05 Bijlage 2 - Ontwerp Bestemmingsplan Beeksedijk 26-28 Goirle.pdf
Tekst van het document
GEMEENTE GOIRLE
B E S T E M M I N G S P L A N B E E K S E D I J K 26 - 2 8 ( G O I R L E )
GEMEENTE BESTEMMINGSPLANNUMMER SCHAAL VAN DE VERBEELDING STATUS PLAN DATUM TERVISIELEGGING ONTWERP DATUM VASTSTELLING
DATUM UITSPRAAK ABRS DATUM INWERKINGTREDING DATUM ONHERROEPELIJK NAAM EN ADRES OPSTELLER
`
: : : : : : : : : :
GOIRLE
NL.IMRO.0785.BP2020004BEEKSEDIJ-VO01
1:1000 ONTWERP
1
PLANTOELICHTING
2
INHOUDSOPGAVE PLANTOELICHTING
pagina
1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5.
Inleiding Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Bij het plan behorende stukken Leeswijzer
5 5 5 6 6 6
2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4.
Beschrijving plangebied Historische ontwikkeling Ruimtelijke en functionele structuur Toekomstige situatie Landschappelijke inpassing
8 8 10 11 12
3. 3.1. 3.2. 3.3.
Ruimtelijk beleidskader Rijk Provincie Gemeente
13 13 15 20
4. 4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5.
Thematische beleidskaders Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Volkshuisvesting Groen Verkeer en parkeren
26 26 26 29 30 30
5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6. 5.7. 5.8. 5.9.
Milieuaspecten Milieuhinder en bedrijven Externe veiligheid Kabels, leidingen en straalpad Geluid Lucht Geur Bodem Natuur Milieueffectrapportage
33 33 34 38 38 39 40 41 42 44
6. 6.1. 6.2.
Water Beleid Huidige en toekomstige situatie
45 45 48
7. 7.1. 7.2. 7.3.
Opzet planregels Plansystematiek Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels
51 51 51 51 3
7.4. 7.5.
Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel
53 54
8. 8.1. 8.2.
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
55 55 56
Bijlagen 1. Eindverslag inspraakprocedure 2. Verslag overleg Besluit ruimtelijke ordening 3. Toelichting Staat van bedrijfsactiviteiten 4. Standaard advies externe veiligheid 5. Akoestisch onderzoek 6. Quick scan flora en fauna 7. Landschappelijk inpassingsplan
4
HOOFDSTUK 1. INLEIDING 1.1.
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Aan de Beeksedijk nummer 26 is een voormalig agrarisch bedrijf gelegen. Het bedrijf is enkele jaren geleden gekocht door initiatiefnemer. Naast de bedrijfswoning is er een chalet aanwezig met huisnummer 28. Dit chalet heeft een eigen woonbestemming. De Beeksedijk 26 heeft in de huidige situatie een paardenhouderij bestemming. Al door de vorige eigenaar is de oorspronkelijke varkenshouderij bestemming gewijzigd in de bestemming paardenhouderij, naast het wijzigen van de bestemming zijn de bedrijfsgebouwen zeer beperkt aangepast voor deze nieuwe bestemming. Het plangebied is de afgelopen jaren zeer beperkt als paardenhouderij in gebruik geweest. De vorige eigenaar van het bedrijf is in de loop der jaren een steeds grotere oppervlakte van de bedrijfsgebouwen gaan verhuren als statische opslag ruimte. De bedrijfsgebouwen zijn in gebruik genomen voor het opslaan van campers, caravans, aanhangers en oldtimers. De middelen die opgeslagen staan behoeven geen verplaatsing, op een enkel gebruik in het jaar na, de duiding “statisch” is daarmee passend. Op het plangebied zelf worden geen agrarische activiteiten ondernomen, wel zijn de gronden in de nabijheid van het plangebied in gebruik als akkerbouwgrond. De machines en werktuigen die nodig zijn voor het bewerken van de grond worden in de winterperiode in de bedrijfsgebouwen gestald.
De woonbestemming die momenteel op het chalet aanwezig is voldoet qua richtafstanden niet aan de richtlijnen van de Vereniging Nederlandse gemeenten. In praktijk betekent dit dat het bedrijf aan de Beeksedijk 26 belemmerd wordt in een eventuele ontwikkeling en er ter plaatse van de Beeksedijk 28 geen zekerheid is van een goed woon- en leefklimaat. Middels een partiele herziening van het bestemmingsplan kan de woonbestemming van Beeksedijk 28 naar het oosten verplaatst worden en kan gelijktijdig de toekomstige situatie van het voormalige bedrijf, tevens de huidige situatie, worden vastgelegd.
1.2.
Ligging en begrenzing plangebied. Het plangebied is gelegen ten zuidoosten van de dorpskern Goirle. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Goirle, sectie I, nummers 248 en 249
5
Afbeelding: globale ligging van het plangebied 1.3.
Vigerende bestemmingsplannen Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, gelden in het plangebied de volgende bestemmingsplannen. Bestemmingsplan
Vastgesteld
Inwerking
Onherroeplijk
Buitengebied Goirle Buitengebied Goirle, herziening 2014
9-12-2008 23-09-2014
24-9-2009 23-12-2014
24-9-2009
ABRvS
23-12-2014
1.4.
Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouwen gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook de inhoud van het vigerend beleid beschreven en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.
1.5.
Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleidskader van rijk, provincie en gemeente. Het thematische 6
beleidskader komt aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.
7
HOOFDSTUK 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, ofwel de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van deze situatie door middel van een beschrijving van de historische ontwikkeling, de ruimtelijke en functionele structuur. Vervolgens wordt de voorgestane ontwikkeling besproken. 2.1.
