05 Vast te stellen bestemmingsplan Leijoever.pdf
Tekst van het document
GEMEENTE GOIRLE
BESTEMMINGSPLAN LEIJOEVER (RIEL)
GEMEENTE BESTEMMINGSPLANNUMMER SCHAAL VAN DE VERBEELDING STATUS PLAN DATUM TERVISIELEGGING ONTWERP DATUM VASTSTELLING
DATUM UITSPRAAK ABRS DATUM INWERKINGTREDING DATUM ONHERROEPELIJK NAAM EN ADRES OPSTELLER
: : : : : : : : : :
GOIRLE
NL.IMRO.0785.BP2017005LEIJOEVER-VG01 1:1000 VASTGESTELD
22 MEI T/M 02 JULI 2020
PARTNERSRO JULIANAPLEIN 8 ‘S-HERTOGENBOSCH
1
PLANTOELICHTING
2
INHOUDSOPGAVE PLANTOELICHTING 1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.
Inleiding Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Bij het plan behorende stukken Leeswijzer
5 5 6 7 8 8
2. 2.1. 2.2. 2.3.
Beschrijving plangebied Historische ontwikkeling Ruimtelijke en functionele structuur Technische infrastructuur
9 9 9 11
3. 3.1. 3.2. 3.3.
Ruimtelijk beleidskader Rijk Provincie Gemeente
12 12 14 17
4. 4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5.
Thematische beleidskaders Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Volkshuisvesting Groen Verkeer en parkeren
21 21 22 25 28 29
5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6. 5.7. 5.8. 5.9.
Milieuaspecten Milieuhinder en bedrijven Externe veiligheid Kabels, leidingen en straalpad Geluid Lucht Geur Bodem Natuur Milieueffectrapportage
31 31 31 35 35 36 36 37 40 43
6. 6.1. 6.2. 6.3.
Water Beleid Huidige en toekomstige situatie Conclusie
45 45 48 50
7. 7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5.
Opzet planregels Plansystematiek Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel
51 51 51 51 55 56 3
8. 8.1. 8.2.
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
57 57 57
Bijlagen 1. Eindverslag inspraakprocedure 2. Verslag overleg Besluit ruimtelijke ordening 3. Toelichting op de Staat van bedrijfsactiviteiten Separate bijlagen 4. Archeologisch bureauonderzoek en geo-archeologisch verkennend booronderzoek, 14 februari 2019 5. Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019 6. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, 13 februari 2019 7. Verkennend en nader bodemonderzoek, 17 maart 2010 8. Nader bodemonderzoek, 20 maart 2013 9. Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest (grond), 15 augustus 2019 10. Verkennend en nader bodemonderzoek en nader onderzoek asbest, 16 december 2019 11. Rapportage aanvullend bodemonderzoek, 24 april 2020 12. Natuuronderzoek, 2 juni 2017 13. Aanvullend onderzoek gebiedenbescherming, 5 november 2018 14. Onderzoek stikstofdepositie, 4 oktober 2019 15. Aanvullend vleermuisonderzoek, 10 oktober 2017
4
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1.
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Achter de woonpercelen aan de Goirleseweg en de Vonderstraat bevindt zich, grenzend aan ’t Leike en de beek de Leij, een voormalig bedrijfsperceel. De daarop aanwezige opslagloods (Skolgebouw) staat al lange tijd leeg. Van der Weegen Bouwontwikkeling heeft het initiatief genomen voor de herontwikkeling van dit perceel en direct aangrenzende gronden naar woningbouw. Met deze herontwikkeling wordt de bedrijfsbestemming verwijderd en de leegstand opgeheven. Bovendien wordt voorafgaand aan de bouw van de nieuwe woningen de aanwezige bodemverontreiniging gesaneerd.
Globale ligging van het plangebied (bron: maps.google.nl)
5
Het bouwplan Leijoever voorziet met de bouw van 14 woningen in de behoefte aan woningbouw in Riel. Er worden, passend binnen de stedenbouwkundige structuur van de directe omgeving, zes twee-onder-één kapwoningen en acht patiowoningen gebouwd, die worden ontsloten via ‘t Leike. Bij de nieuwe inrichting van het gebied is rekening gehouden met de aanleg van een ecologische zone langs de Leij, die ter hoogte van het bedrijfsperceel ontbreekt. Het vigerende bestemmingsplan Kom Riel laat de bouw van deze woningen niet toe. De gemeente Goirle is voornemens medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een passende juridischplanologische regeling voor de beoogde herontwikkeling. 1.2.
Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft de percelen kadastraal bekend gemeente Goirle, sectie F, nummers 1273 en 1274 (gedeeltelijk) en ligt achter de bestaande woonpercelen aan de Vonderstraat en de Goirleseweg en grenst aan ‘t Leike. In het zuidoosten wordt het plangebied begrensd door de Leij en in het noordoosten door de groenzone tussen de Leij en ’t Leike.
Begrenzing van het plangebied (bron: maps.google.nl)
6
1.3.
Vigerend bestemmingsplan Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, geldt in het plangebied het bestemmingsplan Kom Riel, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 19 juni 2007 en op 8 november 2007 in werking is getreden.
Uitsnede plankaart bestemmingsplan Kom Riel Op 26 februari 2019 het Parapluplan gemeente Goirle vastgesteld. Dit parapluplan gaat over de volgende onderwerpen: - terrassen; - standplaatsen; - evenementen; - parkeren; - zendmasten; - ruimte tussen bouwwerken. Voor zover relevant zijn regels uit het parapluplan opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan.
7
1.4.
Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouwen gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook de inhoud van het vigerend beleid beschreven en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.
1.5.
Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijk beleidskader van rijk, provincie en gemeente. Het thematische beleidskader komt aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.
8
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, ofwel de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van deze situatie door middel van een beschrijving van de historische ontwikkeling, de ruimtelijke en functionele structuur. 2.1.
