe veiligheidsrisico’s gewezen te worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In en rond het plangebied liggen geen leidingen welke relevant zijn voor de externe veiligheid.

Vuurwerk Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstand wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 8 meter in de voorwaartse richting tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten. Voor bedrijven die meer dan 10.000 kg opslaan, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een grotere afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts).

In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. In het kader van wettelijk vooroverleg dient advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Midden- en West Brabant. De uitkomst van dit advies wordt te zijner tijd in deze paragraaf opgenomen. 5.3.

Kabels, straalpad In of nabij het plangebied liggen geen planologische relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden.

5.4.

Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, industriële activiteit en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. De nieuw te bouwen woningen zijn niet gelegen binnen de in de Wet geluidhinder (Wgh) vastgelegde onderzoekszones voor weg-, rail- en/of industrielawaai. Dit betekent dat op grond van de Wgh geen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, is wel de geluidbelasting die veroorzaakt wordt vanwege het verkeer op de omliggende 30 km/uur wegen beoordeeld. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten beschreven. 27

De omliggende 30 km/uur wegen Tilburgseweg en Kalverstraat veroorzaken een geluidbelasting die boven de voorkeursgrenswaarde uitkomt. De geluidbelasting is maximaal 57 dB vanwege de Tilburgseweg en maximaal 55 dB vanwege de Kalverstraat. Voor 30 km/uur wegen kan geen hogere waarde worden vastgesteld. Wel kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidssituatie en eventuele maatregelen beoordeeld worden. De gemeente Goirle beschikt niet over een beleid hogere waarden, waarin nadere eisen of voorwaarden zijn geformuleerd voor het vaststellen van hogere waarden. De ontwikkeling vult een open plaats op tussen de aanwezige bebouwing langs de Tilburgseweg. Het overgrote deel van de appartementen beschikt over een geluidluwe gevel aan de binnenzijde (zuid- en oostgevel) van het plan. Alleen de hoekappartementen op de eerste en tweede verdieping beschikken niet over een geluidluwe gevel. De buitenruimte van de appartementen is niet gelegen aan de luwe zijde. Bij de appartementen op de bovenste verdiepingen is de buitenruimte wel geluidluw, omdat de gevel hier enkele meters terug ligt. Er wordt geadviseerd met een aanvullende berekening ten tijde van de omgevingsvergunning aan te tonen dat de karakteristieke geluidwering van de woningen zodanig is dat het geluidniveau in verblijfsgebieden niet meer is dan 33 dB. Dit is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.

Conclusie Het aspect geluid vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag zal de geluidwering van de woningen nader worden uitgewerkt. 5.5.

Lucht Om de ontwikkeling van nieuwe functies mogelijk te maken dient de luchtkwaliteit in beschouwing te worden genomen. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. Doel ervan is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Niet in betekenende mate In de Regeling NIBM (niet in betekenende mate) is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Onderzoek De realisatie van 28 nieuwe woningen en commerciële ruimtes valt niet binnen de NIBM-regeling van de Wet luchtkwaliteit. Om deze reden is onderzoek noodzakelijk naar het effect op de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen. Voor dit onderzoek is de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe woningen en voorzieningen relevant.

In paragraaf 4.5 is de verkeersaantrekkende werking berekend. Uitgangspunt is een verkeersgeneratie van circa 238 motorvoertuigen per etmaal. Met behulp van de NIBM-tool is berekend welke bijdrage het voorliggende plan levert aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. Op basis van de ingevoerde gegevens is de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate.

28

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2022

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

238

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m3

0,17

PM10 in μg/m3

0,03

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Afbeelding 5.1: Berekening bijdrage luchtverontreinigende stoffen (NIBM-tool)

Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2020.

Afbeelding 5.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2020)

Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 19,2 µg/m3, 19,2 µg/m3 en 12,0 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 7, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.

29

5.6.

Geur Industriële geur Het beleid voor industriële geur (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort gezegd komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen: de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij "het voorkomen van nieuwe geurhinder" voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een "dosis-effectrelatie" (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven "normen" vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften met betrekking tot geur opgenomen die rechtstreeks gelden voor bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen. Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen de invloedzone van bedrijven met geurhinder. Geurhinder van industriële bedrijvigheid vormt derhalve geen belemmering. Agrarische geur Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij ( 5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijke norm met een verordening. Conclusie Het plan ligt in stedelijk gebied. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van agrarische bedrijven.

