05 Bijlage 2 Ontwerpbestemmingsplan Oude Tilburgsebaan 20a.pdf
Tekst van het document
Zendmast: Inrichting voor draadloze transmissie van telecommunicatie of andere signalen.
70
Artikel 2 Wijze van meten 2.1. Meetregels Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 1. afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse grens van het bouwperceel: Tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en enig punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2. dakhelling: Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 3. goothoogte van een bouwwerk: Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 4. bouwhoogte van een bouwwerk: Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen. 5. horizontale diepte van een bouwwerk: Tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel. 6. inhoud van een bouwwerk: Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 7. oppervlakte van een bouwwerk: Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 8. verticale diepte van een bouwwerk: Vanaf het peil tot het laagste punt van het bouwwerk, fundering niet meegerekend. 9.
lengte, breedte en diepte van een bouwwerk: Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de buitenste verticale projecties van bouwdelen en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren, boven peil 10. peil: a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
71
2.2. Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten de hoofdmassa van het gebouw uitsteken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- dan wel bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. Onder ondergeschikte bouwdelen worden in ieder geval verstaan plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, licht, antenne- en vlaggenmasten, windvanen, wolfeinden, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons, balkon- en terrashekken en dergelijke, dakkapellen, andere ondergeschikte dakopbouwen, liftschachten, en overige overstekende daken.
72
HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Wonen 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Wonen, met dien verstande dat kamerverhuur niet is toegestaan b. Tuinen, erven en verhardingen; c. Water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan watergangen en andere waterpartijen, reserveringen voor infiltratievoorzieningen (zoals bijvoorbeeld wadi's), retentievoorzieningen, (compenserende) waterberging, waterbuffers en bergbezinkbassins, alsmede kunstwerken ten behoeve van waterhuishoudkundige voorzieningen; d. Parkeervoorzieningen; Met dien verstande dat: e. De woning en/of daarbij behorende bijgebouwen tevens mogen worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep, met dien verstande, dat maximaal 30% van het bestaande vloeroppervlak van de woning en/of bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 60 m², mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep; f. De woning en/of daarbij behorende bijgebouwen tevens mogen worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf, met dien verstande, dat maximaal 30% van het bestaande vloeroppervlak van de woning en/of de bijgebouwen, tot een oppervlakte van maximaal 60 m², mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf; g.
Aangebouwde bijgebouwen mogen worden gebruikt ten behoeve van de woonfunctie. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Bouwen is uitsluitend toegestaan ten dienste van de in lid 3.1 omschreven bestemmingsomschrijving en met inachtneming van de volgende regels: a. Toegestaan zijn: 1. Woningen; 2. Daarbij behorende bijgebouwen; 3. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. Buiten het bouwvlak mogen geen hoofdgebouwen worden gebouwd; c. Ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, tot een verticale diepte van maximaal 5 meter; d. Een bouwperceel mag voor niet meer dan 60 % worden bebouwd. e. Bestaande bebouwing welke krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is opgericht en in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar afwijkend van één of meer bebouwingsregels, wordt geacht aan het plan te voldoen. Hieronder wordt tevens vergunde bebouwing verstaan, die nog moet worden opgericht.
73
3.2.2
Hoofdgebouwen Voor het bouwen van het hoofdgebouw, zijnde de woning, gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels: a. Als hoofdgebouw zijn uitsluitend toegestaan, twee-aan-een-gebouwde woningen b. Woningen zijn uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak; c. Binnen een bouwvlak mag het aantal woningen niet meer bedragen dan zoals ter plaatse van de aanduiding 'maximumaantal wooneenheden' staat aangegeven; d. Ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (4,5 m)' mag de goothoogte van woningen niet meer bedragen dan in het bouwvlak is aangegeven; e. Ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (7,5 m)' mag de bouwhoogte van woningen niet meer bedragen dan in het bouwvlak is aangegeven;
3.2.3 Bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen gelden naast het bepaalde in lid 19.2.1 de volgende regels: a. Bijgebouwen mogen niet voor de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; b. Bijgebouwen bij twee-aaneen gebouwde woningen dienen aan de niet aaneen gebouwde zijde minimaal 1,5 meter uit de zijdelingse perceelgrens te worden gebouwd c. De gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen mag bij een bouwperceel van 500 m² of meer niet meer bedragen dan 100 m²; d. De goothoogte van bijgebouwen mag maximaal 3,65 meter bedragen; e. De bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen. 3.2.4 Carports Voor het bouwen van een carport gelden naast het bepaalde in lid 19.2.1 de volgende regels: a. De oppervlakte van een carport mag niet meer dan 30 m2 bedragen; b. De carport dient minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning te worden gebouwd; c. Carports moeten grotendeels worden opgericht naast de zijgevel van de woning; d. Op een bouwperceel mag maximaal één carport worden opgericht; e. De bouwhoogte van een carport mag niet meer dan 3,25 meter bedragen. 3.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden naast het bepaalde in lid 19.2.1 de volgende regels: a.