Historische ontwikkeling Het dorp Riel is samengesteld uit de gehuchten Brakel, Zandeind en de dorpskom of Kerkeind. Brakel is daarvan het oudste buurtschap, waar al in de prehistorische en Romeinse tijd bewoners gevestigd waren. Zo zijn in 1840 op de heide onder Brakel meer dan 50 urnen opgegraven. Riel is een typisch Brabants esdorp. De dorpen zijn hier niet, zoals in Drenthe, concentrisch van vorm, maar langgerekt. Deze zogenaamde kransakkerdorpen breidden zich uit naarmate de beschikbare bouwgrond rondom de akkers vol raakte. Nieuwe vestigingen vonden dan wat verderop aan de kronkelige weg rondom de akkers plaats. Dit nederzettingspatroon is in Riel goed bewaard gebleven. Een bijzonderheid is dat de eerste ontginningsactiviteiten hier al in de 7e eeuw moeten hebben plaatsgevonden. De blokvormige verkaveling, waarbij akkers door hagen en houtwallen omringd werden om het vee te weren, is in Riel nog steeds te herkennen. In de eeuwen vóór het gebruik van kunstmest werden de akkers vruchtbaarder gemaakt door er zoden op te leggen die met dierlijke mest waren vermengd. Dit verklaart het holle, hoge karakter van de oude akkers. In de 12e eeuw kwam er in Riel een opleving in de ontginning van de woeste gronden, doordat een kerkelijke instelling zich hierop toelegde.
Later, toen Brabant door de Staten-Generaal tot Generaliteitsland was verklaard en als een wingewest werd uitgebuit, hadden de boeren weinig reden en mogelijkheden om hun arsenaal uit te breiden. De meeste boerderijen ter plaatse dateren uit het einde van de 19e eeuw, omdat bij een grote brand in 1877 vele hoeven verloren gingen. Riel maakte deel uit van de heerlijkheid Hilvarenbeek, maar lag echter daarvan gescheiden door het grondgebied van Goirle.
2.2.
Ruimtelijke en functionele structuur Het komgebied van Riel kent een overwegende woonfunctie. Aan de historische linten wordt de woonfunctie afgewisseld met bedrijven, horeca, detailhandel, openbare gebouwen en dergelijke. Het plangebied betreft een van oudsher aanwezig bedrijfsperceel langs de oostrand van Riel, grenzend aan de beek de Leij. Aan weerszijden van het plangebied is langs de Leij een ruime groene zone aanwezig, zowel aan de zijde van de Goirleseweg als ’t Leike. In de groenzone aan de zijde van ’t Leike zijn binnen het plangebied onder meer speelvoorzieningen aanwezig.
9
Het plangebied wordt enerzijds begrensd door een woonpercelen binnen de bebouwde kom en anderzijds door het buitengebied aan de overzijde van de Leij. Aan de Goirleseweg staan vier vrijstaande woningen op ruime percelen aan een ruime groene ruimte als entree tot het dorp. Deze woningen bestaan uit één bouwlaag met een hoge rieten kap, waarin een tweede bouwlaag is ondergebracht. Een zelfde woning staat aan de Vonderstraat ten zuiden van de toegang tot het huidige bedrijfsperceel. Bij de positie van deze woonpercelen is aan de Goirleseweg rekening gehouden met een ruime groenzone met onverhard wandelpad langs de Leij. Aan de Vonderstraat en ’t Leike staan aaneengebouwde woningen. Op de woonpercelen direct grenzend aan het plangebied staan woningen met een variërende goothoogte. Aan de straatzijde hebben de hoofdgebouwen een goothoogte van circa 5,5 meter, hetgeen overeenkomt met twee bouwlagen. Het dakvlak aan de straatzijde loopt door over een aanbouw met de garage en entree van de woning, en heeft daardoor aan de straat een goothoogte van 3 meter. Aan de, naar het plangebied gekeerde achterzijde is de goothoogte van de woningen slechts 3 meter. Aan de overzijde van de Vonderstraat staan twee-onder-één kapwoningen bestaande uit twee bouwlagen met een kap. Op de hoek van de Vonderstraat met de Goirleseweg is de nieuwbouw van brede school De Vonder gerealiseerd.
De nu aanwezige bebouwing varieert in hoogte van één tot twee bouwlagen met een kap.
Woningen aan de Vonderstraat (bron: maps.google.nl)
10
De aaneengebouwde woningen aan de overzijde van ’t Leike bestaande uit twee bouwlagen met een kap. Aan de zijde van de Leij zijn de woningen ook georiënteerd op het beekdal en het buitengebied. 2.3.
Technische infrastructuur Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie.
11
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader. 3.1.
Rijk Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 zou moeten uitzien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daarbij streeft het Rijk naar een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Daarnaast verstevigt de SVIR het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de SVIR nog meer bij de provincies en gemeenten gelegd. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het bestemmingsplangebied zodoende zeer beperkt blijft. De SVIR richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor onderhavig bestemmingsplan.
Door decentralisatie van bevoegdheden wordt het relevante beleidskader gevormd door de provincie Noord-Brabant en de gemeente Goirle. Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid In de zogenaamde Realisatieparagraaf (‘Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid’) zijn alle nationale ruimtelijke belangen uit de verschillende Planologische Kern Beslissingen en de voorgenomen verwezenlijking daarvan gebundeld. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden (nationale landschappen en Ecologische Hoofdstructuur) en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. De Realisatieparagraaf is toegevoegd aan de Nota Ruimte en heeft de status van structuurvisie.
12
Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. AMvB Ruimte In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Geen van de in het Barro genoemde onderwerpen hebben echter betrekking op onderhavig bestemmingsplan. Ladder voor duurzame ontwikkeling Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 3.1.6 Bro opgenomen, de ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: "De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."(artikel 3.1.6, tweede lid, Bro). Conclusie In paragraaf 4.3 (Volkshuisvesting) wordt beschreven in hoeverre met onderhavig plan wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Crisis- en herstelwet Met de Crisis- en herstelwet (Chw) wil het kabinet de procedures voor grote projecten versnellen.