Geurhinder van agrarische bedrijven vorm daarmee geen belemmering.

5.7.

Bodem Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet -ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening- worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Door Anteagroup is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies beschreven, de volledige rapportage is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. In de bovengrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en PCB aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan geanalyseerde parameters gemeten. In het grondwater is maximaal een licht verhoogde concentratie aan barium gemeten. Uit de indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit voor vrijkomende grond volgt dat de bovengrond voldoet aan de kwaliteitsklasse “Wonen” en de ondergrond aan klasse “Achtergrondwaarde”. Voor het PFAS onderzoek voldoet de

30

bovengrond aan de ‘Landbouw/Natuur’ en ‘Wonen/Industrie’ en aan de Nota bodembeheer PFAS voor de deelnemende gemeenten in Noord-Brabant. In de bovengrond zijn bijmengingen met puin, baksteen en glas aangetroffen, welke als verdacht op asbest worden beschouwd. In één asbestmonster (AMM1) is een totaal gemeten gehalte van 0,8 mg/kg d.s. aan asbest aangetoond. Dit gehalte overschrijdt de grenswaarde voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) niet. In de overige asbestmonsters is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond. De vooraf opgestelde hypothese 'verdachte locatie' voor het bodem-, PFAS- en asbestonderzoek worden aanvaard, vanwege de aangetroffen verontreinigingen in de grond en het grondwater. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde. De resultaten vormen geen milieuhygiënische belemmering voor de realisatie van woningbouw. De ontwikkeling heeft daarnaast geen bijzondere kenmerken ten aanzien van: • het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; • de productie van afvalstoffen; • risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. Conclusie Het aspect bodem vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 5.8.

Natuur De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1988. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn door het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van de Wnb is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisdaite van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wnb. Gebiedsbescherming In het kader van de Wnb en NNN (voorheen de Ecologische hoofdstructuur) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventuele buiten het NNN geleden bijzondere provinciale natuurgebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen.

Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina, Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels Laag. De provincie NoordBrabant heeft geen bijzondere natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd tee worden. Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. 31

Binnen een straal van 10 kilometer liggen de volgende Natura 2000-gebieden: Regte Heide & Riels Laag 2 km, Kempenland-West - 5 km, Kampina & Oisterwijkse Vennen - 6 km, Arendonk, Merksplas, OudTurnhout, Ravels en Turnhout - 7 km. Voor de bouw en het gebruik van de nieuwe woningen is de stikstofdepositie in de gebruiksfase beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. De notitie inclusief complete berekeningen is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door het gebruik van de maximaal 28 nieuwe woningen en commerciële ruimte(s). Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd.

Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2.Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. IN de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht ten nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, vernielen of te verstoren.

Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. De voorgenomen ontwikkeling zal samen gaan met het verwijderen van de huidige begroeiing. Deze activiteit zou kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Daarom is door adviesbureau ABO-Milieuconsult een quickscan uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3. Uit de bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming evenmin. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

32

5.9.

Milieueffectrapportage Algemeen In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van een plan (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) of besluit (bijvoorbeeld de omgevingsvergunning) planmerplichtig, projectmer-plichtig of vormvrij of niet vormvrij mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Het bevoegd gezag dient bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die zouden moeten noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Hierbij dient het bevoegd gezag rekening te houden met de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: - de kenmerken van de projecten; - de plaats van de projecten; - de kenmerken van de potentiële effecten. Wetswijziging per 16 mei 2017 Op 16 mei 2017 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat (ook) voor een vormvrij m.e.r.beoordelingsplichtig plan een apart m.e.r.-beoordelingsbesluit door het bevoegd gezag noodzakelijk is en dat de informatie hiervoor in een zogenaamde aanmeldnotitie gegeven moet worden (vóór 16 mei 2017 was dit nog vormvrij en kon de informatie en het besluit onderdeel uitmaken van het moederbesluit).

Het uitgangspunt ("geest van de wet") van een m.e.r.-beoordeling is dat er in beginsel geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden, tenzij er sprake is van wezenlijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Onderzoek In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 1. In deze aanmeldnotitie wordt aan de hand van de drie criteria uit bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU) inzicht gegeven in de mogelijke milieueffecten van dit plan. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat er geen belangrijk negatieve gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Er hoeft geen milieueffectrapport te worden gemaakt. Conclusie Vanuit de m.e.r. wet- en regelgeving zijn er geen belemmeringen voor het vaststellen van het onderhavige bestemmingsplan.