Historische ontwikkeling De oorsprong De naam Goirle is samengesteld uit de woorden "goer" (goir) en "loo". Het eerste betekent moeras of drassige grond, het tweede bos of open plek in het bos. Als plaatsnaam wordt Goirle voor het eerst genoemd in een charter uit 1298, waarin sprake is van de Ludensvoirt te Goirle. Voorts wordt de naam gebruikt in een oorkonde uit 1312 betreffende het goed Ter Loo op Abcoven aan de Leij en in een charter van 1315 als het goed Ter Venne genoemd wordt. Opgravingen die zijn gedaan bij de afbraak van de oude parochiekerk in 1896, toonden de aanwezigheid van een kerkje in de 12e eeuw. In die tijd maakte het kleine kerkdorpje deel uit van de heerlijkheid Tilburg. Reeds in 1795 bestonden er plannen om Goirle van Tilburg te scheiden, maar hiertegen werd door beide plaatsen geprotesteerd. Pas in 1803 werd Goirle een zelfstandige gemeente.
Afbeelding: kaart van de gemeente Goirle uit 1866 (Atlas van J. Kuiper)
18e eeuw: ontwikkeling vanuit de Grootte Akkers richting De Leij De gemeente Goirle heeft een oppervlakte van ruim 2.544 ha en wordt begrensd door de gemeenten Alphen en Riel, Tilburg, Hilvarenbeek en Poppel (B). Zeer bepalend voor de ontwikkeling en vorming van het gebied waren de verschillende waterlopen. Vanaf de tijd dat Goirle nog deel uitmaakte van het hertogdom Brabant, tot aan de totstandkoming van de rijksweg Tilburg-Turnhout in 1853 zou er weinig veranderen in het straten- en wegenplan van het dorp. De waarschijnlijk oudste bebouwing is aangetroffen in het gebied van de vrij 8
hooggelegen Grootte Akkers. Door de verschuiving in de richting van de Leij ontstaan de wijken of herdgangen Abcoven en Kerk, en ten westen van de Grootte Akkers de herdgangen Dorp en Ven. In 1753 telde het dorp 132 woningen "daeronder begrepen kleijne hutten en keten" en maar een paar "stadsgewijze getimmerde huijzen". Met de aanleg van de rijksweg TilburgTurnhout verbeterde de infrastructuur in het dorp. 19e eeuw: groei van Goirle begint Als na 1850 de bevolking van Goirle flink begint te groeien, wordt voornamelijk gebouwd langs de oude kerkwegen en langs de nieuw aangelegde Tilburgseweg. Vooral het aantal arbeiderswoningen nam sterk toe. De voornaamste initiatiefnemers tot de bouw waren de fabrikanten en de landbouwers. Op het einde van de 19e eeuw is ook begonnen met de bouw van woningen langs bestaande akkerwegen, zoals de Molenstraat (achter de heuf), Groeneweg en Koude Pad. 20e eeuw: planmatige woningbouw Aan de woningbouw werd een nieuwe impuls gegeven door de Woningwet, die in 1901 tot stand kwam en waardoor het mogelijk werd om met rijkssteun woningen te bouwen en de volkshuisvesting te verbeteren. Dit resulteerde onder andere in de Kalverstraat, om de arbeiders dicht bij de fabriek te kunnen huisvesten, de Hoogstraat en de St. Jansstraat. In die periode vindt ook het Oranjeplein haar oorsprong.
Het werd aangelegd als groot kermisterrein, met de verwachting dat het centrum van Goirle zich daar zou ontwikkelen. De oorspronkelijk grote maat van het plein is te verklaren doordat er ruimte werd gemaakt voor een parochiekerk die op de plaats van het huidige groene deel zou komen. Rondom is planmatig woningbouw gerealiseerd. Tot in het midden van de 20e eeuw is het dorp binnen de grenzen van het huidige centrumgebied gebleven.
Afbeelding: kaart van de gemeente Goirle uit begin 20e eeuw Na de Tweede Wereldoorlog heeft Goirle grote groei gekend. Met de uitvoering van de bestemmingsplannen begon de groei van Goirle. Achtereenvolgens kwamen tot stand de woningen ten noorden van de Van Malsenstraat, plan West, de wijk Hoogeind, plan Abcoven en de wijken Grobbendonk, De Hellen en de Grootte Akkers. Tegelijkertijd begon rond 1970 de grootschalige sanering van de oudere wijken en straten. Een voorbeeld daarvan is de aankoop in 1969 van de terreinen en opstallen van de voormalige Pijnenburg's Weverijen met woningen 9
aan de Tilburgseweg, Groeneweg en Molenstraat. Op één villa na zijn alle gebouwen die bij de verkoop betrokken waren, verdwenen om plaats te maken voor de uitvoering van het centrumplan. Later zijn de wijken De Nieuwe Erven en De Hoge Wal tot stand gekomen. De woonwijk Boschkens, aan weerszijden van de Tilburgseweg (ten noorden van de Rillaersebaan is op het einde van de 20ste eeuw en begin 21ste eeuw gerealiseerd. 2.2.
Ruimtelijke en functionele structuur Het plangebied ligt in het buitengebied, in een ontginningsgebied dat vooral in agrarisch gebruik is. Ten westen ligt het beekdal van de Leij en de kern Goirle. Ten oosten liggen de boscomplexen van de landgoederenzone en de Beekse Bergen. De Beeksedijk is een oude verbindingsweg tussen Goirle en Hilvarenbeek, deze volgt slingerend het oude verkavelingspatroon. In de directe omgeving is een champignonkwekerij (Beeksedijk 24) en kleinschalige paardenhouderij (Beeksedijk 23) aanwezig. Verder kent de omgeving een geringe bebouwingsdichtheid.
Afbeelding: situering in de omgeving
10
2.3.