Hiermee wordt een stap gezet om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden. De Chw beoogt onder andere een impuls aan integrale gebiedsontwikkeling te geven. De regels uit de Chw hebben overwegend 13
betrekking op het bestuursprocesrecht en hebben als doel om proceduretijden van bij wet aangewezen projecten te verkorten. In Bijlage I van de Chw zijn de categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waar de stroomlijning van procedures voor geldt. Artikel 3.1 van deze bijlage moet daarin de bouw van 11 of meer woningen als één van de ruimtelijke projecten, waarop de procedurele versnellingen van toepassing zijn. Conclusie De Chw is van toepassing op onderhavig bestemmingsplan, voor wat betreft de procedurele versnellingen. Dit is van toepassing op alle besluiten, die vereist zijn voor de verwezenlijking van woningen. Het onderhavige project is niet aangemeld bij het ministerie als bijzondere voorziening. De bouw van de woningen binnen het plangebied is niet aangemeld als experimenteerproject in het kader van de Chw. 3.2.
Provincie Structuurvisie Ruimtelijke Ordening De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is door Provinciale Staten vastgesteld op 1 oktober 2010 en geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk 2040). Op 7 februari 2014 hebben Provinciale Staten de Structuurvisie 2010, partiele herziening 2014 vastgesteld. Hierin is een aantal wijzigingen opgenomen ten aanzien van SVRO uit 2010. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtsreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wro biedt. Eén van deze instrumenten is de provinciale verordening. In de Verordening ruimte zijn de kaderstellende elementen uit de structuurvisie vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De provincie stuurt door middel van vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Binnen deze structuren worden de belangrijkste, maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen en kiest de provincie voor een bepaalde ordening van functies. Hiermee wil de provincie een gevarieerd en aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat ontwikkelen waarin een kennisinnovatieve economie centraal staat voor een duurzaam Brabant.
Het principe van 'behoud en ontwikkeling' staat hierin centraal. Binnen de stedelijke structuur worden twee ontwikkelingsperspectieven onderscheiden: - stedelijk concentratiegebied (stedelijke regio's): in het stedelijk concentratiegebied, inclusief de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, wordt de bovenlokale verstedelijkingsbehoefte opgevangen; - overig stedelijk gebied (landelijke regio's): het overige stedelijke gebied, met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, voorziet in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte. Grootschalige verstedelijking is ongewenst en voor woningbouw geldt in principe 'bouwen voor migratiesaldo -nul'. 14
Uitsnede Structurenkaart SVRO met aanduiding van het plangebied Bij verstedelijking wordt het accent verlegd van nieuwe uitleg naar het bestaand stedelijk gebied. Er wordt ingezet op zorgvuldig ruimtegebruik door de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten door in te zetten op herstructurering en onderhoud. Daarnaast wordt door middel van gebiedspaspoorten aangegeven welke landschapskenmerken de provincie bepalend vindt en welke ambities de provincie heeft voor de ontwikkeling van de landschapskwaliteiten in deze gebieden. De ruimte binnen deze gebieden moet zo goed mogelijk benut worden waarbij rekening gehouden dient te worden met de gebiedskenmerken en de kwaliteiten van de omgeving. Conclusie Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in een gebied dat in de structuurvisie is aangeduid als bestaand stedelijk gebied. De ruimtevraag wordt binnen bestaand
15
stedelijk gebied opgevangen. Zodoende sluit het initiatief aan bij de doelstellingen uit de SVRO. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2021. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Enkele inhoudelijke wijzigingen zijn echter wel aangebracht. Op hoofdlijnen gaat het om: - een meer gebruikersvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen; - aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de omgevingswet; - aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. Zo wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor gemeenten. De instructieregels voor gemeenten hebben tot doel dat de gemeenteraad de, in de omgevingsverordening opgenomen, voorwaarden betrekt bij de vaststelling van een bestemmingsplan.
Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die wordt bepaald door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Op de kaart bij de omgevingsverordening wordt onderscheid gemaakt in 'Stedelijk gebied' en 'Landelijk gebied'.
16
Conclusie Riel en daarmee ook het plangebied zijn aangewezen als concentratiegebied binnen het 'Stedelijk gebied' (paarse vlak op nevenstaande afbeelding). Voor het bouwen van woningen binnen het 'Stedelijk gebied' geldt als voorwaarde dat dit past binnen de regionale afspraken die over wonen zijn gemaakt. Het bevorderen van zorgvuldig ruimtegebruik staat hierbij centraal en is uitgangspunt voor elke stedelijke ontwikkeling. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen het 'Stedelijk gebied' en dat de ruimte binnen het 'Stedelijk gebied' zo goed als mogelijk wordt benut. De beoogde woningbouwontwikkeling past binnen de regionale afspraken die gemaakt zijn over woningbouw en er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. In paragraaf 4.3 (Volkshuisvesting) wordt beschreven dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Omdat de gronden langs de beek de Leij tevens zijn voorzien van de aanduidingen ‘Natuur Netwerk Brabant ecologische verbindingszone’ en ‘Behoud en herstel watersystemen’ (lila met paarse arcering op nevenstaande afbeelding) dient voldoende aandacht te worden besteed aan de relatie met de Leij en overgang naar het buitengebied.
3.3.
Gemeente Structuurvisie De structuurvisie, vastgesteld door de gemeenteraad op 20 juli 2010, biedt het kader voor het te voeren ruimtelijke beleid tot 2020. Het omvat de visie en de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid. Voor het aspect wonen wordt voor de kern Riel gestreefd naar ‘dorps’ bouwen en een inwonertal dat op peil blijft of gestaag groeit. Ook voor stedelijke ontwikkelingen in Riel geldt dat inbreiding in stedelijk gebied de voorkeur heeft boven uitbreiding.
17
Voldoende inwoners is de basis van een vitaal dorp. Woningbouw in Riel kan: - een bijdrage leveren aan het op peil houden van het inwonertal, het verenigingsleven en het voorzieningenniveau, - het voor starters mogelijk maken in Riel te blijven wonen, - voor geschikte woningen voor senioren zorgen. Conclusie Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van woningen op een voormalig bedrijfsperceel mogelijk. Dit sluit aan op het uitgangspunt ‘Dorps’ bouwen op herstructureringslocaties, dat is opgenomen in de Structuurvisie Goirle. Met de variatie in woningtype binnen het plangebied wordt voorzien in de behoefte aan zowel woningen voor starters als seniorenwoningen. Bestemmingsplan Het plangebied heeft in het bestemmingsplan Kom Riel een bedrijvenbestemming (paarse vlak op de afbeelding). Nabij ’t Leike heeft een klein deel van de gronden binnen het plangebied de bestemmingen Verkeers- en verblijfsdoeleinden (grijze vlakken op de afbeelding) en Groenvoorzieningen (groene vlakken op de afbeelding). Het betreft gemeente-eigendom dat voor een goede stedenbouwkundig ruimtelijke aansluiting op ‘t Leike bij de herontwikkeling worden betrokken.