5.10.

Bezonning De overheid dient bij het nemen van een planologisch besluit, zoals een Bestemmingsplan, rekening te houden met alle relevante feiten en af te wegen belangen. Vanuit een goede ruimtelijke ordening dient e worden onderzocht of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Eén van de onderwerpen die moet worden onderzocht is schaduwhinder die wordt veroorzaakt door beoogde bebouwing die het bestemmingsplan toestaat. Dit onderzoek is tweeledig, enerzijds moet worden onderzocht of er sprake is van onevenredige schaduwhinder in de tuin en op de bestaande bebouwing rondom het plangebied, anderzijds moet worden onderzocht of op de gevel nog voldoende zonlicht kan vallen. Voor het onderzoek naar schaduwwerking op de gevel wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde "lichte TNO -richtlijn voor bezonning is de woonkamer. Deze richtlijn gaat er van uit dat er minimaal 2 uur bezonningsuren per etmaal op de gevel van de woning zijn. Door onderzoeksbureau Peutz is een bezonningsonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat ten opzichte van de huidige planologische situatie een afname is van de bezonningsuren op twee bovenwoningen aan de Tilburgseweg. Omdat deze woningen ook ramen aan de achterzijde hebben voldoen deze nog wel aan de TNO-norm.

Daarnaast krijgen de voorgevels van de woningen Tiburgseweg 36 t/m 42 in de nieuwe bestemmingsplansituatie wel twee uur zon, waar dat in de huidige bestemmingsplansituatie niet zo was. Hiermee leidt het aspect bezonning niet tot belemmeringen voor voorgenomen ontwikkeling.

33

HOOFDSTUK 6 WATER De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan. 6.1.

Beleid Rijk en provincie Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant. Nationaal Waterplan Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Provinciaal Milieu en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan, vastgesteld op 18 december 2015, geeft de hoofdlijnen voor het milieu- en waterbeleid in de provincie. Hoofddoelen van dit plan zijn: - voldoende water voor mens, plant en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s en - verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Waterschap De Dommel Waterschap De Dommel is waterbeheerder in het plangebied en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt hierna kort besproken: Waterbeheerprogramma 2022-2027 Handreiking Watertoets; Keur 2015. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050).

Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. De Dommel is op een andere manier gaan denken over omgaan met water. Dat is nodig om goed in te kunnen spelen op de veranderingen in ons klimaat en in onze omgeving. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel moét veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie.” Het klimaat verandert, daardoor is het watersysteem van Midden-Brabant kwetsbaar geworden. Daarbij speelt mee dat het weer extremer wordt, de vraag naar ruimte toeneemt en er meer (grond)water wordt verbruikt. Bovendien is ons water, ondanks alle inspanningen, nog steeds niet schoon genoeg. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave. Het watersysteem speelt een cruciale rol in ál deze uitdagingen.

34

De komende zes jaar maakt het waterschap het verschil door de focus in de aanpak te verleggen. De ambitie en de verandering zijn gericht op: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat vanaf nu ook naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied, niet alleen naar het beekdal; • van een sectorale aanpak naar een integrale aanpak; samen met overheden en gebiedspartners werkt het Waterschap aan meerdere doelen in het gebied; • van ‘water afvoeren’ naar ‘elke druppel telt’; het Waterschap richt het waterbeheer in op maximaal water vasthouden, gaat minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Met het waterbeheer werkt het Waterschap aan drie doelen: • Droge voeten • Schoon water • Voldoende water Handreiking watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De initiatiefnemer verwoordt in een waterparagraaf zijn afweging van de waterhuishoudkundige aspecten. Het waterschap geeft hierover een wateradvies.

De Handreiking watertoets die door het waterschap De Dommel is opgesteld is een middel om te komen tot een evenwichtige watertoets. De Handreiking is te vinden op de website van het waterschap www.dommel.nl Keur Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebodsen verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd. Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is zijn: - het dempen of wijzigen van een watergang; - het aanleggen van kabels of leidingen; - het planten van bomen en struiken; - het brengen van water in een watergang.