De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel niet meer dan 1 meter mag bedragen; b. De bouwhoogte van antenne- en vlaggenmasten mag niet meer dan 6 meter bedragen; c. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 1,5 meter bedragen; d. Zwembaden mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de plankaart aangegeven "gebied bijgebouwen toegestaan". 74
3.3
Nadere eisen Het bevoegd gezag is bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. De situering en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van; 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; 2. de ruimtelijke of landschappelijke inpassing; 3. de verkeersveiligheid; 4. de sociale veiligheid; 5. de brandveiligheid; 6. de milieusituatie; 7. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen.
3.4
Afwijken van de bouwregels Bijgebouwen Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.3, onder c, voor het bouwen van een bijgebouw waardoor het gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen de 100 m2 overschrijd indien dit noodzakelijk is in verband met een doelmatige inrichting van het perceel.
3.4.1 Erf- en terreinafscheidingen Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.5, onder a, voor het toestaan van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel met een bouwhoogte van maximaal 3 meter, mits a. dit past binnen het straat- en bebouwingsbeeld van de omgeving; b. dit mogelijk is uit oogpunt van een veilige verkeerssituatie. 3.4.2
Bouwhoogte, goothoogte Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.3. onder e, voor het toestaan van hogere bouwhoogte tot maximaal 8 meter mits dit past binnen het straat- en bebouwingsbeeld van de omgeving.
3.5
Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Strijdig gebruik van de gronden Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen als zelfstandige woning a. Het gebruik van gronden voor de naar de weg gekeerde bouwgrens voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit.
75
Artikel 4 Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing 4.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing ' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud en/of herstel van cultuurhistorische en/of monumentale waarden van de bebouwing, waarbij het gaat om cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.
4.2
Bouwregels In afwijking van de regels behorende bij de ter plaatse geldende bestemming, mag en dient het uitwendige karakter van het betreffende bouwwerk (te) worden behouden, eventueel ook in een van het ter plaatse geldende bestemmingsregel afwijkende maatvoering, hetgeen inhoud dat van het bestaande bouwwerk niet mag worden veranderd: de hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen, de dakvorm, de nokrichting en de dakhelling, alsmede de gevelindeling van ramen, deuropeningen, luiken en erkers en ook de architectuur en structuur van de bebouwing worden gehandhaafd.
4.3
Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nader eisen te stellen ten aanzien van: De situering van bouwwerken en de inrichting en het gebruik van de gronden voor zover de gronden zijn aangewezen voor "Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing", indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig is.
4.4
Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsontheffing afwijken van het bepaalde in lid 4.2. Voor een gehele of gedeeltelijke verandering van het betreffende bouwwerk, mits: a. Vooraf het advies wordt ingewonnen van de gemeentelijke Monumentencommissie b. Wordt voldaan aan het bepaalde in de bouwregels behorende bij de ter plaatse geldende bestemming; c. Geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische waarde van het object.