Uitsnede plankaart bestemmingsplan Kom Riel
18
De huidige bestemmingen staan geen woningbouw toe. Conclusie Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van woningen op een voormalige bedrijfsperceel mogelijk. Dit sluit aan op het uitgangspunt ‘Dorps’ bouwen op herstructureringslocaties, dat is opgenomen in de Structuurvisie Goirle. Met de variatie in woningtype binnen het plangebied wordt voorzien in de behoefte aan zowel woningen voor starters als seniorenwoningen. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Stedenbouwkundige notitie 'Inbreidingsmogelijkheden kom Riel' In 2005 heeft de gemeenteraad de stedenbouwkundige notitie 'Inbreidingsmogelijkheden kom Riel' vastgesteld. Deze notitie vormt het toetsingskader waaraan toekomstige initiatieven stedenbouwkundig kunnen worden beoordeeld op hun aanvaardbaarheid. Volgens deze notitie maakt het plangebied onderdeel uit van deelgebied 2 Woonwijk Oost. Het plangebied is gelegen in de uiterste zuidoosthoek van dit deelgebied. In de notitie is voor het plangebied aangegeven dat het mogelijk is aanvullende woningbouw te situeren, waarbij het groene karakter en het beekdallandschap moeten worden gerespecteerd. Er dient voldoende afstand te zijn voor de realisatie van een in het groen gelegen langzaamverkeerroute langs de Leij. Hierbij kan worden uitgegaan van de bestaande rooilijn van de opslagloods.
Verder zijn de volgende stedenbouwkundige randvoorwaarden van deelgebied 2 van toepassing op het plangebied van voorliggend bestemmingsplan: - toevoeging in de overgangszone tussen de bestaande dorpsrand en het beekdal van de Leij dienen gebaseerd te zijn op de bestaande stedenbouwkundige structuur en met de achterzijden te grenzen aan het beekdallandschap; - er dient voldoende afstand gehouden te worden bij toevoegingen aan de dorpsrand tot het beekdal; - bebouwing dient te bestaan uit één of 2 bouwlagen en voorzien te zijn van een kap; aan het beekdal uit één bouwlaag met kap. Aanvullend zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: - de woningen moeten worden gebouwd rondom een hofje; - er dient een groen pleintje te worden aangelegd als verbindend element tussen de inbreiding en de bestaande woonbuurt; - langs de Leij dient een ecologische zone te worden aangelegd; - ontsluiting van de nieuwe woningen dient plaats te vinden via ’t Leike; - met de herontwikkeling moet het mogelijk zijn een ‘ommetje’ te maken; nieuwe langzaamverkeerroutes moeten bestaande wegen met elkaar verbinden; - binnen het plangebied moet worden voorzien in de parkeerbehoefte.
19
Conclusie Met het voorliggende initiatief wordt voldaan aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden die zijn opgenomen in de stedenbouwkundige notitie 'Inbreidingsmogelijkheden kom Riel' en aanvullende uitgangspunten: - de nieuwe woningen staan aan een hofje dat voor het autoverkeer alleen vanaf ’t Leike toegankelijk is; de gronden direct gelegen aan ’t Leike blijven groen en er is ruimte voor speelvoorzieningen; - met de aanleg van een woonstraat evenwijdig aan de Vonderstraat wordt aangesloten bij de bestaande stedenbouwkundige structuur; - de woonpercelen grenzen met de achterzijde aan het beekdallandschap; de gevel van de bestaande opslagloods is de grens van de woonpercelen aan de zijde van de Leij; - de woningen bestaan uit maximaal anderhalve bouwlagen met een kap en aan het beekdal uit één bouwlaag (vanwege de gewenste typologie zonder kap); - de achterste perceelsgrenzen aan de zijde van het beekdal zijn gelegen op de oostgevel van de bestaande loods; - de gronden tussen de nieuwe woonpercelen en de Leij worden ingericht als ecologische zone; - de toegang tot het bedrijfsperceel vanaf de Vonderstraat wordt een langzaamverkeerroute en in de ecologische zone wordt een wandelpad aangelegd; - binnen het plangebied worden de benodigde parkeerplaatsen aangelegd.
De gebruiksmogelijkheden (bestemmingen Groen, Natuur, VerkeerVerblijfsgebied en Wonen), de inrichting van het plangebied en de maximale bouwmogelijkheden (bouwregels in de bestemming Wonen) zijn hierop afgestemd. Integraal Dorpsontwikkelingsplan Riel Voor het plangebied zijn in het integraal Dorpsontwikkelingsplan Riel geen specifieke voorwaarden of uitgangspunten opgenomen. Toekomstvisie In 2013 is door de gemeenteraad de “Toekomstvisie gemeente Goirle 2020” vastgesteld onder de titel “Thuis in Goirle: groen, sociaal, ondernemend” vastgesteld. Kortweg werd aan dit document de subtitel “Toekomstvisie 2020” gegeven. Deze visie - gebaseerd op de drie kernbegrippen ‘groen, sociaal en ondernemend’ – dient als leidraad voor de toekomstige beleidsontwikkeling. De ambitie voor Goirle in 2020 luidt: Onze inwoners voelen zich thuis in de gemeente Goirle, want Goirle is een groene, sociale en ondernemende gemeente. Goirle is Groen De gemeente Goirle wordt gekenmerkt door het dorpse en landschappelijke karakter en is een prettige en groene woonomgeving, gelegen in het prachtige groen (bossen, beken, Regte Heide) en nabij de grote stad.