Gemeente Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle’ Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad het Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle (PWR) vastgesteld. Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR leggen we vast wat we willen bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/bedrijven ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De wettelijke en beleidskaders die ten grondslag liggen aan dit PWR zijn beschreven in hoofdstuk 2. Het PWR vervult vier hoofdfuncties: • Kader gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater. • Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. 35

• •

Externe afstemming: met o.a. bewoners en bedrijven, ontwikkelaars en bouwbedrijven. Continuïteit en voortgangsbewaking: vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie).

Gidsprincipes water In het verleden hebben gemeenten en waterschappen strategieën opgesteld om meer duurzaam om te gaan met afval- en hemelwater. Deze strategieën zijn inmiddels gemeengoed geworden en beschouwen we dan ook als gidsprincipes voor de komende jaren: • We zamelen in principe het stedelijk afval- en hemelwater gescheiden in en ontvlechten zo de (schone en vuile) waterstromen; • We streven ernaar om het hemelwater zoveel als mogelijk bovengronds en zichtbaar te verwerken; • We weren de lozing van hemelwater afkomstig van inrichtingen op vuilwater riolering; • We betrekken de kenmerken en knelpunten van zowel het regionale (stroomgebiedsbenadering) als het stedelijke watersysteem in de omgang met hemelwater. We streven naar watersysteemherstel; • We wentelen water- en waterbergingsopgaven niet af naar andere locaties/gebieden, tenzij dit doelmatig is; • We kiezen voor robuuste (zo min mogelijk onderhoudsgevoelige) oplossingen; • We gaan doelmatig en maatschappelijk kostenbewust om met de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van het watersysteem; • We streven naar meer centrale, robuuste en goed te beheren rioolvoorzieningen; • We hanteren de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren voor de omgang met hemelwater: 1. Vasthouden: doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, enz.; 2.

Bergen: overtollig hemelwater bergen we eerst in het stedelijk watersysteem; 3. Afvoeren: pas bij volledige benutting van de berging voeren we het overtollige hemelwater af naar het regionale watersysteem • We streven naar grootschalige goed beheersbare infiltratievoorzieningen in openbaar gebied. Kleinschalige infiltratievoorzieningen worden na het einde van de levensduur niet hersteld; • Voor grondwaterbeschermingsgebieden volgen we het provinciaal beleid conform de gebiedsdossiers. Waterberging Bij ruimtelijke inrichtingen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering om zo waterschade te voorkomen en de gevolgen indien er schade optreedt te beperken. Om toe te werken naar een robuust Goirle worden bij elke ontwikkeling van de openbare ruimte klimaatadaptieve maatregelen en waterrobuustheid meegenomen als overweging. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente Goirle de 70 mm/h bui uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) als norm om inpandig geen waterschade te hebben. Deze bui wordt ook gebruikt om de robuustheid / kwetsbaarheid van de hoofdinfrastructuur (ontsluitingsrouten, calamiteitenverkeer, etc.) te toetsen. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m² hanteert de gemeente Goirle een compensatie van 60 mm conform de Brabantse Keur. 6.2.

Huidige en toekomstige situatie Verdeling verhard oppervlak Het plangebied omvat globaal 2.000 m2. Circa 370 m2 van het plangebied is momenteel verhard, de rest is onverhard en groen ingericht. Het aantal m2 verhard oppervlak neemt met de ontwikkeling toe. In de toekomstige situatie zal ca. 940 m2 worden bebouwd. De overige m2 worden verhard ten behoeve van de parkeerplaatsen op het binnenterrein of vormen openbare ruimte bij de entrees. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m2 hanteert de gemeente Goirle een compensatie van 60 mm conform de Brabantse Keur. Om het aantal m3 benodigde waterberging te berekenen is de volgende som toegepast: • benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) De gevoeligheidsfactor ter plaatse van het plangebied bedraagt 1. 36

Uit deze berekening blijkt dat er 73,4 m3 waterberging dient te worden gerealiseerd. Hierbij is uitgegaan van 1.223 m2 verharding. De initiatiefnemer is voornemens om groene daken en infiltratievoorzieningen toe te passen. Zo wordt het parkeerterrein waar mogelijk uitgevoerd met een waterdoorlatende verharding (materialisatie n.t.b.) met waterbergende funderingslaag ten behoeve van klimaatadaptatie. Aan de randen van het parkeerterrein zal groen toegepast worden en ook aan de voorzijde van het plan langs de Kalverstraat zal groen toegevoegd worden. In afbeelding 6.1 zijn de mogelijkheden voor voorzieningen weergegeven. De exacte voorzieningen moeten nog worden bepaald. In de uitwerking van het plan zal de wijze waarop de waterbergingsopgave wordt ingevuld verder worden uitgewerkt.