4.5
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.5.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwwerk, dat is bestemd tot 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing', geheel of gedeeltelijk te slopen. 4.5.2 Criteria De in lid 4.5.1 bedoelde vergunning mag alleen en moet worden geweigerd indien door het geheel of gedeeltelijk slopen dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect 76
te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarde van het bouwwerk en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen. 4.5.3 Advies Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in lid 4.5.1 wint het bevoegd gezag daarover een schriftelijk advies in bij de gemeentelijke monumentencommissie. 4.5.4 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.5.1 is niet vereist voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden die: a. Het normale onderhoud en beheer betreffen; b. Worden uitgevoerd in overeenstemming met een krachtens de Monumentenwet 1988 verleende vergunning; c. Op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning. Artikel 5 Straalpad 5.1
Bestemmingsomschrijving De op de plankaart voor “Straalpad” aangewezen gronden zijn mede bestemd voor (de bescherming van) een straalverbinding.
5.2
Bouwvoorschriften Voorzover gebouwen en andere bouwwerken, die zijn toegestaan op grond van de bestemmingsbepalingen ingevolge hoofdstuk II van deze voorschriften, zijn gelegen binnen het op de plankaart als zodanig aangegeven straalpad, mag de hoogte van de betreffende gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedragen dan <invullen> m +NAP.
77
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 7 7.1
Algemene bouwregels
Overschrijding van bouwgrenzen Bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen, in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 van deze regels, worden overschreden ten behoeve van tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), liftkokers en -schachten, galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits: a. De overschrijding niet meer bedraagt dan 1 meter; b. De bouwhoogte van erkers, entreeportalen en veranda's niet meer bedraagt dan de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van het betreffende gebouw; c. De breedte van erkers, entreeportalen en veranda's niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de betreffende gevel van het gebouw; d. De afstand van deze bouwdelen tot de bestemmingsgrens minimaal 3 meter bedraagt, daar waar het bestemmingsvlak grenst aan de weg.
7.2. Ruimte tussen bouwwerken 7.2.1 Algemeen De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van het bouwperceel zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende bouwperceel aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die: a. Vanaf de hoogte van het bouwperceel tot 2,20 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn; b. Niet toegankelijk zijn. 7.2.2. Afwijken Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2.1. indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging van onderhoud van de vrij te laten ruimte.
78
Artikel 8 Algemene gebruiksregels 8.1
Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, wordt in ieder geval gerekend: a. Een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/ of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; b. Een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; c. De vestiging van inrichtingen als bedoeld in 2.1, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (inrichtingen die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken); d. Een gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel, met uitzondering van een zodanig gebruik dat uitdrukkelijk is toegestaan in of krachtens deze regels; e. Het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van prostitutie, escortbedrijf, prostitutiebedrijf en/of seksinrichting.
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels
Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straaten bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, bij een omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van: a. Het gebruik van een vrijstaand of aangebouwd bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits: 1. Het een vrijstaand of aangebouwd bijgebouw betreft behorende bij een woning binnen een bestemming waarbinnen een permanente (bedrijfs)woning is toegestaan; 2. Een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring van in ieder geval de behandelende huisarts; 3. Er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; 4. De afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m2; 5. Het bijgebouw een onlosmakelijk geheel vormt met de woning van waaruit de mantelzorg wordt verleend; 6.
Het bevoegd gezag verleent bedoelde omgevingsvergunning zowel op naam van de mantelzorgverlener als de mantelzorgontvanger onder de voorwaarden dat binnen vier weken na beëindiging van het gebruik van het vrijstaand of aangebouwd bijgebouw als afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg hiervan schriftelijk melding wordt gemaakt bij het bevoegd gezag en de gebruiksmogelijkheden van het vrijstaand of aangebouwd bijgebouw 79
binnen twaalf weken na beëindiging van het gebruik als afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg ongedaan wordt gemaakt voor bewoning; b. Het afwijken van de voorgeschreven maten voor de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en afstand van bouwwerken, dan wel een voorgeschreven bebouwingspercentage, eventueel met overschrijding van de bouwgrenzen binnen een bestemmingsvlak, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10% van de in deze regels voorgeschreven maten; c. Het afwijken van bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak op de verbeelding, niet zijnde bestemmingsgrenzen, indien en voor zover afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen op de verbeelding is aangegeven niet meer dan 2,5 meter bedraagt; d. De bouw van hogere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dan toegestaan ingevolge deze regels, met dien verstande dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag worden vergroot tot niet meer dan 10 meter; e. Het oprichten van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, gedenktekens, geen gebouwen zijnde, en monumenten, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van niet meer dan 15 meter; f.