20
Goirle is Sociaal De gemeente Goirle is een dynamische en levendige gemeente. De onderlinge sfeer is goed, open en positief. Ieder handelt vanuit zijn of haar eigen verantwoordelijkheid. Problemen worden door onze inwoners zoveel als mogelijk zelf opgelost. In laatste instantie biedt de gemeente een vangnet voor diegenen die daarop zijn aangewezen. We denken en handelen vanuit de ´menselijke maat´. De inwoners kennen elkaar en zijn betrokken bij hun directe naaste omgeving maar juist ook in buurten en wijken. We zijn er voor elkaar en zorgen voor elkaar als dat nodig is. Goirle heeft een actief verenigingsleven en er zijn veel vrijwilligers. We zijn trots op ons eigen karakter en onze eigen identiteit en houden deze graag in stand. Goirle is Ondernemend Binnen de gemeente Goirle zijn voldoende voorzieningen voor wonen, leven, onderwijs, recreatie en zorg aanwezig voor jong en oud, voor ieder wat wils. Economische ontwikkelingen in dat kader worden waar mogelijk ondersteund. In onze afwegingen maken we een verantwoorde keuze gericht op duurzaamheid. Daarbij wegen we economische en ecologische argumenten in samenhang en zorgen we voor balans. We staan open voor nieuwe initiatieven van burgers, organisaties en ondernemers; soms initiëren we deze initiatieven zelf als we kansen zien of iets willen bereiken. Als gemeente kiezen we hierbij bij voorkeur een regierol.
21
Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema's. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van de kaders. Milieuaspecten en water komen aan bod in de volgende hoofdstukken. 4.1.
Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand Stedenbouwkundige uitgangspunten In de stedenbouwkundige notitie 'Inbreidingsmogelijkheden kom Riel' zijn specifiek voor het plangebied stedenbouwkundige randvoorwaarden opgenomen. In aansluiting op deze randvoorwaarden is met inachtneming van de aanvullende uitgangspunten een verkavelingsopzet gemaakt waarbij de inrichting van het gebied aansluit bij de bestaande stedenbouwkundige structuur en grenzen de woonpercelen met de achterzijde aan het beekdallandschap. De woningen aan de zijde van de Leij worden gebouwd in één bouwlaag met een maximale bouwhoogte van 4 meter. De woningen op de percelen die grenzen aan de bestaande woonpercelen aan de Vonderstraat en ’t Leike bestaan uit anderhalve bouwlaag met een kap (met daarin een verdieping).
Verkavelingsopzet Leijoever De openbare ruimte is voorzien van de bestemmingen Groen en Verkeer Verblijfsgebied, de woonpercelen van de bestemming Wonen. Door middel van bouwvlakken is de locatie van de woningen vastgelegd. De grens van het bouwvlak voor de patiowoningen is bewust gepositioneerd in het verlengde van de voorgevels van Leike 2 t/m 10. Om de nieuwe ontwikkeling goed aan te laten sluiten bij de omgeving, is het stedenbouwkundig wenselijk dat de 22
groenvoorziening/speeltuin begrenzingen heeft. De aan de groenvoorziening gesitueerde patiowoningen (kavels 13 en 14), de bebouwing op kavel 6 en de bestaande woning Leike 10 zorgen tezamen voor deze stedenbouwkundig gewenste begrenzing. De grens van het bouwvlak voor de patiowoningen aan de zijde van de Leij ligt op de locatie van de zuidoostgevel van de bestaande opslagloods. Hiermee wordt gebouwd binnen de zone die in de Verordening ruimte is aangeduid als ‘Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone’. Het waterschap heeft ingestemd met het versmallen van de ecologische verbindingszone langs de Leij onder de voorwaarde dat deze over de resterende breedte van 10 meter wordt ingericht als ecologische verbindingszone, in samenhang met de ecologische verbindingszone aan de overzijde van de Leij op het te ontwikkelen Landgoed Rielsedijk. De gronden langs de Leij zijn voorzien van de bestemming Natuur. Welstand Bouwplannen moeten onder meer worden getoetst aan 'redelijke eisen van welstand', aldus de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de bouwplannen die in de gemeente worden gerealiseerd.
Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de gemeenteraad moet worden vastgesteld. In Goirle is dat gebeurd op 11 maart 2014. De welstandsnota heeft een duidelijke relatie met bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan beschrijft naast de toegelaten functies in stedenbouwkundige termen de toegestane bouwmassa's in een gebied en de plaats waar deze mogen worden gebouwd. Het is de taak van welstandsbeleid te borgen dat bij veranderingen de verschijning van de bouwmassa's passend is en blijft in de omgeving. De Welstandsnota verdeelt de gemeente hiertoe in verschillende soorten gebieden, ieder met hun eigen gebiedsgerichte criteria. Voor de gedetailleerde regeling wordt verwezen naar de welstandsnota. Het concrete bouwplan dient te zijner tijd ter advisering aan de welstandscommissie te worden voorgelegd. Voor de beoogde woningbouwontwikkeling is een beeldkwaliteitplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitplan is op 17 september 2019 beoordeeld door de welstandscommissie en akkoord bevonden als ontwerp en toetsinstrument. 4.2.
Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Archeologie Omdat in groeiende mate het Europese archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologische belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor 23
toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in casu de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende: - de introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologische onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder; - de verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening. In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld. Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport over te leggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist. Dit bestaat in de eerste plaats uit vooronderzoek: het bureauonderzoek en/of inventariserende veldonderzoek, elk met bijbehorende standaardrapportages. Tijdens het bureauonderzoek wordt gekeken naar wat er in historisch, archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht al bekend is over het plangebied. De volgende fase bestaat in veel gevallen uit een veldonderzoek.
Dergelijk onderzoek heeft als doel kansrijke en kansarme zones te karteren. Hierbij kan booronderzoek plaatsvinden alsmede proefsleuvenonderzoek. De resultaten dienen vervolgens te worden gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase wordt van de aangetroffen vindplaatsen, ook wel site genoemd, de omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit vastgesteld om zo tot een oordeel over de behoudenswaardigheid te komen. Op basis van dit oordeel neemt de betrokken overheid een (selectie)besluit hoe met eventueel aanwezige vindplaatsen dient te worden omgegaan. Bureauonderzoek en verkennend onderzoek Door Econsultancy is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als separate bijlage opgenomen. Volgens de IKAW ligt het plangebied grotendeels in een niet gekarteerd gebied, vanwege de ligging binnen de bebouwde kom van Riel. Het plangebied grenst wel aan een gebied met een lage kans op het aantreffen van archeologische waarden. De lage kans zal gelden voor bewoningsactiviteiten. Echter, voor activiteiten die gerelateerd zijn aan het beekdal van de voorloper van de Leij heeft het plangebied wel een hoge kans op het aantreffen van archeologische waarden. Op basis van het archeologisch bureauonderzoek wordt verwacht dat het plangebied binnen een dalvormige laagte dan wel deels binnen de westelijk gelegen beekdalhelling van de Leij zou liggen.