Toekomstige situatie Het voormalige agrarische bedrijf is voorzien van een paardenhouderij bestemming. Het plangebied is niet in gebruik als paardenhouderij of anderzijds agrarisch. In de omgeving van het plangebied bestaat een behoorlijke vraag naar betaalbare locaties voor het opslaan van kampeermiddelen en anderszins opslag van kleine bedrijven en particulieren, initiatiefnemer heeft hierop ingespeeld door het mogelijk te maken om efficiënt kampeermiddelen op te kunnen slaan in de aanwezige bedrijfsgebouwen. De gebouwen zijn ten tijde van de bouw ervan nooit beoogd om voor hun huidige gebruik te worden ingezet. Met name de voormalige dierenverblijven centraal op het plangebied en achter de kleinere loods zijn minder geschikt voor de opslag, initiatiefnemer wenst deze gebouwen te slopen en één kleinere loods terug te bouwen. Met het slopen van de bestaande stallen en het herbouwen van een loods in moderne staat ontstaat een compacter bouwvlak met een logische opbouw. Het gebruik voor de opslag van kampeermiddelen past tevens goed bij de nieuwe opzet. In totaal zullen er na bestemmingswijziging drie loodsen op het plangebied aanwezig zijn in tegenstelling tot de 5 die er momenteel staan. De te slopen gebouwen hebben een oppervlakte van 175 m2, 290 m2 en 340 m2. Na sloop en herbouw blijven er 3 loodsen op het plangebied over met een oppervlakte van 1.000 m2, 685 m2 en 375 m2.
Netto betekent dit een afname van 120 m2 bebouwing. Het aanwezige chalet dat nu een woonbestemming heeft zal in de beoogde situatie voorzien worden van een Bed & Breakfast functie. Met het slopen van de meest nabij gelegen stal ontstaat ruimte tussen het chalet en de overige bebouwing op het plangebied. Het chalet zal met een aantal landschapselementen afgeschermd worden van de overige bebouwing om het gebruik als Bed & Breakfast te veraangenamen. Het kadastrale perceel bekend als gemeente Goirle, sectie I, nummer 248 ten oosten van het voormalig agrarisch bedrijf is nu in gebruik als landbouwgrond. Het perceel is gelegen tussen het voormalige bedrijf aan de Beeksedijk 26 en het bos grenzend aan safaripark de Beekse Bergen. De nieuwe woning Beeksedijk 28 zal min of meer centraal op het perceel gesitueerd worden en de rooilijn van de bedrijfswoning aan de Beeksedijk 26 zal als leidend aangehouden worden. De woning wordt georiënteerd op de Beeksedijk en zal parallel aan de weg worden gebouwd. In het vigerende bestemmingsplan is reeds een bouwvlak opgenomen voor een nieuwe te bouwen woning. Echter is het gezien de ligging van het nieuwe bouwvlak ten opzichte van de locatie Beeksedijk 26 onmogelijk om binnen het bestaande bouwvlak een woning op te richten.
De afstanden waarmee rekening gehouden moeten worden ten opzichte van het bedrijf aan de Beeksedijk 26 kunnen niet gehateerd worden zonder dat Beeksedijk 26 in zijn mogelijkheden wordt geschaad. Om een nieuwe woning te kunnen realiseren is verschuiving naar het oosten noodzakelijk
11
2.4.
Landschappelijke inpassing Er is voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, het plan is als bijlage aan deze onderbouwing toegevoegd.
12
HOOFDSTUK 3. RUIMTELIJK BELEIDSKADER Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader. 3.1.
Rijk Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 zou moeten uitzien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daarbij streeft het Rijk naar een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Daarnaast verstevigt de SVIR het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de SVIR nog meer bij de provincies en gemeenten gelegd. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het bestemmingsplangebied zodoende zeer beperkt blijft. De SVIR richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor onderhavig bestemmingsplan.
Door decentralisatie van bevoegdheden wordt het relevante beleidskader gevormd door de provincie Noord-Brabant en de gemeente Goirle. Conclusie. Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid In de zogenaamde Realisatieparagraaf (‘Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid’) zijn alle nationale ruimtelijke belangen uit de verschillende Planologische Kern Beslissingen en de voorgenomen verwezenlijking daarvan gebundeld. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. De Realisatieparagraaf is toegevoegd aan de Nota Ruimte en heeft de status van structuurvisie. Conclusie Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats. 13
AMvB Ruimte In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen betreffen: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Geen van de in het Barro genoemde onderwerpen hebben echter betrekking op onderhavig bestemmingsplan. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 3.1.6 Bro opgenomen, de ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: "De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."(artikel 3.1.6, tweede lid, Bro). Uit jurisprudentie blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State woningbouwontwikkelingen vanaf 12 woningen beschouwt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Het voorliggende initiatief maakt de realisatie van het verplaatsen van één woning mogelijk en wordt daarmee niet beschouwd als stedelijke ontwikkeling waarvoor de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden.
Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet doorlopen te worden.
14
Crisis- en herstelwet Met de Crisis- en herstelwet (Chw) wil het kabinet de procedures voor grote projecten versnellen. Hiermee wordt een stap gezet om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden. De Chw zorgt voor een toename van het aantal kwalitatief goede woningen en bedrijfslocaties. Integrale gebiedsontwikkeling krijgt een belangrijke impuls. Op het gebied van bedrijventerreinen ligt de nadruk op herstructurering. De regels uit de Chw betreffen in deze vooral het bestuursprocesrecht waardoor de doorlooptijd van procedures voor in de wet aangewezen projecten kan worden verkort. Conclusie De Chw is niet van toepassing op onderhavig bestemmingsplan omdat dit plan niet kan worden aangemerkt als een besluit dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een ruimtelijk project zoals omschreven in de Chw. 3.2.
Provincie Brabantse omgevingsvisie De nieuwe Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultuur erfgoed en water. En regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Vooruitlopend hierop heeft de provincie alvast een provinciale omgevingsvisie gemaakt. Volgens de laatste informatie treedt de nieuwe Omgevingswet in 2021 in werking. In december 2018 is de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De omgevingsvisie geeft antwoord op de vraag hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien en waar Noord-Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De visie bestaat uit een basisopgave en vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn. De basisopgave is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De vier hoofdopgaven komen voort vanuit de basisopgaven.