Het realiseren van gebouwen en bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen en/of het opwekken van duurzame energie, tot maximaal 100 m2 (bruto vloeroppervlak) en een bouwhoogte van maximaal 3 meter; g. Gevelisolatie en toestaan dat de aanduiding 'bouwvlak' wordt overschreden met maximaal 30 centimeter ten behoeve van gevelisolatie om energie te besparen.
Artikel 10 Algemene wijzigingsregels 10.1
Algemene wijzigingen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening: a. de ligging van grenzen van bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen te wijzigen, met inachtneming van de volgende regels: 1. de bij de wijziging betrokken grenzen mogen ten hoogste 5 meter worden verschoven; 2. de oppervlakte van de bij de wijziging betrokken bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen mag ten hoogste 5% worden verkleind of vergroot ten opzichte van de oppervlakte vóór de wijziging; 3. door een wijziging mogen het straat-, bebouwings- en landschapsbeeld, het woon- en leefklimaat, de waterstaatkundige belangen, de ontwikkeling van omliggende bedrijven, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, niet onevenredig worden aangetast. b. het plan te wijzigen ten aanzien van het aanpassen van opgenomen regels in de voorafgaande artikelen, waarbij wordt verwezen naar regels in wettelijke regelingen en/of publicaties, indien deze wettelijke regelingen en/of publicaties na het moment van vaststelling van het plan worden gewijzigd. 80
Artikel 11 11.1
Algemene procedureregel
Nadere eis Bij het nemen van een besluit omtrent een nadere eis overeenkomstig een in het plan opgenomen regels over nadere eisen nemen burgemeester en wethouders de volgende regels in acht: a. het ontwerpbesluit ligt, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, twee weken ter inzage; b. van de terinzagelegging wordt tevoren in één of meer dag-, nieuws-, of huis-aanhuisbladen, of op een andere geschikte wijze kennis gegeven; c. de kennisgeving dient tevens langs elektronische weg te geschieden; d. de kennisgeving houdt mededeling in van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen; e. gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij het college van burgemeester en wethouders zienswijzen indienen tegen het ontwerpbesluit.
Artikel 12 Overige regels De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, worden toegepast zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan, tenzij expliciet anders is geregeld.
81
HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS
Artikel 13 Overgangsrecht 13.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. Gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. Na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 30.1, onder a, een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 30.1, onder a, met maximaal 10%. c. Lid 30.1, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 13.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder lid 30.2, onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in lid 30.2, onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Lid 30.2, onder a, is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
82
Artikel 14 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan: NL.IMRO.0785.BP2021001Oudetilbu-vo01 Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van <datum vaststelling> .
De voorzitter,
De griffier,
83
Bijlage 1. Staat van bedrijfsactiviteiten
84
85
86
87
WR-CWB
[tae]
7,5
4,5
1
[bg]
W
Wonen
Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing
twee-aaneen
bijgebouwen
maximum goothoogte (m) maximum bouwhoogte (m)
4,5
: Goirle
Blad
: A4
BESTANDSNAAM:
: NL.IMRO.0785.BP2021001Oudetilbu-vo01 : 1:1000 : voorontwerp Datum tervisielegging ontwerp : Datum vaststelling : Datum uitspraak ABRS : Datum inwerkingtreding : : Datum onherroepelijk : LF Viewpoint Naam en adres opsteller
Gemeente Bestemmingsplannummer Schaal van de verbeelding Status plan
21MMMAK001-003
Bestemmingsplan Oude tilburgsebaan 20A Riel
ondergrond
Verklaringen
7,5
maximum aantal wooneenheden
1
Maatvoeringen
[tae]
[bg]
Bouwaanduidingen
bouwvlak
Bouwvlakken
vrijwaringszone - straalpad
Gebiedsaanduidingen
WR-CWB
Dubbelbestemmingen
W
Enkelbestemmingen
Plangebied
LEGENDA Plangebied
VERBEELDING
88