Deze onder (vrij) natte omstandigheden gevormde landschapselementen vormden geen gunstige (tijdelijke) bewoningslocaties, maar er konden wel specialistische activiteiten worden ontplooid, zodat het plangebied wel een verhoogde trefkans heeft op de aanwezigheid van beekdalgerelateerde resten (resten van zogenaamde off-site 24
activiteiten en rituele deposities, zodat archeologische resten van jacht- en visattributen, dumpzones, voorden, bruggen, wegen, winplaatsen van grondstoffen en depositieplaatsen). In de omgeving van het plangebied zijn enkele archeologische resten uit de Late-Prehistorie voornamelijk aangetroffen op de hoger gelegen terrasafzettingswelvingen en dekzandruggen en enkele resten uit de Middeleeuwen/Nieuwe tijd binnen de begrenzing van de historische dorpskern van Riel. Het plangebied ligt echter buiten de historische dorpskern en is in ieder geval vanaf het begin van de 19e eeuw in agrarisch gebruik geweest. De huidige situatie is pas vanaf eind jaren ’60 van de 20e eeuw ontstaan. Naast een bureauonderzoek is een (geo-archeologisch) verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat onder de loods en de aanwezige verhardingen rondom de loods sprake is van ophoging met cunetzand en humeuze grond. Onder deze ophogingslagen komen beekdalafzettingen voor. Deze variëren in lithologie/textuur en bestaan uit lichtgrijs tot grijs gekleurd, matig fijn tot matig grof zand met vooral in de onderste meter voorkomende laagjes grindrijk, zeer grof zand met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen (veel hout- en plantenresten aanwezig).
De laagjes grindrijk, zeer grof zand (concentratie van grind in de vorm van een zogenaamde “gravel lag”) met vaak erboven nog een dun laagje sterk humeus/venig zand of sterk zandige veen betreffen de onderkant van beekgeulen/verlaten beekmeanders. In de oostelijke helft van het plangebied bestaat de top van de beekdalafzettingen uit donkerzwartbruin gekleurde, matig humeuze, sterk zandige beekleem. Op basis van deze bodemopbouw ligt het gehele plangebied binnen het beekdal van de Leij. De aangetroffen bodemopbouw laat zien dat er geen diepgaande bodemverstorende ingrepen in het pakket beekdalafzettingen hebben plaatsgevonden, waardoor beekdalgerelateerde resten dus nog in situ kunnen worden aangetroffen. De voorgenomen bodemingrepen kunnen verstoringen van de aanwezige beekdalafzettingen veroorzaken. Omdat de nieuwe woningen op palen worden gefundeerd, wordt aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden voorkomen. Ter bescherming van de archeologische verwachtingswaarde is de dubbelbestemming Waarde – Archeologie opgenomen. Bij grondwerkzaamheden met een oppervlakte van 100 m² of meer en dieper dan 40 cm is een omgevingsvergunning vereist. Cultuurhistorie en monumentenzorg Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven.
Hierbij zijn vooral de Monumentenwet 1988, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader. Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing In het plangebied komt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing voor. Rijksmonumenten In het plangebied komen geen rijksmonumenten voor. 25
Gemeentelijke monumenten In het plangebied komen geen gemeentelijke monumenten voor. 4.3.
Volkshuisvesting Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' (Actualisering 2017) geeft inzicht in de veranderingen in de omvang, groei en samenstelling van de bevolking van de provincie Noord-Brabant. Deze prognoses zijn voor beleidmakers op elk maatschappelijk terrein, waaronder woningbouw en volkshuisvesting, van belang. Volgens de nieuwe provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose neemt het inwonertal van Noord-Brabant toe van 2.513.500 in 2017 tot een maximum van ruim 2.645.000 mensen aan het begin van 2040. Dit betekent dat de Brabantse bevolking de komende 25 jaar naar verwachting nog met ruim 130.000 personen zal groeien. De woningvoorraad bereikt eveneens een hoger maximum vergeleken met de vorige prognose uit 2014. De hogere bevolkingsgroei speelt hierbij uiteraard een rol. Samen met de vergrijzing en de individualisering leidt dit tot een sterke groei van het aantal huishoudens (en dus woningen). Verwacht wordt dat er in Brabant anno 2050 iets meer dan 1.260.000 woningen nodig zijn om in de woningbehoefte te kunnen voorzien, ruim 20.000 woningen meer dan de ramingen uit 2014. Dat betekent een toename van een kleine 160.000 woningen ten opzichte van de 1.104.000 die er aan het begin van 2017 in de provincie moeten staan.
De woningvoorraad blijft tot aan het einde van de prognoseperiode groeien, al vlakt de groei in de loop van de prognoseperiode wel sterk af. Al met al wacht Brabant de komende tijd nog een flinke woningbouwopgave, met een accent op de eerstkomende jaren. Tot 2030 zal de woningvoorraad nog met ruim 120.000 woningen moeten toenemen, gemiddeld genomen bijna 10.000 woningen (netto) per jaar. Dit om de verwachte groei van het aantal huishoudens op te kunnen vangen en bestaande woningtekorten terug te dringen. In lijn met het provinciale verstedelijkingsbeleid concentreert de groei van de woningvoorraad zich in de stedelijke gebieden Het beleid richt zich onder meer op: - het bouwen van voldoende woningen en - het voorzien in een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus. Het is dan ook van provinciaal belang, dat de regionale woningmarkt goed functioneert. Daarvoor worden in regionaal verband afspraken gemaakt. De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' geeft daarvoor, aangevuld met regionale woningbehoefteonderzoeken, waaronder het Woningbehoefteonderzoek ‘Hart van Brabant' van 2017, de input.