Het gaat om de volgende hoofdopgaven: •Hoofdopgave I: werken aan de Brabantse energietransitie •Hoofdopgave II: werken aan een klimaatproof Brabant •Hoofdopgave III: werken aan de slimme netwerkstad •Hoofdopgave IV: werken aan een concurrerende, duurzame economie Om de doelen voortkomend uit de hoofdopgaven te bereiken zet de provincie Noord-Brabant in op een samenhangende ruimtelijke koers. De omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie. Het betreft het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP), de Structuurvisie ruimtelijke ordening (SVRO) en het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP). Grote delen van die 15
beleidsplannen horen vanuit het systeem van de Omgevingswet straks thuis in de programma’s. De beleidsmatige uitganspunten van de structuurvisie zijn, voor de aspecten waarop het provinciaal belang in geding is, uitgewerkt in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Conclusie Het beëindigen van een agrarische bestemming past binnen het provinciaal beleid, zeker gezien de ligging nabij natuur. In de omgeving van het plangebied is recreëren in opkomst, zo is bijvoorbeeld het nabijgelegen safaripark in de afgelopen jaren met name de recreatieve tak van de onderneming aan het uitbouwen. In de regio groeit daarmee de vraag naar hoogwaardige en betaalbare locaties om kampeermiddelen tijdelijk op te slaan, buiten vakantie periodes om. De ontwikkeling is daarmee passend in de provinciale omgevingsvisie. Het verplaatsen van de woonbestemming om ruimte te maken voor het type onderneming past inclusief de toename van kwaliteit voor de omgeving in de Brabantse omgevingsvisie.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 hebben de Provinciale Staten de “Interim omgevingsverordening Noord-Brabant” (hierna; IOV) vastgesteld. De IOV is op 5 november 2019 in werking getreden, waarna twee wijzigingen hebben plaatsgevonden. De eerste wijziging heeft betrekking op de Brabantse aanpak omtrent stikstof. De tweede en meest recente wijziging heeft betrekking op een termijnverlenging waarbij boeren langer de tijd krijgen een vergunning rond te krijgen voor nieuwe stalsystemen. Deze laatste wijziging is vastgesteld op 14 februari 2020. De IOV is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De IOV is daarbij een eerste stap op weg naar een omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2021 in werking. De IOV is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Enkele inhoudelijke wijzigingen zijn echter wel aangebracht.
In hoofdlijnen gaat het om: een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen; aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de Omgevingswet; aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit.
16
Zo wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor gemeenten. De instructieregels voor gemeenten hebben tot doel dat de gemeenteraad de in de omgevingsverordening opgenomen voorwaarden betrekt bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Vooruitlopend op de Omgevingswet, richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die wordt bepaalde door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het plangebied valt volgens de Interim Omgevingsverordening binnen de onderstaande relevante gebieden. Deze zijn voor het beoogde ontwikkeling nader uitgewerkt. • Stalderingsgebied • Verbod uitbreiding veehouderij • Beperkingen veehouderij; • Groenblauwe mantel; • Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied. Stalderingsgebied (art.
2.74) Voor veehouderijbedrijven in stalderingsgebied geldt dat uitbreiding van dierverblijven is verboden. Er is wel uitbreiding van dierverblijven mogelijk als dierverblijven elders worden gesaneerd. Er is op het plangebied geen sprake van uitbreiding van dierverblijven, dit artikel is daarom niet van toepassing. Verbod uitbreiding veehouderij (art. 2.72) Veehouderijen gelegen in dit gebied mogen niet uitbreiden met uitzondering van bedrijven in de grondgebonden veehouderij. Beperkingen veehouderij (art. 3.47) Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt voor geitenhouderijen dat de vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar en een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor geiten is uitgesloten. Het bestemmingsplan voorziet in functieverandering, waarbij de agrarische bestemming wordt omgezet naar een bedrijfsbestemming. De vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar een dierenverblijf voor een geitenhouderij is daarmee binnen het plangebied uitgesloten. Groenblauwe mantel (art. 3.32) Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel stelt onder andere regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en 17
hydrologische waarden en kenmerken van het gebied. Ook borgt het dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Het planvoornemen wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast op basis van een landschappelijk inpassingsplan met bijbehorende kwaliteitsverbetering. Hier wordt later in deze paragraaf op ingegaan. Dit geeft een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Daarnaast blijven de functieaanduidingen ‘hydrologisch waardevolle buffer’ en ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’ behouden en wijzigt met het planvoornemen alleen de functie. Er vinden geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats. Hiermee blijven de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken behouden en worden deze waarden en kenmerken verder versterkt door het landschappelijk inpassingsplan. Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied (art. 4.4) De regels omtrent de normen van wateroverlast zijn instructieregels voor waterschappen betreffende overstromingskansen buiten Stedelijk gebied en de daarbij behorende inspanningsverplichting. Zo moet de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren bestendig zijn tegen een overstromingskans van 1/10 per jaar voor grasland.
Voor bebouwing die is gelegen buiten Stedelijk gebied geldt de norm van het omringende landgebruik. Het omringende landgebruik rond het plangebied is hoofdzakelijk als grasland. Met het planvoornemen neemt het aandeel verharding niet toe. Er is slechts sprake van een functieverandering, waarbij geen sloop- of bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Daarbij is er voldoende natuur binnen het plangebied aanwezig om de hoeveelheid water in de bodem op te nemen of af te voeren naar omliggende sloten. Daarnaast gelden voor elke ruimtelijke ontwikkeling de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2). Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, die zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2 van de Interim Omgevingsverordening. Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: •Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 3.6); •Toepassing van de lagenbenadering (art. 3.7); •Meerwaardecreatie (art. 3.8). Zorgvuldig ruimtegebruik (art.
3.6) In artikel 3.6 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is gesteld dat het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving bijdraagt aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied. In het landelijk gebied wordt hiermee een bestaand bouwperceel bedoeld. De toedeling van nieuwe functies moet in beginsel plaatsvinden binnen bestaand ruimtebeslag. 18
Het is niet wenselijk dat overal ‘los’ in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. Het planvoornemen voorziet in een functieverandering binnen het bestaande ruimtebeslag. Daarmee is het planvoornemen in lijn met artikel 3.6 van de Interim Omgevingsverordening. Toepassing van de lagenbenadering (art. 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: •de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; •de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; •de bovenste laag, zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Door actief de factor tijd te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op de bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in deze toelichting. Meerwaardecreatie (art.