Afbeelding 6.1: Uitgangspunten en maatregelen waterhuishouding

Bodem en grondwater De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Hierdoor zal bodemdaling niet aan de orde zijn. Grondwateroverlast is niet bekend en is ook niet te verwachten. Indien bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. 37

Oppervlaktewater en watergangen In het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. Er wordt bij de ontwikkeling geen oppervlaktewater gedempt of toegevoegd. Veiligheid Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een waterkering. Riolering en volksgezondheid De riolering wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Hierbij wordt uitgegaan van een gescheiden rioolstelsel (stelsel waarbij vuilwater en hemelwater door gescheiden buizen worden afgevoerd). Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling mogen geen (bouw)materialen toegepast worden waardoor het afstromende hemelwater bijvoorbeeld door uitloging verontreinigd kan raken. Gestreefd dient te worden naar het volgen van het voorkeursbeleid van het Waterschap. Overstorten van vuilwater dient te worden voorkomen. Door het afkoppelen van hemelwater van de droogweerafvoer (DWA) worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater leiden. Verdroging De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan.

Het plan heeft derhalve geen (negatieve) invloed op karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden; er is immers geen kans op verdroging als gevolg van het plan. Natte natuur Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op NNN-gebieden in de omgeving zijn daarmee uit te sluiten. Keur Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Hoogheemraadschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de Legger zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is. Beheer en onderhoud Er zijn geen wateren en kunstwerken in het plangebied gelegen, die onder de onderhoudsverplichtingen vallen van het Waterschap. Beheer en onderhoud van de riolering is in handen van de gemeente Goirle.

38

HOOFDSTUK 7. OPZET PLANREGELS In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen. 7.1.

Plansystematiek Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).

7.2.

Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomend dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven. Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

7.3.

Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Gemengd Voor het gehele gebied is de bestemming 'Gemengd' opgenomen. De gronden hebben een gemengde bestemming gekregen, aangezien het wonen hier wordt afgewisseld met commerciële functies op de begane grond. In zijn algemeenheid zijn direct toegestaan: • dienstverlening, uitsluitend op de begane grond; • detailhandel, uitsluitend op de begane grond; • horeca uit categorie B, C en D van de Staat van horeca-activiteiten, uitsluitend op de begane grond; • woningen, in de vorm van gestapelde woningen; • bedrijfsactiviteiten die zijn vermeld in de bij de regels gevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten voor zover voorkomend in categorie A en B, uitsluitend op de begane grond. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. De maximaal toegestane bouwhoogte van hoofdgebouwen is op de verbeelding aangegeven. Binnen de gemengde bestemming is de functieaanduiding ‘parkeerterrein’ opgenomen, waarbinnen parkeervoorzieningen mogen worden gerealiseerd. Verkeer – Verblijfsgebied Wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie zijn bestemd tot 'VerkeerVerblijfsgebied'.

Binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn tevens speelvoorzieningen, markten en standplaatsen voor ambulante handel, evenementen, terrassen en behoeve van horeca toegestaan. De gronden zijn ook bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

7.4.

Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemeen geldende bouw-, gebruiks-, aanduidings-, procedure-, afwijkings- en wijzigingsregels.

39

Anti-dubbeltelbepaling In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. De anti-dubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan. Algemene bouwregels Deze regels bevatten een regeling voor een beperkte overschrijding van bouwgrenzen. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de ruimte tussen bouwwerken. Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen, indien het bestemmingsplan dat toestaat, als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan afwijken, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een opening in de zijgevel van het gebouw. Tenslotte is in de algemene bouwregels de parkeernorm opgenomen. Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat de algemene gebruiksregels voor wat betreft strijdig gebruik. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen.

Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het corrigeren van de bestemmingsgrenzen ten behoeve van een praktische uitvoering van het plan. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen ten aanzien van de wettelijke regels. Overige regels Dit artikel bevat een bepaling over de wettelijke regelingen waar in de planregels naar wordt verwezen. 7.5.

Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Gebruik dat strijdig was met het vorige bestemmingsplan blijft strijdig. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds worden gehandhaafd. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Het overgangsrecht volgt uit het Besluit ruimtelijke ordening, dat verplicht tot het opnemen van een standaard overgangsregel voor bouwwerken (artikel 3.2.1) en gebruik (artikel 3.2.2). Slotregel Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

40

HOOFDSTUK 8. UITVOERBAARHEID 8.1.

Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening moet een exploitatieplan worden vastgesteld voor gronden waarop een bouwplan is voorzien, tenzij het verhaal van grondexploitatiekosten over de in het bestemmingsplan begrepen gronden anderszins, zoals bijvoorbeeld door middel van een overeenkomst, is verzekerd, of, zoals hier het geval is, er geen kosten in het openbaar gebied worden gemaakt. Nu deze laatste situatie zich voordoet kan gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan worden besloten dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld. Het project wordt op kosten van initiatiefnemer gerealiseerd. Het bestemmingsplan is opgesteld op kosten van de initiatiefnemer. Alleen de kosten voor begeleiding van de planologische procedure komen voor rekening van de gemeente (waarvoor leges bij initiatiefnemer in rekening worden gebracht). Omdat het verhaal van kosten daarmee is verzekerd, is het op- en vaststellen van een exploitatieplan niet vereist en kan als zodanig worden besloten. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente zal een anterieure overeenkomst worden gesloten. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.

8.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het plan is onderworpen aan inspraak en heeft ter inzage gelegen voor ingezetenen van de gemeente Goirle en belanghebbenden. Tijdens deze periode konden zij schriftelijk een zienswijze indienen bij het college van burgemeester en wethouders van Goirle. Van de gevoerde inspraakprocedure is een eindverslag opgesteld dat als bijlage in deze toelichting is opgenomen. Van het gevoerde overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is een verslag gemaakt dat eveneens in de bijlagen is opgenomen.

41

Bijlage 1

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, KuiperCompagnons, 4 april 2022

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Bestemmingsplan “Hoek Kalverstraat - Tilburgseweg” Gemeente Goirle

4 april 2022

2

Werknummer

621.130.10

Datum

4 april 2022

Opdrachtgever

Maas-Jacobs Vastgoed BV

Aanmeldnotitie m.e.r.beoordeling – bestemmingsplan “Hoek Kalverstraat - Tilburgseweg” 4 april 2022

Inhoud 1.

Beschrijving van het project ........................................................................................ 4

2.

Waarom een vormvrije m.e.r. beoordeling? ................................................................ 4

3.

Criteria voor het toetsen van activiteiten in een m.e.r.-beoordeling ............................. 4

Bijlage I – Afwegingskader relevante milieuaspecten m.e.r.-beoordeling ........................... 8

4

1.

Beschrijving van het project Op de hoek van de Kalverstraat/Tilburgseweg in Goirle ligt een braakliggend perceel. Omdat eerdere plannen voor deze locatie niet haalbaar bleken is het perceel tijdelijk ingericht als openbare biodiversiteitstuin. Eind 2020 zijn de stedenbouwkundige randvoorwaarden voor de locatie verruimd, waardoor er meer mogelijk werd op de locatie. Door de initiatiefnemer is een plan ontwikkeld dat voldoet aan deze randvoorwaarden. Het plan bestaat uit appartementen en commerciële ruimtes. Deze nieuwe opzet past niet binnen het geldende bestemmingsplan ‘Centrumgebied’. Om het plan te kunnen realiseren is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk.

2.

Waarom een vormvrije m.e.r. beoordeling? Voor de voorgenomen ontwikkeling dient gemotiveerd te worden of mogelijk sprake is van negatieve effecten op het milieu. Afhankelijk van de omvang van de ontwikkeling dient het bevoegd gezag (in dit geval burgemeester en wethouders) de afweging te maken of een m.e.r.procedure dient te worden gevolgd. In het Besluit m.e.r. zijn categorieën van gevallen aangegeven die (mogelijk) m.e.r(beoordelings)plichtig zijn. Voor de bouw van woningen is dit in het Besluit m.e.r. als volgt geformuleerd: 1. D.11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. De ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 28 woningen en commerciële ruimtes. De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2). De drempelwaarden (kolom 2) worden (bij lange na) niet overschreden. De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden.

Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom wel deze vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Als blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.beoordeling of MER noodzakelijk. Omdat het niet de gemeente is die initiatiefnemer is in dit project, moet de m.e.r.-beoordeling in de vorm van een aanmeldnotitie worden opgesteld. Deze aanmeldnotitie moet door de initiatiefnemer worden ingediend bij de gemeente en de gemeente dient op een zo vroeg mogelijk moment te besluiten over of wel of niet een formele (uitgebreide) m.e.r.-beoordeling of MER moet worden opgesteld. De initiatiefnemer moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit tevens bij de aanvraag om vergunning voegen.

3.

Criteria voor het toetsen van activiteiten in een m.e.r.-beoordeling Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten. Deze worden hieronder behandeld.

Aanmeldnotitie m.e.r.beoordeling – bestemmingsplan “Hoek Kalverstraat - Tilburgseweg” 4 april 2022

5

1. Kenmerken project / activiteit De voorgenomen planontwikkeling bestaat uit maximaal 28 appartementen. Op de begane grond van de nieuwbouw worden één of meerdere commerciële ruimte(s) gerealiseerd, met een maximum van 656 m2 bvo aan detailhandel of 507 m2 bvo aan horecafuncties. Het plan omvat maximaal 19 dure koopappartementen en 9 middeldure koopappartementen. Het gebouw bestaat uit maximaal vier bouwlagen aan de Tilburgseweg en maximaal vijf bouwlagen aan de Kalverstraat. Op de hoek wordt met zes bouwlagen een accent aangebracht.

Afbeelding 1: Impressie toekomstige situatie

De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen en 100 hectare aaneengesloten gebied. 2. Plaats van het project / activiteit Het plangebied omvat globaal ca. 2.200 m2 en bevindt zich in het centrum van Goirle. Het plangebied wordt grofweg begrensd door: De Kalverstraat aan de noordzijde; winkelgebied De Hovel met daarboven woningen aan de westzijde; de Tilburgseweg in het oosten; achterkanten van winkels aan De Hovel en horeca aan het Kloosterplein aan de zuidzijde. Afbeelding 2 toont de begrenzing van het plangebied. Het plangebied maakt geen onderdeel uit een ander beschermd gebied, zoals Natuurnetwerk Nederland (NNN), Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Ook kent het plangebied geen belangrijke landschappelijke of culturele waarde. In het plangebieden bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Het plangebied bevindt zich volgens de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) wel op een terrein van hoge archeologische waarde. Onder het kopje archeologie wordt hier nader op ingegaan.

Afbeelding 2: globale ligging van het plangebied

Aanmeldnotitie m.e.r.beoordeling – bestemmingsplan “Hoek Kalverstraat - Tilburgseweg” 4 april 2022

6

3. Samenhang met andere activiteiten Er zijn geen concrete andere activiteiten in de omgeving van het plangebied gepland of in uitvoering. 4. Kenmerken van de (mogelijk belangrijke) nadelige milieugevolgen Voor de beoogde ontwikkeling zijn in het kader van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan reeds meerdere omgevingsaspecten beoordeeld en/of onderzocht. De tabel opgenomen als bijlage I bij deze notitie geeft een samenvatting van de afweging per aspect. Aspecten waar (mogelijk) nadelige effecten optreden zijn hieronder nader uitgewerkt. Archeologie Gezien de aangetroffen bodemopbouw en de afwezigheid van primaire of secundaire archeologische indicatoren moet de kans dat bij de geplande ingrepen een intacte archeologische vindplaats wordt geschaad als laag worden ingeschat. De locatie waar de nieuwbouw zal plaatsvinden is reeds door de voorgaande bouw en sloop diepgaand tot in de top van het dekzand verstoord. In de rest van het plangebied zullen alleen ondiepe ingrepen plaatsvinden voor de aanleg van verharding voor parkeerplaatsen, maar hier is de bodem in ieder geval tot 130-140 cm -mv verstoord zodat deze ingrepen in het verstoorde pakket zullen plaatsvinden. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie adviseert daarom ook geen verdere stappen in het kader van de cyclus Archeologische Monumentenzorg (AMZ).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://raad.goirle.nl/api/v1/meetings/1305/documents/24245