26
Regionale afspraken Hart van Brabant De gemeente Goirle maakt samen met de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk deel uit van de regio Hart van Brabant. Binnen deze regio maken deze gemeenten jaarlijks gezamenlijke afspraken met de provincie Noord-Brabant over de kwantitatieve woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de, hiervoor genoemde, periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkings- en woningbehoefteprognose. In het Regionaal Ruimtelijk Overleg Midden Brabant van 19 december 2018 (Regionale Agenda Wonen 2019 Hart van Brabant, dit document is te vinden op de website van de provincie Noord-Brabant, www.brabant.nl) zijn afspraken gemaakt tussen gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk over het maximum aantal te bouwen woningen tot en met 2027. Op basis van de provinciale behoefteprognose is in de gemeente Goirle de kwantitatieve woningbehoefte voor de periode 2018-2027 840 woningen. In het Woningbehoefteonderzoek ‘Hart van Brabant’ is aangetoond dat er in de gemeente Goirle behoefte is aan patiowoningen, een woningtype dat nog niet wordt aangeboden in Riel. Ook een recente enquête onder senioren in Riel heeft dit uitgewezen.
De verwachting is dat deze groeiende doelgroep momenteel woont in eengezinswoningen, waar ook grote behoefte aan is. De beoogde twee-onder-één kapwoningen binnen het plangebied zijn door de aanpasbare plattegrond van de begane grond (met de mogelijkheid om ook daar de slaapkamer en badkamer te realiseren) geschikt voor zowel senioren als gezinnen. In het woningbehoefteonderzoek wordt onderscheid gemaakt in verschillende woonmilieus. Riel is aan te merken als dorps, het is er rustig en gemoedelijk. Met name onder senioren is een grotere behoefte aan dorps wonen. Het dorp biedt geborgenheid, veiligheid en een stukje saamhorigheid dat men prettig vind. Op dit moment wonen de meeste senioren in een eengezinswoning, al dan niet vrijstaand. De verwachting is dat deze woningen vrijkomen voor gezinnen wanneer er in Riel voor senioren geschikte woningen worden gebouwd. Op gemeentelijk niveau wordt onderscheid gemaakt in harde en gebonden capaciteit. De locatie Leijoever is in de gemeentelijke 'Notitie Prioritering Woningbouwlocaties 2016-2021' opgenomen als gebonden plancapaciteit met prioriteit (zie onder ‘Notitie Prioritering woningbouwlocaties 2016-2021‘). Met de ontwikkeling van 14 (aanpasbare) woningen wordt voorzien in een actuele behoefte. Woonvisie Het gemeentelijk woonbeleid volgt uit de vierjaarlijkse woonvisie.
De Woonvisie is vastgesteld door de gemeenteraad op 15 december 2015. Het doel van de Woonvisie is onder meer het vaststellen van een gemeentelijke ambitie op het gebied van wonen, het bieden van een afwegingskader voor beleidskeuzes. In de Woonvisie komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele
27
knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie is gekozen voor vier hoofdthema's: - wonen en de woonomgeving; - wonen, zorg en welzijn; - nieuwbouw en - duurzaamheid. Gestreefd wordt naar een gemeente waarin voldoende mate van differentiatie in het woningaanbod is zodat iedereen passende woonruimte kan vinden. Binnen het plangebied worden verschillende woningtypen gebouwd: twee-onderéén kapwoningen en patiowoningen. Het aanbod is daarmee zodanig gevarieerd dat de ontwikkeling is gericht op verschillende doelgroepen, van jonge gezinnen tot senioren. Binnen de gemeente zijn veel potentiële woningbouwlocaties. Er moet daarom een zorgvuldige afweging plaatsvinden. Niet alleen omdat er niet meer woningen gebouwd 'mogen' worden, maar ook omdat wanneer er meer capaciteit wordt geboden dan er behoefte is, de kans groot is dat er uiteindelijk minder wordt gebouwd dan die behoefte. Bij te veel aanbod tegelijkertijd kunnen plannen elkaar onderling beconcurreren of zelfs elkaar in gijzeling nemen omdat bij geen van de plannen voldoende wordt afgenomen om te starten. De afweging waar woningen mogen worden gebouwd vindt plaats in de Notitie Prioritering woningbouwlocaties.
Notitie Prioritering woningbouwlocaties 2016-2021 In deze notitie, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders in juni 2016, wordt antwoord gezocht op de vraag welke woningbouwlocaties in de komende jaren prioriteit moeten krijgen in het gemeentelijke woningbouwprogramma. Om te komen tot deze afweging en een prioritering te kunnen maken, zijn in de Woonvisie de criteria, en de volgorde van deze criteria, vastgesteld waaraan de potentiele locaties moeten worden getoetst. Het gaat daar bij om de volgende criteria: - woonbehoefte (zowel kwalitatief als kwantitatief); - duurzaam ruimtegebruik (leegstand, bestaand stedelijk gebied); - nut en noodzaak van ontwikkeling vanwege andere beleidsdoelen (in willekeurige volgorde bijvoorbeeld: stedenbouw, cultuurhistorie, grondpositie en sturingsmogelijkheden). In de 'Notitie Prioritering woningbouwlocaties 2016-2021', is de locatie Leijoever (onder de naam Vonderstaat) aangemerkt als gebonden plancapaciteit. Uitgegaan is van een capaciteit van 17 woningen. Vanuit wonen en de woonbehoefte gezien is er in Riel nog markt voor woningen voor senioren. De patiowoningen aan de zijde van de Leij zijn geschikt voor senioren. Ook de locatie in de directe nabijheid van het hart van Riel, nabij voorzieningen maakt de locatie uitermate geschikt voor deze doelgroep.