3.8) Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: •de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; •de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening kan deel uit maken van de 23 meerwaardecreatie. In de beoogde situatie wordt invulling gegeven aan de meerwaardecreatie door middel van een Landschappelijk Inpassingsplan. Conclusie De beoogde ontwikkeling van het plangebied past binnen de interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
19
3.3.
Gemeente Structuurvisie De structuurvisie, vastgesteld door de gemeenteraad op 20 juli 2010, biedt het kader voor het te voeren ruimtelijke beleid tot 2020. Het omvat de visie en de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid. Het plangebied en de directe omgeving is in de structuurvisie in het gebiedsdeel “oost” gelegen. In onderstaand figuur is een afbeelding uit de structuurvisie weergegeven, met een rode cirkel is het plangebied aangeduid.
Afbeelding: uitsnede structuurvisie Goirle De gemeente omschrijft deelgebied oost als een buitengebied met een menging van agrarische, recreatieve en natuurfuncties. De gemeente schets voor 2020 de ambitie dat het buitengebied van Goirle ruimte biedt aan recreatie maar dat massatoerisme voorkomen dient te worden en recreatie met respect voor de natuur dient te zijn. Aanvullend is er per deelgebied een strategie bepaald. In algemene zin ziet de gemeente het buitengebied ontwikkelen een aantrekkelijker worden voor recreatie. Agrarische locaties kunnen ontwikkeld worden tot nieuwe functies die daaraan bijdragen mits er sprake is van een kwaliteitsverbetering. Specifiek ingaand op deelgebied oost wordt de algemene visie nogmaals bevestigd,
20
recreatieve functies krijgen de voorkeur al krijgt de landbouw de ruimte in bestaande vorm te blijven. Conclusie. Het wijzigen van de bestemming van Beeksedijk 26 past binnen de structuurvisie van de gemeente Goirle. Met de sloop van de oude stallen en oprichting van een locatie waar de recreant terecht kan voor het plaatsen van kampeermiddelen ontstaat een hoogwaardige locatie. De wijziging van de woning tot een kleinschalige recreatieve functie past tevens goed in de beoogde structuur van de gemeente. Het verplaatsen van de woonbestemming Beeksedijk 28 is noodzakelijk om ruimte te bieden aan deze ontwikkeling en past in een betere structurering van de bebouwing aan de Beeksedijk. Met de verplaatsing ontstaat een logische opbouw van de bebouwing aan de Beeksedijk en een goede positionering van de woningen.
Bestemmingsplan Het plangebied bestaat uit het perceel waar het bedrijf op is gelegen en het naastgelegen perceel landbouwgrond. Op het plangebied zijn twee bestemmingsplannen van de gemeente Goirle van kracht. Op het grootste deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Goirle” zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 9 december 2008. De Beeksedijk 26 kent in dit bestemmingsplan de enkelbestemming “agrarische paardenhouderij”, het chalet met huisnummer 28 heeft de enkelbestemming “wonen” en het naastgelegen agrarisch perceel heeft de enkelbestemming “Agrarische landschapswaarden”. In onderstaand figuur is een uitsnede van de verbeelding weergegeven.
Afbeelding: uitsnede verbeelding “Buitengebied Goirle” 21
Met de ligging van een woonbestemming direct tegen het agrarisch bestemmingsvlak van de agrarische bestemming is de agrarische locatie in iedere eventuele ontwikkeling geremd. Om weer ontwikkelingen mogelijk te maken is in 2014 bij de gemeente een onderbouwing ingediend die is meegenomen in de herziening (veegplan) van het bestemmingsplan buitengebied Goirle. In dit bestemmingsplan is de woonbestemming van de Beeksedijk 28 ten delen, circa 25 meter, oostelijk opgeschoven. De vormverandering van het bestemmingsvlak biedt de mogelijkheid de woning te verplaatsen naar de voorzijde van de weg waarmee een logischere indeling van woningen plaats vindt. De verplaatsing van 25 meter is in praktijk te weinig om enige oplossing te bieden voor het gebrek aan ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf aan Beeksedijk 26. In onderstaand figuur is een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan weergegeven.
Afbeelding: uitsnede verbeelding “Buitengebied Goirle, herziening 2014” Middels de onderhavige herziening van het bestemmingsplan zal de woonbestemming Beeksedijk 28 verder naar het oosten opschuiven en wijzigt de bestemming van Beeksedijk 26. In de omgeving van het plangebied bestaat een behoorlijke vraag naar betaalbare locaties voor het opslaan van caravans, campers, aanhangwagens en oldtimers 22
initiatiefnemer heeft hierop ingespeeld door het mogelijk te maken om efficiënt kampeermiddelen op te kunnen slaan in de aanwezige bedrijfsgebouwen. De gebouwen zijn ten tijde van de bouw ervan nooit beoogd om voor hun huidige gebruik te worden ingezet. Met name de voormalige dierenverblijven centraal op het plangebied en achter de kleinere loods zijn minder geschikt voor de opslag, initiatiefnemer wenst deze gebouwen te slopen en één kleinere loods terug te bouwen. In onderstaand figuur is een schematische weergave gegeven van de beoogde situatie.
Afbeelding: beoogde situatie sloop en nieuwbouw Met het slopen van de bestaande stallen en het herbouwen van een loods in moderne staat ontstaat een compacter bouwvlak met een logische opbouw. Het gebruik voor de opslag van kampeermiddelen past tevens goed bij de nieuwe opzet. In totaal zullen er na bestemmingswijziging drie loodsen op het plangebied aanwezig zijn in tegenstelling tot de 5 die er momenteel staan. De te slopen gebouwen hebben een oppervlakte van 175 m2, 290 m2 en 340 m2. Na sloop en herbouw blijven er 3 loodsen op het plangebied over met een oppervlakte van 1.000 m2, 685 m2 en 375 m2. Netto betekent dit een afname van 120 m2 bebouwing. De voormalige woning Beeksedijk 28 blijft in eigendom van de bewoners van Beeksedijk 26. Om het gebouw een nuttige herbestemming te geven zal het 23
omgevormd worden tot Bed & Breakfast. De woonfunctie komt hiermee volledig te vervallen. Eindresultaat In het eindresultaat van de onderhavige procedure is het doel om de Beeksedijk 26 te voorzien van een kloppende bestemming en de woning aan de Beeksedijk 28 op correcte afstand op een passend bouwblok te laten landen. Onderstaand figuur geeft een weergave van de beoogde verbeelding. Het paarse vlak betreft de bedrijfsbestemming Beeksedijk 26, het blauwe vlak de B&B en het gele vlak de woonbestemming Beeksedijk 28.
Afbeelding: beoogde verbeelding In bovenstaande situatie is het huidige bestemmingsvlak aan de Beeksedijk 26 aangeduid met de bestemming “Bedrijf”, de gebouwen en de toekomstige bebouwing is gelegen binnen een bouwvlak van circa 5.000 m2. Het chalet in de noordoosthoek van het bestemmingsvlak zal de aanduiding “Bed & breakfast” krijgen, ter voorkoming dat dit als woning kan worden gebruikt. De woonbestemming aan de Beeksedijk 28 zal op 50 meter van het bestemmingsvlak aan de Beeksedijk 26 gelegen worden om belemmering onderling te voorkomen, de woonbestemming zal dezelfde oppervlakte houden zoals in de huidige situatie: 2.150 m2. De omliggende gronden kennen in de huidige situatie de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden”. In de toekomstige situatie zal dit zo blijven. Conclusie.
24
Om de gewenste ontwikkeling bestemmingsplan opgesteld.
mogelijk
te
maken,
is
onderhavig
Toekomstvisie In 2013 is door de gemeenteraad de “Toekomstvisie gemeente Goirle 2020” vastgesteld onder de titel “Thuis in Goirle: groen, sociaal, ondernemend” vastgesteld. Kortweg werd aan dit document de subtitel “Toekomstvisie 2020”gegeven. Deze visie -gebaseerd op de drie kernbegrippen ‘groen, sociaal en ondernemend’- dient als leidraad voor de toekomstige beleidsontwikkeling. De ambitie voor Goirle in 2020 luidt: Onze inwoners voelen zich thuis in de gemeente Goirle, want Goirle is een groene, sociale en ondernemende gemeente. Goirle is Groen De gemeente Goirle wordt gekenmerkt door het dorpse en landschappelijke karakter en is een prettige en groene woonomgeving, gelegen in het prachtige groen (bossen, beken, Regte Heide) en nabij de grote stad. Goirle is Sociaal De gemeente Goirle is een dynamische en levendige gemeente. De onderlinge sfeer is goed, open en positief. Ieder handelt vanuit zijn of haar eigen verantwoordelijkheid. Problemen worden door onze inwoners zoveel als mogelijk zelf opgelost. In laatste instantie biedt de gemeente een vangnet voor diegenen die daarop zijn aangewezen. We denken en handelen vanuit de ´menselijke maat´. De inwoners kennen elkaar en zijn betrokken bij hun directe naaste omgeving maar juist ook in buurten en wijken. We zijn er voor elkaar en zorgen voor elkaar als dat nodig is.
Goirle heeft een actief verenigingsleven en er zijn veel vrijwilligers. We zijn trots op ons eigen karakter en onze eigen identiteit en houden deze graag in stand. Goirle is Ondernemend Binnen de gemeente Goirle zijn voldoende voorzieningen voor wonen, leven, onderwijs, recreatie en zorg aanwezig voor jong en oud, voor ieder wat wils. Economische ontwikkelingen in dat kader worden waar mogelijk ondersteund. In onze afwegingen maken we een verantwoorde keuze gericht op duurzaamheid. Daarbij wegen we economische en ecologische argumenten in samenhang en zorgen we voor balans. We staan open voor nieuwe initiatieven van burgers, organisaties en ondernemers; soms initiëren we deze initiatieven zelf als we kansen zien of iets willen bereiken. Als gemeente kiezen we hierbij bij voorkeur een regierol. Conclusie Het verplaatsen van de woonbestemming en het wijzigen van de bestemming van het voormalige agrarisch bedrijf draagt bij aan de ambities van de gemeente Goirle. Er vind een aanzienlijke kwaliteitsimpuls plaats en de bebouwing wordt op een logischere wijze ingedeeld.
25
HOOFDSTUK 4. THEMATISCHE BELEIDSKADERS In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema's. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van de kaders. Milieuaspecten en water komen aan bod in de volgende hoofdstukken. 4.1.
Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand Stedenbouwkundige uitgangspunten De vervangende loods op de het bouwvlak van de Beeksedijk 26 zal op de plaats van de middelste stallen komen, er ontstaat daardoor een positief beeld vanaf de Beeksedijk. De bouw van de woning zal gerealiseerd worden als vrijstaande woning met een traditioneel landelijke stijl, in één bouwlaag en afgedekt met een kap. De woning wordt georiënteerd op de weg aan de voorzijde van het perceel. Welstand Bouwplannen moeten onder meer worden getoetst aan 'redelijke eisen van welstand', aldus de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de bouwplannen die in de gemeente worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de gemeenteraad moet worden vastgesteld. In Goirle is dat gebeurd op 11 maart 2014. De welstandsnota heeft een duidelijke relatie met bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan beschrijft naast de toegelaten functies in stedenbouwkundige termen de toegestane bouwmassa's in een gebied en de plaats waar deze mogen worden gebouwd. Het is de taak van welstandsbeleid te borgen dat bij veranderingen de verschijning van de bouwmassa's passend is en blijft in de omgeving.
De Welstandsnota verdeelt de gemeente hiertoe in verschillende soorten gebieden, ieder met hun eigen gebiedsgerichte criteria. Voor de gedetailleerde regeling wordt verwezen naar de welstandsnota. De bouwplannen voor de nieuwe woning aan de Beeksedijk 28 zijn reeds voorgelegd aan en goedgekeurd door de welstandcommissie.
4.2.
Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg Archeologie Omdat in groeiende mate het Europese archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in
26
casu de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende: - de introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologische onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder; - de verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening. In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld. Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport over te leggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist. Dit bestaat in de eerste plaats uit vooronderzoek: het bureauonderzoek en/of inventariserende veldonderzoek, elk met bijbehorende standaardrapportages. Tijdens het bureauonderzoek wordt gekeken naar wat er in historisch, archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht al bekend is over het plangebied. De volgende fase bestaat in veel gevallen uit een veldonderzoek. Dergelijk onderzoek heeft als doel kansrijke en kansarme zones te karteren.
Hierbij kan booronderzoek plaatsvinden alsmede proefsleuvenonderzoek. De resultaten dienen vervolgens te worden gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase wordt van de aangetroffen vindplaatsen, ook wel site genoemd, de omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit vastgesteld om zo tot een oordeel over de behoudenswaardigheid te komen. Op basis van dit oordeel neemt de betrokken overheid een (selectie)besluit hoe met eventueel aanwezige vindplaatsen dient te worden omgegaan. Het plangebied kent een geen archeologische verwachtingswaarde. Bureauonderzoek en verkennend onderzoek De volgende werkinstrumenten zijn hoofdzakelijk gebruikt bij het archeologische deel van het bureauonderzoek: - de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek; - de database van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (Archis, Archeologisch informatiesysteem); - de Archeologische Monumenten Kaart (AMK).
27
Afbeelding: Archeologische verwachtingskaart (CHW Brabant) Het plangebied wordt doorkruist door de grens van een archeologisch landschap. Het betreft een aanzienlijk landschap dat zicht globaal tussen Moergestel en de Belgische grens uitstrekt. De omschrijving van de Provincie leert dat het een dekzandeiland betreft. Het landschap kenmerkt zich als licht glooiend en met diverse beekdalen gelegen in en rond het gebied, het gebied heeft beperkte archeologische vindkansen. Cultuurhistorie en monumentenzorg Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven. Hierbij zijn vooral de Erfgoedwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader. Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing In het plangebied komt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing voor. Rijksmonumenten In het plangebied komen geen rijksmonumenten voor. Gemeentelijke monumenten In het plangebied komen geen gemeentelijke monumenten voor.
28
4.3.
Volkshuisvesting Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' (Actualisering 2017) geeft inzicht in de veranderingen in de omvang, groei en samenstelling van de bevolking van de provincie Noord-Brabant. Deze prognoses zijn voor beleidmakers op elk maatschappelijk terrein, waaronder woningbouw en volkshuisvesting, van belang. Volgens de nieuwe provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose neemt het inwonertal van Noord-Brabant toe van 2.513.500 in 2017 tot een maximum van ruim 2.645.000 mensen aan het begin van de jaren ’40. Dit betekent dat de Brabantse bevolking de komende 25 jaar naar verwachting nog met ruim 130.000 personen zal groeien. De woningvoorraad bereikt eveneens een hoger maximum vergeleken met de vorige prognose uit 2014. De hogere bevolkingsgroei speelt hierbij uiteraard een rol. Samen met de vergrijzing en de individualisering leidt dit tot een sterke groei van het aantal huishoudens (en dus woningen). Verwacht wordt dat er in Brabant anno 2050 iets meer dan 1.260.000 woningen nodig zijn om in de woningbehoefte te kunnen voorzien, ruim 20.000 woningen meer dan de ramingen uit 2014. Dat betekent een toename van een kleine 160.000 woningen ten opzichte van de 1.104.000 die er aan het begin van 2017 in de provincie moeten staan.
De woningvoorraad blijft tot aan het einde van de prognoseperiode groeien, al vlakt de groei in de loop van de prognoseperiode wel sterk af. Al met al wacht Brabant de komende tijd nog een flinke woningbouwopgave, met een accent op de eerstkomende jaren. Tot 2030 zal de woningvoorraad nog met ruim 120.000 woningen moeten toenemen, gemiddeld genomen bijna 10.000 woningen (netto) per jaar. Dit om de verwachte groei van het aantal huishoudens op te kunnen vangen en bestaande woningtekorten terug te dringen. In lijn met het provinciale verstedelijkingsbeleid concentreert de groei van de woningvoorraad zich in de stedelijke gebieden Het beleid richt zich onder meer op: -het bouwen van voldoende woningen en -het voorzien in een gevarieerd en aantrekkelijk aanbod van woningen en woonmilieus. Het is dan ook van provinciaal belang, dat de regionale woningmarkt goed functioneert. Daarvoor worden in regionaal verband afspraken gemaakt. De 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant' geeft daarvoor, aangevuld met regionale woningbehoefteonderzoeken, waaronder het 'Woningbehoefteonderzoek Hart van Brabant' van 2017, de input. Regionale afspraken Hart van Brabant De gemeente Goirle maakt samen met de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk deel uit van de regio Hart van Brabant. Binnen deze regio maken deze gemeenten jaarlijks 29
gezamenlijke afspraken met de provincie Noord-Brabant over de kwantitatieve woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de, hiervoor genoemde, periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkings- en woningbehoefteprognose. In het Regionaal Ruimtelijk Overleg Midden Brabant van 19 december 2018 (Regionale Agenda Wonen 2019 Hart van Brabant, dit document is te vinden op de website van de provincie Noord-Brabant, www.brabant.nl) zijn afspraken gemaakt tussen gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk over het maximum aantal te bouwen woningen tot en met 2027. Op basis van de provinciale behoefteprognose is in de gemeente Goirle de kwantitatieve woningbehoefte voor de periode 2017-2027 840 woningen. Woonvisie 2019-2022 Het gemeentelijk woonbeleid volgt uit de vierjaarlijkse woonvisie. De Woonvisie is vastgesteld door de gemeenteraad op 2 juli 2019 Binnen de gemeente zijn veel potentiële woningbouwlocaties. Er moet daarom een zorgvuldige afweging plaatsvinden. Niet alleen omdat er niet meer woningen gebouwd 'mogen' worden, maar ook omdat wanneer er meer capaciteit wordt geboden dan er behoefte is, de kans groot is dat er uiteindelijk minder wordt gebouwd dan die behoefte.
Bij te veel aanbod tegelijkertijd kunnen plannen elkaar onderling beconcurreren of zelfs elkaar in gijzeling nemen omdat bij geen van de plannen voldoende wordt afgenomen om te starten. De afweging waar woningen mogen worden gebouwd vindt plaats in de Notitie Prioritering woningbouwlocaties. In onderhavig initatief is geen sprake van het toevoegen van een nieuwe woning. Het betreft het verplaatsen van een bestaande woning. Er is dan ook geen sprake van verstedelijking. Deze paragraaf wordt dan ook niet verder uitgewerkt.
4.4.
Groen De gemeenteraad heeft op 11 maart 2014 het Groenstructuurplan vastgesteld. In dit plan wordt een lange termijn visie voor het gemeentelijk groen binnen de bebouwde kom weergegeven. Op de locatie is momenteel beperkt groen aanwezig. Gezien de woning en de bestaande gebouwen buiten de bebouwde kom liggen, valt deze niet onder het Groenstructuurplan. De nieuwe woning en de bestaande bebouwing zal landschappelijk worden ingepast. Daarnaast wordt met behulp van groen een afscheiding tussen het bedrijf en de woning gecreëerd.
4.5.
Verkeer en parkeren Verkeer Op 10 december 2013 heeft de gemeenteraad van Goirle een nieuw Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Het doel van het GVVP is het vastleggen van het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente 30
Goirle voor de periode 2013 tot 2023. Het beleid moet aansluiten bij de ambities en de speerpunten die de gemeente heeft en moet tevens passen binnen de kaders die hogere overheden in hun beleid stellen. In het GVVP worden de thema's verkeersveiligheid, fiets, bereikbaarheid en verkeerscirculatie, voetgangers/minder validen, parkeren, openbaar vervoer en leefbaarheid en milieu besproken. Het plangebied is gelegen aan de Beeksedijk. De Beeksedijk is een tweebaansweg met ter hoogte van het plangebied een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. Voor het fietsverkeer is afzonderlijk naast de weg een fietspad aangelegd. De Beeksedijk heeft de uitstraling en opzet van een typisch Brabants buitengebied weg. Het bedrijf ter plaatse van de Beeksedijk 26 is en blijft ontsloten via de Beeksedijk. Het gebruik als opslagbedrijf betekend een beperkte invloed op de verkeersbewegingen van en naar de locatie. De Beeksedijk is van voldoende kwaliteit en capaciteit om het verkeer van het plangebied te kunnen verwerken. De nieuwe woning aan Beeksedijk 28 zal ontsluiten aan de Beeksedijk. Gezien het een woning betreft, is de invloed op de verkeersbewegingen beperkt. Daarnaast is de aanwezige weg met afzonderlijke fietsstrook van voldoende kwaliteit voor auto en fietsverkeer. Het plan past binnen het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan.
Openbaar vervoer Het plangebied is redelijk bereikbaar als gebruik gemaakt wordt van het openbaar vervoer. Op circa 15 minuten lopen van het plangebied is een bushalte gelegen. Conclusie. Het wijzigen van de bestemming en het gebruik van de gebouwen aan de Beeksedijk 26 past binnen het mobiliteits en verkeersbeleid. De Beeksedijk is in staat het verkeer van het plangebied te verwerken. De verplaatsing van de woonbestemming past tevens binnen het gemeentelijk verkeersbeleid. Parkeren Bij de vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Dit is in de planregels opgenomen. Volgens het CROW dient er voor een arbeidsextensief bedrijf zoals een opslagbedrijf rekening te worden gehouden met 1,3 parkeerplaatsen per 100 m2 bedrijf. Dit komt in praktijk neer op 21 parkeerplaatsen. Er is ter plaatse voldoende verharding aanwezig om deze parkeerplaatsen te realiseren. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied dienen er conform de norm 2,8 parkeerplaatsen per woning aanwezig te zijn. In het plangebied zijn 3 parkeerplaatsen voorzien Conclusie. 31
Parkeren vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Er is voorzien in voldoende parkeergelegenheid om te voldoen aan de gestelde CROW-normen.
32
HOOFDSTUK 5 MILIEUASPECTEN Dit hoofdstuk geeft aan hoe de milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. 5.1.
Milieuhinder en bedrijven Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie "Bedrijven en milieuzonering". In deze publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd.
Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van richtafstanden). Twee omgevingstypen De toelaatbaarheid van milieubelastende functies die volgende de VNG worden gehanteerd zijn afhankelijk van het type gebied. Er bestaan twee type gebieden: 1. een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied) of 2. een gebied met functiemenging. Binnen de gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies. Invloed van de omgeving op het voornemen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen (agrarische) bedrijven waarvan de milieuzonering van invloed is op de plannen voor het plangebied.
33
Invloed van het voornemen op omgeving In de omgeving van het plangebied zijn geen locaties gelegen die toetsing op bedrijven en milieuzonering verwachten. De twee locaties, Beeksedijk 26 en 28 zijn ten opzichte van elkaar het meest relevant voor wat betreft bedrijven en milieuzonering. Om te voorkomen dat in de nabije of verdere toekomst het bedrijf aan de Beeksedijk 26 een belemmering vormt voor de woning aan de Beeksedijk 28 wordt een afstand aangehouden van 50 meter tussen beide bestemmingen. Conclusie Vanuit het aspect milieuhinder bestaat er geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging. 5.2.
Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.