28
Ladder voor duurzame verstedelijking Zoals in paragraaf 3.1 is aangegeven, is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Uit deze paragraaf blijkt dat hiervan sprake is. Omdat de ontwikkeling plaatsvindt binnen het bestaand stedelijk gebied is een nadere onderbouwing van de locatie ingevolge de gewijzigde ladder niet benodigd. Conclusie Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw op een voormalig bedrijfsperceel aan de rand van Riel mogelijk. Functioneel en ruimtelijk wordt aangesloten bij de directe omgeving. Uit het voorgaande blijkt dat er grote behoefte is aan woningen in een dorps woonmilieu die geschikt zijn voor senioren. Ook is er binnen dit woonmilieu behoefte eengezinswoningen. Het bouwplan Leijoever voorziet in deze behoefte, enerzijds door twee type woningen te bouwen. Beide woningtypen zijn door de aanpasbare plattegrond van de begane grond geschikt voor senioren. De verwachting is dat deze doelgroep woningen in Riel vrijmaakt voor gezinnen. Het bouwplan past derhalve binnen de kaders op het gebied van wonen. 4.4.
Groen De gemeenteraad heeft op 11 maart 2014 het Groenstructuurplan vastgesteld. In dit plan wordt een lange termijn visie voor het gemeentelijk groen binnen de bebouwde kom weergegeven. Riel worden aan bijna alle zijden omzoomd door groene dorpsranden. Dit zijn groengebieden die de overgang vormen van dorp naar landschap. De dorpsrand binnen het plangebied heeft een ecologische waarde. De groene dorpsranden dienen zoveel mogelijk in stand te worden gehouden en waar nodig versterkt. Van belang binnen het plangebied is de ligging aan de Leij. De verschillende kaarten in het Groenstructuurplan laten zien dat ter hoogte van het plangebied langs de Leij een groene dorpsrand met een wandelroute gewenst is, het eerder genoemde ‘ommetje’. Het voorliggende bestemmingsplan geeft invulling aan beide wensen. De bedrijvenbestemming wordt over een breedte van 10 meter langs de Leij voorzien van de bestemming Natuur. Bij de inrichting van deze ecologische verbindingszone wordt rekening gehouden met de aanleg van een wandelpad. Door deze aaneengesloten wandelroute langs de Leij en het behoud van de verbinding met de Vonderstraat als langzaamverkeerroute ontstaat het gewenste ‘ommetje’. Bestaande bomen binnen het plangebied worden zoveel mogelijk behouden.
De houtwal die nu het zicht op de opslagloods vanaf ’t Leike ontneemt, wordt verwijderd om de nieuwbouw in ruimtelijke opzicht onderdeel te laten zijn van het aansluitend woongebied. De groene ruimte als zodanig wordt gehandhaafd als verbindend groenelement tussen oude en nieuwe woonbuurt.
29
Bomen die worden gekapt (naar verwachting 13), worden binnen het plangebied herplant in de openbare ruimte. Conclusie Doordat in de verkavelingsopzet rekening is gehouden met de aanleg van een ecologische zone langs de Leij wordt invulling gegeven aan het wensbeeld nabij het plangebied. Ook wordt voldaan aan het geformuleerde uitgangspunt dat de oude en nieuwe woonbuurt door middel van een groenvoorziening moet worden verbonden. 4.5.
Verkeer en parkeren Verkeer Op 10 december 2013 heeft de gemeenteraad van Goirle een nieuw Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van het GVVP is het vastleggen van het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Goirle voor de periode 2013 tot 2023. Het beleid moet aansluiten bij de ambities en de speerpunten die de gemeente heeft en moet tevens passen binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen. In het GVVP worden de thema's verkeersveiligheid, fiets, bereikbaarheid en verkeerscirculatie, voetgangers/minder validen, parkeren, openbaar vervoer en leefbaarheid en milieu besproken. Vanaf het centraal station in Tilburg rijden er bussen naar Riel. De halte aan het Dorpsplein ligt op loopafstand van het plangebied. De hoofdverkeersstructuur van Riel wordt niet aangepast. Het plangebied wordt ontsloten vanaf de bestaande woonstraat ’t Leike. De beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen (uitgaande van 6 autobewegingen per woning per etmaal) levert geen problemen op in deze woonstraat. De huidige inrichting van deze weg laat een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen toe. De huidige toegang tot het voormalige bedrijfsperceel zal worden ingericht als langzaamverkeerroute. Via de nieuwe woonstraat wordt dit pad verbonden met ’t Leike.
In het verlengde van de langzaamverkeerroute vanaf de Vonderstraat wordt er langs de patiowoningen een voetpad aangelegd naar de groenzone langs de Leij. Met de aanleg van een ecologische groenzone langs de Leij wordt het mogelijk om vanaf de Goirleseweg langs de Leij naar ’t Leike te lopen. Conclusie Omdat de hoofdverkeersstructuur niet worden aangepast en de toename van het aantal verkeersbewegingen beperkt is, past de ontwikkeling binnen het gemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid.
30
Parkeren Bij de vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Dit is in de planregels opgenomen. Voor de kern Riel worden de gemiddelde normen voor “matig stedelijk gebied Rest bebouwde kom” aangehouden. Dit houdt in dat voor de twee-onder-één kapwoningen een norm van 2,1 geldt. Een patiowoning kan worden aangemerkt als een tussenwoning waarvoor een norm geldt van 1,9 parkeerplaats per woning. Op verzoek van omwonenden is voor alle woningen rekening gehouden met 2,1 parkeerplaats per woning. Binnen het plangebied dienen derhalve 29 parkeerplaatsen te worden aangelegd. Bij de patiowoningen worden 2 parkeerplaatsen per perceel op eigen terrein aangelegd. Doordat bij de twee-onder-één kapwoningen per bouwperceel minimaal één opstelplaats wordt aangelegd en op één kavel twee parkeerplaatsen, is in de openbare ruimte gereserveerd voor nog 6 parkeerplaatsen. Conclusie Binnen het plangebied worden 29 parkeerplaatsen aangelegd. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernormen die van toepassing zijn voor het plangebied.
31
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten Dit hoofdstuk geeft aan hoe de milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. 5.1.
Milieuhinder en bedrijven Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Invloed van de omgeving op het voornemen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen (agrarische) bedrijven waarvan de milieuzonering van invloed is op de plannen voor het plangebied. Conclusie Vanuit het aspect milieuhinder bestaat er geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Met de voorgestane woningbouwontwikkeling verdwijnt er een bedrijfsperceel in het woongebied van Riel.
5.2.
Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die 32
aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden.
De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - de kans op een ongeval; - het effect van het ongeval; - het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; - de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers.